Simon Rivier: De verovering van den Briel, of grondlegging der Batavische vryheid. Amsterdam, 1777.
Uitgegeven door drs. G.C. van Uitert.
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
CenetonFacsimile bij Ursicula
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.
Continue
[
fol. *1r]

DE

VEROVERING

VAN DEN

BRIEL,

OF

GRONDLEGGING

DER

BATAVISCHE VRYHEID,

TREURSPEL.



[Vignet: fleuron]



TE ROTTERDAM,


BY GERRIT VAN WAASBERGE,
Boekverkooper in den Houttuin, 1777.


[fol. *1v]

VERTOONERS.

WILLEM, GRAAF VANDER MARK, Baron of
        Vryheer van Lumey, Lt. Admiraal, enz.

JONKER BARTEL ENTES, Heer van Mathena,
        Onderadmiraal.

JONKER WILLEM VAN BLOIS VAN TRESLONG,
        Hoofdman onder Vander Mark, daarna Admiraal
        van Zeeland en Houtvester van Holland.

JACOB SIMONSZOON DE RYK, Kapitein onder
        Vander Mark, daarna Admiraal van Veere.

JAN VAN DUIVENVOORDE, Rentmeester van
        Voorne, in Brielle.

JAN PIETERSE KOPPESTOK, Veerman van den
        Briel op Maaslandsluis.

ROCHUS MEEUWSE, Stadstimmerman in den Briel.
GERRIT PHILIPSZOON, Brielsch Burger.
PONTUS, Monnik in het Reguliers Klooster Rugge,
        buiten den Briel.

KORNELIA, Vrouw van Rochus Meeuwse.
ELIZABETH, Vrouw  }
FREDERIK, Zoontje } van Gerrit Philipszoon.
MARIA, Dochtertje   }
MAXIMILIAAN VAN HENNIN, Graaf van Bossu,
        Opperhoofd der Spaansche Benden.

SANCHIO DE LODOGNO, Spaansch Hopman.
GABRIEL MANRIQUES, Edelman uit Spanje.
FURTADO, Spaansch Hoofdman.
ZWYGENDEN.
Nederlandsche Edelen,
Matroozen, Soldaaten, Geestelyken,
Burgers, Boeren, Vrouwen en Kinderen.
Spaansche Wachten.

Den Drukker dezes erkent geen Exemplaren voor echt,
    dan die met zyn naam onderteekent zyn,

Gvwaesberge



[fol. *2r]

[Wapen van Willem V en Wilhelmina van Pruisen
Gravure van R. Muijs: Honi soit qui mal y pense]

ZYNE

DOORLUCHTIGE HOOGHEID

DEN VORST EN HEER

WILLEM DEN VYFDEN,

PRINS VAN ORANJE EN NASSAUW,
ERFSTADHOUDER, KAPITEIN GENERAAL
EN ADMIRAAL DER VEREENIGDE
NEDERLANDEN, ENZ. ENZ. ENZ.

Behoort iemand van het zyne den Tytel te voeren, het is, in deezen, dat het uwe Vorstelyke Doorluchtigheid toekomt, dit Stuk, myne geringe Herssenvrucht, genadig te eigenen; gelyk ik uwe Hoog- [fol. *2v] heids goedkeuringe te danken hebbe dat zulks is geschied, en welke onverdiende vergunning de nedrigheid en Burgerliefde in een Prinsselyk hart kenbaar maakt, my nimmer in dankbaare erkentenisse zal uit de gedachten gaan, den mynen ten richtsnoer moet strekken zich dier gunste, zoo veel moogelyk, waardig te maaken, en den Landgenoot doet zien, hoe bereidwillig onzen Doorluchtigen Stadhouder de billyke verzoeken der geringsten zelfs niet van de hand wyst, maar veeleer hoogstvaderlyk aanneemt, en zich derzelver bescherming niet begeert te ontrekken.
    Het is eene bekende waarheid, die den allerfelsten Haater niet kan tegenspreeken, dat wy de Grondvesting onzer dierbaare Vryheid, den yver, de liefde, trouw en standvastige dapperheid uwer onwaardeerbaare Voorvaderen meest te danken hebben, als het waar is dat alle harten daarvan overtuigd zyn, en het ook eene waarheid zy dat die Vorsten altoos ten metaalen Voormuuren des Vaderlands, ten leeven den Legers en tot voorwinden der Vlooten, verstrektten, de bereidwilligheid der Burgeren, met den moed der Beschermers, bezieldden, en meer dan eens, door de gaave Gods, de behouding vondden toen alles verlooren scheen.
    De Eerste onzer heerelyke Stadhouders, met reden, Grondlegger der Batavische Vryheid geheetten, het eigelyke beweegrad der pryswaardige en heldhaftige
[fol. *3r] handelingen van de zoo genoemde Watergeuzen; was meteen Beteugelaar hunner te verregaande wraakzucht, Voorgangeer der Braaven tot alles goeds, en waarachtigen Veroveraar van den Briel, zonder wiens geliefden naam niets waare uitgerecht geworden; want in hem wist ieder braaf Nederlander een’ Vriend en Vader te vinden, zynde voor alle redelyke Religiebelyders te hunner behoudenisse even dierbaar, welke hy door zyn onwaardeerlyk bloed gekocht heeft en dus tot den hoogsten prys betaaldde. Deeze Eerste uwer nooitvolpreezene Voorgangers schynt dus myne stoutheid te billyken, den allergelukkigsten zyner Vorstelyke Nazaaten (in uwe Doorluchtige Hoogheid te vinden) de bescherming zyner Hoogloffelyke Grondlegging der Batavische Vryheid toe te durven wydde: eene stoffe, die, tot myne verwondering, voor zoo verre my bewust is, nog nooit door het leevende Tooneelspel verleevendigd wierde.
    Deeze gelukkige verhandeling, heeft my den allergelukkigsten onzer Vorstelyke Stadhouders ten Begunstiger doen gewinnen; ik zegge, den allergelukkigsten; want wien derzelven bragt met zyne gewenschte geboorte het gelukkig einde van eenen bederffelyken oorlog mede? wien hunner was aan zulk eenen onvergelykelyken Koninglyken Heldt en Overwinnaar, meer dan Alexander, Cesar en Augustus, zoo na, door een allergelukkigst Huuwelyk vermaagd-
[fol. *3v] schapt? wien dier Doorluchtigen heeft in zulk eene langen bestendigen Vrede, zoo ryk in Vorstelyke Telgen en liefde des Volks moogen regeeren als uwe Doorluchtigheid? alle het welke myn heil te grooter maakt, doordien onze Vaderlanders zoo algemeen in uwe Hoogheids gelukken deelen en ’er vrucht van smaaken, gelyk my ook dezelve els een’ vruchtbaaren regen bevochtigt. Het is deeze uwe genadige gunst die my alleen niet verblydt, maar ook de meesten myner Deelgenooten, in onze voorige ongelukken, ten hoogsten verheugd van harten maakt en doet hoopen dat uwe Hoogheid, eenmaal uit de hoogte op een’ gering Tooneelspeelder hebbende behaagt neder te zien, aan hun ook by gelegenheid uwe Prinsselyke bescherming niet zult gelieven te ontrekken, volgende in menschliefde, gelyk in andere deugden die Vorsten na hunnen dood vergoden, uwe heerlyke Voorzaaten volmaaktelyk; onder dewelken het altoos eene hoofddeugd gerekend werd de onderdrukte onschuld bescherming te verleenen, zonder uitzondering van Persoon: hoe veel te meer moogen het dan de zulken verwagten, die altyd, als getrouwe gehoorzaame Medeburgers, ten welzyn der Lande naar vermoogen medewerktten, in yver en liefde des Vaderlands volharddenden en in het mededraagen der Staatslasten nimmer onlustig zyn geweest, of immer eenige onwilligheid toondden.
[fol. *4r]
    Het is zelve grootdeels de zucht tot ons Vaderland te wyten, dat myne voorgaande Stukken, gelyk ze zyn, werden uitgegeeven, en uit dezelfde geneigtheid des harte ziet dit mede het licht, aanmerkelyker dan de anderen, door uwen Vorstelyken naam aan het Hoofd te voeren; en het is deeze uwe Doorluchtigste gunst die my dus stout maakt byna geheel alleen op zwakke vleugelen te durven dryven; het welke voordeezen nooit geschiedde; waarom ik hoogstnederig verzoeke, dit in aanmerking te neemen en de gebreeken daarin genadig te verschoonen; dat ik te meer durf verwagten te erlangen, doordien myne voorgaanden, zoo als dit, en anderen welke moogelyk nog eens volgen zullen, hoe gering, echter bewyzen zyn van myne liefde tot braave Vaderlanders en derzelver Beschermers, terwyl onder beide uwe heerelyke Voorgangers met recht de eerste plaats bekleeden, welker erkentenisse in myn hart der dankbaarheid met vollen monde uitschreeuwen.
    Uwe Doorluchtigheid gelieve (naar zyne gewoone nedrigheden) deeze gezegdens niet aan te merken gelyk vleijende loftuitingen; maar als verpligtingen welke ik my zelven altoos hebbe opgelegen, om iemand, naar myn zwak vermoogen, zyne verdienden lof toe te kennen, stellende de geenen die zulks niet doen in eenen graad met hen die den arbeider zynen zuuren rechtvaardigen loon weigeren; als willende wel diensten en voordeelen genieten, doch denzelven niet
[fol. *4v] erkennen wordende dierhalve schuldig aan ondankbaarhedens, die voor alle edelmoedige zielen stellen zyn onder de haatelykste, snoodste en verachtelykste gebreeken die ooit in den mensch plaats kunnen neemen. Het was echter een soort van hovaardy, die in een gering hart opklom, om zulk een’ Hoogverheven Persoon, als uwe Vorstelyke Doorluchtigheid, der bescherminge, hoogstnederig, te durven verzoeken van een Stuk, dat zyne enkele waarde heeft, een schraal gedeelte uwer eerste Heerelyke Naamgenoots en Voorzaats daaden te verleevendige; maar het is myn goedt geluk, dat my uwe Hoogwaardige toestemminge heeft doen verwerven; waardoor ik, ten minste, het heilryk vergenoegen hebbe, den Tydgenoot en Naneef (in spyt myner onbekwaamhedens) te toonen, met welken yver en geneigdheid myn hart, jegens uwen Hoogvorstelyken Doorluchtigheids dienst, bezwangerd gaat; in welke streelende hoop, ik beschroomd de eere neeme, my zelven met de diepste en nederigste eerbiedigheid te noemen,

DOORLUCHTIGSTE VORST, EN HEER!

                            Uwe Hoogheids

 Onderdaanigste
en getrouwe Dienaar,
SIMON RIVIER.

    ROTTERDAM,
den 30sten September 1777.
Continue
[
p. 1]

DE

VEROVERING

VAN DEN

BRIEL,

OF

GRONDLEGGING

DER

BATAVISCHE VRYHEID.

TREURSPEL.
_________________

EERSTE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

VANDER MARK, ENTES, TRESLONG,
DE RYK, Gevolg van Edelen.

VANDER MARK.
Dus staen wy eindelyk op Hollands dierbren grond,
Om hier een vast verblyf te zoeken; daar ’t verbond
Van Brit en Kastiljaan ons ’t landen heeft verbooden,
In ’t Engelsch Ryksgebied: dit wordt ons door dien snooden
(5) En haatelyken eisch des Spanjaards aangedaan,
En daarom moeten wy hem dapper tegengaan,
Met welvereende magt: wy moeten ’t onheil wreeken
Op Alva, dat gedrocht, en zyn vermoogen breeken
[p. 2]
Zoo veel men immer kan; men moet de dwinglandy,
(10) Den bloeddorst, dollen haat, en wat meer yslyk zy,
Door hem aan ons betoond, den zynen ruim vergelden.
TRESLONG.
Wy moeten Nederland, als waare vryheids helden,
Ontheffen van zyn’ last, die onverdraaglyk is.
Geen in des vyands dienst zy lyfsbehoudenis
(15) Vergund, indien wy hen verwinnen: maar de Koning
Is Hollands Opperheer, aan wien ’t ons voegt verschooning
Van dit ons stout bestaan met ernst te smeeken, tot
Wy vast verzekerd zyn dat hy het moordgebod
Bevolen heeft; zoo niet hy zal den Hertog stuiten,
(20) En roepen hem, vergramd, te rug als dees zich buiten
Zyn strikt bevel gedraagt; en doet de Vorst dit niet
Dan blykt ons klaar dat zulks met zynen wil geschiedt.
VANDER MARK.
Philippus straffe hand heeft eerst die web geweeven.
Een Koning, die zyn’ Zoon beroofdde van het leeven,
(25) Die Bergen, Montigny, en Egmond heeft gedoemd,
Verdient geenszins dat hy zachtmoedig wordt genoemd,
En kan, na zulk bestaan, geen Graaf van Holland blyven.
ENTES.
Durft Alva, rood van bloed, zich ’s Konings Dienaar schryven,
Laat ons, met hem gelyk, uit Vorstelyken last,
(30) Als ’t rechten krygsliên van een’ Spaanschen Koning past,
Bewandelen den weg, dien wy hem zien betreeden.
VANDER MARK.
Dit voorstel dunkt my goed, gegrondvest op de reden.
Myn Vrienden, laat ons voort den Briel verovren gaan.
DE RYK.
Waartoe die haast, Mynheer? Wy moeten onderstaan
(35) Of niet met vriendlykheid die Stad is in te krygen.
[p. 3]
VANDER MARK.
Wie zendt men daar best heen?
TRESLONG.
                                                  Zacht, Heeren, laat ons zwygen.
Een Veerman, die met spoed zyn Vaartuig herwaards wendt,
Toont weinig vrees, en schynt aan my niet onbekend.
VANDER MARK.
Wy voegen ons ter zy’. Gy kunt dien Schipper spreeken;
(40) En is u in dien man voor ons wat goeds gebleeken,
Verzoek hem dan dat hy de Stad opeischen gaat.



TWEEDE TOONEEL.

TRESLONG, KOPPESTOK, op zyn Vaartuig.

KOPPESTOK.
’k Moet weeten van naby hoe ’t hier geschapen staat.
TRESLONG.
Kom hier aan Land, Kaptein; ik heb u iets te vraagen.
KOPPESTOK.
Ik kom u daadlyk by.



DERDE TOONEEL.

TRESLONG, alleen.

                                      Wy moeten alles waagen
(45) Om ons in deezen muur te vesten met beleid;
Daar ’t Eiland, door zyn’ stand en welgelegenheid,
Ons zoo veel voordeel geeft, als ’t Spanje schaê zal weezen,
En nog de klip kon zyn, daer ’s Konings magt, nadeezen,
Zich op te bersten stiet en gansch verbryslen zal.
(50) Oranje, braave Held! gy die geen ongeval
Of lyfsgevaaren vreest, om Neêrland te bevryden,
Uw onverwelkbre roem zal ’t meeste voor ons stryden,
[p. 4]
En overwinnen doen! uw naam alleen doet meêr
Dan Lumeys woest Gevolg en al ons krygsgeweer.



VIERDE TOONEEL.

TRESLONG, KOPPESTOK,

KOPPESTOK.
(55) Wat is ’er van uw’ dienst?... Maar wat komt gy hier maaken,
Mynheer Treslong?
TRESLONG.
                                Gy ziet die Schepen wel?
KOPPESTOK.
                                                                        Wat raaken
Die Schepen u of my?
TRESLONG.
                                  Zoo ze onder myn bevel
Behoorden raakten ze u ligt meêr?
KOPPESTOK.
                                                      Wel hoe! Ik tel
Van verre in deeze Vloot wel zesentwintig Kielen.
(60) Denkt gy Toledoos magt te water te vernielen?
Of hebt ge iets anders voor?
TRESLONG.
                                              Ja. Luister eens, myn Vrind:
Wy komen door ’t geval, door stroomen, weêr en wind,
Of ’s Hemels wil veeleer, aan deeze Kust gedreeven.
KOPPESTOK.
Gy komt uit Engeland?
TRESLONG.
                                      ô Ja. Aldaar te leeven
(65) Als balling en van roof, viel ons te zuur en wrang,
En daarom namen wy te saamen, reeds voorlang,
Het eensgezind besluit, iets van gewigt te waagen,
Gelyk wy nu gaan doen op Brielle.
KOPPESTOK.
                                                        Ik moet u vraagen
[p. 5]
Of deeze gansche vloot met Krygsvolk is bevracht,
TRESLONG.
(70) Zelf overlaaden vol.
KOPPESTOK.
                                        De Stad is in uw magt,
Zoo gy de waarheid spreekt, en ’k u den weg wil wyzen.
Zyn all’ die Schepen vol!
TRESLONG.
                                        Maar twee zyn Spaansche pryzen,
Door ons, by Tessels reê, gelukkig opgedaan;
Doch de andere zyn zeer wel met dapper Volk belaên,
(75) Met Krygsliên, die den Staat en ’t Stamhuis van Oranje
Getrouw zyn, ook meteen zyn Majesteit van Spanje
Erkennen voor hunn’ Vorst; maar schriklyk zyn verstoord
Op Alva, Perenot, en andren, die, door moord,
Door bloed- en gouddorst, wreed, de Vryheid ondermynen.
KOPPESTOK.
(80) Dat Volk is naar myn’ smaak.
TRESLONG.
                                                      Dus zou ’t byna wel schynen
Dat gy de goede zaak waart toegedaan.
KOPPESTOK.
                                                                Myn Heer,
Ik dien myn Vaderland, en stel daarin myne eer
Dat ik de goede zaak de hand zal moogen leenen.



VYFDE TOONEEL.

VANDER MARK, ENTES, TRESLONG, DE RYK, KOPPESTOK, Gevolg van Edelen.

TRESLONG, Vander Mark tegengaande.
Die Veerman zal met ons zich op het naauwst vereenen,
(85) En trouw behulpzaam zyn.
VANDER MARK.
                                                  Dat hy met allen spoed,
Uit onzer aller naam, dan straks een boodschap doet
[p. 6]
Aan hun die ’t Eiland Brielle en zyne Stad bestieren.
TRESLONG. tegen Koppestok.
Zult ge uw kloekmoedigheid dien toom wel durven vieren?
KOPPESTOK.
Ja toch; hier is geen mensch die u durft tegen gaan.
(90) Wat wilt gy dat ik zeg.
VANDER MARK.
                                            Dien uw Regeering aan,
Dat u Graaf vander Mark, Treslong en andre Heeren,
Ontmoet zyn, aan wien gy, op hun volstrekt begeeren,
U zelf verbinden moest te treeden in de Stad,
Om van haar’ vollen Raad terstond te vergen, dat
(95) Zy twee Gemagtigden uit hen naar buiten zenden
Tot ons, om alle kwaad voorzichtig af te wenden.
Verklaar hun, voor de rest, dat wy hier zyn geland,
Om hen van ’t Spaansche juk te ontheffen, Ferdinand
Te stuiten in zyn woên, en om ’s Lands recht te staaven.
KOPPESTOK.
(100) Ach! zag men ’t Schip van Staat eens die gewenschte haven
Bezeilen, ’t bang geween der droeve Burgery
Verkeerde rasch in vreugd!
DE RYK.
                                          Op welk een wys zal hy
Toch toonen, aan den Raad, dat wy hem zulks gebooden?
ENTES.
Hy heeft bewys, noch blyk, noch volmagts-brief van nooden.
(105) Dat elk, die hem mistrouwt, het oog naar Brielsche Hoofd
Slechts keer’, de Schepen zie, en hem alsdan gelooft.
VANDER MARK.
Ik kan hem, ten bewys, voort een’ Geloofsbrief schryven.
TRESLONG.
Uw Zegel en Geschrift zou weinig goeds bedryven;
Die teekens zyn aldaar tot nog toe niet bekend.
VANDER MARK.
(110) Geef hem dien Ring, waar door uw’ Vader was gewend,
[p. 7]
Als Hoofdbaljuw dier Stad, zyn order te doen gelden.
ENTES.
Dat uitstel, en dien schroom, verveelen onze Helden.
Wy, ’s Dwinglands dwingers, zyn reeds alle regelmaat
En wetten van ons volk, dat thans in kluisters gaat,
(115) Ontwassen: zullen wy hier naar bepaaling hooren!
Neen, Slaaven voegt die band; wy, wy zyn vry gebooren:
Wy haaten slaaverny.
TRESLONG, den Ring aan vander
Mark geevende.
   
Daar, dappere Admiraal,
Aanvaard myn’ Zegelring.
VANDER MARK. geeft den Ring,
na hem beschouwd te hebben,
aan Koppestok.
                   
                                            Volvoer nu altemaal,
Wat ik u heb gezegd; wy zullen ’t u beloonen.
KOPPESTOK, heengaande.
(120) En ik, Heer Admiraal, zal my gehoorzaam toonen.
Wederkeerende.
Maar zoo men op ’t Stadhuis my eens gevangen houdt?
VANDER MARK.
Hoe, daar ge uit eigen wil u nergens toe verstout,
Maar, als gepreste Boô, van ons en onzent wegen.
Alleen een boodschap doet, waar zyt gy voor verlegen?
KOPPESTOK.
(125) Ik zal dan derwaards gaan, op uw bevel, en keer
Met Stadsgemagtigden, wil zulks de Raad, straks weêr;
Doch houd men my daar vast, ik zal ’t geduldig lyden,
Op hoop dat gy welhaast my moedig zult bevryden.



ZESDE TOONEEL.

VANDER MARK, ENTES, TRESLONG, DE RYK, Gevolg van Edelen.

VANDER MARK.
De Stad thans onbezet, wier Krygsvolk ’t, Utrechts Sticht,
(130) Op uitgedrukten last, geweldig plaagt, verligt
[p. 8]
Ons werk in zwaarte, indien de Brielenaars besluiten,
Door tegenweer, ons volk voor hunne Vest te stuiten;
Zy zyn nu veel te zwak dan dat hun Burgery
Dit onderneemen zou; die dwaaze raazerny
(135) Gedyde tot haar straf; zy moeten ons vertrouwen
Als vrienden, of voortaan als vyanden aanschouwen;
Zy kiezen een van twee: geen langer weiffeling
Moet ons meer stil doen staan: had Egmonds staalen kling
Min weiffelend geweest, hy dus geen brug gelegen
(140) Waarover wy hier ’t eerst de Spanjaards binnen kreegen,
Hy was nooit schandelyk onthoofd op ’t Hofschavot.
    Dat elk die voor ons is zich zelf niet schuil hou’ tot
Wy by hem komen, neen, nu moet men zich verklaaren
Voor Prins of Hertog; want men duldt geen weiffelaaren;
(145) Die ’t met den eersten houdt wordt onze lotgenoot,
En meê een vryheidstut; maar die zich af en snood,
Voor Alva waapnen laat, is ’t leevenslicht onwaardig,
En grooter schelm dan hy. Myn Vrienden dat men vaardig
Den Dwingland tegenga: Men spaar’ zyn’ aanhang niet,
(150) Daar hy in ons geen deugd of edelheid ontziet.
TRESLONG.
Laat ons de Geestlykheid, geen Kastiljaanen, spaaren,
    Myn Broeders schim komt ’s nachts gestadig om my waaren,
En zet my tot de wraak op zyne moorders aan.
Deedt hem Toledo ’t hoofd van ’t edel lichaam slaan,
(155) En voorts zyn bloedig lyk en overschot vertoonen,
’k Zal dien geweldenaar zyn moordery beloonen,
En, valt hy in myn hand, hem martlen door de koord,
Of door noch wreeder straf. Men moet aan hem den moord
Der eedle Batenburgs, en die van andren, wreeken.
(160) Geen mensch moet ter behoud’ van een’ dier Beulen spreeken,
[p. 9]
Of hy wordt straks verdacht hun deelgenoot te zyn.
VANDER MARK.
Acht ge ieder Kastiljaan strafwaardig, met wat schyn
Is de Geloofsgenoot dier schelmen dan onschuldig?
DE RYK.
Uw haat houdt perk noch paal; gy toont u te ongeduldig,
(165) Te zeer op ’t Roomsch Geloof gebeeten: ons geweer
Moet allen zielendwang, en vryheidschennis, meer
Bestryden dan ’t gevoel’ van andre braave menschen,
Die, eveneens als wy, herstel van vryheid wenschen.
ENTES.
Wie zyn Geloof belydt is even goed als hy.
TRESLONG.
(170) Veel Roomschen haaten ook de vreemde dwinglandy;
Zy zullen nevens ons den grond der vryheid leggen,
Verbittren wy hen niet door schamper doen en zeggen;
Hun medehulp zal ons doen zegevieren: want
Tweehonderd vyftig man zyn niet in staat om ’t Land
(175) Te redden en daaruit de Spanjaards te verjaagen.
DE RYK.
Wy moeten van ’t geweld der Vreemden ons beklaagen,
En nooden ieder een tot zyn behoudenis.
Men weet het grootste deel des volks gehoorzaam is,
Om dat het nog geen’ weg ter uitkomst zag gelegen;
(180) Dus zal, wen Brielle en Voorn door ons wordt ingekreegen,
En ’s vyands overmagt maar eenmaal afgeweerd,
Al ’t Neêrlands volk doen zien hoe min het dwang begeert,
Terwyl de vryheidszucht der oude Batavieren
Zal blinken uit hun doen en laaten; dus bestieren
(185) Wy alles tot ons best. Daar ’t Utrechts volk alreê
Bossu en Ferdinand weêrstreeven, durven meê
De kloeke Brusselaars de tiende Penning weigren:
Geschiedt dit heden reeds, hoe wil hunn’ moed dan steigren
Wanneer wy door het Zwaard die schatting tegenstaan,
(190) En wy alhier de Zon der Vryheid op doen gaan,
[p. 10]
Waar elk, voor Alvaas woên, dan kan een wykplaats vinden?
VANDER MARK.
Men moet van nu af aan recht werkzaam zyn, myn vrinden,
En brengen ’t volk aan Land, dat in de Schepen wagt.
Bezet het hier omtrent, met onze kleene magt,
(195) Zoo groots als ’t mooglyk is; doet tromp en trommel raazen,
Om de Afgezondenen der Stad dus te verbaazen,
Dat ze ons veel duizenden gelooven sterk te zyn.
Wat aan ’t getal ontbreekt vervull’ men door den schyn,
Voor ’t oog, en, inderdaad, met rapheid, moed en krachten.
(200) Wy planten hier nu ’t eerst de Vryheids vaan, en wagten
Vermeerdering, in kracht, in aanzien en getal,
Zoo dra wy meester zyn van Eiland, Stad en wal;
Dit zal ons dag aan dag al meêr doen zegepraalen.
Wanneer de gulde Zon haar flikkerende straalen
(205) Aan dit gewest ontrekt, zy Koor- en Misgewaad,
Kassuiffel, Kap en Stool, Altaar en Kerksieraad,
Geplonderd, en ten buit van ons en onze Helden.
Dat ieder, die ons durft voor watergeuzen schelden,
Verstomd sta, en, met schrik, beschouw’ hoe Nederland
(210) Hierna, door Nassauws zorg, met zulk een’ vasten band
Van Eendracht, tot geluk zyns Burgers, blyft gebonden,
Die voor de dwinglandy, onbreekbaar wordt bevonden.

Einde des Eersten Bedryfs.
Continue
[
p. 11]

TWEEDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

VANDER MARK, ENTES, TRESLONG, DE RYK, DUIVENVOORDE, Gevolg van Edelen, Bootsvolk en Soldaaten; welke laatsten, geduurende dit Tooneel, allerhande Krygsbehoeftens, als uit de Schepen haalende, achterwaards en zylings overbrengen: ook ziet men eenige Standaarts, Vaandels, Vlaggen en Wimpels zwieren; zynde in den grond, ter wederzyden van het Tooneel, geplant.

DUIVENVOORDE.
Gy Heeren, wat is dit, dat gy u hier op ’t strand
Tot eenen aanval schikt? Wat eisch maakt gy op ’t Land
(215) En Volk?
VANDER MARK.
                        Wy komen hier by u als vrienden landen,
Om dus gesaamentlyk, het scherp van Alvaas tanden
Te stompen, wen hy u tot op ’t gebeente knaagt.
Uw rechten dien hy schendt, de schatting die hy vraagt,
En zyn geweldnaary, doen ons te saamen komen,
(220) Om hem te keeren. Wy, wy hebben voorgenomen,
Uit Held Oranjes last, voor Hollands vryën Staat,
Kloekmoedig ’t hoofd te biên aan hem, die, door verraad,
Ons meerder drukt dan ooit zyn’ Koning heeft gebooden
Te moogen doen; waarom wy u op ’t vriendelykst nooden
(225) Ter oopning uwer Poort; ’t is tyd dat ge ons ontvangt,
Om uwen Landgenoot, door boei en band geprangd,
Verlossing, ademtogt en vryheid te bezorgen.
Gy ziet de tyranny, met moorden en verworgen,
[p. 12]
Van dag tot dag, al meêr en meêr, in bezigheid,
(230) Daar de arme Burgery en Weeuw en Wees vast schreidt,
Om ’t droevige verlies van Vrienden, Bloedverwanten,
Van Man en Vader! ja, gy hoort, aan alle kanten,
Hoe ’t klaagende Gemeen om de onderdrukking zucht,
Waarvan de ryksten liên, de kneevlaary ontvlucht,
(235) Uit dit verdrukt Gewest, zich elders nederzaten:
Dus wordt door duizenden dit vruchtbaar Land verlaaten
En van zyn volk ontbloot: dit kan men tegengaan;
Indien gy maar met ons de hand aan ’t werk wilt slaan,
Dan zult gy van alom ons helpers toe zien vloeijen,
(240) En, uur op uur in magt, in moed en aanzien groeijen.
DUIVENVOORDE.
Wy weeten al te wel dat Alva, buiten recht,
Den tienden Penning heft, en een belasting legt
Die ons te moeilyk valt; maar wy zyn onderdaanen
Des Konings, die daarom in ’t minst niet moogen waanen
(245) Ontrokkenen te zyn aan ’t Graaffelyk gezag.
Wy worden wel gedrukt; doch kunnen ons beklag
Doen gelden voor den Troon, daar ons de Vorst zal hooren;
Aldus wordt Neêrlands recht met eer en roem herbooren,
Door Koningklyke gunst, zoo men verzoekend’ blyft,
(250) Toledo streng beklaagt, en anders niets bedryft
Tot nadeel van het Hof of Vorstelyk vermogen.
ENTES.
De Koning en zyn Hof zien Alva zelfs naar de oogen.
DUIVENVOORDE.
Waarom dan Vorst en Hof en Alva niet weêrstaan?
TRESLONG.
Om dat men in één’ keer nooit al te ver mag gaan.
DUIVENVOORDE.
(255) Na ’s Keizers overdragt van zyne Heerschappyen
Op zynen Zoon Philips, zyn alle muiteryen,
Die tegen deezen Zoon, door ons als Vorst erkend,
Met welken schyn ’t ook zy, ooit worden aangewendt,
[p. 13]
Ten hoogste straffens waard.
DE RYK.
                                              Die Zoon zwoer ons met eeden,
(260) Dat hy ons billyk recht nooit zou met voeten treeden.
DUIVENVOORDE.
Treedt dan de Koning zelf uw rechten met den voet?
TRESLONG.
Hy is aanspraakelyk voor ’t geen zyn’ Landvoogd doet.
DUIVENVOORDE.
Klaag dan zyn’ Landvoogd aan.
VANDER MARK, met drift.
                                                    Hoe kan ik langer zwygen!
Daar is geen recht aan ’t Hof van Spanje te verkrygen;
(265) Dit ziet gy zelf, Mynheer, al zwygt gy zulks nog stil.
De Landvoogd doet hier niets dan met des Vorsten wil,
Schoon d’ eersten daar alleen de schuld van dient te draagen,
Tot zoolang dat men Vorst en Landvoogd kan verjaagen;
Ten zy de Koning zich, in tyds, gezeggen laat,
(270) En spoedig ’t recht hersteld van deezen vryën Staat.
DUIVENVOORDE.
Gy wilt dan dat men u de Poorten zal ontsluiten
En binnen laat om dus de Spaansche magt te stuiten?
Maar zyt gy sterk genoeg, indien ’t u wordt vergund,
Dat gy de Kastiljaan, van hier verdryven kunt,
(275) Wanneer hy d’ aanval waagt gansch raazende en verbolgen?
VANDER MARK.
Wy kennen ons in staat dien Landaart te vervolgen.
Prins Willem, die alleen op goede tyding wagt,
Zal straks, uit Dillenburg, met Duitsche Legermagt,
Met Paltzer, Sax en Hes, de Nederlanden naadren:
(280) Graaf Lodewyk doet reeds in Vrankryk volk vergadren:
De Brusselaar verlangt naar uitkomst: Utrechts volk.
Met dat van Zeeland, wenscht, met zynen scherpen dolk,
Op ’t minste goed gerucht, het yzerjuk te breeken,
Dat elk met weêrzin draagt: Oranjes Legerteeken,
[p. 14]
(285) Zyn Vorstelyk beleidt, des Volks getergde wraak,
En ’s Hemels onderstand, bevordren onze zaak.
Ons volk, nog ingescheept, vol yver en verlangen,
Brandt om aan Land te treên en ’t laatst bevel te ontvangen
Ter storming op den muur, die ligt wordt overheerd,
(290) Waardoor de Burgery zou lyden; dies begeert
Oranje, door myn’ mond, dat zich de Brielenaaren
Met ons vereenigen, om allerlei gevaaren
Aldus, gelykerhand, te keer te kunnen gaan.
Gy, Heeren, moet dit straks de Vroedschap doen verstaan.
(295) Wy eischen kort beraad en willen uwe schaden,
Waar ’t weezen kan, verhoên. Wy geeven tot beraaden
Alleen twee uuren tyds; want zoo alsdan ’t besluit
Nog weiffelbaar mogt zyn, zal deeze Stad ten buit
Voor myn Soldaaten en myn moedig Zeevolk weezen;
(300) Doch zoo men ons ontvangt heeft niemand iets te vreezen.
DUIVENVOORDE, na den Edelman, door hem medegebragt, stil gesproken te hebben.
Wy gaan en doen terstond van uwen eisch verslag.



TWEEDE TOONEEL.

VANDER MARK, ENTES, TRESLONG, DE RYK, Gevolg van Edelen.

VANDER MARK.
Ga, vander Hoeve, zorg, voor ’t einde van deez’ dag,
Dat Spiegel, Kabeljaauw, van Dorp, van Everdingen,
Ruikhaver, Duivel, Daam en Graaf, de Stad omringen;
(305) Doch enkel maar van verre; om ’t Krygsvolk zoo ’t behoord
Te voeren aan den wal op ’t eerst gegeeven woord.
Een Edelman binnen.
Gy, Entes, geef terwyl de Schepen zulk een legging
Die dienstig zy om ons, terstond, op de eischontzegging,
[p. 15]
Te sterken met Kanon, zoo ’t op een stormen gaat,
(310) Waarvan ik alle zorg aan Brand en Jelmer laat,
Daar Franssen en de Goede al ’t noodig tuig ontschepen,
Dat Steltman en Merouws bevelen zal te sleepen
Waar ’t Robol en Gilain het allernuttigste acht,
Ten aanloop op den muur; om, met d’aanstaanden nacht,
(315) In spyt van ’t Raadsbesluit, de Stad te kunnen winnen.
TRESLONG.
Geen weigring van dien Raad vermeesterd onze zinnen,
Noch zal ons wanklen doen na gy den storm gebiedt.
ENTES.
De zwakke Burgery, zal, eer zulks eens geschiedt,
Wen zy dien toestel merkt, de Noordpoort straks ontsluiten.
VANDER MARK.
(320) Wie lust tot vluchten heeft, ga door de Zuid poort buiten,
Tot dat men eindelyk het vliên beletten kan;
Dus wordt de Vesting zwak en gansch ontleedigd van
De zulken, die, gestuit, ons zouden wederstreeven.
ENTES.
Wy gaan, Mynheer, om acht op uw bevel te geeven.



DERDE TOONEEL.

VANDER MARK, TRESLONG, DE RYK.

TRESLONG.
(325) ’t Zal niet ondienstig zyn dat gy den Veerman spreekt;
Wy hooren ligt van hem wat binnen meest ontbreekt,
En ons voordeeligst is, zoo men de storm moet waagen,
En aan wat kant des muurs men ’t stormtuig dient te draagen:
Hy wagt op uwen last en blyft van verre staan.
VANDER MARK.
(330) Maar zou ik op zyn reên wel zeker durven gaan?
[p. 16]
TRESLONG.
Ja; hy is Geus in ’t hart: hy zal ons niet bedriegen.
Hy ’s een rondborstig man, die ons niet voor zal liegen:
Ik heb, in vroeger tyd, hem wel iets meêr betrouwd.
VANDER MARK.
Dat hy dan nader kome, en ons in het kort ontvouwt
(335) Hoe ’t alles binnen staat, en wat hy heeft vernomen.
TRESLONG, Koppestok werkende.
Treê toe. Gy moogt by ons, als uwe Vrienden, komen.



VIERDE TOONEEL.

VANDER MARK, TRESLONG, DE RYK.. KOPPESTOK.

VANDER MARK, tegen Koppestok.
Gy deedt uw boodschap wel, en hieldt getrouw uw woord;
Maar hebt gy uit den mond der Heeren niets gehoord
Dat ons tot nut kan zyn?
KOPPESTOK.
                                        Dat zou wel konnen weezen.
TRESLONG.
(340) Hoe vond gy ’t in den Raad?
KOPPESTOK.
                                                        In siddring en in vreezen.
De Raad was op ’t Stadhuis vergaderd, toen ik daar
Verscheen, en elks gezicht! stond angstig, bang en naar.
Ik opende eerst den last, door u my opgelegen,
En moest toen buiten staan. Na alles te overwegen
(345) Deed Nikker (*) my de vraag, hoe sterk van volk gy waart?
Ik zei’, vyfduizend man; waardoor den Raad, vervaard,

    (*) Oudste Burgermeester.

[p. 17]
Twee Heeren met my zondt, die gy reeds hebt gesprooken.
VANDER MARK, glimlagchende.
Gy hebt zeer wel gezegd.
DE RYK, lagchende.
Hoe heeft hy toch gerooken,
Ons Krygsvolks juist getal? hoe wist hy ’t zoo naby?
TRESLONG, tegen Koppestok.
(350) Uw gissing was niet kwaad. Wat zegt de Burgery?
KOPPESTOK.
By veelen wekt gy vreugd, by weinigen, daar tegen,
Verdriet: het Kloostervolk is u meest ongenegen:
De Geestlykheid schynt my het allerminst gesticht;
Zy roepen van den eed, van Kerkdienst en van pligt,
(355) Van Alva, Koning, Graaf, en van zich streng te wreeken
Aan Ketter en aan Geus! terwyl ’t Gemeen dat preeken
Doorgaans slaat in den wind en naar verlossing haakt.
VANDER MARK, tegen Koppestok.
Ga weder naar de Stad: gy zyt zoo wel bespraakt
Dat gy daar meerder volk in ons belang kunt trekken.
KOPPESTOK, met levendigheid.
(360) Oranje, is ’t woord; die naam zal hulp voor u verwekken
En maaken dat gy daar haast meester worden zult.



VYFDE TOONEEL.

VANDER MARK, TRESLONG, DE RYK.

VANDER MARK.
De Geestlykheid draagt meest van al het kwaad de schuld;
Ik heb dit meêr gezegd, en ’t is genoeg beweezen.
DE RYK.
Wy moeten niet te diep in haaren handel leezen,
(365) Maar de Religietwist vermyden waar men kan.
Wy moogen in ’t geheim wel lagchen met den Ban
Van Bisschop en van Paus; maar om de Pausgezinden,
In Vryheidslust, aan ons en ons belang te binden,
[p. 18]
Dient de ergernis geweert; zoo wy dus werkzaam zyn
(370) Zal onzen arbeid meêr gedyën: dit venyn
Der tweespalt, om ’t Geloof, verdeeldt de Nederlanden;
Daar de afkeer van ’t gewigt der ketenen en banden
Behoorden één te zyn in ’t Nederlands gemoed,
Dat ziel- noch lichaamsdwang nooit slaafsche hulde doet,
(375) En spoedig ééns zal zyn in hem van hier te dryven,
Zoo men slechts ieder laat in zyn gevoelen blyven,
En niet meêr tergen zal door schelden of geraas,
’t Recht kenmerk van een’ zot, en teeken van een’ dwaas.
ENTES.
En echter zien wy hen, die de Eendracht moesten voeden,
(380) De scheuring koesteren en ’t allerhevigst woeden;
Daar ’t Geestelyk gezag de Spanjaards voor zal staan,
Tot deezen ook de hand aan hunne goedren slaan;
Want naauwlyks zullen daar de Kerken iets door lyden,
Of daadlyk zal hun tong de Spanjaard ook bestryden,
(385) En zelfs verketteren, gelyk aan ons geschiedt:
Wie op hun Kerklyk, ja, terstond geen, amen, biedt,
Iets hunner goedren eischt, of ’t minst durft tegenspreeken,
Wordt lasterlyk gegispt en schandlyk doorgestreeken.



ZESDE TOONEEL.

VANDER MARK, TRESLONG, DE RYK, KOPPESTOK, ROCHUS.

KOPPESTOK.
Ik, die op uw bevel iets uittevoeren dacht,
(390) Ben deeze Vriend ontmoet en heb hem hier gebragt;
Hy weet hoe ’t in de Stad zich schikt naar u genoegen.
VANDER MARK, tegen Rochus.
Wat nieuws brengt gy van daar?
ROCHUS.
                                                    Mynheer, de Burgers voegen
[p. 19]
Zich, voor uw zaak, byeen, verlangende dat gy
Hen rasch verlossen zult van Alvaas tyranny.
(395) De Stadsregeerderen, voor u op ’t hoogst verlegen,
Zyn raadloos en verbaast. Die Spanje zyn genegen
Verzaamlen ’t kostlykst goed by hunn’ gereedsten schat,
Op Wagen, Kar, of Sleê, waarmeê zy onze Stad
Ontruimen; zoo dat gy geen tegenweer zult vinden:
(400) De Vesting wordt ontbloot van Paus- en Spaansgezinden,
En de allerbittersten zyn reeds de Zuidpoort uit.
VANDER MARK.
’t Wordt tyd, Treslong, dat gy het verder vluchten stuit;
Wien gy het waardig keurt kunt gy myn gunst belooven;
Doch die niet blyven wil, moet gy zyn goedren rooven,
(405) En leedig laaten gaan waar ’t hem behaagen zal.
Laat vyfentwintig man u volgen langs den wal,
En voorts de Zuidpoort in; ligt houdt men haar nog open
Na de uuren van beraad en uitstel zyn verloopen;
Maar wordt u zulks belet, door ’t sluiten deezer Poort,
(410) Verzoek de ontsluiting dan; doch zoo men u niet hoort,
Gebruik dan vry geweld, doet haare deuren breeken,
Of daar, door Pek en Rys en Stroo, den brand in steeken,
Tot gy eene oopning vindt tot straf der Geestlykheid.



ZEVENDE TOONEEL.

VANDER MARK, DE RYK, KOPPESTOK, ROCHUS.

VANDER MARK, tegens Koppestok en Rochus, zyne reden vervolgende.

Myn Vrienden, ik bedank u beiden voor ’t beleidt,
(415) En voor uw’ goeden dienst aan ’t Vaderland beweezen.
Keert naar den Briel, tracht daar de Burgers te beleezen
Tot ons belang, en wy, wy zullen uwe trouw
Vergelden; ja, gy zult, wanneer dit Staatsgebouw
[p. 20]
Zal op zyn grondvest staan, alsdan den roem ook draagen,
(420) Dat gy daar de eerste hand, met ons, hebt aangeslaagen.
ROCHUS.
Ik twyffel niet, Mynheer, of alles zal wel gaan.
KOPPESTOK.
Kom, Rochus, laaten wy de Stedelingen raân,
In spyt van die ’t mishaagt, Oranjes volk te styven.



AGTSTE TOONEEL.

VANDER MARK, DE RYK.

VANDER MARK.
Wy moeten nu vooral niet langer leedig blyven,
(425) Maar aan de Noordpoort ook het Krygsvolk naadren doen,
Om allen wederstand, van binnen, te verhoên:
Twee uuren zyn aldaar slechts tot beraad gegeeven,
Doch niet ter wapening, om ons te wederstreeven.
Dat de aanval deezer zyde aan Robol word’ belast,
(430) Terwyl Treslong de Stad aan d’ andren kant verrascht.

Einde des Tweeden Bedryfs.
Continue
[
p. 21]

DERDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

ELIZABETH, FREDERIK, MARIA.

FREDERIK.
Zeg, Moeder, hoe zal ’t gaan hier blyft geen uitkomst open!
De Zuidpoort is reeds digt; wy kunnen ’t niet ontloopen;
De Watergeuzen staan ’er voor, is my gezegd!
De Heeren deezer Stad doen waarlyk al te slecht
(435) Dat wilde volk alhier aan Land te laaten komen:
Waarom zulks niet belet?
ELIZABETH.
                                        Hoe word dat ondernomen?
Och! hun gebied heeft uit en geldt hier thans niet meêr.
MARIA.
Dat moet wel gelden.
ELIZABETH.
                                  Neen, de Geuzen zyn te zeer
Verbittert, te verwoedt, belust op ’t beeldenbreeken,
(440) En heet op Kerkenroof.
FREDERIK.
                                                Als zy zich daar op wreeken,
Geraaken wy best vry.
ELIZABETH.
                                    De Geestlykheid, myn Zoon,
Werdt meest door hen geplaagd, met onverdraagbren hoon.
Geen heilig misgewaad zal onze Priesters dekken;
Geen Klooster kan voortaan tot eene wykplaats strekken;
(445) Geen Monnik, Klop nog Non zyn voor hun plondring vry.
FREDERIK.
Waar blyft Oranje dan? hebt gy niet zelve aan my
[p. 22]
Verzekerd en beloofd dat hy ons zal bevryden?
ELIZABETH.
Het zyn de Geuzen, kind, die voor Oranje stryden.
MARIA.
Waar vreezen wy dan voor?
FREDERIK.
                                            De Prins is immers goed?
ELIZABETH.
(450) ô Ja! maar vander Mark en Entes zyn verwoed’.
FREDERIK.
Zyn zy vergramd’ op ons! wy hebben niets misdreeven.
ELIZABETH.
Zy haaten Alva fel.
FREDERIK.
                                Die naam doet my zelf beeven!
Ik haat hem ook, en dacht hy voor de Geuzen waar.
ELIZABETH.
De Koning, Geestlykheid en Spanjaards met elkaêr
(455) Zyn tegens Prins en Geus.
FREDERIK.
                                                    Maar allen die voordeezen
Gelyk Treslong, van Hoorne en Egmond zyn verweezen,
Ei zeg met wien dat zy het hielden?
ELIZABETH.
                                                          Zy, myn Kind,
Zy hielden ’t met den Prins en Geuzen.
FREDERIK.
                                                                Wel dat vind
Ik onbegrypelyk. Maar, Moeder, onze Koning,
(460) Met wien houdt hy het toch?
ELIZABETH.
                                                        Met Alva.
FREDERIK.
                                                                      Geen verschooning
Vindt by dien Hertog plaats, gelyk ik zeggen hoor,
En by Prins Willem wel: vrees dan niet langer voor
De Geuzen, maar laat ons het ook met deeze houên.



[p. 23]

TWEEDE TOONEEL.

ELIZABETH, KORNELIA, FREDERIK, MARIA.

KORNELIA.
Och! Vrouw Philips, wy zien de Boomen en Gebouwen
(465) In ’t Nieuwland omgehakt, gesloopt of afgebrandt!
De Zuidpoort loopt gevaar en wordt haast overmand;
De Stadsregeerderen, met angst en schrik belaaden,
Verhindren dit niet eens. Wy zullen de ongenaden
Der Watergeuzen haast beproeven! uwe Man
(470) Is ’t met den mynen eens, spand met de Geuzen an;
Van Duivenvoorde is meê dat woeste volk genegen;
Myn Rochus doet zelf meêr, ja, wil ’t Gemeen beweegen
Om hen de hand te biên; dat niemand vindt geraên
Voor Burgermeesteren dit hebben toegestaen.
MARIA.
(475) Zou dan, in deezen nood, myn Vader ons verlaaten!
FREDERIK.
Neen, Zuster, vrees dat niet.
KORNELIA.
                                            Ik hoordde hun Soldaaten,
Van buiten, tegens ons, die over deezen wal
Heen zagen, als ontzind’ en raazend’ schreeuwen: ,, Zal
De Burgery de Poort goedwillig open maaken!
(480) Of moeten wy van zelfs daar binnen zien te raaken!”



DERDE TOONEEL.

KOPPESTOK, ELIZABETH, KORNELIA, FREDERIK, MARIA.

ELIZABETH, Koppestok te gemoet gaande.
Och, Koppestok! is reeds de vyand in de Stad!
[p. 24]
KOPPESTOK.
Wat vyand! raas je lui!... Wie droes verteldde u dat?
Wy zyn hem kwyt geraakt; de Bloedhond is verdreeven;
Die rekel wordt alhier geen schatting meêr gegeeven;
(485) Maar met zyn boos gebroedt uit Holland haast verjaagd.
MARIA.
Och, Moeder! hoort gy ’t wel!
KOPPESTOK.
                                                Al lang genoeg geklaagd!
Oranje staat ons by, wy hebben niets te vreezen.
KORNELIA.
Zou zulks met ’s Prinssen wil aldus berokkend weezen?
FREDERIK.
Myn Moeder denkt van ja.
KORNELIA.
                                          De Priesters zeggen, neen.
KOPPESTOK.
(490) Zy spreeken zoo uit vrees, of binden hunne reên
Aan Ferdinands bevel, die tegen ’t vry geweten
Doet handlen waar hy kan, en, op den roof gebeeten,
Niets tracht dan ons, als Slaaf, te leggen aan den band.



VIERDE TOONEEL.

KOPPESTOK, PONTUS, ELIZABETH, KORNELIA, FREDERIK, MARIA.

PONTUS.
ô Hemel! och! wat raad! De Noordpoort staat in brand;
(495) Daar Hopman Robol straks de vlam in deedt ontsteeken!
KOPPESTOK.
Of hy de Poort verbrandde, of open heeft doen breeken,
Wat raakt dat ons, als hy daardoor maar de oopning vindt?
PONTUS.
Helaas! terwyl de rook des volks gezicht verblindt,
En ’t vuur het hout werk vat, komt hy zelf aangeloopen
(500) Met eenen mast, en stoot de deuren daar meê open,
[p. 25]
Trekt verder in de Stad, met vander Mark, en al
De zynen volgen hem.



VYFDE TOONEEL.

KOPPESTOK, PHILIPSZOON, PONTUS, ELIZABETH, KORNELIA, FREDERIK, MARIA.

PHILIPSZOON, zyne Vrouw en Kinderen omhelzende.
                                      Nu is ons ongeval
Voorby! myn waarde Vrouw! en gy myn lieve Kindren,
Zyt nu van ’t Spaansche juk, en wat ons meêr kon hinderen,
(505) Met deeze Burgery, verlost! ô blyde dag!
Treslong trekt met zyn volk de Zuidpoort in! ik zag
Hem met de Oranjevaan, verblyd, ter Stad instreeven!
Prins Willem heeft zyn volk, in ’t eind, bevel gegeeven
Om ons van ’s Dwinglands wrok en ’s Bloedraads eisch te onslaan!
(510) Nu zyn Doorluchtigheid eens heeft dien stap gedaan,
Zal hy, in korten tyd, meêr Steden tot zich trekken.
KOPPESTOK.
Dat zegge ik ook; want elk is warsch van ’s Spanjaards vrekken
En ongebonden’ aart; hun trotsche hovaardy,
En wreede zielendwang, en dolle raazerny,
(515) En bloeddorst en geweld, bezwaarlyk te beschryven,
Zal ’s Konings hoog gezag uit Holland doen verdryven.
KORNELIA.
Zyn dan de Geuzen ook niet wreed?
KOPPESTOK.
                                                          Zy zyn verwoed’
Op al wat Spanjaard is en Geestlyk; maar zeer goed
En dienstig voor ons volk en Hollands onderzaaten,
(520) En voor d’ Oranje Vorst kloekmoedige Soldaaten,
[p. 26]
Die onvertsaagt de dood trotseeren in ’t gezicht.
FREDERIK.
Ach! Moeder, zie dan uwe zwaarigheid verligt.
ELIZABETH.
Dit maakt my wat gerust.
MARIA.
                                        Dit nieuws, die goede tyding,
Myn lieve Vader, ach! geeft ons al t’ saam’ verblyding!
(525) Maak toch dat gy aan ons altyd wat goeds vertelt!
Want als myn Moeder treurd is ook myn hart ontsteld.
PHILIPSZOON, zyne Dochter op-
neemende en kusschende.
Myn Dochter, ik zal nu zeer dikwils vreugd vermelden!
FREDERIK.
Gy hoort wel, Moederlief, naar Vader ons vertelden,
Dat wy nu zyn verlost, de Dwingland is verjaagd,
(530) En dat Prins Willem zorg voor onze Burgers draagt!
PHILIPSZOON, hem kusschende.
Ja, Frederik, dat ’s waar!... Wy moeten nu opheden
Oranjes Admiraal en volk gaan tegentreeden:
Daarna moet gy, myn Zoon aanteeknen “hoe den Briel,
Op d’ eersten van April, in ’s Prinssen handen viel”,
(535) Om in ’t vervolg aldaar nog by te kunnen zetten:
“Daardoor heeft hy, in ’t eind, de Graaffelyke wetten
Vernietigd”; want zyn’ moed, zyn’ arm, en wyzen raad,
Maakt Holland, door den tyd, weêr tot een’ vryën Staat.



ZESDE TOONEEL.

KOPPESTOK, KORNELIA.

KORNELIA, hem weder houdende.
Een woordje; Koppestok. Gy moet my onderrechten
(540) Of dat behoorlyk is; “men zegt, de Geuzen vechten
Met hulp des Duivels”... Hoe, gy lagcht!... Ik heb gehoord,
Toen ik hen buiten zag, in ’t naadren deezer Poort,
[p. 27]
Die toegeslooten bleef, dat zy den Duivel riepen
Ter opening, waarom al de onzen spoedig liepen,
(545) Gelyk ik mede deed, eer ’s Geuzen Duivel kwam.
KOPPESTOK.
De Spaansche hebben hem tot helper, en de stam
Van Alva is uit Hel en Afgrond voortgekomen!
Maar al ’t geroep dat gy van Duivel hebt vernomen,
Is enkel maar de naam van een’ heldhaftig’ Man,
(550) Een’ Krygsheld van den Prins, een’ Geus, die ’s Paussen Ban,
En Bloedraad, Alvaas trotsch, ’t geweld der Buitenlandren,
En dat van allen dwang, met zyne medestandren,
Voor ons bevechten zal.
KORNELIA.
                                      Zoo is ’t maar beuzlaary?
KOPPESTOK.
Voorzeker, anders niet. Wanneer gy van naby
(555) Dien Duivel kennen zult, die zich alom hoort roemen
Als Krygsheld van den Prins, zult gy hem Engel noemen.
KORNELIA, terwyl men de trom roert.
Wat of dat weezen mag? Ik hoor de trommel slaan!
KOPPESTOK, achterwaards naar
binnen ziende.
Wat zou dat zyn; Treslong voert zyn Soldaaten aan,
En vander Mark komt meê van de andre zyde naadren.
Onder een geduurig Krygsgerucht, geschreeuw
    en gejuich, trekken
VANDER MARK, van de eene,
    en
TRESLONG, van de andere zyde, op het Tooneel,
    hebbende ieder Matroozen en Krygsvolk achter zich;
    doch de Burgeren, Vrouwen, Boeren en Kinderen,
    voegen zich op den voorgrond, voor het andere Gevolg.



[p. 28]

ZEVENDE TOONEEL.

VANDER MARK, ENTES, TRESLONG, DE RYK, KOPPESTOK, ROCHUS, PHILIPSZOON, ELIZABETH, KORNELIA, FREDERIK, MARIA, Gevolg van Mannen, Vrouwen, Boeren, Kinderen, Edelen, Matroozen, en Soldaaten.

VANDER MARK, tegen het Oorlogsvolk.
(560) Myn Vrienden, gy kunt thans een’ goeden roof vergaadren;
Behoudens dat gy hier de Burgery niet schaad
Gy moogt de Geestlykheid vervolgen met uw’ haat,
En ’t Kerk- en Kloostergoed in onze Schepen laaden.
Matroozen en Soldaaten binnen.
    Gy Hedding, d’Ovelens en Vlierhop, zult de schaden
(565) Der Burgeren verhoên. Van Warmont, Thomaszoon.
Van Sweten en van Vliet, zyn met hun volk geboôn
De Posten deezer Stad naauwkeurig te bezetten.
Drie Edelen binnen.
    Gaat, Burgers, naar uw huis, op uwe goedren letten;
Want de uitgeweekenen het hunne werdt door my
(570) Verbeurd verklaard; maar elk die treedt op onze zy’
Heeft aan de Hoofdwagt zelfs zyn’ naam maar op te geeven,
By Hopman Looy, daar hy als Vriend wordt opgeschreeven,
Om deelgenoot te zyn van ons en onzen buit.
Burgers, Vrouwen, Boeren
en Kindren binnen.   



[p. 29]

AGTSTE TOONEEL.

VANDER MARK, ENTES, TRESLONG, DE RYK, DUIVENVOORDE, Gevolg van Edelen.

TRESLONG, aan Vander Mark, Duivenvoorde toonende.
Rentmeester Duivenvoorde, alreeds ter Zuidpoorte uit,
(575) En op de vlucht gegaan, verzogt ik weêr te keeren;
Gelyk gy ziet dat hy gedaan heeft; en veel’ Heeren
Van de oude- en nieuwe- wet bragt hy aan onzen kant.
VANDER MARK.
Dus toont hy zyne vlyt, ten dienst van ’t Vaderland;
Zoo worden wy gestyfd door meerder Prinsgezinden.
(580) Ga, yvraar onzer zaak, navorschen hoe veel’ vrinden
’t Verovren van den Briel aan ons heeft toegebragt.
DUIVENVOORDE.
Nu elk uit dit begin een wenschlyk eind’ verwagt,
Zal ’t allergrootst getal der hier gebleeven’ menschen
Haast voor Oranje zyn.
TRESLONG.
                                    Wie zou niet liever wenschen
(585) Den Koning en den Prins getrouw te weezen, dan
’t Uitlandige geweld en dat van een’ Tyran?
Wie zou zyn eigen nut dus uit het oog verliezen?
VANDER MARK.
Voldoe dan ons verzoek.
DUIVENVOORDE.
                                        Na eens uw zy’ te kiezen,
Blyft, tot des Prinssen dienst, myn hulp u toegezegd,
(590) Terwyl gy, in zyn’ naam, der Vryheids gronding legt.



[p. 30]

NEGENDE TOONEEL.

VANDER MARK, ENTES, TRESLONG, DE RYK, Gevolg van Edelen, Matroozen en Soldaaten.

VANDER MARK, terwyl de zynen
bezig zyn den buit over het Tooneel,
en als naar de Schepen, te brengen.
Wy zien ons volk den roof in onze Schepen draagen;
Daar ’t houte beeldwerk thans aan stukken wordt geslagen,
En dat van steen niet min verbrysling ondergaat:
’t Nietwaardig schilderwerk en onnut Kerksieraad,
(595) Doen wy geheel en al in flenteren hervormen.
Ik zie met Zielsvermaak het driftig beeldenstormen
En Altaar breeken aan! waar ’t Geestelyk geklag,
Geprevel en geschrei, myne ooren kittlen mag,
Daar baade ik me in een zee van allerlei genoegen.
TRESLONG.
(600) De Burgers zullen zich niet by de plondraars voegen;
Der Kerkenschendery behaagt niet algemeen,
Maar baart in veeler hart, spyt, afkeer en geween.
DE RYK.
Wat winsten trekken wy van’t breeken en verscheuren?
Wat voordeel geeft het ons dat medeburgers treuren,
(605) Om ’t laf verbryzelen van kalk, van hout en steen?
Dat wy juweelen, goud- en zilverwerk byeen
Vergaêrden, en ’t metaal, zoo koper, loot, als yzer,
Gebruikten t’ onzen dienst, wy deeden waarlyk wyzer,
En zouden de andere gezindheên niet in ’t hart
(610) Van ons vervreemden doen. Oranje hoort met smart
Zulk ongebonden werk, en zou het gaarn beletten,
Om al het Neêrlandsch volk op Alva aan te zetten.
Laat elks gevoelen vry en zonder aanstoot: want
Hoe eigenaartig is ’t, in ’t vryë Nederland,
(615) Elk aan zyn eigne keur ’t geweten vry te laaten!
Geen dwang vest ooit met vrucht zyn’ Troon in vryë staaten.
[p. 31]
ENTES.
Men moet de Geestlykheid betaalen voor den hoon
Ons eertyds aangedaan.
DE RYK.
                                      Geef dan rechtvaardig loon
Aan dien meest schuldig zyn.
VANDER MARK.
                                              Zy zyn al t’ saamen schuldig.
TRESLONG.
(620) En echter maakt haar straf de Roomschen ongeduldig.
DE RYK.
Zy zyn toch altemaal niet even straffenswaard.
VANDER MARK.
Zy zyn nogtans doorgaans heerszuchtig in den aart,
En durven op ’t gezag der Opperheeren smaalen;
Geen Wolf is zoo gezet op telkens roof te haalen,
(625) Als ’t gros dier Geestlykheid, wier hart van eigenbaat,
Van hoogmoed, schraapzucht, toorn en wraaklust zwanger gaat;
Wie haar slechts tegenspreekt of fouten aan durft toonen,
Wordt Ketter, Geus of schelm, onwaardig te verschoonen,
En ’t Zwaard, of wel de Koord, of loutring door het Vuur,
(630) Wordt straks zyn deel; haar wraak staat vaster dan een muur
Van ’t allersterkst metaal en yzer t’saam geklonken;
En zou dit doen ons hart tot weêrwraak niet ontvonken!
DE RYK.
’t Zal ons zelfs dienstig zyn zachtzinnig voort te gaan.
VANDER MARK.
Wanneer het alles hier in vuur en vlam zal staan,
(635) Kan hy die ’t met haar houdt in deezen puinhoop blyven,
Of elders gaan: dat elk, wien ons belang wil styven,
Zyn afgebrande Stad vergeete op onze Vloot.
ENTES.
Wat ’s dit gezegt!
VANDER MARK.
                            Ik wil dat Brielle straks, ontbloot
[p. 32]
Van zyn vervoerbaar goed, zal door den brand verteeren.
DE RYK.
(640) Spreekt gy in ernst!
VANDER MARK.
                                          ô Ja.
TRESLONG.
                                                  Wanneer wy ooit begeeren
Ons zelfs te vestigen op Hollands grond, alwaar
Wy veilig kunnen zyn voor d’ aanval en ’t gevaar,
Waarmeê Tolede ons dreigt, en daar hy is te stuiten,
Daar onze watermagt gelukkig kan vrybuiten,
(645) ’t Is hier, ’t is in den Briel en ’t Brielsche Landgebied:
De mond der Maas, dien gy hier open gaapen ziet,
Wordt aan den Zuiderkant genoegzaam digt geslooten,
Hier moogen wy de hulp van onze Bondgenooten
Verwagten; ja, men kan alhier hunn’ onderstand
(650) Ontvangen, en hen weêr, te water en te land,
Wanneer zulks wordt vereischt, gemaklyk ondersteunen.
Vrouw Fama zal den lof van ons door ’t Land doen dreunen.
Zoo wy ons hier met kracht versterken. Al wie vreest
Voor Alvaas haat, door hem gebannen is geweest,
(655) En ’t Vaderland bemindt, zal zich, op die geruchten,
Begeeven aan dit oord en zynen dwang ontvluchten:
Dus wordt ons dagelyks vermeerdering van magt,
Van helpers en van goed, blyhartig, toegebragt.
Maar zoo wy deeze Plaats verbranden of bederven,
(660) Dan zullen wy altoos als balling moeten zwerven;
Geen Burger zal ons weêr ontvangen in zyn Stad,
Wordt eenmaal onze naam met zulk een vlek bekladt.
ENTES.
Treslong begrypt dit wel. ’t Waare al te snood misdreeven,
Eene ongegronde vrees zoo laf gehoor te geeven,
(665) Dat we een gelegenheid van zulk een groot belang
Ontslippen lieten; neen, wy moeten, buiten dwang,
Dit Eiland noch de Stad begeeven of verlaaten:
Zulk aarslen zou gewis ons Zeevolk en Soldaaten
[p. 33]
Verflaauwen doen in moed, en brengen ons in haat
(670) Van onzen Landgenoot: geen Neêrlands onderzaat
Die dees vertwyffeling en lafheid niet zou vloeken.
Wy moeten nu veeleer, met allen yver, zoeken
Ons te bevestigen. Wy staan hier met den voet
Op Hollands drempel vast, indien wy maar, vol moed
(675) En heldendapperheid, dit voordeel kloek bewaaren,
Houdt hier de teugelstreng, ten geessel der Barbaaren,
En onderstand van hen, die, hoop- en ademloos,
De hulp van onzen kant verlooren voor altoos,
Zoo wy, nu ons ’t geluk als in den mond komt loopen,
(680) Dit voordeel met den voet verschopten. Laat ons hoopen,
Na den Oranjevorst des kundschap is gedaan,
Dat ons die Held terstond kloekmoedig by zal staan;
Geen aarsling heeft hem ooit ’s volks welzyn doen vergeeten;
Geen misslag van gewigt werdt ooit dien Prins geweeten.
DE RYK.
(685) Voor my, ’k heb menigmaal gebeden, slechts op ’t strand,
Een Graf, voor ’t koud gebeente, in ’t lieve Vaderland
Te vinden; maar, ô vreugd! nu zal ’t my in de wallen
Van een dier Steden zelf, naar wensch, te beurt te vallen.
Komt laaten wy de Vest versterken; laaten wy
(690) Niet vreezen voor ’t geweld. Verkies nu rasch, of gy
Als bloodaards sterven wilt, van wien men zal verhaalen:
Zy, die den trotschen waan van Alva deedden daalen,
Wanneer, met ’s Burgers wil, het Eiland van den Briel,
En deeze schoone Stad, in hunne handen viel,
(695) Waardoor het Slot des Lands met een viel in hun handen,
Versmeetten roekeloos zyn’ Sleutel, door ’t verbranden
Der Stad, wier Burgery, ter Geuzen hulp gereed,
Gestort is in ’t bederf van die zy bystand deedt.
Uit zulk eene overmaat van bloheid zal men hooren,
(700) Dat grooter overmaat van opspraak wordt geboren.
Of wilt gy dat men zal vermelden tot uw’ lof:
Tweehonderdvyftig man, door list van ’t Spaansche Hof,
[p. 34]
Het Britsche Ryk ontzegt, met vier en twintig Schepen,
Zyn aangeland te Brielle en hebben ’t aangegreepen,
(705) Ja ’t Eiland en zyn Stad niet enkel overheerd,
Maar in ’t vervolg van daar den aanval afgekeerd
Van Hertog Ferdinand en al zyn medestanders;
Dien toomeloozen hoop van In- en Buitenlanders,
Verlooren moed en kracht; daar de eer en yverzucht
(710) In ’t edel Neêrlands volk, door ’t loffelyk gerucht
Van Lumeys heldendaên, zoo wonderbaar herleefdden,
Dat, door hun braaf bedryf, de Kastiljaanen beefdden.
Aldus heeft vander Mark dien hoeksteen van het Land
Gevestigd, in den Briel, waarop der vryën hand,
(715) Door Nassauws vlyt beweegt, het Staatsgebouw volmaaktte,
Waarin een’ vryën Staat altoos voor ’t welzyn waaktte,
En nog blyft waakende, voor ’t vryë Nederland,
Ja daar de Vryheid zelf bestierd der Staaten hand
En haare woonplaats houdt, terwyl de Oranje bladen
(720) Aan Takken van dien Stam, voor allerhande schaden
Van ’t een en ander Kruis en hinderende Zon,
De Maagd beschaduuwde en altoos beschutten kon’!
Wie zou, om na zyn’ dood dus eeuwiglyk te leeven,
Niet duizendmaal voor de eer dier daaden ’t leeven geeven!
VANDER MARK.
(725) Maar wy zyn veels te zwak, te weinig in getal,
Tot het verdedigen van Eiland, Stad en Wal.
TRESLONG.
De Burgers zullen ons voorzeker bystand bieden.
VANDER MARK.
Men kan zich niet gerust vertrouwen op die lieden.
ENTES.
Zoo slechts een deel van hen vrywillig medewerkt,
(730) Zien wy in weinig tyds den muur genoeg versterkt.
VANDER MARK.
Hoe keeren wy van hier de Spaansche Legerbenden
Die Alva en Bossu ons op den hals zal zenden?
[p. 35]
TRESLONG.
Wy, die de menigten der Spanjaards nimmermeer
Ontzagen, zouden nu, ontbloot van schaamte en eer,
(735) In een bemuurde Stad, die saamgeraapte magten
Ontwyken, en hun komst niet moedig durven wagten!
ENTES.
Ons hart heeft nooit voorheen die laffe vrees gevoed.
DE RYK.
Dat nooit hun groot getal vermindere onzen moed.
Wy willen nu niet meêr hun vluchtelingen tellen,
(740) Maar toeslaan in den hoop en hem ter aarde vellen.
Dat elk het Vaderland strekt ten Aristides,
Timoleon, Tyrteus, Locrens, Themistokles,
Ten Cocles, Scevola en Fabius, wier daaden
Huns vyands overmagt verachtten en versmaadden.
(745) Daar nu Miltiades voor onzen Vlootvoogdt zwicht,
En Brutus zwaarste deugd Oranjes weegt te ligt.
Moet geen van ons voor Griek- of Roomsche helden wyken,
Maar ook hun ouden roem voor d’ onzen doen bezwyken.
VANDER MARK, na eenige bedenking,
tegen de zynen, tot nog met draagen
van den buit bezig zynde geweest.
Dat men de buit niet meer in onze Schepen laê;
(750) Maar, met den Burger, Muur en Poort verstrerken ga.
Edelen, Matroozen,
en Soldaten binnen.
Ik ben met u getroost het uiterste af te wagten.
Op uwe stem, Treslong, zal ’t volk zyn’ pligt betrachten.
Geef ter versterking last daar gy zulks dienstig acht
En stel waar ’t noodig is behoorelyke wagt.
Treslong, binnen.
(755) Gy, Entes, laat een deel van ’t grof kanon ontscheepen,
En daadlyk op den wal, door onze Zeeliên, sleepen.
Entes, binnen.
Zien wy inmiddels toe waar de oopning allerbest
Den vyand nuttig schynt ter nadring deezer Vest,
[p. 36]
Om die, met noodig tuig, te stoppen en te sluiten,
(760) Op dat wy, dus gedekt, den aanloop moogen stuiten,
Waarmeê hy ons welhaast op ’t felst bestormen zal.
Ik moet zyn Hoogheid straks van dit gewenscht geval
Omstandig kundschap doen, door een’ getrouwen Bode,
Om zyn Doorluchtigheid tot onze hulp te noode;
(765) Op dat die Heldt alhier betreê den eersten trap,
En voorts ten zetel styg’ van ’t Stedehouderschap,
Met Vorstelyker glansch dan hy ’t voorheen bekleedde,
Eer Alva herwaards kwam en Neêrlands kluister smeedde.

Einde des Derden Bedryfs.
Continue
[
p. 37]
===

VIERDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

ROCHUS, alleen.

Hoe werkzaam toont ons volk zich nu aan allen kant!
(770) De Vesting wordt gesterkt, en met geschut beplant;
Op dat de tyranny voor haar het hoofd mag stooten,
Wordt ieder open weg, ter naadring, afgeslooten,
Gevuld en toegestopt met tonnen, die, vol aard’
Gestort en ingestampt, hier zyn byeen vergaêrd;
(775) Waartoe den eigenaar zyn vaatwerk zelf ontleedigt
En aanbiedt, op dat Brielle aldus mag zyn verdeedigd,
Ja zyne vaaten zelfs, ter plaats der vulling draagt
Of aanrolt, en ’t verlies daarvan veelmin beklaagt,
Dan zich gelukkig acht van ’t zyne wat geeven
(780) Ten beste van het Land. De Vrouwen, aangedreeven
Door liefde tot den Prins, zien wy haar schortekleên
Ontknoopen, en, met drift, verflentren ondereen,
Om van de ontweefde draên vervolgens lont te draaijen;
Men ziet den grond met schroot van yzerwerk bezaaijen,
(785) En ’t buskruid brengt men ook van alle zyden aan,
Om, als de Spanjaard komt, het schietgeweer te laên.
Dus heeft Graaf vander Mark geen reden van te klaagen,
Dat zich de Burgery niet yvrig heeft gedraagen;
Wen haar Oranjes deugd in ’t hart geschreeven staat,
(790) En nooit dan door den dood uit haar gedachten gaat.



TWEEDE TOONEEL.

TRESLONG, ROCHUS.

ROCHUS, Treslong tegen gaande.
Wat dunkt u nu Mynheer, van onze Stedelingen?
Of ziet gy nu niet klaar dat men u by zal springen
Op ’s vyands nadering? daar heden Vrouw en Man,
Voor u en voor Lumey, reeds doen wat ieder kan?
[p. 38]
TRESLONG.
(795) Wy zien dit duidelyk. Maar ’k moet u nog iets vraagen.
ROCHUS.
Wel wat, Mynheer?
TRESLONG.
Wanneer de Spanjaard op komt dagen,
Of dan, door watervloed, geen groote hindernis,
Ter aankomst deezer Stad, in ’t Land, te maaken is?
ROCHUS.
Dat kan ik zelf wel doen, en alle binnenwegen
(800) Bederven als ik wil.
TRESLONG.
Gy zelf!
ROCHUS.
Zyt niet verlegen;
Ik weet daartoe den weg.
TRESLONG.
Maar kan dit rasch geschien?
ROCHUS.
Ja, in een oogenblik. Gy hebt maar te gebiên,
En ik, zoo ’t noodig word, hak Nieuwlands Sluisken open,
Waar door ’t benedens dyks geheel zal onder loopen,
(805) En hier het laage Land, in eenen waterplas
Verkeerd, ongangbaar wordt, door modder, slyk en dras;
Dus blyft de hoogen dyk dan enkel te betreeden
Ter naadring deezer Vest.
TRESLONG.
Ga heen, verhaast uw schreeden,
En laat het water in.
ROCHUS.
Dit is alsnog te vroeg:
(810) Na ’s vyands landing zelf heb ik nog tyds genoeg,
Om hem, ’t onverwagtst en spoedigst, te verrasschen,
En te bedremmelen in zoo veel’ waterplassen.



[p. 39]

DERDE TOONEEL.

VANDER MARK, TRESLONG, ROCHUS.

VANDER MARK, Treslong by de hand neemende, en met hem ter zyde treedende.

Bossu, naar ’t schynt, voor ons en voor dit oord bevreesd,
Is, met tien vaanen volks, in aantogt reeds geweest,
(815) Om ons by Rotterdam, of Dort, of Sluis, in ’t landden
Te stuiten; mogelyk heeft hy aan alle schandden
Gedacht, die Brederode aan Maximiliaan,
Weleer, in deeze streek, zoo dikwerf heeft gedaan;
Want onzen wil alhier heeft hy niet kunnen weeten,
(820) Daar wy door weêr en wind zyn aan dit strand gesmeeten:
Hoe ’t zy, ik hoor dat hy van Utrecht op Schiedam
Getrokken is, van waar hy ’t noodig Vaartuig nam,
En thans op Maaslandsluis reeds over is gevaaren.
Ik gaf aan Koppestok bevel om deeze maaren,
(825) Van Simonsz, Fokke en Bruin, verzeld, straks na te gaan;
Gelyk zy heden doen, en alles gade slaan,
In een snelzeilend Jacht, dat Voorne is om geloopen.
TRESLONG, op Rochus wyzende.
Wy kunnen zeer veel goeds van deezen Burger hoopen:
Hy is recht Prinsgezind en een doorkundig man,
(830) Die hier al ’t laage Land met water vullen kan:
Doet gy slechts Nieuwlands Dyk met grof kanon bestryken,
En wy, wy zullen hier de Spanjaards af doen wyken.
VANDER MARK, naar Rochus gaande.
Zult gy ons zulken dienst bewyzen kunnen?
ROCHUS.
Ja.
Mynheer, ik kan en zal zulks doen, om de ongenaê
(835) Dier Beulen ook te ontgaan. Maar zoo ’k, aan onze zyden,
Van u verwerven mogt een weinig medelyden
Voor ongelukkigen, ’t was my zeer aangenaam.
[p. 40]
VANDER MARK.
Zoo ’t in myn magt staat, spreek.
ROCHUS.
Ik weet gy zyt bekwaam,
’t Moedwillig Oorlogsvolk, op Geestlyke Persoonen,
(840) Te teuglen in ’t woên.
VANDER MARK.
Hoe, zou ik zelf verschoonen
Een haatelyk gespan, dat, trosch en wreed van aart,
Ons overal vervolgt en dood en wonden baart!
ROCHUS.
Spaar dan de zulken slechts wier schuld niet is gebleeken.
VANDER MARK.
Hun schuld is algemeen: dit lydt geen tegenspreeken.
(845) Na Egmond en van Hoorn het leeven zyn ontroofd,
Heeft myne Ruitery gezworen, zich het hoofd,
Ter denking aan de wraak, geduurig kaal te scheeren,
Tot zy gewrooken hadt het moorden deezer Heeren;
En sedert hebben zy de Geestlykheid geplaagd,
(850) Voor haare opstookery, gekneveld en verjaagd,
Waar ’t mooglyk was, om ’t kwaad dat dees bedryven deeden.
Ons Bootsvolk, eveneens verbitterd en te onvreden,
Draagt op de Muts, een Roos, of Nap, of Pelikaan,
Of ’t wapen van den Turk: Treslong, door spyt geraên,
(855) Zal haar zyns Broeders bloed op hals en kop doen daalen:
Sonoy, wil haar den hoon, hem aangedaan, betaalen:
De Ryk, voor wien men hier de trom met yver roert,
Werft een nieuw Vaandel volks, het welk den naam reeds voert
Van ’t bloedvaên volk; dus blykt wat hy denkt uitterechten
(860) Op hen die met hunn’ mond of handen ons bevechten;
En wel op de eersten ’t meest, wier vuige huichlaary
Ons vloekt en ’t Spaansch gedrag durft zeegnen: maar zoo gy
Eén Kloosterling, Jesuiet, of Priester aan kunt toonen
Die ons heeft dienst gedaan, ’k zal al de rest verschoonen.



[p. 41]

VIERDE TOONEEL.

VANDER MARK, TRESLONG, ROCHUS, ELIZABETH, FREDERIK, MARIA.

ELIZABETH.
(865) Och! Rochus! och! Treslong! ik vrees voor ongeval,
En dat de Kastiljaan weêr meester worden zal!
Hy ’s nu te Swartewaal en komt de Briel herwinnen!
In minder dan één uur zien wy hem weder binnen!
Dit ’s door een’ Kloosterbroêr ons daadelyk gezegd.
VANDER MARK.
(870) Wat heeft hy meer verhaald?
ELIZABETH.
Bossu was een oprecht,
Goedhartig, inlands Heer, die ’t Krygsvolk herwaards leidde
Als Oppergeneraal.
ROCHUS, tegen vander Mark.
Gy moogt hem vry verbeide:
Ik wenschte wel dat ik zyne aankomst reeds vernam.
VANDER MARK.
Waar of die Kloosterboef dees tyding toch bekwam?
(875) Hy hoopt door looze list ons aller hart te ontroeren,
En deeze Burgery ten opstand aan te voeren.
Waar is die Prevelaer? op dat ik hem doorstoot,
Of wel door pyniging zyn straf des doods vergroot!
ROCHUS.
Stel u gerust, Mynheer, wilt minder toornig weezen.
(880) De Burgers zyn u trouw en schynen niets te vreezen;
De Kindren steunen zelfs op uwe dapperheid,
En met Treslong en my is alles zoo beleid,
Dat Spanjaard en Bossu als haazen zullen vluchten.
ELIZABETH.
Maar, Rochus, is ’t wel waar?
ROCHUS.
Gy zult veel minder zuchten,
[p. 42]
(885) Wanneer ge een waterzode alhier bereid zult zien,
Die aan geen’ Spaanschen mond zal smaaken; ja, misschien
Zal Graaf Hennin, geleerd door schaê, welrasch vervloeken,
Dat hy, in drassig Land, de Watergans dorst zoeken.



VYFDE TOONEEL.

VANDER MARK, TRESLONG, KOPPESTOK, ROCHUS, ELIZABETH, twee Edelen.

KOPPESTOK, met drift, tegen Vander Mark.

’t Is zeker dat Bossu ons hier verrasschen wil;
(890) Zyn Schepen, opgepropt met Krygsvolk, nadren stil
En haastig om de Stad, zoo ’t zyn kan, te overvallen.
VANDER MARK.
Welaan, men spoede zich dan daadlyk naar de wallen.
TRESLONG, tegen Vander Mark.
Zorg dat het handgeschut hem voor de Zuidpoort groet,
Waar by ge uw Musquettiers zeer stil verbergen moet,
(895) Om ’t eerste vyands rot gewis te kunnen raaken,
En let wel op den Dyk. Wy zullen ’t zien te maaken,
Wanneer de Kastiljaan durft nadren aan de Stad,
Hy zich bezetten ziet van alle kanten; dat
Hem ’t water overvalt, eer hy het kan vermoede:
(900) Ik zal me in aller yl dan naar Bernisse spoede
En steeken, met myn volk, zyn Schipgevaart in brand,
Of van den oever af, of booren ’t met de hand
In ’t grondelooze diep: ’t vernielen zyner Schepen,
Terwyl hy van alom door ’t water wordt beneepen,
(905) Verhaast zyn veege vlucht: zorgt gy voor Poort en Muur,
En voorts als ’t is gezegd; dan zal ik, binnen ’t uur,
Bezorgen dat Bossu, in ’t ongeregeld wyken,
Een meenigte zyn ’s volks hervormen ziet in lyken.
[p. 43]
VANDER MARK.
Gy, Rochus, die Treslong getrouw hebt onderricht,
(910) Blyft by hem, volg zyn’ last en denk aan uwen pligt,
Gelyk ik, zoo ’t betaamt, myn pligten ga volvoeren.



ZESDE TOONEEL.

TRESLONG, KOPPESTOK, ROCHUS, ELIZABETH.

KOPPESTOK, terwyl achterwaards eenige Boeren, Boerinnen, enz. met pak en zak over het Tooneel, als Stadwaards, gaan.
Men ziet een goed getal der omgeleegen’ Boeren,
Van ’t Land, zich Stadwaards spoên, om ’t Spaansch geweld te ontgaan.
ELIZABETH, onder het gerucht van Trommel en Trompet.
Al ’t volk komt op de been. Hoort hoe de Trommels slaan,
(915) Wie weet of niet Bossu de Stad van verre nadert.
KOPPESTOK.
Hy is nog niet geland. Ons Krygsvolk wordt vergaderd
Door Entes en de Ryk; ik hoor hun beider stem.



ZEVENDE TOONEEL.

TRESLONG, KOPPESTOK, ROCHUS, ELIZABETH, KORNELIA, FREDERIK, MARIA.
K
KORNELIA.
.
Bossu zal hier haast zyn; helaas! ik vrees voor hem,
Wyl hy ons straffen zal, zoo hy door ’t moedig vechten,
(920) Hier niet worde afgeweerd! Des Konings Oorlogsknechten
Ontscheepen zich welhaast en spoeden naar ons toe.
[p. 44]
FREDERIK.
Myn oogen zyn byna door al het kyken moê,
Daar ik eerst tonnen vuldde en aarde heb aangedraagen
Met knaapen van myn’ slag. By weinigen die klaagen
(925) Zingt ver het grootste deel “Wilhelmus van Nassouw!”
Dat is de braave Prins daar ik het ook meê hou’,
En die, als Vader zegt, ons spoedig by zal springen.
MARIA.
Laat ons dan altemaal te zyner eere zingen;
Zoo hy ons by wil staan heeft Stad en Land geen nood.



AGTSTE TOONEEL.

TRESLONG, KOPPESTOK, ROCHUS, PHILIPSZOON, ELIZABETH, KORNELIA, FREDERIK, MARIA.

PHILIPSZOON.
(930) Nu komt de vyand haast; ik heb zyn kleene Vloot
Alreê zien naderen.
FREDERIK, naar Philipszoon loopende.
Hoor Vader, ’k moet u spreeken.
TRESLONG, tegen Rochus.
Laat ons dan gaan.
ROCHUS.
Ik zal ’t hem bitter op doen breeken.
KOPPESTOK, tegen Rochus.
Den vyand?
ROCHUS.
Ja.
KOPPESTOK.
Zult gy dat doen?
ROCHUS, met drift op zyne borst slaande.
Ja, Schipper Jan,
Ik zelf, ik zal dat doen!
[p. 45]
KOPPESTOK, en PHILIPSZOON, gelyk.
Wy gaan met u.
TRESLONG.
Dat kan
(935) Niet zyn: wy gaan alleen met eenige Soldaaten
Of Bootsvolk.
KOPPESTOK. en PHILIPSZOON, te gelyk.
Zouden we u, in dit gevaar, verlaaten!
TRESLONG.
Daar vrees ik juist niet voor; maar vander Mark begeert,
Dat hier de Burgery haar’ Muur en Wal verweert,
En niet daar buiten ga: dus hebt gy ’t minst te schroomen.
(940) Ik heb iets van gewigt met Rochus voorgenomen,
Dat mooglyk ’s vyands trosch kortstondig brengt ten val,
En daar heel Nederland, uit vreugd, van daavren zal.



NEGENDE TOONEEL.

KOPPESTOK, PHILIPSZOON, ELIZABETH, KORNELIA, FREDERIK, MARIA.

KORNELIA.
Ik vrees dat Rochus drift hem in ’t bederf doet loopen.
KOPPESTOK.
Daar weeke Vrouwen zyn, is weinig goeds te hoopen
(945) Van ’t Manvolk, dat haar klagt altyd de handen bindt.
ELIZABETH, met drift.
Daar weeke Vrouwen zyn!... Gy kent ons niet myn Vrind:
’t Is ver van daar: gy mist: wy zyn geen weeke Vrouwen.
Wanneer Bossu ons hier bestormt zult gy beschouwen,
Hoe weinig wy den Mans, in dapperheid en moed,
(950) In d’ aanval af te slaan, bezwyken; neen, geen voet-
Noch stroo- noch hairbreet zelf wil hen het Vrouvolk wyken!
Geen praatjes zyn hier nut; dit zal door daaden blyken.
[p. 46]
FREDERIK.
Maar Moederlief!
KOPPESTOK.
Wel zoo! wel vrouw Elizabeth,
Gy spreekt als een Heldin.
KORNELIA, zeer driftig.
Zoo doet zy. Welke wet
(955) Heeft aan de Vrouwen ooit verbooden, om de wallen
Meê te verdedigen? Was Vrankryk niet gevallen
In Koning Hendriks magt van Engeland, indien
Zich de Orleansche Maagd niet aan hadt durven biên
Voor d’ Erfgenaam van ’t Ryk? heeft zy zich niet gekweeten,
(960) Dat Karel, toen niet meer dan Dauphyn slechts geheeten,
De Britten overwon, den Franschen Troon beklam,
En ’s Engellanders hooft de Leliekroon ontnam?
Dit deedde een Maagd, dit deed Johanna voor haar’ Koning.
Een andre, eveneens in naam, heeft haare wooning,
(965) Haar Moederlyke Stad, Beauvais, wanneer die Plaats
Byna verwonnen was, door ’t stormen des Soldaats,
Behouden door haar’ moed, dewyl zy zelf met Maagden
En Vrouwen, meer dan Mans, haar vyanden verjaagdden;
Waarvoor daar eens in ’t Jaar wordt ommegang* gedaan,
(970) Waarin de Vrouwen voor, de Mannen achter, gaan:
En hoe veel Steden zyn, door dapperheid der Vrouwen,
Ja hoe veel Landen zelfs zyn niet door haar behouên?
Dit laatst geval is nu juist hondert Jaar geleên;
En zouden wy alhier de Mannen wyken? neen.
PHILIPSZOON.
(975) Wie dacht ooit dat alhier ook zulke Vrouwen waaren?
Wanneer Bossu dit ziet zal hy de moeite spaaren
Om dikwerf zyn bevel ten storm te geeven; want
Daar ieder vechten durft, beleidt met goed verstand,
Is ligtlyk van een’ wal den aanval af te weeren.



[p. 47]

TIENDE TOONEEL.

KOPPESTOK, PHILIPSZOON, PONTUS, ELIZABETH, KORNELIA, FREDERIK, MARIA.

PONTUS.
(980) Och! Vrienden! staat my by!... Wilt toch de wreedheid keeren
Die my wordt aangedaan!
KOPPESTOK.
My dunkt gy zyt gewondt.
PONTUS.
Och! een verwoede Geus, die my verstoken vondt
In eenen hoek der Kerk, na ’t Klooster was ontheiligd,
Viel raazende op my aan, daar ik my dacht beveiligd
(985) Te weezen voor hun woên; hy greep my by den baard,
Doorstiet myn borst en wierp my, vloekende, ter aard’,
Ja heeft aan my de schuld van Alvaas kwaad gegeeven!
Graaf vander Mark en hy doen beurtelings ons beeven!
De Spanjaard, en de Geus zyn even toomeloos,
(990) Gelyk in ontucht, wreed, onredelyk en boos.
Daar ons Toledo sterkt, houdt hy noch maat noch paalen,
Door, op den Geus, ons leet met woeker in te haalen:
Waartegen weêr Lumey alle onze Kerken schendt,
En op de Geestlykheid zyn dolle woede wendt,
(995) Niet onderzoekende wie schuldig of onschuldig
Op ’t wreedst mishandeld wordt. Is ’t niet genoeg, geduldig,
Stilzwygende aan te zien, de Kerken overal,
Waar hy slechts meester wordt, tot eenen Paardenstal
Misbruiken? Laat uw oog in ’t Klooster Rugge weiên
(1000) Rondom zyn’ Tempelwand; beschouwt eens, zonder schreijen,
Hoe zynen blanken muur, van schilderwerk ontbloot,
Zyn eerste sieraad mist, het Altaar al te snood
Verbryzeld en alom het beeldwerk weggeslagen!
Wie zal zulks kunnen zien en niet met reden vraagen,
[p. 48]
(1005) Waarom de Plonderaar met zilver, met fyn goud,
En ’t edele gesteent’, zich niet te vreden houdt;
Maar ’t houte by telwerk en kalk en steen doet breeken,
En zich aan ’t kunstpenseel eens Schilders komt te wreeken?
PHILIPSZOON, tegen Pontus.
Maar, Vader, wat de Geus van uwe Kerken haalt,
(1010) Wordt, door de Spanjaards, ruim uit Burgerroof betaald.
KOPPESTOK.
Wel hoor, ik wil Lumeys noch Alvaas kwaad verschoonen;
Zy zyn de besten niet en heet op wraak betoonen;
Maar de eerste werkt niet zacht voor Vryheid van het Land,
En de andre smeedt voor ons een’ yzren Slaafschen band.
(1015) Daar vander Mark zich haast bepaald ziet door Oranje,
Wordt daaglyks Ferdinand nog opgehitst uit Spanje:
Terwyl de Graaf ’t bevel des Prins te buiten gaat
En diens bestraffing wagt, verheft des Konings Raad
Het Hertoglyk bedryf, daar ’s Paussen gunstbetooning
(1020) Den Hertog wydt den hoed en degen, ter belooning
Der wreedheên die hy pleegt: beschouw dit zoo als wy,
Dan kiest ge ook vander Marks, maar nimmer Alvaas, zy’.
PONTUS.
Zy beide, door hun drift in gruuwlen te bedryven,
Te fel, verpligten ons in ’s Koning eed te blyven,
(1025) Daar niets ter Waereld u noch my van kan ontslaan.
PHILIPSZOON.
De Koning heeft aan ons den eersten eed gedaan;
Dat hy die ’t eerst volbrenge en ons niet laat verdrukken.
PONTUS.
Wie laat Lumey begaan in alle gruuwelstukken?
KOPPESTOK.
De wraak van (*) Merula, en Alvaas helsch bedryf.
(*) Eerst geliefd Priester in den Briel, en als Pastoor te Heenvliet, door last der Inquisitie, Ao. 1757, te Bergen in Henegouwen, verbrand.
[p. 49]
PONTUS.
(1030) Een uitvlucht van dien aart heeft weinig om het lyf.
Begeert hy wraak, laat hy zich op de Spanjaards wreeken.
KOPPESTOK.
Hy zegt, zy woeden meest door ’t geestelyke preeken.
PONTUS.
Rampzaalge Geestlykheid, in zulken tydsgewricht!
Daar ons des Paussen wil en ’s Konings last verpligt,
(1035) Om elk het oud Geloof krachtdaadig in te scherpen,
En alle nieuwigheên te doemen, te verwerpen;
Daar ’t Bisschoplyk gebod en ’s Landvoogds hoog gezag,
Daar de Ovrigheid beveelt, de Spanjaard, dag op dag,
Zelfs dwingende gebiedt den opstand te verdoemen,
(1040) En wie de Kerk verlaat’, doodschuldigen te noemen,
De afdwaaling Kettery te heeten, en de straf
Die de Inquisitie, hier en elders, daar voor gaf,
Hoe schaadlyk voor dit Land, den menschen aan te pryzen
Gelyk een heilig werk. Wy doemen, wy verwyzen
(1045) Wat naar den afval zweemd, en opstand koestren kan,
En moeten ’t doen, op straf van ongenade en Ban;
Doch zien, aan d’ andren kant, daar wy dien last volbrengen,
Ons ongeluk ten top, ons bloed wreedaartig plengen:
Al waar de Geus verwindt, of listig meester wordt,
(1050) Zien we ons, voor ’t allerminst mishandelt, wreed verkort,
In ’t oud Geloof veracht, met de Altaars omgesmeeten,
En met al ’t heiligen verwoed van een gereeten.
Hier legt een Offerkleed, daar ’t edel Wierookvat,
Ginds een Maria-beeld, met brein en bloed bespat!
(1055) Geen Kruis wordt aangezien dan met verachtlyke oogen;
Geen dierbaar overschot, of ’t is met slyk betoogen!
Het rein Wywater stroomd, met den gewyden Wyn
En Olie, langs den vloer der Kerk, daar ’t wit Satyn,
Het Karmozyn Fluweel, en meerder kostlykheden,
[p. 50]
(1060) Daar ’s Priesters ingewand, verpletterd en vertreeden,
Voor elks gezicht ten toon, zich siddrende verspreid
En de overmaat vervult van alle afgryslykheid!
Geen één der onzen, die, door striemen of door wonden,
Hun wreedheid niet gevoelt! geen Non blyft ongeschonden;
(1065) Daar ieder Klooster-Cel thans wordt een ontuchtspoel,
Blyft geen gewyd Gesticht in stand door hun gewoel.
Helaas! ik zweeg tot nog hoe ’k onze Regulieren,
Wel negentien in tal, door die bloedgraage Gieren,
In ’t Monniks-heil gewaat, zag martlen door de Koord,
(1070) En hangen aan een’ balk! ’k heb hun gekerm gehoord,
In Rugges Kloosterschuur! dit ’s door Lumey gebooden;
Ik zag der Geuzen woên en ben, gewond, ontvlooden.
KOPPESTOK.
De gramschap van den Geus, die zich beledigt acht,
En Alvaas tyranny heeft zulks te weeg gebragt:
(1075) Hy gaf den Geuzen stof tot deeze gruuweldaaden;
Hy heeft door Zwaard en Vuur, door Galgen en door Raden
Hier ’t allereerst gewoed: maar zoo de Oranje Held,
Aanvaardende ’t bewind, Lumey geen paalen stelt,
En ieders Kerkgebruik alom niet vry zal geeven,
(1080) En ieders recht beschermt, verbeure ik lyf en leeven.
’t Is voor den Staat, den Prins en voor ons zelfs; maar niet
Voor Entes noch Lumey dat gy ons yvren ziet.
PONTUS, terwyl men een naderend gerucht hoort, en eindelyk een deel vluchtelingen verschynen en zich bergen ziet; bestaande deeze vlucht, uit Geestelyken, zoo Mans- als Vrouwspersoonen, gevolgt door Edelen, Matroozen en Soldaaten.
Wat moordkreet kryscht en knerscht op nieuw weêr in myne ooren!...
Ziet zelfs de Geestlykheid het deugdlyk hart doorbooren!...
(1085) Ziet nu der Geuzen woên en bergt my voor hunn’ haat.



[p. 51]

ELFDE TOONEEL.

ENTES, KOPPESTOK, PHILIPSZOON, PONTUS, ELIZABETH, KORNELIA, FREDERIK, MARIA, eenige Edelen met Degens, Matroozen met Bylen, en Soldaaten met Zwaarden gewapend.

ENTES, met ontbloot Zydgeweer, tegens Koppestok en Philipszoon.
Hoe Vrienden; hoort gy hier naar Paapen beuzelpraat?
Denkt nu aan nutter zaak; bezet met ons de wallen,
Waarop het Spaansch geweld zoo daadlyk aan zal vallen.
Prins Willem eischt uw dienst, de Staat en ’t Vaderland
(1090) Begeeren dat gy nu kloekhartig saamenspand,
Tot welzyn van u zelfs, van Vrouwen en van Kindren.
Biedt tegenweer aan hun, die hier uw recht vermindren,
De wetten van ons Land vertrappen met de voet’,
En doemen u ter straf; het uitgestortte bloed
(1095) Der Helden, door de hand dier Beulen wreed vergooten,
Schreeuwd, krytende, om de wraak! de moord der Landgenooten,
Waarvan de zwarte aard nog roode teekens draagt,
Heeft onze loome zucht ter wreeking lang beklaagt.
Al wat slechts reuk ontleend van Spanjaards of van Paapen,
(1100) Is enkel en alleen tot ons bederf geschapen:
De Kastiljaan en Beul doen wat de Geestlykheid
Hun aanpreekt en beveeld; niets is ons opgeleid,
Niets wierdt ons afgeperst, nooit heeft men bloed zien stroomen,
Of ’t is uit preevlaary der Paapen voortgekomen.
PHILIPSZOON.
(1105) Die menschen zyn zeer naauw gebonden aan ’t bevel
Van Koning en van Paus.
ENTES.
Zoo is ’t; gy zegt zeer wel:
[p. 52]
Dit wierden wy gewaar, in hunnen blinden handel,
Hun liefdeloos gedrag en spooreloozen wandel,
Hun maateloos geschreeuw en schendende adderstong,
(1110) Waardoor men ieder Leek tot straf der Geuzen dwong;
De wreedheên roemende, als doorluchtige bedryven,
Als daaden, die ’t gezag van Paus en Koning styven.
Dus werdt een wreed gebod verkondigt met vermaak
Door deeze Geestlykheid, die, heet op bloed en wraak,
(1115) Geen zachtheid hulde doen, maar haar Gemeente leeren,
Dat zy door vuur en staal moet loutren en bekeeren:
Dierhalven moeten wy haar ook door brand en moord
Verbeetren, en voldoen aan haar gesproken woord.
KOPPESTOK.
De Spanjaards dwingen haar daartoe.
ENTES.
Dat zyn maar listen.
(1120) Komt, Vrienden, laaten wy daarover niet meêr twisten,
En liever het geweld des vyands wederstaan.
Doch gy, doem waarde Paap, zult geenszins straf ontgaan.



TWAALFDE TOONEEL.

PONTUS, alleen, aan den laatsten steek, die Entes hem wilde toebrengen, ontweeken zynde.

Ja, ik gevoel myn straf, hoewel geheel onschuldig
Aan de oorzaak van het kwaad, dat hier zoo menigvuldig,
(1125) Tot myn verdriet en smert, door ’s Konings oorlogsmagt,
Deeze arme Burgery te veel is toegebragt:
Ik zag zulks met verdriet, en moest de Bloedplakaaten,
En Spaansche kneevlaary, als Nederlander, haaten;
Maar dat elk zwygen moest, stond ook aan my niet vry
(1130) Te zeggen, schoon myn hart, om alle moordery
En wreedheên, dikwils kromp. Daar my wierdt opgelegen
Te roemen zulk bestaan, heb ik zoo veel gezweegen
[p. 53]
Als eenig Geestlyk lid daarvan gezweegen heeft;
Maar als ons Paus en Vorst bevel tot spreeken geeft,
(1135) Wie durft dat hoog gezag moedwillig wederstreeven?
Wie zwygt dan ’t voorschrift stil, ter leezing hem gegeeven?
Dus spraken wy alleen; doch dit is nooit geschied
Met mynen vryën wil, maar enkel met verdriet:
En zyn ’er onder ons geweest die bitter spraken,
(1140) Kan my, rampzalige, eens anders doen dan raaken?
Ben ik daar schuldig aan?... Ellendig Nederland!
Wat hangt u boven ’t hoofd een wolk van oorlogsbrand!
Wat stroomen bloeds zult gy nog uit uwe adren loozen!
Hoe zal hy die den weg ter strengheid heeft verkoozen
(1145) Nog zuchten!... Hoe zal hy, die zoo veel menschenbloed
Vergiet, in ’t eind geleerd door ramp en tegenspoed,
Zich dier geweldnary en bitterheid beklaagen!
ô Hemel! sta my by!... Ik heb een deel der slagen,
Door striemen slechts, gevoeld, die ’t Land nog voelen zal,
(1150) Eer alle tyranny alhier geraakt ten val!
Ik heb ’t begin gezien van Nederlands kastyding,
En heb nu weêr ’t begin gezien van zyn bevryding;
Spaar, Hemel, my het lyf! om nog ’t begin te zien
Dat zulk vervolgen stuit, en van zyn’ grond doet vliên!

Einde des Vierden Bedryfs.
Continue
[
p. 54]

VYFDE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

BOSSU, LODOGNO, Spaansche Wachten.

BOSSU.
(1155) Ik vreesde ligt, als gy, zoo ’t water verder bruischte,
En over deezen Dyk, als in de laagte, ruischte:
Maar nu wy op het Land nog droogvoets kunnen gaan,
Schynt aan den Zuidpoorts-Muur het stormen ons geraên.
Ik gaf Furtado last om daar, met Oorlogsknechten,
(1160) De Ladders zeer gezwind en moedig op te regten,
Terwyl ik hier, gerust en klaar genoeg, kan zien
’t Beklimmen van den wal en hoe de Geuzen vliên,
Hoe hy de Stad verwindt en brengt in ’s Konings handen,
Eer vander Mark zich zelv’ daar vestigt te onzer schanden.
(1165) Ik hoor nog geen gerucht aan d’ een’ of andren kant:
Misschien heeft onze komst hun hart reeds overmand,
Door zulk een’ doodschen schrik, dat zy de Vest verlietten.
BODOGNO.
’t Schynt buiten alles stil; wy hooren nog geen schieten,
Om dat ’er op den Muur, of op de zwakke Poort,
(1170) Geen aanval is gedaan; maar als de brandklok, moord,
En storm, en onraad klept, en ’t dondren der Kartouwen
’t Gehoor verdooven zal, kon ’t u nog wel berouwen
Dat gy, door ’t water zelf verwittigd van hun vlyt,
Niet weêr te rug gegaan, maar voortgetrokken zyt.
BOSSU.
(1175) Waarmeê zou vander Mark ons weêrstand bieden konnen?
Hy heeft geen Houwgeweer, Musquetten of Kanonnen,
En, voor een handvol volks, byna geen kruid en lood;
De Burgers zyn meestal gevlucht, of niet zoo snood
[p. 55]
Dat zy dien trotschen Graaf rebellig bystand bieden;
(1180) Want waar het ooit gebeurt dat Ingezeten’ lieden
Des Konings magt weêrstaan, wordt straks hun Stad, door ’t Zwaard
En Vuur, geheel verdelgd: dus ben ik niet vervaard
Voor tegenweer: Lumey heeft Brielle reeds verlaaten;
Bezet daar schans en wal met moediger Soldaaten....
(1185) Maar, Hemel!... Wat is dit...
LODOGNO, ziende een gedeelte van vuur, en hoorende het afgaan van kleen Geweer.
Het is ’t Musquet gekraak
Der Geuzen, die, te wel gewapent voor hun zaak,
In ’t geen men Nieuwland noemd, ons Krygsvolk lastig vallen;
Hoe zal ’t ons dan vergaan in ’t stormen op de wallen?
BOSSU.
Dit Handgeschut kan ons byna geen hinder doen:
(1190) Het zyn stuiptrekkinge van zwakheid. Wil u spoên
En doet straks op den Muur des Konings Standaart planten.
BODOGNO.
Wanneer ons Kruis, in ’t oog van Lumeys vloekverwanten,
Al wendlende, op de Vest, voor u ten pronk zal staan,
Stel dan de zege vast, en treê zelf Stadwaards aan.



TWEEDE TOONEEL.

BOSSU, alleen, met Spaansche
Wachten, terwyl het Schut-
geweer al nader en naderby
wordt losgebrandt, zoo dat men
’er eindelyk het vuur van ziet.
(1195) ’t Geschiet wordt weêr herhaald, met meêr geweld en krachten!...
Wat roekeloos bestaan!... Wie had ooit durven wagten,
[p. 56]
Dat breideloos gespuis dit onderneemen zou?
By ’t schenden van hun’ eed, en ’t breeken hunner trouw,
Heeft dit weêrbarstig schuim, aan Zwaard en strop ontdooken,
(1200) Van Zeeroof zich geneerd, en dikmaals ’t leed gewroken
Dat hunne medemaats rechtvaardig overkwam.
Na dien verwaten hoop moedwillig ondernam
’s Lands Sleutel aan de vuist des Konings stout te ontvreemen,
Gelyk dit Eiland is, moest elk terstond verneemen
(1205) Dat waar Bossu een Land Stadhouderlyk gebiedt,
Hy, door verzuim, geen Stad ten roofnest worden liet.
Maar hoe; het water wast! en ’t klettren der Musquetten
Schynt aan Furtadoos moed de nadring te beletten!...
Waar toeft nu Sanchio!... Daar bulderd het Kanon!...
(1210) Ach dat ons Krygsvolk straks het stormen maar begon....
Welaan ik zal dan zelf daarmeê begin doen maaken....
ô Hemel! ’k zie van verr’ door ’t vuur myn Schepen blaaken!...
De vlam vliegt hooger op, terwyl de Krygsknecht wykt!...
Ik zie hoe myn’ Soldaat in moed en kracht bezwykt.
(1215) Een kleene waterstroom is tot een Zee gewassen!...
Myn volk versmoord in slyk en slibbrige moerassen!...
Hoe raak ik door den vloed weêr by de mynen! ach!
Gelukkig zoo ’k voor my een’ weg ter uitkomst zag.



DERDE TOONEEL.

BOSSU, FURTADO, Spaansche Wachten.

FURTADO.
Mynheer, het is gedaan, wy zyn alreeds verwonnen,
(1220) Eer nog, van onze zyde, een aanval werdt begonnen:
Geen dapperheid, of moed, of vyandlyk geweer,
Ontruktten ons het hart; geen water heeft zoo zeer
[p. 57]
Ons doen te rugge gaan, dan ’t schenden onzer Kielen,
Waarop de Geuzen straks als dolle Tygers vielen,
(1225) Die steekende in den brand, of van den oever af,
Of boorende in den grond; dit scheen ons volk een Graf,
Waarin wy altemaal ellendig zouden smooren;
Waarom zy daadelyk den weg ter vlucht verkooren:
De dapperste nogtans zyn willig en bereidt,
(1230) Om u, ons Opperhoofd, in alle veiligheid,
Eerst op Nieuw-Beyerland en voorts op Dort te brengen.



VIERDE TOONEEL.

BOSSU, LODOGNO, FURTADO, Spaansche Wachten.

BODOGNO.
Gy zyt verpligt, Heer Graaf, ons wyken te gehengen.
Des Konings dienst vereischt dat gy op heden zwicht.
Ik heb, zoo veel ik kon, voldaan myn’ Krygsmans pligt;
(1235) Maar ’t was onmoogelyk dat wy de Vluchtelingen,
By ’t branden onzer Vloot, tot d’ aanval konden dwingen.
Verwagt haast beter tyd, die ligt in ’t kort verschynt;
Der Kastiljaanen deugd, zoo dra hun vrees verdwynd,
Zal Brielle, op ’t onverwagtst, herwinnen voor den Koning;
(1240) Maar straf dan schrikkelyk en denk om geen verschooning.
Geen recht geloovigen doen Kettren onderstand,
Gelyk dees Burgery; steek dan haar Stad in brand,
Om dat zy ’t Muitgespan daar binnen lietten trekken:
Haar val zal de andre Steên ten toom en breidel strekken*,
(1245) Om meerder trouw en vlyt, voor Vorst en Opperheer,
Voor Kerk en Kerkendienst te toonen. ’t Strekt tot eer
Van u en ons al t’ saam’, in ’t Vorstelyk vermoogen
Geen kreuk, van ’t muitend graauw, geen schending, te gedoogen.
FURTADO.
’t Is tyd, en meêr dan tyd, te wyken elders heen.
BODOGNO.
(1250) Ons volk geraakt, door slyk en water, reeds byëen
[p. 58]
En heeft Nieuw-Beyerland, naar ’t schynt, ter wyk verkooren.
Veel Vaartuig, dat de Geus niet kon ten gronde booren,
Is, zwemmende uit den stroom, aan d’oever weêr gebragt.
Lumey, mistrouwende zyne al te zwakke magt,
(1255) Vervolgt geen vluchteling, maar laat hen vry vergaêren:
Dus zal, in Dordrechts wal, hun siddring rasch bedaaren;
Waarna ge u wreeken kunt van deezen hoon en smaad.
FURTADO.
Maar zoo men daar voor ons de Poorten sluiten laat?
BOSSU.
Dan gaan wy Rotterdam, in aller yl, bezetten.
BODOGNO.
(1260) En zoo zy ons aldaar den intred ook beletten,
Wat dan, in ’t eind, gedaan?
BOSSU.
Ik zal wel maaken dat
Men ons daar binnen laat. Wy moeten deeze Stad
Verzeekren voor den Vorst. Ik ken haar Burgerheeren,
En Vroedschap, voor zeer zacht en minlyk in ’t regeeren,
(1265) Waarvan ik ligtelyk de ontsluiting eener Poort
Verkrygen zal; te meêr, zoo men my spreeken hoort
In hunnen Raad, van wien ’k het doorgaan slechts zal vergen,
Voor my en voor myn volk; maar zoo men my durft tergen
Door weigring, zal ik hen nog zachter ondergaan,
(1270) Om ons, in ’s Konings naam, den doortogt toe te staan
Met weinig volks gelyk; doch niemant krygt ons buiten,
Na wy eens binnen zyn; en tracht men ons te stuiten,
In ’t werkelyk bezit te neemen van den Wal,
De Poorten, en wat meêr ons dienstig schynt, dan zal
(1275) Ons Rotterdam ’t verlies, alhier geleên, betaalen,
En elk die weerstand biedt, ten duistren afgrond daalen.
BODOGNO.
Uw aart komt wonderbaar met d’ onzen overeen.
Uw heldenhart is vreemd van alles wat gemeen,
[p. 59]
Laf en flaauwmoedig is. Gy zyt een Nederlander,
(1280) Maar meerder Spaansch van aart dan de andren met elkander’.
Gy laat ons wraakzwaard vry, gy duldt der Kettren straf
En ’s Muiters ondergang! dus zyt gy flaauw noch laf,
Maar edel, groot van ziel, en waardig dat u ’t leeven
Uit Spaanschen, in het Ryk van Spanje, was gegeeven.
FURTADO.
(1285) Zoo ge Alvaas krygsmoed paart met uwe ervaarenis,
Zegt elk, dat Held Bossu een waare Spanjaard is!
BODOGNO.
Sluit altoos uw gehoor voor ’s Burgers jammerklagten,
Wilt ge als een Kastiljaan u eeren zien en achten!
BOSSU.
Schoon ’k niet altyd het oor wil sluiten voor genaê,
(1290) Myn wraak staat heden vast, ten zy een grooter schaê
Dan deeze, en haar gevolg, myn oogmerk doe vertraagen:
’k Zal, met een Neêrlands hart, de muitery belaagen.
Wy gaan. Maar vander Mark, beef, schrik en sidder vry,
Wanneer ik wederkome! Uw trek tot roovery,
(1295) Uw heerschzucht, en uw lust tot schenden en vernielen,
Dryfveêren die uw vlucht en rapheid meêr bezielen
Dan ’t heil van Nederland, doen u slechts werkzaam zyn
Tot ’s Burgers ondergang. Barbaar, met welken schyn
Mengt ge u in onzen twist, met uwe Luikenaaren?
(1300) Gy en Sonoy zyt hier maar vreemden en Barbaaren,
Die ons verschil niet raakt! waar gy uw voeten zet
Hoont gy de Kerk en klinkt der Beeldenstorm-Trompet!
Ontmenschte, u helsch bedryf aan Geestlyke persoonen,
Kan uw bloedgierig hart en wreedheid elk vertoonen!
(1305) Doch na gy ons ’t beleg ziet slaan om deezen wal,
En storm op storm uw drift en wrevel mindren zal,
Bossu de Stad herwindt, die gy niet kunt bevryden,
Dan zal hy, ô Lumey! u zoo gestreng kastyden,
Dat al uw vreemd gevolg, door deeze straf ontroerd,
(1310) Nooit weêr der Geuzen Vlag op ’s Hollands bodem voert.



[p. 60]

VYFDE TOONEEL.

MANRIQUES, alleen.

Vertoef, Bossu! vertoef!... Ik zie myn Vrienden vluchten,
En moet alhier, ten prooi van Muitelingen, zuchten!
Oproerig volk, durft gy uw’ Koning tegengaan,
Wiens Landgebied de Zon steeds in haar’ dag ziet staan?
(1315) Die nergens weêrgaê heeft in rykdom en vermoogen!
Ellendigen! gy zyt in uwe hoop bedroogen,
Zoo gy iets hoopen durft van uw geringe magt!
Wat baat uw tegenweer, daar uw te zwakke kracht
Uw dwaasheid kenlyk maakt en ganschlyk zal bederven?
(1320) Rampzaligen! gy zult als Landverraaders sterven,
Ten zy ge u rasch verzoend met onzen Vorst en Kerk!
Niets kan u redden, niets, dan ’s Hemels wonder werk.
Maar ik, aan welk een’ kant zal ik thans uitkomst vinden!...
Hier zwaaid geen Kruisvaan meêr, daar myn verbaasde Vrinden,
(1325) Te zeer door schrik geraakt geweeken zyn naar ’t strand,
My laatende, gewond, in ’s muiters wreede hand,
Nu ’k hier geen schuilplaats zie waar ik my kan versteeken;
Wyl ’t Veld, benedens Dyks, verkeerd in waterbeeken,
Geen lichaam zoo verzwakt als ’t myne wyken laat.



ZESDE TOONEEL.

MANRIQUES, ROCHUS.

ROCHUS.
(1330) Ik heb den Spanjaard schoon vernesteld! alles gaat
Ons nu voorwind. Ja wel, wat stond dat volk te kyken
Wanneer zy voor den vloed, als uilen, moesten wyken!..
Maar wat zyt gy voor een?
MANRIQUES.
Ik ben een Edelman,
Getroffen door een loot, en die, verlaaten van
[p. 61]
(1335) Myn Volk, in ’s Konings dienst, alhier met roem zal sneeven....
Ik wage het sterven af en haat het schandlyk leeven,
Indien ik ’t van de gunst der Geuzen ooit geniet.
ROCHUS.
Ik ben een Geus, die nooit een’ Kastiljaan doorstiet,
Noch aan de Geestlykheid de handen heeft geschonden.



ZEVENDE TOONEEL.

TRESLONG, MANRIQUES, ROCHUS. Gevolg van Bootsvolk en Soldaaten.

TRESLONG.
(1340) Vriend Rochus, Burgerheld! nu heb ik ondervonden
Dat gy, kloekhartig Man, de goede zaak getrouw,
Een steunsel worden zult van ’t vryë Staatsgebouw,
Het welk Oranje zelf van hier zal op doen rechten,
Na zyn Doorluchtigheid, van duizende Oorlogsknechten
(1345) Gevolgt, het Spaansch geweld om onzent wil weêrstaat;
Hy heeft den Grond geleid waarop men bouwen gaat.
MANRIQUES.
Schoon ’t gansche Nederland, in één verbond getreeden,
Uws Konings eisch weêrstondt en elk aldaar de schreeden
Van Nassaus volgen dorst, wat baaten ’t? niet met all’;
(1350) Aan welk een’ kant zou ’t volk ontwyken zynen val?
Geen Koning is de wraak van onzen Vorst ontwassen,
Wiens Septerstaf gebiedt de beide waereldassen.
TRESLONG.
Myn Vrienden, wreek u niet op deezen Kastiljaan.
Gy, afgemat door ’t bloên, zult geenszins straf ontgaan,
(1355) Maar sneuvlen, schoon wy niet de handen aan u schenden;
Neen, ’t is ons meerder eer uws Konings Legerbenden,
Die reê ten stryde zyn, te vallen op het lyf.
Zie de overwinning reeds ons loffelyk bedryf
[p. 62]
Bekroonen, daar zy ons het hoofd, met Krygslaurieren
(1360) En Eikebladeren, haast meerder zal versieren!
Wy zullen dagelyks aangroeijen in gezag,
Maar Spanjes Heerschappy zal mindren dag op dag.
Gy, die in alles u gedraagen hebt als mannen,
Laat Spanjes aanhang ons vry doemen en verbannen;
(1365) Gy hebt ten dienst van ’t Volk en ’t lieve Vaderland,
De Schepen van Bossu bedorven of verbrand,
En Rochus deedt dit Land met water overstroomen;
Door hem en ons is meest de zegepraal bekomen!
Daar dees Paasavondstond, hierna altoos gedacht,
(1370) In zeegning blyven zal by ’t roemryk nageslacht.
MANRIQUES.
Op welken grond kunt gy die ydelheên gelooven?
TRESLONG.
Die denking, welke aan ons wordt ingestort van boven,
Zal niet in ydelheid verdwynen, als gy hoopt,
Maar weezendlyk bestaan; dus wordt de magt gesloopt
(1375) Van Spanjes Mogendheid, wanneer Philips dees Landen
Voor vry verklaaren moet, verbreekende alle banden
Waarmeê hy die, tot nog, gestreng gebonden hieldt.



AGTSTE TOONEEL.

VANDER MARK, TRESLONG, MANRIQUES, ROCHUS, Gevolg van Edelen, Bootsvolk, en Soldaaten.

VANDER MARK.
Nu triomfeeren wy. Dat elk, met vreugd bezield,
Dees’ blyden avond vier’, met allerlei gezangen!
(1380) Dat deeze Saterdag, waarop wy ons verlangen
Verkreegen, wen van hier de Spanjaard is verjaagd,
By al ’t Batavisch volk den naam van heilryk draagt,
Gelyk hy waarlyk is! Wy kunnen, zonder vreezen,
In deezen tyd, vernoegt en luchtig vrolyk weezen.
[p. 63]
(1385) Wat Spanjaard heeft zich daar op eenen struik geplaatst?
TRESLONG.
Hy is gekwest, Mynheer.
VANDER MARK.
Zorg dan in aller haast,
Uws Broeders bloed ten zoen, dat gy hem op doet knoopen.
TRESLONG.
Neen, geen verwonde schelm, die niet meêr voort kan loopen,
Mag myne wraak voldoen.
VANDER MARK.
Is hy uw’ toorn ontwaard,
(1390) Hy heeft de doodstraf toch verdiend. Wy moeten de aard’
Van Spanjaards zuiveren, zoo veel wy immer kunnen,
En hun geen oogenblik het leeven langer gunnen,
Dan men het leevenslicht hun niet ontneemen kan.
Verfoeilyk Dienaar....
MANRIQUES.
Neen, ik ben een Edelman,
(1395) In ’s Konings dienst gewond, daar ik op ’t pad van eere....
VANDER MARK, hem, ten einde zyner reden, doorstootende.
Uw’ roem in schande zocht. Dat hy nooit wederkeere
Van waar hy kwam’.... Ga heen, uw bloedrol is volspeeld.
MANRIQUES, ter neder stortende.
Barbaar!... ô Hemel!... ’k Sterf.
VANDER MARK.
Gy hebt my lang verveeld.
Al waar men Spanjaards vindt, het zy in modderpoelen,
(1400) Of halfverdronken Land, doet hun de straf gevoelen,
Door hen voor ons bereidt. Die beulen moeten voort,
En wat hier Geestlyk is zal sterven door de koord.
Voor my geen blyder uur dan dat ik my mag wreeken,
En met myne eige hand hun wreevlig hart doorsteeken.
(1405) Ach! dat ik eens myn wraak aan Alva koelen kon’!
Welk een geluk zoo ik dien bloedhond overwon
[p. 64]
En Krygsgevangen zag! hoe zou ik my vermaaken,
In hem de wreede ziel, al spartlend’, te doen braaken!
Wat zou ik foltering voor hem verzinnen! ja
(1410) Ik zou aan dien Tyran het zwaard van ongenaê,
Met meer dan helsche pyn, op ’t schriklykst, doen geevoelen,
En in zyn laauwe bloed myn heete drift verkoelen!
Zyn lillend ingewand wierdt langs den grond gesleurd,
Daar zyn moordzuchtig hart, ten boezem uitgescheurd,
(1415) Myn tanden, tong en mond, ten bittren prooi verstrekten.



NEGENDE TOONEEL.

VANDER MARK, ENTES, TRESLONG, ROCHUS, Gevolg van Edelen, Bootsvolk en Soldaaten.

ENTES.
Bossu is reeds op weg naar Dort, en zoo’k ontdekten,
Uit iemant die terstond de Dortsche Vest verliet,
Is ’t zeker dat hy zich daar buiten houden ziet;
De Poorten zyn daar toe, haar deuren digt gesloten,
(1420) En ’s Burgers tegenstand zal hem het hoofd doen stooten.
Wat was ’t ons aangenaam de Spanjaards, vuil beslikt,
Bemodderd of doornat, al beevende en verschrikt,
In hunne vlucht, te zien en tergend’ na te jaagen!
Dus hebben wy van hen nog sommigen verslaagen,
(1425) Die, worstlend’ met den dood, zich in het diep moeras
Verschoolen, daar ons staal of loot hen doodlyk was,
En pynlyk bragt omhals; want niemant kreeg genade:
Ik laghten om ’t gesmeek, en wreekten myne schade
En ’t zielsverdriet dat elk van hen aan d’ onzen deedt.
VANDER MARK.
(1430) Gy, Entes, zyt zoo braaf als ik een Krygsman weet.
Gy toont u in ’t geheel vervreemd van mededoogen,
Wyl u ’t Maraans geschrei nog nimmer heeft bewoogen!
[p. 65]
Gy volgt myn schreeden na, het Geestlyk kleed ten haat,
Waarin een lichaam steekt, heerszuchtig, trosch en kwaad,
(1435) Ja onverbiddelyk in heil- en voorspoedsdagen,
Wiens tong, in tegenspoed, door weenen en door klaagen,
Altoos naar uitkomst zoekt, en ons den Hemel sluit,
Of opent, zoo ’t haar lust; schoon my zulks nimmer stuit,
Noch uw gerechte wraak in ’t minste doet verkouden.



TIENDE TOONEEL.

VANDER MARK, ENTES, TRESLONG, DE RYK, ROCHUS, Gevolg van Edelen, Bootsvolk en Soldaaten.

DE RYK.
(1440) Uw zege, ô wakkre Graaf! zal nu haar loopbaan houden.
De Waalen zyn alreeds uit Vlissingen verhuisd,
De Bouwers van ’t Kasteel verjaagd, hun werk vergruisd
En ganschlyk omgewroet: de Burger zal beletten,
Dat eenig Spanjaards rot weêrkomt zyn Stad bezetten.
(1445) Nogmeer, Mynheer, nogmeêr; geen zwakke Burgery,
Maar de Regeering zelfs verkiest Oranjes zy’
En deedt u, door van Erp, om hulpe en bystand vraagen
Eer gy het Spaansch gespuis van hier hadt weggeslagen,
Of eer men dacht dat zulks zoo wel gelukken zou’.
VANDER MARK.
(1450) De Brielsche Burgerschaar, die ’k nog niet veel betrouw’,
Belet my dat ik thans geen sterke hulp kan geven;
Doch al die nieuwelings by ons zyn ingeschreeven,
Min van geweer bedeelt, dan trouw voor ’t Vaderland,
Laate ik volkomen vry te gaan naar ’t Vlissings strand.
DE RYK.
(1455) Men is daar meêr voorzien van krygsnoodwendigheden,
Dan van stoutmoedigen om andren voor te treeden,
Die men straks volgen zal en van geweer voorzien;
Daar is slechs volk van doen om d’ opstand hulp te biên:
Van Erp heeft dit den Prins, in Dillenburg, doen weeten,
(1460) En zyn Doorluchtigheid zal ’t nimmermeer vergeeten,
[p. 66]
Zoo, door uw zorg, die Stad voor hem verzekerd wordt,
Dat Alvaas Zeemagt krenkt, zyn Landgebied verkort.
VANDER MARK.
’k Moet eerst de Burgery en Dorpeling doen zweeren,
Den Vorst als Graaf, den Prins als Stedehouder, te eeren,
(1465) En ’t Vaderland getrouw te blyven tot ’er dood:
Wanneer zulks is geschied wordt ligt myn magt zoo groot,
Dat ik de Vlissingers meêr bystand toe kan zenden.
DE RYK.
’t Geluk schynt meêr en meêr op onze zy’ te wenden.
Wy zien van tyd tot tyd, elk uur, elk oogenblik,
(1470) Veel’ uitgeweekenen, van d’ allereersten schrik,
Door onzen overval veroorzaakt, zich herstellen,
En keeren in den Briel, om ons, als medgezellen,
Ten dienste van den Prins, kloekmoedig by te staan;
Welk heus verzoek gy hun onmooglyk af kunt slaan.
(1475) Uit Vlaandren nadren ons vier welbekende Helden,
Vier Heeren, die altoos zich in de bresse steldden
Van ’t Land, (van Schoonewal, van Watervliet, Casteel,
En Haverschot,) daar elk van hen zich door een deel
Navolgers ziet verzeld, en door landeigen Boeren,
(1480) Voorstanders onzer zaak, die, door de tong te roeren
Van Alvaas boos bedryf, den dwingland zyn ontvlucht,
Om, onder uw beleid, in aangenaamer lucht,
In deeze Stad, met ons, zyn’ aanval af te wagten.
VANDER MARK.
Al wie zyn’ pligt, ten dienst der Lande, wil betrachten,
(1485) Vindt hier, door ons beschermt, een vaste en zeekre wyk,
Nu Vrankryk, Engeland, en ’t Duitsche Keizerryk,
Aan ons een menigte kloekhartige Soldaaten,
Oranje ten geval, haast zullen overlaaten,
Om aan den Kastiljaan meer Steden van waardy
(1490) Te ontrukken: dus gesterkt wordt Hollands volk weêr vry,
En zal zich, met de Zeeuw’ en kloeke Stichtenaaren,
Van Vorst Philippus zelf nog doen voor vry verklaaren.



[p. 67]

ELFDE TOONEEL.

VANDER MARK, ENTES, TRESLONG, DE RYK, KOPPESTOK, PHILIPSZOON, ROCHUS, ELIZABETH, KORNELIA, FREDERIK, MARIA, Gevolg van Edelen, Burgeren, Vrouwen, Boeren, Kinderen, Bootsvolk en Soldaaten.

KOPPESTOK, tegen vander Mark.
Mynheer, al ’t volk doet u verzoeken, deezen nacht,
De volle vrolykheid te vieren in haar kracht.
(1495) De Burgers altemaal, met Kindren en Vrouwen,
Verzinnen elk wat nieuws ter eere van Nassouwen.
Het Zee volk smyt de muts met blydschap toorens hoog,
En roept, “Prins Willem leeve!” uit der Soldaaten oog
Blinkt hunnen heeten lust om Spanjaards op te zoeken,
(1500) Waar zy te vinden zyn! ’t Kriöeld in alle hoeken
Van dit verloste Land, daar elk nu blyder tyd,
Door uw bescherming wagt. Gy hebt den Briel bevryd,
En onze Burgery van strengen last ontheven!
Nu moet ge aan haar den smaak van ’t zoet der Vryheid geeven,
(1505) En laaten aller vreugde een onbepaald genot.
ENTES, tegen vander Mark.
Ja, vier de dertelheid nu eens ’t volkomen bot.
Laat ieder naar zyn’ lust verspillen en verteeren;
Door ’t geldverdoen zal ’t volk te beter rooven leeren:
Dus wordt met ’s Vyands schaê*, ’t verlies weêr ingehaald,
(1510) En al wat elk verkwist, uit Spanjes kas betaald.
Zoo leeven wy vernoegd; dus zyn wy waarlyk vryën;
Zoo blyven wy verpligt met dapperheid te stryên;
Dus trekt hier ieder wat van onzen oorlogsbuit;
Zoo schudt der Spaanschen zeef hier Peruus goudmyn uit,
(1515) Waar van zich menig mensch kan voeden en geneeren;
Dus geeft men vreugde uit winst, en blydschap in ’t verteeren.
[p. 68]
DE RYK.
Dit volk is meêr geneigd tot zuinigheid; hun aart
Is spaarzaam; maar het geld, door hen by een vergaêrd,
Is veil en by der hand, wanneer ’t hun Opperheeren,
(1520) ’s Lands Staaten, door den nood gedrongen, slechts begeeren,
En noodig rekenen tot welzyn van het Land.
Dus spaaren wy met vrucht en geeven onderstand,
Als ’t billyk wordt vereischt. Maar als men ons, door schenning
Van recht, om pracht en praal te voên, den tienden Penning
(1525) Stout afdwingt met geweld, dan grypt dit vreedzaam volk
Veel min in hunne beurs, dan naar Musquet en Dolk.
Geen gierigheid heeft ons een bede aan Graaf of Koning
Doen weigren; maar zyn Raad, wel verre van verschooning
Te geeven, drukten ons te meer; hun hovaardy
(1530) Hieldt Neêrlands volk als slaaf der Spaansche pronkery,
Min eigen aan den Vorst dan aan zyn’ Hovelingen;
Dit deedt ons weigring zyn en uit den beugel springen.
Dus kan de spaarzaamheid een Land behouden; maar
Onnut verspil brengt Volk en Ryken in gevaar.
VANDER MARK, neemende een Speer van iemand van ’t gevolg, plant dezelve voor op het Tooneel en zet ’er vervolgens een’ witten Hoed op.
(1535) Ziet hier Lumey de Speer der Vryheid nederzetten,
En kroonen met den Hoed dier Maagd; beschermt de wetten
Van Hollands vryën Staat, dan zal hy veilig staan,
Wen hem Oranjes zorg versierd met Lauwerblaên,
En Staats- en Krygslast torscht op zyn doorluchte schouder:
(1540) Hy ’s de eerste stem des Raads, hy ’s onze Stedehouder,
En ik, als Admiraal, volvoer alhier zyn’ last:
Hy zal Toledoos juk, dat nooit uw schoudren past,
Afwerpen van uw’ hals: hy werft ons Bondgenooten
En Legers, voor zyn geld, en sterkt onze Oorlogsvlooten.
[p. 69]
(1545) Geen Alva is by ons als Landvoogd meêr in acht,
Noch geen Bossu heeft hier Stadhouderlyke magt:
Zy zyn geheel onwaard in Holland te gebieden:
Neen, Koningsslaaven, neen, gy zyt by vryë Lieden
Gehaat, als al te streng, te bitter slaafsgezind,
(1550) Te doof voor ’t Burgerrecht, verbysterd en verblind
Door ’t Kroonengoud; den Staf te zien doet hen verbleeken
Of bloozen; maar de Prins durft voor uw rechten spreeken,
En voor uw Vryheid zelf den Sabel zwaaijen! Hy
Is meêr ’s Lands Vader nog dan Hoofd der Staatvoogdy!
(1555) Hy, uit het Duitsche bloed, uit Vorstelyke looten,
Uit Keizer Adolphs Stam roemruchtig voortgesprooten,
Verheft het Nassauws huis, door deugd, in heerlykheid,
Verr’ boven allen rang en alle Majesteit.
Hy plaatst het Oranjevaandel naast de Speer en Vryheids Hoed, zettende vervolgens, aan de andere zyde, het Hollandsche Wapen.
Dit streept driekleurde Merk, dit Vaandel van Oranje,
(1560) Beschermd door ’s Prinssen arm en Hollands Leeuw, zal Spanje
Nog strekken tot behoud, na ’s Konings hoogmoed daald
En ’t vry Batavisch volk, met luister, zegepraald.
Oranje strydt voor ’t Land, uit Vaderlyke ontferming;
Uit liefde voor dit Volk en teedre zielserberming,
(1565) Put hy zich zelven uit, verteerd zyn geld en goed,
En steekt zich diep in schuld, ja waagt zyn Vorstlyk bloed:
Wy vechten slechts om roof en om ons ryk te maaken;
Maar hy wordt, strydende, arm, vecht om uw boei te slaaken,
En om de Vryheid hier te vesten op haar’ Troon!
(1570) Volgt dus zyn Hoogheid na, dan staat de kans ons schoon,
Om zulk een’ vryën Staat in Neêrland op te richten,
Dat menig Koningkryk voor zyne magt moet zwichten.
[p. 70]
    Intusschen laate ik elk het vreugdbedryven toe,
Dat ieder zyn geluk door juiching blyken doe;
(1575) Nu Spanjes overmagt dit Eiland moest verlaaten
Staat onze Zege vast; nu hebben myn Soldaaten
Eerst recht verwonnen; nu, nu is de Burgery
Van Voorne en van den Briel verlost van dwinglandy.
Terwyl hier de eerste grond ter Vryheid is gelegen,
(1580) Zal onze Oranjevorst, met zynen Heldendegen,
De strenge koord, die ons tot nog aan Spanje bondt,
Ontknoopen met verstand, en dees staatzieke wond,
Waaruit heel Neêrland bloed, zoo wysen heilzaam heelen,
Dat hier geen Kastiljaan weêr komt voor Meester speelen;
(1585) Daar ’t dankbaar Nageslacht, meer dan de Tydgenoot,
Ons braaf bestaan beroemd, gelyk hun magt vergroot;
Ja Hollands moedig Volk zal vreemde Koningryken,
En Koningen, voor zich doen buigen en bezwyken.
Viert dan een’ blyden dag die Neêrland dierbaar is,
(1590) En, in der Vryën hart, in heilgedachtenis
Van eere blyven zal, zoo lang hun Nageslachten
Het slaafsche juk weêrstaan en de edle Vryheid achten.

Einde des Vyfden Bedryfs.



[p. 71]

NAREDE.

Om van geene ongelykheid in spelling, door slofheid of volkomene onkunde, beschuldigd te worden, kan ik niet nalaaten te melden, dat, heden genoodzaakt zynde op eigene voeten te staan, deeze verandering gemaakt is op den raad eens Kundigen, wien myne tedere vermoogens bekend zyn, houdende my nu by de plaatsing der dubbele klinkers; welke gewoonte ik, op het voorbeeld van andere bedreevene mannen, voorts denke te volgen, tot zoolang eene betere onderrichting my een ander besluit doe neemen; het welke wy vertrouwen voor geen redelyk kenner verwerpenswaardig zal weezen. Buiten deeze was ’er nog eene andere rede, welke hierin niet wel kan open gelegen worden, die my daartoe deed overgaan: dus zyn wy, wel verre aan dit uit eenige verwaandheid te onderneemen, altoos geneigd ons gevoelen voor gegronder te verwisselen.
    Vorder de Parmenides van dit Stuk zynde, hebbe ik de waarheid deezer gewigtige gebeurtenis in de behandeling niet verminkt, noch de onbezuisdheid der zoogenoemde Watergeuzen verborgen, welks handel ten kwaade wy niet billyken of ontkennen, denkende en gevoelende gansch anders dan de heethoofdigste dier Overwinnaars deedden, gelyk uit de redenen van de Ryk en Pontus blykt; en waarelyk door de Wraakzuchtigen naar hunnen aart af te beelden, en deszelfs misstallen niet te verbergen, worden de nooit volpreezene deugden onzer eerste Landverlosser en die zyner deftigste helperen te schooner in glansch: want met geschikte Krygslieden groote dingen uit te voeren valt zoo zwaar niet, dan zulks met losbandigen te doen. Hieruit ziet de eenvouwdigste zelf hoe veele gevaaren de Eerste onzer Doorluchtige Stadhouders heeft moeten doorworstelen [p. 72] eer hy zulke verwilderde schepselen beschaafdde; doch dat hem eindelyk geluktte; vervullende dus alles, in zyn Persoon alleen waardoor Brutus en Sertorius eenen eeuwigen roem verworven. Strekt deeze wyze en heldhaftige handeling ten lof des Stadhouders, alle onze Landgenooten deelen ’er in, en derzelver doen geeft den Naneeven moed andere vyanden te durven tegengaan, denkende dat weleer aan Philippus, die toen de grootste, rykste en magtigste, der Vorsten was, den Scepter deezer regeeringe ontwrongen is: hoe veel te meer zoude men thans niet voor de Vryheid onderneemen, nu, wel verre van zulke verwarringe, alles zoo eendrachtig en pryswaardig alhier bestierd wordt?
    Gelyk dan nu de behandelingen der driftigste Veroveraars billyk afkeer wekken, moeten de heerelyke verrichtingen der Helden prikkelinge ten goede geeven; ze treffen my voor my zelven te meer indien ze onder de onzen zyn voorgevallen, waarom ik vooral dus vlytig werkzaam ben, in dit vertrouwen dat ’er ten minste eenigen onder ons zyn wien zulks ook niet kwaalyk gevallen zal. Dit zoo zynde achte ik mynen arbeid volop betaald, gelyk ik van nu af aan meer dan gemeene rede heb over het geluk in deeze werking behaald, my te verheugen; terwyl ik vryuit zeggen kan, dat het geene ik dus in ’t licht breng, by een voor my zwaar beroep, my vry veel slaapelooze uuren kosten; doch deeze moeite verveelt my niet, en ik schep meer behaagen in zulk werken iets kwaalyk te doen, dan in eene vadzige ruste en als slaapende myn leeven te slyten.
Continue

Tekstkritiek:

vs. 969 ommegang er staat: ommgang
vs. 1244 breidel strekken er staat: breidelstrekken
vs. 1509 Vyands schaê er staat: Vyandsschaê