[p. 1]
THEBAIS,
OF
Vyandlyke Broeders.
TREURSPEL.
Uit het Fransch van den Heere RACINE.

IN MAGNIS VOLUISSE SAT EST.

GEDRUKT tot LEIDEN,
_________________________________________
Voor de WEDUE PRINS, onder ’t Stadhuis, 1680.

[p. 2: blanco]

[p. 3]
OPDRAGT
Aen de Heeren Regenten van den
AMSTERDAMSCHEN
SCHOUBURG.

Onder de beroemde Digters, die in Vrankryk de geleerde Werreld tot verwondering verrukken, word met regt de Heer Racine een van de voornaamsten geschat. Wiens lof op te halen gelyk misschien niet noodig is, zoo zou het stof genoeg verschaffen aan Doorlugtige Geesten, om zyne Poëzyglorie met luister op te zingen. In den rang van zyne Treurspeelen, die in Vrankryk alom in zyne, en op uwen Schouburg in onze taal vertoont al de gemoederen beroeren, en uit de zelve zugten en tranen trekken, blinkt byzonder uit het heerlijk Treurspel, de VYANDLYKE BROEDERS, by ons in Nederduitsch nagevolgt, om op het voorbeeld van Anderen de Konst te helpen voortzetten. Wy bevelen het zelve onder uwe bescherminge; terwijl we tragten zullen de agting, die wy voor UE. hebben, te bewaren.

[p. 4]
VERTOONERS.

ETEOKLES, Koning van Thebe.
POLINICES, Broeder van Eteokles.
JOKASTE, Moeder van de twee Prinsen, en Antigone.
ANTIGONE, Zuster van Eteokles en Polinices.
KREON, Oom van de Prinsen, en Prinsesse.
HEMON, Zoon van Kreon, Minnaar van Antigone.
OLIMPE, vertroude van Jokaste.
ATTALUS, vertrouweling van Kreon.
Een Grieks Soldaat.
Lyfwagt.

Het Tooneel is te Thebe, in een Zaal van Het Koninklyke Paleis.

[p. 1]
THEBAÏS,
OF
VYANDLYKE BROEDERS.
TREURSPEL.
______________________________________

EERSTE BEDRYF.
EERSTE TOONEEL,
JOKASTE. OLIMPE.

JOKASTE.
ZY zyn dan heen, Olimpe? O duldelooze smart!
O gadelooze pyn! hoe drukt gy ’s Moeders hart?
Moest ik een weinig rust met zo veel zuchten koopen?
Een vloed van traanen hielt myn droevige oogen open
(5) Zes maanden lang, en schiep ik nu vermaak in rust?
Een endelooze slaap had beter uitgeblust
Den lamp myns levens, als dat ik door niet te waaken,
Zou aan dit gruwelstuk my zelve schuldig maaken.
Maar zynze al handgemeen?
OLIMPE.
Van Thebes hoogen wal
(10) Heb ik gezien, Mevrouw, hoe by de Heiren al
Gereet staan tot den slag, de gladgesleepe zwaarden

[p. 2]
Getrokken uit de scheê, de staale helmen baarden
Een schittring in myn oog. Ik schrikte voor ’t gewelt,
En vloog, om u de zaak te melden. ’k Zag ontstelt,
(15) Hoe dat Eteokles zich voor al de andren stelde,
Hoe dat het blanke staal zyn dappren arm verzelde,
Hoe hy van dollen drift, en gramschap overheert,
Toonde aan de stoutsten, hoe hy het gevaar braveert.
JOKASTE.
Wy twyflen dan niet meêr. Jupyn! kont gy gehengen,
(20) Dat de eene Broeder ’t bloed zal van den andren plengen?
Fluks roep Antigone. Zeg, dat zy haastig spoed:
Ik wacht haar komst hier, want de toestand kan, noch moet
Geen uitstel lyden. Ach! gy Opperhemellieden!
Wilt my elendige doch hulpe en bystand bieden!
(25) Ach! onderschraagtme door veel rampen afgemat!
Men moet, men moet, eer zy met broederbloed bespat
Zyn, ’t opzet breken, en zig derwaarts heen begeeven,
De ontmenschten stutten, of zelfs door hun handen sneeven,
Dit is Olimpe, dit is die vervloekte dag,
(30) Wiens schrik alleen my heeft met eenen donderslag,
En met een onweêrbui van rampen neêrgesmeeten;
Vergeefs heb ik byna myne oogen uitgekreeten;
Helaas! vergeefs viel ik het Godendom te voet
Met traanen en gebeên; want de onverzetbre moed
(35) Van ’t strenge noodlot wil zyn’ gramschap ons doen voelen.
Men kan zyn’ heevigheid door traanen niet verkoelen.
O Zonnevoogd! die door uw’ Goddelyke kracht
Den dag roept, waarom liet gy in geen duistren nacht
Deez’ ongelukkige? hoe kunt gy voor uwe oogen,
(40) En aldoordringend licht die gruwelen gedoogen?
Gy vreest die monsters niet, gy schrikt niet: Neen, ô neen!

[p. 3]
Het Bloed van Lajus maakt die gruwelen gemeen.
U kan de handel van myn Zoonen niet mishaagen;
Na dat uwe oogen eens de godloosheeden zagen
(45) Van de Oudren, en hierom verwondert gy u niet,
Dat zy Bloedbeulen zyn, trouwloozen, maar zo iet
U deed verwonderen, ’t zou zyn, dat zy gebooren
Uit bloedschande, yvrig na de deugden zouden hooren.

TWEEDE TOONEEL.
JOKASTE. ANTIGONE. OLIMPE.

JOKASTE.
ACh! Dogter, is die ramp aan u bekent, die druk?
ANTIGONE.
(50) O ja, Mevrouw, ik heb verstaan het gruwelstuk
Van myne Broedren.
JOKASTE.
Kom, laat ons niet langer wachten,
Myn lieve Antigone, wy moeten alle krachten
Inspannen, haast u, kom, wy zullen hun doen zien
Hun liefste panden, dit gezicht zal hun misschien
(55) Beweegen. Zouden zy zich tegen ons beschermen?
Wy zullen stutten die maagschapbloeddorstige armen.
Hoe wreed hun dolheit is, hoe toom’loos, hoe verwoed
’k Zal zien, of die zo hoog kan steig’ren, dat ze ons bloed
Durft storten, om daar na hun eigen te doen stroomen.
ANTIGONE.
(60) Mevrouw, ’t is al verricht, ik zie den Koning koomen.

DERDE TOONEEL.
JOKASTE. ANTIGONE. ETEOKLES. OLIMPE.

JOKASTE.
OLimpe, ach ondersteunme in deeze pyn en smart!

[p. 4]
ETEOKLES.
Wat is ’t, Mevrouw, en wat elende drukt uw hart?
JOKASTE.
Helaas! myn Zoon, wiens bloed heeft u de gantsche leden
Beklad? is ’t Broederbloed? of kuntge ’t wel met reden
(65) Voor ’t uwe ontkennen?
ETEOKLES.
’t Is het een, noch ’t ander niet,
Mevrouw, waaromge u dus omwenteld in ’t verdriet.
Gy kweld u zelven steeds, dan hier, dan daar bedrogen,
Uw Polinices kwam van daag niet voor myne oogen.
Een kleine slag heeft zich van d’ een en d’ andren kant
(70) Alleen verheft, tot dat dit krygskwaad is vermand.
Een Griekse troep zocht my door hunne razernyen
Den uitgang uit de stad door wapens af te snyen.
Ik heb hun neergebonst, terwyl de doodsche mond
In de aarde beet, wanneer zy vielen op den grond:
(75) Om myn’ wraakgierigheid een offer op te dragen
Voor al hun schelmerye, en trouwloosheid, en lagen.
En dat is ’t bloed, daar gy dus in bekommert waart.
JOKASTE.
Waarom op deeze wys myn bange ziel vervaart?
En met het gantsche volk des legers opgebrooken,
(80) Om uwen vyand, in myn’ zorgen, te bestooken?
ETEOKLES.
Mevrouw, ik moest my dus aanstellen: ’t was hoog tyd
En ik verloor den prys en eer van eenen stryd.
’k Heb achter ’t schutzel van stadsmuuren lang geschoolen,
Myn ingewand wierd heet, en stont geheel in koolen
(85) En vlammen, en ik brandde om eens een slag te zien.
Wanneer men het gevaar het moedig hoofd durft biên,
Is ’t schande, vuidig op den wal te blyven hangen.
Of meent gy niet, dat het myn’ ziel begost te prangen,

[p. 5]
En schier deed barsten in die zwarigheid en leet,
(90) Dat Polinices my myn blooden aart verweet,
En zoet op ’t winnen van de Stad, aan myn Thebaanen
Toeriep, dat ik geen zorg droeg voor myne Onderdaanen,
Die my voorheên uit zucht verheften op den Troon,
Dat ik hun overgaf aan ’t zwaart tot hunnen loon.
(95) Het volk alreets bevreest voor hongersnood en plagen
Begon al openbaar, en stout van my te klaagen,
En doemde myne vreeze, en myn’ laf hartigheid,
En ’t speet haar van de glans, dien ’t my had toegeleid.
Ik heb het volk voldaan; en wat ik mag bezuuren,
(100) Van daag zal Thebe niet meer zugten in zyn muuren.
’k Zal al het krygsvolk doen uittrekken, op dat zy
Alleen verwondert sta op myne deugd en my.
’k Heb meêr dan Volks genoeg om eenen slag te winnen;
En, zo de Goden, en het Krygslot ons beminnen,
(105) Zal Polinices, en al zyn hoovaardig rot
My Thebe laten, of hun leeven word geknot.
JOKASTE.
De Hemel hoede u voor die felle krygslaurieren,
En Thebe zelf wil niet om zulk een zeege vieren,
Met weêrgaloozen schat van dierbaar bloed betaald.
(110) Denk dan niet meêr om haar’ behoudenis. Gy dwaald,
De kryg is heerlyker dan zulke vreêolyven.
Gy zoud dat gruuwelstuk met koelen moed bedryven,
Uw wapens smetten met het broederlyke bloed?
Vleid dan met zulk een lust de Kroonzugt uw gemoed?
(115) Zoud gy, zo gy de kroon door broedermoord moet haalen,
Voor zulk een’ prys, uw hooft doen flikkren van die straalen?
Maar ’t staat aan u, indien gy word door eer genoopt,
En om den Koningstaf te houden, draaft en loopt,

[p. 6]
Om vreê te krygen niet bevlekt met vuile zonden:
(120) Het Godendom vervloekt die godlooze verbonden,
Gy kunt, indienge toont uwe edelmoedigheid.
Verbintnis maken zelf in de eige Majesteit.
ETEOKLES.
Hoe! Is dat ongekreukt myn’ Majesteit bewaaren,
Als ik het wyd Gebied van myne Kroon laat vaaren,
(125) Die ons eens ’t bloed, en ’t volk my heeft op ’t hooft gezet?
JOKASTE.
Gy weet, myn Zoon, dat de rechtvaardigheid en wet
Des bloeds, aan hem zo wel als u de Heerschappyen
Heeft opgedraagen, dat ’s een noodlot niet te myen.
Toen Vader Edipus den geest gaf, wilde hy,
(130) Dat elk zou deelen in zyne Opperheerschappy,
Dat elk een jaar zou op zyn beurt den Septer draagen,
En treden in ’t Gebied gerust en zonder laagen,
Dat eenige Gebied, dat hy alleen bezat;
Een krachtig woord, dat gy zelf ondertekent had:
(135) ’t Geval begeerde, dat gy eerst den Staf zoud voeren,
Gy naamt dien aan, en spyt noch nyt kon* hem beroeren,
En wildge niet, dat hy u volge op zulk een spoor?
ETEOKLES.
Die hatelyke klank, Mevrouw, verveeld myn oor,
Hy moet niet meerder om den Kroon en Ryksstaf denken,
(140) Indien hy myn gemoed door gramschap niet wil krenken.
De Stad heeft zelfs ontzegt hem needrig eer te biên;
En nu hy moedig na den Troon heeft durven zien,
Heeft Thebe, en ik niet, hem daar weten af te klinken,
Om al zyn’ staatzucht, en zyn’ hoogmoed te doen zinken.
(145) Zou Thebe nu wel min bevreest zyn voor zyn kracht,

[p. 7]
Daar het zes maanden lang door hem schier is versmacht?
Zal ’t hem gehoorzaam zyn, en bloedige offerhanden
Op ’t Outer van de Goôn tot zyn bescherming branden?
Zal ’t dien verwoeden Vorst aanbidden, die nu heeft
(150) Met zwaard en hongersnood getaistert, wat ’er leeft?
Zal ’t eenen Grieksen slaaf voor zynen Koning eeren,
Die al de Burgers durft verwaand met haat trotseren?
Die zich lafhartig heeft geboogen onder ’t juk
Van Argos, en verlieft verkoos een schyngeluk,
(155) Dat Hymen heeft gestaaft door vyandlyke banden.
O onbedachtzaamheid! ô razernye! ô schanden!
Nu ingetreeden in ’t verwantschap van den Vorst
Van Argos, voedde hy een hoop in zyne borst
Van Thebe haast ter neêr te storten, en zyne asschen
(160) Te strooijen in de lucht, en in de pekelplassen.
De min had weinig deel in deeze godlooze echt,
Verwoedheid heeft alleen de toortsen opgerecht.
Heel Thebe kroonde my om zyn geweld te ontwyken,
En ’t wacht, dat hy voor haar de zeilen neêr zal stryken.
(165) Beschuldig haar, zo ’k niet getrouw ben in ’t verdriet,
’k Ben haar gevange, maar ik ben haar Koning niet.
JOKASTE.
Zeg liever, ô verwoede, ondankbare en het leven
Onwaardig, dat u niets verrukkingen kan geeven,
Dan liefde tot de Kroon, en dolheid na dien staat;
(170) Maar ik bedriegme, zo uw’ wil niet verder gaat.
Het gruwelstuk alleen betooverd uwe zinnen.
Wel aan, nadienge dat zo greetig durft beminnen,
Gy kunt een dubblen naam verkrygen: pleng het bloed
Van uwen Broeder. Zyt gy dan in uw gemoed
(175) Nog niet verzaad; gy kunt dan ook het myne storten,
Gy hebt geen vyand meer, die dan hoeft neêr te horten,
Geen letzel, om ten Troon te steigren: dan ontbreekt
Een schelmstuk u, daarge u met lust in hebt gekweekt,

[p. 8]
En vry van metgenoot zult gy een naam verkrygen,
(180) Die al de naamen der aartsschelmen doet verzwygen.
ETEOKLES.
Wel aan, Mevrouw, wel aan, men stelle u dan gerust,
Ik moet den Rykstroon dan verlaten, en den lust
Myns Broeders volgen, en om ’t al te doen gelukken,
My, als een onderdaan, nu laten onderdrukken,
(185) Die eerst een Koning was in volle Majesteit:
En om u op den top van uwe zaligheid
Te voeren, moet ik my aan zyne razernyen
Opoffren, en den staat van zyne schelmeryen
Door myne dood......
JOKASTE.
Helaas! ô woede! ô reukloosheid!
(190) Wat wreede strafheid hebt gy heeden my bereid!
Ik wil uw’ haren van de Rykskroon niet berooven,
Heersch eeuwig, Zoon, ik tragt dien luister niet te dooven.
Maar zo medogenheid noch plaats heeft in uw hart,
En gy wat deernis hebt voor my in zulk een smart;
(195) En zooge zorge draagt voor alle uwe eer en staaten,
Neem uwen Broeder aan, nog pynig my verwaten.
’t Is maar een ydle glans, dien hy ontfangen zal.
Uw Koninkryk versterkt zal minder gaan ten val.
De volken meê versteld in die verheve deugden,
(200) Begeeren dan altyd met lust en nieuwe vreugden
Een Koning vol van moed en van groothartigheid.
En die verheve daad, ver van uw Ryksbeleit
Te krenken, voert u tot den top der Koningdommen,
Daar heel de werreld voor bezwykt, en moet verstommen.
(205) Zo gy de vrede voor die prys niet koopen wild,
En zoo men niet dan tyd, en ydle woorden spilt,
En zoo de kroon u dus verrukken kan, en streelen;
Ik hoop, het zal u dan ten minsten niet verveelen,

[p. 9]
Dat gy me een weinig rust verleent. Vergun aan my
(210) Een weinig stilstand in die hartetieranny.
’k Zal ondertusschen zien uw’ Broeder eens te spreeken
Het medelyden zal misschien zyn opzet breeken;
Of anders zeg ik hem voor eeuwig eens Vaarwel.
Vergunme dat ik mag vertrekken. Zyt niet fel,
(215) Noch wreed. Ik zal my na zyn tent terstont begeven
Van geen krygslyfwacht heen geleid. Niets kan my ’t leven
Angstvallig maken in zulk eenen droeven staat,
En bitter ongeluk.
ETEOKLES.
Gy kunt, Mevrouw, al gaat
Gy zelfs niet, hem genoeg na uwen wil beschouwen.
(220) En zooge in dat gesprek uw hoop stelt en betrouwen,
Hy zal ’t alleen zyn, dien ’t is in zyn’ macht gesteld
Den storm te breeken van ’t vervloekte krygsgeweld.
Mevrouw, gy kunt van deez’ uur af uw’ wensch erlangen,
En kunt hem, zo ’t u lust, in myn paleis ontfangen.
(225) Ik zal noch meerder doen: en om te toonen, dat
Hy my heeft buiten recht zo goddeloos beklad,
En dat ik vry ben van het kwaad der rykstierannen
Gedurig tegen recht, en reeden aangespannen:
Men spreek’ de Goden, en men roep’ het volk by een.
(230) Indien het volk hem wil, ’k zal van die hoogte treên.
Maar hy sta af van ’t recht, indien het volk hem wrake,
En eenen andren naar hun zin tot Koning make.
Ik zweere, dat ik den Thebaners laat begaan.
Zy kiezen eenen Vorst, die hun maar aan zal staan.

VIERDE TOONEEL.
JOKASTE. ETEOKLES. ANTIGONE. KREON. OLIMPE.

KREON.
(235) NOg naulyks hadge, ô Vorst! u buiten stad begeven,

[p. 10]
Of Thebe angstvallig, was bekommerd voor uw leven
Een vrees, een kille schrik benypt het ingewand
Der stedelingen, die verbaast aan allen kant
Des ringmuers siddren.
ETEOKLES.
’k Zal die vrees haast doen bedaren,
(240) En ydel maaken. ’k Ga me weder openbaren
Aan ’t leger. Gy, Mevrouw, kunt onderwyl met rust
Uw’ wens vervullen, doen myn’ Broeder, zo ’t u lust,
’t Paleis genaken, en met hem van vrede spreeken,
En, Kreon, wyl ik na myn heir ben afgeweeken,
(245) Zo zal de Koningin gebieden: heb die last,
Te zorgen dat de stad op haar bevelen past;
Uw’ zoon Meneceus zal de wetten van haar hooren;
En ’t volk verkondigen, ik heb hem uitverkooren,
Gelyk ’t hem aan ontzag nog heldenmoed ontbreekt,
(250) Zo vind de vyand niet, het geen hy tegenspreekt
Op deze keur, zyn deugd en vroomheid kan volstrekken,
Om weiflende agterdogt in ’t Vyands hart te dekken,
Mevrouw, gebie hem,
(tegen Kreon)
En gy volg me na.
KREON.
Wel hoe?
Myn Vorst....
ETEOKLES.
Ja, Kreon, ja, ’t besluit leit reeds ’er toe.
KREON.
(255) Verlaatge op zulk een’ wys de Vorstelyke staten,
En Opperheerschappy?
ETEOKLES.
Of ik die zal verlaten,
Of niet, bekommer u daar meê niet: Kreon, ga,
Volvoer, het geene ik u belaste, en volg my na.

[p. 11]
VYFDE TOONEEL.
JOKASTE. ANTIGONE. KREON. OLIMPE.

KREON.
WAt isser gaans, Mevrouw, wat oogmerk, of wat reeden,
(260) Dat gy den Koning dwingt nu legerwaard te treeden,
Te vluchten, daar hy wint, en zegepraald? die raad
Wroet alles om.
JOKASTE.
Veel eer verzeekerd die den staat.
Die raad kan Thebes wal en poorten vaster binden.
KREON.
In zulk een staat, Mevrouw, als wy ons nu bevinden?
(265) Daar wy versterkt zyn met een’ versche legermacht
Van zesmaal duizend man, en meer? de zeege lacht
Ons toe, begunstigt ’t heil van Thebes stedelingen.
En laat de Vorst die zeege uit zyne handen wringen?
JOKASTE.
Zeeghaftigheden zyn niet altyd even schoon,
(270) Zy hebben dikwils schande en wroegingen tot loon.
Wanneer twee Broeders, heet elkanders bloed te plengen,
Hun kracht inspannen, ’t is hun beide om ’t leeven brengen,
Hun niet te scheiden: Kan wel grooter onrecht aan
Den Vorst, nu hy verwint en zegepraald, gedaan
(275) Zyn, als van zulk een’ slag hem voordeel laaten wagten?
KREON.
Hun’ toornigheid is groot.....
JOKASTE.
Men kan ze wel verzagten.
KREON.
Zy staan gelyk na het Gebied.

[p. 12]
JOKASTE.
Ook zullen zy
Gelyk gebieden
KREON.
Neen, men deeld geen heerschappy.
De Rykstroon is geen schat, die uit de hand gegleeden
(280) Zich weêr laat grypen, neen.
JOKASTE.*
Des Ryks voordeeligheden
Verstrekken hun een wet.
KREON.
Het voordeel van den staat
Vereist maar eenen Vorst, die met een zelven maat
Van wetten, zyn Gebied en Ryken kan bestieren,
En volk en Prinsen went zyn Septerglans te vieren,
(285) Dit Ryk getaisterd, en twee Koningen ter hand
Gesteld, zie ik van twee Tierannen aangerand,
In plaats van Koningen, gy zuld altyd bemerken,
Dat de een’ den andren zal hoogmoedig tegen werken,
En blind vernietigen elkanders raadbesluit;
(290) Geduurig zullenze op vervloekte vonden uit
En goddeloos bedrog elkaar na ’t leeven dingen,
’k Zie yder jaar den staat vol van veranderingen,
De merkpaal die men stelt in ’t breidlen van hun magt,
En ’t teuglen van hun Ryk, doet de ongestuime kragt
(295) Aangroeijen. Elk zal op zyn beurt door heevig woeden
Het volk door schrik verbaast doen sidderen, die vloeden
Gelyk gebooren, en verdweenen in een’ dag,
Hoe meêr gy die besnoeid, hoe zy met zwaarder slag
Den dyk rammeijen, en al ’t landgevaart doen kraakken,
(300) En door verwoestingen hun heirbaan kenbaar maaken.
JOKASTE.
Gy zult hun eerder zien door Vorstelyke konst

[p. 13]
Om stryd zich dringen in der onderzaten gonst,
Maar, Kreon, ’t is bekend, gy moogt met reeden schroomen
Voor Vrede, om datze ’t werk uit staatzugt voorgenoomen
(305) Van u, verydeld, en verzekert Thebes Staf,
Daar gy na haakt, myn Zoons; en breekt de sluipstrik af
Tot hunnen val bereid; want na hun overlyden
Doet het geboorterecht in uwe handen glyden
’s Ryks oppermonarchy: Het Bloed, dat u verbind
(310) Aan myne Zoons, maakt dat, gy in myn’ Zoonen vind
Uw’ grootste vyanden. Van staatzucht aangeschonden
Poogt gy, lafhartige, hun Ryksgeluk te wonden,
En haat hun met een onverzoenelyken haat,
Gy blaast den Koning in uw’ goddeloozen raad,
(315) En dient den eenen, maar om beide te verdrukken.
KREON.
Neen, ik vermaakme niet in zulke gruwelstukken.
Ik dien den Koning, maar oprecht, en vol van moed,
Dit is myn’ staatzucht, dat ik hem een vasten voet
Doe grypen op den Troon, waar heen uw agterdenken
(320) My meent te klimmen, ’k zal die trouheid nimmer krenken:
Die zorge noopt my, die tot zyne grootsheid strekt,
Ik haat zyn’ vyanden, hierom word ik bevlekt,
Gelasterd, ’k zwyg dat niet, maar na ik kan bezeffen,
Moet Kreon maar alleen op ’t hof die schuldvloek treffen.
JOKASTE.
(325) Zo lang de Koning maar alleen een’ Broeder heeft
Tot vyand, Kreon, draag ik zorge, dat hy leeft,
Hy is me lief, en schoon de laffe hovelingen
Hem haaten, zal geen haat in ’s Moeders boezem dringen,
Een Moeders hart laat zich niet ligt verraden, neen.

[p. 14]
ANTIGONE.
(330) Maar zelfs uw voordeel is aldaar met ons gemeen.
Des Konings vyanden zyn de uwe niet te gader,
Hy heeft’er meêr als gy. O Kreon, gy zyt vader,
En denkt ligt dat ge een zoon in ’s vyands leegermagt
Hebt; Hemon slyt zyn tyt met weêrgaloze kracht,
(335) In Polinices dienst.
KREON.
Mevrouw, zou ik ’t niet weten?
Ik heb ontrent myn’ zoon myn’ pligten niet vergeten,
Gy hebt gelyk, dat ik hem onderscheiden moet
Van de andren, maar op dat ik toornig en verwoed
Hem meer als andre vloeke in gramschap uitgelaten,
(340) Dat elk hem haatt’, gelyk zyn’ vader hem moet haten.
ANTIGONE.
Na dat zyn edle vuist deê van zyn krachten blyk
In ’t veld, geeft niemant u in dezen haat gelyk.
KREON.
Dat merk ik wel, Mevrouw, daar ben ik in beneepen:
Maar ’k weet, hoe ver’ hy zich heeft tegen my vergrepen
(345) Door afval, en wat straf hy daar voor schuldig blyft,
De heldendaden, die hy met zyn’ arm bedryft,
En ons verwondering af perssen, moet ik wraaken
Met recht: de schande volgd met neêrgeslage kaaken
Den wederspanneling. Zyn allergrootst bestaan
(350) En daden ziet men voor het grootste schelmstuk aan.
Hy toont zyn’ gruwelen, in ’t toonen van zyn kragten,
Nooit zaagtge glory, daar de Vorst niet is, vernagten.
ANTIGONE.
Ai! luister na de wet, die vrouw Natuure u gaf.
KREON.
Hoe ik den schelm meer min, hoe ’k ’t schelmstuk zwaarder straf.
ANTIGONE.
(355) Hoe! laat een’ vader zich zo verre dan verrukken?
Gy voed te groot een’ haat.

[p. 15]
KREON.
Gy bonst den staat in stukken
Door goedheid: lang genoeg de muiter wreed van aart
Verdadigt.
ANTIGONE.
Onschuld is altyd een voorspraak waard.
KREON.
Ik weet wel, wat hem verontschuldigd in uwe oogen.
ANTIGONE.
(360) Ik weet wel wat uw’ haat in top heeft opgetogen.
KREON.
Uw’ liefde ziet het werk met andere oogen aan.
JOKASTE.
Gy, Kreon, spilt den tyd, die ons is toegestaan,
Uw’ trotsheid klimt te hoog, gy van myn’ toorn getroffen
Verwacht de wraak, die op uw’ kop zal neder ploffen.
ANTIGONE.
(365) ’t Nut van ’t gemeene best ontsteekt zyn’ voorzorg niet;
De liefde, die hy veinst tot het Thebaansch Gebied,
Bedekt eene andre vlam: Ik kenze, en vreez’ haar vlekken,
Gy zuld voorzichtig doen, die nimmermeer te ontdekken.
KREON.
’k Zal doen, gelyk Mevrouw gebied, en ik begeer
(370) U, onderwyl dat ik van ’t leger wederkeer,
Te sparen: Ook werde ik voor al myn heldendaden
Ten dienst des lands verricht, met schamperheid beladen.
’k Vertrekke, en wyke voor myn’ zoons gelukkig lot.
De Vorst roeptme elders heen, ik volge op zyn gebod.
(375) Vaarwel. Doe onderwyl Prins Polinices naderen,
En Hemon.
JOKASTE.
Twyfel niet, of in hunne edele aderen,

[p. 16]
Is fiere dapperheid. Ik zie den loop gestuit
Door hunne komst, van uw rampzalig vloekbesluit.

ZESDE TOONEEL.
JOKASTE. ANTIGONE. OLIMPE.

ANTIGONE.
HOe hoog, troulooze, zal uw’ groote trotsheid steigeren?
JOKASTE.
(380) Indien de Hemel ons geen bystand komt te weigeren,
Maar ons begunstigt na zo veel verdriet met rust
En vrede, moet de vlam van wraak zyn uitgeblust
Op dien staatzuchtigen, men zal ’t hem dan betalen,
En op dien trotzen kop een’ wisse straf doen dalen.
(385) Maar laat ons haasten, want elk oogenblik van tyd
Is kostelyk, denk dat de zaak geen uitstel lyd.
Gaan wy na Hemon, en myn zoon, ’k zal hun vergunnen
Verzeek’ring, meerder dan zy zelfs vereissche kunnen.
En zo gy, Hemel, nu ten laatsten zyt vermoeid
(390) Door my te plagen, en met ramp te drukken, boeit
De felle broederkryg, neig Polinices zinnen
Tot vreê, geef, dat ik door myn’ traanen mag verwinnen,
En blussen ’t Oorlogsvier, geef, dat ik zo myn smart
Mag uitten, dat myn zoon myn klachten gaan aan ’t hart.
ANTIGONE.
Een weinig na haare Moeder vertoevende.
(395) En gy, ô Hemel! zoo myn’ liefde u heeft bewoogen,
En gy myn Hemon weêr doet komen voor myne oogen:
Breng hem getrouw weêrom; en maak op dezen dag,
Dat ik hem minnende in myn liefde vinden mag.
Einde van het eerste Bedryf.

[p. 17]
TWEEDE BEDRYF.
EERSTE TOONEEL.
ANTIGONE. HEMON.

HEMON.
HElaas! benyd gy my die zoete minlykheden!
(400) Of heb ik niet genoeg rampzaligheên geleden?
’k Heb in geen jaar beschouwt dat aangename licht,
Die lieve fakkels van ’t zielroerende gezigt.
Mevrouw, hebt gy my dan alleen om deze reden
Ontbooden, om myn heil weêr met den voet te treden?
ANTIGONE.
(405) En wild gy dat ik nu myn’ Broeder dus verlaat?
Myn’ Moeder niet verzell’ daar zy ten Tempel gaat?
Begeert ge, dat ik om uw’ minnekozeryen
Uw’ min betrachte, en los den vrede stel ter zyen?
HEMON.
Mevrouw, hoe moogt gy myn geluk zo tegen staan!
(410) Zy zullen zonder ons wel na ’t orakel gaan.
Ach! gun myn hart, op ’t zien van uwe aanminlyke oogen,
Dat ik om raad vrage aan zyn godheên vol vermogen.
Durf ik hen vragen met vrymoedigheid, of zy
Hunne oude zoetigheid behouden steeds voor my?
(415) Verdragenze verheugd de vonken van myn’ liefde,
Die nu een ruimen tyd het minziek hart doorgriefde?
En wordenze geraakt door mededogenheid
Op ’t zien der rampen, dieze ons hebben toebereid?
En heeft ooit zulk een zucht uw’ boezem ingenomen,
(420) Dat ik stantvastig en getrouw weêrom zou komen?
Of dagt ge dat de dood een minnaar treffen kon,
Die niet kon sterven als in straalen van zyn zon?

[p. 18]
Och! als de ziele kwynt, gekwetst door zulke schigten,
En dikwils stervende op het zien der Minneligten,
(425) Hoe heerlyk is ’t dan nog die groote Godlykheên
Te vieren, dubbel waard geviert en aangebeên!
Maar wat verdraagtmen weêr, wanneer de razernyen
Van ’t noodlot dat geluk ons dreigen af te snyen,
En wentelen ons in kwellaadjen, smart en pyn!
(430) Een weinig afzyn schynt in tyd een jaar te zyn.
’k Heb hondertmaal de dood in de oogen derven tarten.
’k Had hondertmaal den loop geëindigt van myn smarten,
Zo ’k niet gedacht had, tot dat ik te rugge kwam,
Dat u myn afzyn zou verzeekren van myn vlam;
(435) En ’t overdenken van al myn’ gehoorzaamheden
Ten voordeel spreken zou, om ’t geene ik had geleden,
En dat gy denkende op uw Minnaar, te gelyk
Zoud denken, dat men sterk moet minnen, om een blyk
Van trouw te geeven en gehoorzaamheid, door slagen
(440) Van ’t noodlot nooit gekrenkt, wat dat men had verdragen.
ANTIGONE.
Ja, ik geloofde wel, dat op die trouwe ziel
In ’t afzyn eene smart, en droeve kwelling viel.
En zo gy wilt, dat ik myn zin zal openbaren*,
Ik wenschte, dat de smart uw trouw zou evenaren,
(445) En dat gy ver van my in zulk een wreed geval
De dagen tellen zoud, en dubblen dat getal.
Maar zugt niet, want myn hart bekommert met zyn schaden
Heeft u niets toegewenscht, dan daar ’t meê was beladen.
Voor al zo lang als nu deeze oorlog heeft geduurt,
(450) Waar door gantsch Thebe een reeks van rampen heeft bezuurt,

[p. 19]
Wiens muur rondom bedekt met dappere Oorlogsmannen
Ziet fors die hoofden op elkandren aangespannen;
O Goôn! hoe was ik toen met zorgen overlaân!
Wat heeft myn’ ziel een storm van rampen uitgestaan!
(455) Wier woede, en razerny ons dreigden te verslinden;
Toen bei de zyden my de waardsten myner vrinden
Vertoonden, daar ik wierd van duizend zwarigheên
Zo wel van binnen als van buiten fel bestreên?
Op elken storm en slag wierd meê myn hart geslagen,
(460) ’k Heb duizendmaal des daags de wreede dood verdragen.
HEMON.
Maar wat heeft Hemon tog gedaan in zulk gevaar,
Dat zyn’ Princes hem niet belast heeft voor en naar?
’k Heb Polinices nagevolgt op uw’ bevelen.
’k Heb u gehoorzaamt, zo ’t behoort, in alle deelen.
(465) ’k Beloofde hem myn liefde en vriendschap op dien tyd.
Ik heb myn Vaderland verlaten, en de spyt
Myns Vaders op myn hals geladen, en zyn tooren:
En u verlaten, zo gy ’t eindlyk al wild hooren.
ANTIGONE.
Het heugtme, ô Hemon, en ik pryze uw’ vroom gemoet,
(470) ’k Erken de diensten, diege aan Polinices doet,
En gy verplichte my, toen gy myn’ Broeder eerde,
En van de liefde die gehoorzaamheden leerde.
Ik minde hem, en hy word noch van my bemind,
En ik waardeere, en eer’ den geen, die hem bezind.
(475) Het bloeijen onzer jeugt zag ons alle onrust myen
Met vreugd, ’k had volle magt, en volle heerschappyen
Op ’t zagte hart, het was een heerelyk vermaak
Hem aangenaam te zyn: Dat was alleen myn baak.
De Zuster deelde altyd in de ongerustigheden

[p. 20]
(480) Van haaren Broeder, door een zelve ramp bestreden.
Ach! had ik noch op zyn gemoed de zelve macht,
Hy minde lang den vreê. Ik wierd dus niet versmagt
In myn’ rampzaligheên, die zou het zuur verzoeten,
En niet dan vrolykheid en heil zou ons ontmoeten.
(485) ô Hemon! ’k zou hem zien, en gy zoud my ook zien.
HEMON.
Hy siddert, als hy denkt, hoe hy het hoofd moet biên
Aan ’t woedend Noodlot, en de felle krygsorkanen
Een zee van reutlend bloed langs Thebes veld ziet banen.
’k Heb hem zien loozen zugt op zugt, van smart geprangt
(490) En toornigheden, daar zyn Ziel in onrust hangt,
Om dat men hem, om op zyn Vaders Troon te stygen.
Een weg deed neemen, daar geen zeege was te krygen.
’k Hoop dat de Hemel eens door onze smart geraakt,
’t Verslindende oorlogsvuur zal blusschen, dat noch blaakt,
(495) En felle Broederkryg zal dempen, en ten lesten
Stantvaste en trouwe liefde in Zusters boezem vesten.
ANTIGONE.
Aan ’t laatste werk is zo veel ommeslag niet vast,
En arbeid; twyfel niet, het is een minder last,
Dan hunne woede, en trots, en dolheid neêr te zetten,
(500) En die hartnekkigheid te morz’len, en te pletten.
Ik weet, tot welk een top die wreedheid zich verheft,
En dat hun hart het myne in hardheid overtreft,
ô Hemon! maar de Goôn doen dikwils wonderdaden.

TWEEDE TOONEEL.
ANTIGONE. HEMON. OLIMPE.

ANTIGONE.
WAt zegt de Godspraak? of wat heeft zy ons geraden?

[p. 21]
(505) Wat moet men doen?
OLIMPE.
Helaas!
ANTIGONE.
Wat heeft men doch verstaan?
Is ’t oorelog, Olimpe?
OLIMPE.
Ach! ’t zal noch arger gaan.
HEMON.
Wat is de ramp dan dus ten drievoet uitgedondert?
OLIMPE.
Ontfang het antwoord, Prins, op dat gy u verwondert.
Indien men Thebe wil verlossen uit zyn nood,
(510) Olyven wisselen voor bloedige laurieren,
Gebiet de Godheid, dat de laatste Koningsloot
Het land besmette met zyn bloed door zyne dood,*
En zo den last voldoe van ’t heilig Gods bestieren.

ANTIGONE.
ô Goden! waarom hebt gy zulk een droevig bloed
(515) Geteeld! en waarom doemt gy ’t heel en al verwoed!
Zyt gy noch niet te vreên met Vaders bitter sterven!
Moet uwe gramschap dus het gantsche bloed verderven!
HEMON.
Mevrouw, dat Godsbesluit raakt u niet, uwe deugd
Bevryd u voor de dood, de Goden zyn verheugd
(520) In uwe onnozelheid, en hun rechtvaardige oogen
Zyn met de ramp van zulk een edle Ziel bewoogen.
ANTIGONE.
De Goddelyke wraak veroorzaakt my geen pyn.
Myn onschuld zou my een bouwvallig steunsel zyn,
Daar ik de Dochter ben van Edipus: Ik moet sterven,
(525) ’k Verwacht de dood, en zal gewillig ’t leeven derven.
En zo gy hebben wilt, dat ik naar overleg
Van myn’ gedachten, u myn’ doodsche vreeze zeg;

[p. 22]
O Hemon! ’k vreez’ voor u, voor u is al myn vreezen,
Gy zyt, als wy, uit dat vervloekte bloed gerezen:
(530) Ik zie wel, hoe de hand der Goddelyke wraak
Dien luister alzo wel aan u rampzalig maak’
Als ons: de Prinsen der Thebanen zullen klagen
Dat zy zich afgedaald van zulk een stamhuis zagen;
’t Geluk beschryven van den kleensten werreldling.
HEMON.
(535) Wie kan doch klagen, dat hy zulk een’ glans ontfing?
Die edle dood zal nooit myn’ edlen naam verdelgen,
Daar ik gesprooten uit de koninklyke telgen
Niets zou verwisslen voor den schat van ’t kostlyk bloed.
’t Is heerlyk, schoon men ’t straks weêr overgeven moet.
ANTIGONE.
(540) En hoe! is onder ons een gruwelstuk bedreeven,
Moet dan de Hemel dat weêr wreeken op uw leven?
Is Vader niet genoeg en Kinderen? en moet
De wraak uitweiden op het al te onnozel Bloed?
Wy moeten voor de schuld van onze bloedverwanten
(545) Betalen: niemant kan zich tegen ’t Noodlot kanten.
Ja Goden straft ons, zo gy de anderen maar spaart,
Myn Vader, Hemon, is ’t, die u dit onheil baart
Door zyne misdaan, schoon onwetende, bedreeven!
En mooglyk breng ik u noch meerder om het leeven
(550) Dan hy. De Hemel straft u, en uw huisgezin,
Om Vaderlyke zonde, en smet, en Dochters min:
Ja, ’t bloed van Lajus schaad u minder, en de zonden
Van Vader, dan de min, waar door gy word gebonden.
HEMON.
Wat misdaad is ’t, die gy in myne liefde vint?
(555) Is ’t dat me een schoonheid vol van Godlykheeden mint?

[p. 23]
En nademaal gy die begonstigt, hoe kan ’t wezen,
Dat zy de gramschap van den Hemel heeft te vreezen?
Myn’ zuchten raken u, het vonnis uit uw mond
Spreeke, of gy ooit u in myn’ min beledigt vond;
(560) En zulk besluit, als ik heb van u af te wachten,
Zal myne min vol schult, of voor onschuldig achten.
Ook toen ik eerst myn’ liefde aan u ontdekte, ik stond
Door kracht van uw gezicht in myne ziel gewond.
Ik vreesde u meerder, had ik iets by u misdreven,
(565) Als ’t Godendom,’t welk ik geen reden had gegeven
Tot wraak. De Hemel spelle, indien ’t hem lust, myn’ dood,
’k Omhels myn’ ondergang, en stel my voor hem bloot:
Ik zal tot ’s Konings heil vol moed myn leven pletten,
En sterven vol geluk en vreugde in uwe wetten.
(570) Wat deed ik, daar het ryk gemeene schipbreuk lyd?
Kon ik wel wenschen na een langer levenstyd?
Vergeefs zocht ’t Godendom myn sterfdag te vertragen,
Ik korte uit wanhoop eer, zyn’ straf my trof, myn’ dagen.
Maar mooglyk heeft myn’ zorg my ydle vrees gespeld.
(575) Daar ’s Polinices, met de Koningin verzeld.

DERDE TOONEEL.
JOKASTE. POLINICES. ANTIGONE. HEMON.

POLINICES.
IK bid, Mevrouw, laat af my langer op te houden,
’k Zie dat de vrede, daar wy onze hoop op bouwden,
Na onzen wensch niet zal gelukken; al myn hoop
Was, dat de Hemel, die den handel, en den loop
(580) Der Menschen van om hoog ziet met rechtvaardige oogen,

[p. 24]
De wreede tieranny niet langer zou gedoogen,
En door het plengen van zo veel onnozel bloed
Vermoeid, aan my, ’t geen ik als wettig erven moet
Vergunt zou hebben; maar nu hy een medestander
(585) Van ’t kwaad is, en myn Ryk draagt over aan een ander,
En de onrechtvaardigheid met alle krachten styft,
Ja voor myn rechten doof en onbeweeglyk blyft:
Wat staat voor my van zulk een breinloos volk te wachten?
Zal ik dat dom gespuis voor wettig Rechter achten?
(590) Een wreeden dienaar van een openbaar Tieran,
Die ’t met myn vyand houd, en woed in een gespan?
Uit inzicht, zo het meent, van eigenbaat en voordeel;
Schoon het onkundig Graauw verdwaald in zulk een oordeel,
Terwyl hy hunnen dienst met tieranny beloont;
(595) Maar by dat schuim van volk heeft reden nooit gewoont.
Ik kwam van overlang hun trotsheid aan te merken,
En zag hun dolheid onbedacht my tegen werken:
Zy leeden nimmer, dat ik door hun van den Troon
Geschopt, die weder zou bekleên. ’t Volk vreest den hoon
(600) Van een, verbolgen Prins, en ’t waant in my te ontmoeten
Geen Vorst, maar een Tieran, en ’t vreest zyn schuld te boeten.
Gelyk de glorie nooit beheerst een laf gemoed,
Meent het, dat yder een uit wraaklust dorst na bloed:
Niets kan de kracht van zyne oplopentheden stuiten.
(605) Die eens zyn gunst verliest, die blyft ’er eeuwig buiten.
JOKASTE.
Indien het waar is, dat gy by het volk zo staat,
En ieder een vol schrik uw’ kroonzucht vloekt en haat;
Waarom wilt gy door zo veel bloeds ten Troon op stappen?

[p. 25]
Verkrygen ’t Ryksgebied door zo veel vyandschappen?
(610) Op ’t wederspannig Volk vermoogt gy echter niet.
POLINICES.
Wel hoe! Mevrouw, men moet dan ’t Opperryksgebied
In zyn keur stellen? moet een Vorst zo haast verlaaten
Zyn Koninkryk, als hem het Graauw begint te haaten?
De haat of liefde van het Volk is dan een wet,
(615) Die Koningen of op, of van de Troonen zet?
Zy konnen, zo ’t hun lust, ons haten, of beminnen;
’t Bloed steld my op den Troon, maar niet hun losse zinnen.
Zy kennen hem, die hun ’t geboortrecht aan komt biên!
Beminnen zy my niet, zy moeten my ontzien.
JOKASTE.
(620) Myn Zoon, gy zult gehaat zyn van uwe Onderdaanen
Als een Tieran.
POLINICES.
Een Prins, die zich den weg komt baanen
Door wettige afkomst tot den Troon des Ryks, dien past
Geen vloeknaam van Tieran, myn wettig recht ontlast
My van dien naam, men moet Eteokles dien geeven.
JOKASTE.
(625) Hy staat te diep in ’t hart van al het Volk geschreeven,
Elk een bemint hem.
POLINICES.
Zy beminnen een Tieran,
Die door lafhartigheid zich zelf verzekert van
De Rykskroon, die hy door geweld heeft schelmsch bekomen,
My strekt hy een Tieran, en laat zich echter toomen,
(630) En ringelooren, als een slaaf van ’t Volk, versmaat
Zich zelf, op dat hy my mag brengen in hun haat.

[p. 26]
Maar dat het volk hem meêr, als my, acht, heeft zyn’ reeden,
Hy is hun slaaf, ik zou als Vorst den troon betreeden,
En heerschen na myn’ wil. Daar ’t graauw de wetten stelt,
(635) En oordeeld na zyn zin, daar lyd de troon gewelt.
JOKASTE.
Hoe ver laat gy u van de oneenigheid vervoeren?
Hoe kan de Broedertwist zo sterk uw’ ziel beroeren?
Het spyt u, dat gy tot de stilstand u liet raân,
En ooit het bloedig zwaard uit uwe handen gaan.
(640) O Goon! waar wil dit heen? wat zwaare rampen drukken
Myn hart? waar zie ik ’t eind van al myne ongelukken!
Ach! staat gy nimmer af, myn Zoon! van dierbaar bloed
Te storten, en ik nooit van traanen? hoe verwoed
Draagt gy u tegens my! kom, Dogter, houd u Broeder,
(645) Die, al te wreed, veracht de traanen van zyn Moeder:
De ontzinde heeft wel eêr u hartelyk bemint.
ANTIGONE.
Indien de ontmenschte al uw gekerm slaat in den wind,
En zo veel traanen dien versteenden niet verzagten,
Myn’ vrindschap moet vergeefs medogendheid verwachten,
(650) Hy heeft die overlang al uit zyn’ zin gesteld,
Hy kent ons langer niet, hy is niet meêr die Held,
Die Prins, in wiens gemoed lieftalligheid geschreeven
Hem nooit tot bits krakkeel, en twistzucht had gedreeven,
Die my beminde, en droeg de Koningin ontzag:
(655) Hy is de zelve nu niet langer, die hy plag
Voorheên te weezen, nu schept hy alleen behagen
In bloed te storten, en in Broeders nederlagen.
Hy lagt met vrouw natuur, hy schopt haar met den voet

[p. 27]
Hy acht haar wetten voor een ydel reêngebroet.
(660) Wy zyn hem onbekent, noch hy ontziet zyn’ Moeder,
Hy heeft voor vyand u, zyn Zuster, en zyn’ Broeder.
POLINICES.
Bezwaar myn droeve ziel niet met dat bits verwyt,
Zeg liever, Zuster, dat gy zelfs verandert zyt:
Zeg, die lafhartige wist samen my te ontrukken
(665) De Kroon, en Zusters hart. (Hoe zwaar komt my dit drukken?)
Ik ben de zelve noch, gy speelt in mynen zin
By dag en nacht, ik ben die noch, die u bemin.
ANTIGONE.
O wreede, is dit noch my, gelyk ik u, beminnen?
Daar al myn’ traanen niet meêr op uw hart verwinnen,
(670) Als ’t woedend pekelschuim door storm en wind ontstelt
Op een verharde klip, die lacht met zyn geweld
En kaatst het af: Zo doet gy mede met myn’ klagten.
Gy overlaad my met zorgvuldige gedachten.
POLINICES.
Zeg, Zuster, dat gy zelf my langer niet bemint,
(675) Gy hebt Eteokles veel meêr, als my, bezint;
Gy tracht door uw verzoek den septer my te ontwringen,
En gy bemind my noch? wie hoorde ooyt vreemder dingen?
Is zelf Eteokles wel zo ontmenscht? ô Goôn!
Gy pleit voor een tieran, die my geweld en hoon
(680) Veroorzaakt.
ANTIGONE.
Wil een eind van zulke reden maken,
Neen, Broeder, denk niet, dat wy na uw nadeel haken;
Uw voordeel gaat ons zelfs al dieper aan het hart,
De vrede zou my niet verstrekken, als tot smart,
Zo die uw zetel hielp aan ’t kraken, en aan ’t wiggelen.

[p. 28]
(685) De traanen, die gy langs myn’ wangen af ziet biggelen,
Zyn voor uw vyand niet, zy blyven u getrouw:
’t Is een geringe beê, die ik myn’ Broeder wou
Afvergen, dat hy ons zo haast niet wilde onttrekken
Zyn byzyn, onderwyl mocht zich misschien ontdekken
(690) Een middel, waar door gy zoud raken op den Troon
Van uw Voorouderen als Vorst en Koning; schoon
Gy zo veel dierbaar bloed niet reukloos kwaamt vergieten.
Kan dan een brakke zee van traanen, die komt vlieten
Uit Zusters oogen, dit verzoek niet van uw hart
(695) Verwilligen? ontzeg het niet aan Moeders smart.
JOKASTE.
Wat vreeze ontrust u? wat doet u zo haast vertrekken?
Laat deezen dag dit Hof u tot een rustplaats strekken;
De stilstand, is die niet voor den geheelen dag
Gemaakt? Wat haast gy u dan zo, myn Zoon? Wat slag
(700) Dwingt u de stilstand te beginnen, en te breeken?
Eteokles is van de wapens afgeweeken,
En hy vergunt my, dat ik u mag langer zien,
En gy misgunt het my? ô Goôn! hoe kan ’t geschiên?
ANTIGONE.
ô Ja, uw Broeder laat door reden zich bewegen,
(705) Hy toont zich niet ontmenscht, noch staat de zuchten tegen
Van Moeder, maar hy is ontwapent door de kracht
Der tranen, schoon gy hem als een Tieran veracht,
Die naam zou met meêr recht u, als uw Broeder, voegen.
HEMON.
Niets perst u, Vorst, gy kunt, en zonder ongenoegen
(710) Aan uwe Moeder, en uw’ Zuster dezen dag
Vergunnen, laat aan haar ’t beleit der zaak, men mag
Afwachten, of, het geen zy hebben voorgenomen,
Gelukken zal, om kryg en Broedertwist te toomen.

[p. 29]
Gun hem die vreugd niet, dat hy roem een zegg’: De vreê
(715) Stond in uw’ hand, zo hebt gy aan uw’ Moeders beê
Voldaan, en ’t zal uwe eer en glorie grooter maken...
Maar ’ k zie daar een Soldaat geheel verbaast genaken.

VIERDE TOONEEL.
JOKASTE. POLINICES. ANTIGONE. HEMON. SOLDAAT.

SOLDAAT.
MYn Heer, de stilstand is vernietigt en vertreên;
Zy zyn in ’t woeden, en zy rukken tegens een.
(720) De Vorst en Kreon stort met Thebes legermachten
Op uwe legers aan; men durft de trouw verkrachten.
Hippomedon weert zich kloekmoedig in het veld,
Ruk op hen aan, en stuit met kragt hun krygsgeweld.
Ik kome op zyn bevel, myn Heer, deez’ tyding brengen.
POLINICES.
(725) Verraders! laat ons gaan: de tyd wil niet gehengen,
ô Hemon! dat men nu hier leedige uuren slyt.
Tegen de Koningin.
Mevrouw, gy ziet, hoe hy zich in beloften kwyt,
Maar hy verlangde naar een slag, ik vlieg’er heenen.
JOKASTE.
Myn Polinices... maar hy hoort my niet, myn weenen
(730) En kermen is vergeefs! myn Dochter volg hem, smeek
Uw Hemon, dat hy hun verwoedheid stuitte, en breek’.
Myne onmacht weigert my die wreede te doen zwigten,
Te sterven, is, helaas! al ’t geene ik kan verrichten.

Einde van het tweede Bedryf.

[p. 30]
DERDE BEDRYF.
EERSTE TOONEEL.
JOKASTE. OLIMPE.

JOKASTE.
GA heen, Olimpe, en zie dat droevig treurspel aan.
(735) Zie, of’er niets kan hun verwoedheid wederstaan,
Of niets den eenen, of den andren kan verzetten;
Meneceus, zegt men, heeft om ’t gruwel te beletten,
De Stad verlaten: Ach! was doch die tyding waar!
OLIMPE.
Mevrouw, zyn opzet is aan my verborgen: maar
(740) Ik heb hem zelfs gezien, en uit dat edel wezen
Een dappren yver, en manhaftigheid gelezen.
Vrees niet te zeer, Mevrouw, maar leef zo lang op hoop,
Tot de uitslag zich ontdekke.
JOKASTE.
Ach! myne Olimpe, loop.
Ga alles zien, en wil deeze onweerbui verjagen,
(745) Die ons hangt boven ’t hooft, en dreigt met droeve vlagen,
Door beter tyding.
OLIMPE.
Zal ik u, Mevrouw, alleen
Hier laten?
JOKASTE.
Ik verlang na de eenigheid, ga heen.
Maar wie was ooit alleen verzeld met duizend rampen,
Die de afgematte Ziel met zorge en pyn beklampen.

[p. 31]
TWEEDE TOONEEL.

JOKASTE. alleen.
(750) Neemt dan myn’ kwelling nooit een eind? zalze eeuwig zyn?
Verlost de Hemel my dan nimmermeer van pyn?
Zal ik, ô bitterheid! zo veele dooden lyden,
En nimmer in de grafspelonken neder glyden?
ô Goôn! hoe weinig zou men vreezen voor uw’ straf,
(755) Indienze aan schuldigen terstond den doodsteek gaf!
En hoe oneindig schynt het tal van uwe plagen,
Wanneerge uw’ straf verlengd in’t rekken van de dagen
Der schuldigen? gy kent de waarheid, sins de dag,
ô Ramp! my huisvrouw van myn eigen’ Zoone zag.
(760) De minste smart, die ik heb in myn hart geleden,
Is alzo zwaar, als dat de Hel vol gruwzaamheden
Den schelmen toedeeld, hoeze ook yslyk is en wreed.
Moest dan een misdaad niet met wil begaan, ô leet!
Uw’ gantsche gramschap op myn hooft doen nederploffen!
(765) Als wierd ik van my zelfs noch niet genoeg getroffen!
Helaas! kende ik hem wel, hem! dien gevloekten zoon!
Gy lieden hebt hem my gegeven, groote Goôn!
En in myn arm gesteld. Gy opent my de weegen
Ten val. Ik heb die smet alleen van u gekreegen.
(770) Kom zie met my dan eens het recht der Godheên. Zy
Geleiden ons tot aan den kant der schelmery:
Zy doen ons die begaan, en storten ons in zonden.
Noch wordenwe echter van haar wraakzuchtvier verslonden.
Behaagt het hun, dat wy aan zonden schuldig zyn,
(775) Op dat men naderhand aan zwaare ellenden kwyn’?
Behaagt het hun voornaame elendigen te maaken?
En kunnenze vergramt geen schuldigen meêr raken,
Dien hunne misdaad vleid, en aanlokt, en verheugd?
Die ’t kwade stellen, voor de heerlykheid der deugd?

[p. 32]
DERDE TOONEEL.
JOKASTE. ANTIGONE.

JOKASTE.
(780) IS ’t al verricht, en zyn de Broederbeuls om ’t leeven?
Zaagt gy elkander ’t hart den laatsten doodsteek geven?
Myn’ Dochter spreek, ai spreek.
ANTIGONE.
Ja, twyfel daar niet aan,
’t Orakel is vervuld, de Hemel is voldaan.
JOKASTE.
Zyn dan myn’ Zoonen dood?
ANTIGONE.
Neen, ander bloedvergieten,
(785) Mevrouw, bevreedigd Thebe, en eindigt uw verdrieten.
Een vorstlyk bloed, en ook afkomstig uit hun zaad,
Een Held bestond zich zelfs te slachten voor den staat.
’k Wou Polinices woede, en Hemons tooren breeken,
Ik volg hen, maar vergeefs, te ver voor uitgeweken;
(790) Ik riep, ai wacht, en staat een weinig stil, maar zy
Ontsteken, rukten voort, en hoorden niet na my:
Zy vloogen, daar het heir, elkander aan te vallen
Gereed, in ’t harnas blonk. Ik gaf my op de wallen,
Van waar het volk uit vreeze om ’t hart beklemd, en ik
(795) De aannadring zien kon, en verwachte elk ogenblik
Den slag. De laatste rys der Koninglyke looten,
De glorie van ons bloed, tot hoop van ’t land gesprooten:
Mevrouw, Meneceus, die na Broeder Hemon aart,
Maar ook gelyk als hy een beter Vader waard:
(800) Hy steld zich tusschen bei de legers, zonder schromen,
Ten dienst van ’t land met liefde en yver ingenomen,
Daar hy Thebaners en Argivers hooren doet:
Hout stand, dus roept hy uit, ontmenschte, en plengt geen bloed!
Die woorden kloek van klank, ontzachlyk uit gedonderd,

[p. 33]
(805) Ontmoeten geen belet, een yder stont verwonderd
Op zulk een schouwspel; zo verbrak hy de oorlogsvlam,
Waar op die edle Prins terstond zyn reên hernam:
Ik zal het raadbesluit van ’t Noodlot u verhaalen,
Waar doorge, roept hy, uwe elenden ziet bepaalen,
(810) Ik ben het laatste van het Koninklyke bloed,
Dat ik voor Thebe uit last der Goden storten moet.
Koomt, ziet dit bloed dan door myn’ hand uit de ad’ren loopen,
Ontfangt de vrê, daar gy vergeefs na scheent te hoopen.
Meêr spreekt hy niet, en duwt zyn’ pook in’t ingewand.
(815) De Burgerye aanschouwt die edele offerhand,
En ’t sneuvlen van dien Held, met sidderen, en vrezen,
Als of ’t tot straf, en niet tot hun behoud zou wezen.
’k Zag Hemon zyne plaats verlaaten droef van moet,
Om hem te omhelzen, daar hy wentelde in zyn bloed:
(820) En Kreon op dat spoor ontwapende zyne armen,
Begaf zich na zyn’ Zoon nu stervende met kermen.
Waar op de legers zich, hun ziende heenen* treên,
Begaaven uit het veld, en scheiden zich van een.
Maar ik, om ’t hart beklemt van vreeze, heb myne oogen
(825) Van zulk een droef gezicht, en rampen afgetoogen;
’k Verwonderme, als ik op zyne edle woede let.
JOKASTE.
Ik beef van schrik, als gy om zulk een daad verzet.
Is ’t mooglyk, Goden, dat na zulke wonderstukken
De rust van Thebe noch na wensch niet kan gelukken?
(830) Heeft door die edle dood uw’ wraak niet uitgeleeft,
Die myne Zoons op stryd verhit ontwaapend heeft!
Kunt gy noch evenwel dat Heldenoffer wraken,
Zo u de deugd zo veel kan, als de misdaad, raken!
En zooge op zulk een’ wys, gelyk gy straft, beloont,
(835) Wat schelmstuk is door zulk een offer niet verschoont?

[p. 34]
ANTIGONE.
De Hemel zal geen deugd ooit onbeloond verachten,
’t Bloed van Meneceus zal zyn grimmigheid verzachten.
De Goden achten meêr het bloed van eenen Held,
Als dat van duizend, om hun’ schelmery geveld.
JOKASTE.
(840) Ai! leer het Noodlot van den Hemel beter wikken,
Die daaglyks uitstel in myn’ rampen komt beschikken.
Maar ach! wanneer zyn’ hand tot bystand schynt gereed,
Vervaardigt hy myn’ druk, en smoort my in myn leet.
Hy stilde deezen nagt myn’ traanen,’k raakte aan ’t slaapen,
(845) Om alles opgewekt weêr aan te zien in waapen.
Zo ras hy my met hoop van vreê begunstigd, word
Door ’t wreede Orakel straks die hoop omveer gestort.
Hy brengt myn’ Zoon my hier, en doed my met hem spreeken.
Maar ach! wat doet hy my die vreugde zuur opbreken!
(850) Myn’ Zoon gevoeleloos verwerpt al wat ik zeg;
Hy voert hem in den slag, en rukt hem van my weg;
Hy blyft gedurig wreed en toornig op een’ Moeder,
Hy veinst verzagt te zyn, en word in plaats verwoeder,
Hy rust zyn’ handen, maar tot eenen dubblen slag,
(855) Geeft uitstel, op dat hy my zwaarder treffen mag.
ANTIGONE.
Men hoope een beeter eind, Mevrouw, van ’t laatste wonder.
JOKASTE.
Verwoedheid van myn’ Zoons speeld hier te hevig onder,
Wyl Polinices niet dan na zyn’ rechten hoort,
En de andre word van ’t Volk, en Kreon aangespoord,

[p. 35]
(860) Van laffen Kreon, ja. Zyn staatzucht niet te toomen
Beneemt de vrucht, die ’t bloed zyns Zoons ons toe deê stroomen.
Die Held bestond vergeefs zich tot ons heil te doôn,
Des Vaders kroonzucht smoort de diensten van den Zoon,
O jonge Helden van een’ ongetrouwen Vader.....
ANTIGONE.*
(865) Ai! zwyg Mevrouw, daar komt hy met den Koning nader.

VIERDE TOONEEL.
JOKASTE. ETEOKLES. ANTIGONE. KREON.

JOKASTE.
WAt ’s dit, myn Zoon, bewaard gy zo, uw eed en woord?
ETEOKLES.
Gy dwaald, Mevrouw, ik heb de stilstand niet gestoort.
Maar de oorzaak is, dat zo van de onze, als van de Argyven,
Een kleene krygstroep aan het twisten raakte, en kyven.
(870) Waar door de legers in de wapens zyn geraakt,
Zo wierd een veldslag van een enklen twist gemaakt.
En zeker, deeze slag was bloedig afgeloopen,
En deede een einde van alle onze rampen hoopen,
Indien niet Kreons Zoon door eigen hand geveld
(875) De krygslust van Thebaan en Griek had uitgesteld.
Die Prins, de laatste van de Koninklyke looten,
Hield door de Orakelstem zyn’ ondergang beslooten,
En heeft zich zelfs vol moet een dagge in ’t hart gedrukt,
Uit edle liefde tot zyn vaderland verrukt.

[p. 36]
JOKASTE.
(880) Ach! zo de liefde alleen, die hy aan Thebe schuldig
Was, hem het leeven deed verliezen zo geduldig;
Kan zulk een liefde u niet beweegen, zeg, myn Kind,
Dat gy de tochten van uw’ Staatzucht overwint?
Noopt u dat voorbeeld niet om moedig na te streeven?
(885) Gy moet niet afstaan, noch van heerschen, noch van leeven,
Indienge enen weinig maar ontrent het Kroonrecht zwicht,
’t Werkt meerder uit, als hy heeft door zyn’ dood verricht:
Indien gy ophoud van uw’ Broeder meer te haten,
Dat zal u meerder, als Meneceus doodsteek baten
(890) Is Broederliefde dan een zwaarder werk, ô Goôn!
Als ’t leven haten, en zyne eigen’ Ziel te doôn?
Kan iemand lichter dan zyn eigen bloed vergieten,
Als datge u ’t haten van uw eigen laat verdrieten?
ETEOKLES.
Zyne edelmoedigheid verruktme als u, Mevrouw,
(895) Ik ben zelfs yvrig, als ik zulk een dood beschouw.
Maar evenwel, ik moet, ik moet het u toch zeggen,
’t Is lichter ’t leeven, als den Septer af te leggen.
De glorie port ons wel van ’t leeven af te staan,
Maar port nooit Oppervorst, te worden Onderdaan.
(900) De Hemel eischte hem: Meneceus moest zyn leeven
Ten offer aan de Goôn ten dienst van Thebe geven.
Maar ’t zelve land, dat hem verplichte zig te doôn,
Wil dat ik Koning blyve, en heersche op ’s Vaders Troon.
Hier blyve ik, totdat ik van ’t Volk word afgeslagen,
(905) Het spreek’ maar eens, ik volg gehoorzaam zyn behaagen,
En Thebe zal my, op dat ik haar’ rust verwerv’,
Den Troon zien aftreên, om te vliegen, daar ik sterv’.

[p. 37]
KREON.
’t Bloed van Meneceus kan de Goden vergenoegen,
Zyn bloed diene ons, wat hoeftge ’er ’t uwe by te voegen?
(910) En naademaal hy ’t voor den vreê heeft uitgestort,
Myn Vorst, gun dat de vrede eens de oorlogsslagpen kort.
ETEOKLES.
Wel hoe! laat Kreon, nu zyn’ stem voor vrede klinken.
KREON.
Gy ziet de rampen, daar de Hemel me in doet zinken,
Omdat ik met te yvrig dreef een’ oorlog, Heer, zo snood.
(915) Daar zelfs myn Zoon reeds is gesneuveld.
ETEOKLES.
Wreek zyn’ dood.
KREON.
Ach! over wien zoude ik me in zulke rampen wreeken?
ETEOKLES.
’t Zyn uwe vyanden, die ’t oorlogsvier ontsteeken
Voor Thebe. Wreek hem, en u zelfs.
KREON.
Indien myn Zoon
Noch Polinices niet waare onder hen: ô Goôn!
(920) Moet ik myn eigen bloed, of zal ik ’t uwe plengen?
Zal ik tot wraak eens Zoons een Zoon om leeven brengen?
Myn Heer, uw bloed is my geheiligt, ’k min het myn’,
Zal ik dan Goddeloos, of een ontmenschte zyn?
Zal ik myn handen met geheiligd bloed bevlekken?
(925) Een Zoonbeul weezen om een Vader te verstrekken?
Neen, zulk een wreede hulp en geev’ my nooit vermaak,
Ik zag myn’ ondergang gebrouwt in plaats van wraak.
Dat ’s al de troost, daar nu myn zugten na verlangen,
Dat uit myn’ ramp uw Ryk zyn’ welstand mag ontfangen.

[p. 38]
(930) ’k Getrooste my de dood myns Zoons, dien ik beween,
Had zyne dood den draad van onrust afgesneên.
De Hemel wil ons om zyn’ dood de krygsvlam dekken,
Myn Zoon begon, myn’ Heer, gy moet de vreê voltrekken.
Gun aan myn’ Zoon den prys, waar hy na heeft gehoopt,
(935) En maak niet dat zyn bloed vergeefs op de aarde loopt,
JOKASTE.
Nu ik in onzen ramp u kan gevoelig merken,
Wat is’er dat het bloet uws Zoons niet uit kan werken?
Dat Thebe moet gryp’ naar zo groot een’ heldendaad,
’t Veranderd Thebes lot, nu gy veranderd staat.
(940) Wy durven vol van hoop van nu na vrede wachten,
Ja ’k houze zeeker, nu’er Kreon na kan trachten.
Ik zie hun hart verzacht, hoe woedende, en ontzint.
Hy overwint myn Zoons, die Kreon overwint.
tegen Eteokles
Laat die verandring u ontwapenen en raaken,
(945) Myn Zoon, wil eindlyk eens een eind van haten maken:
Troost Kreon, en vertroost een’ Moeder in ’t verdriet,
Misgun hem Hemon, en my Polinices niet.
ETEOKLES.
Ik moet dan, tot uw rust, de Heerschappye vlieden,
En Polinices wil, ’t is u bekent, gebieden.
(950) Zyn’ Kroonzucht staat alleen na de opperheerschappy,
Hy keert niet weêr, zo ik niet van den zetel gly.

VYFDE TOONEEL.
JOKASTE. ETEOKLES. ANTIGONE. KREON. ATTALUS.

ATTALUS.
MYn Heer, men heeft terstont een afgezant vernomen
Uit Polinices naam, die herwaarts is gekomen
Om eenen samenkomst te stemmen, zo uw’ wil

[p. 39]
(955) Daar toe genegen is; men zwygt de reden stil:
Hy voegt’er by, dat hy zich zelven zal verbinden,
Om u in ’t Hof, of in het open Veld te vinden.
KREON.
Zo bits een oorlog heeft zyn’ krygsmacht afgemat,
De Kroonzucht legt ter neêr, die eerst zyn’ Ziel bezat;
(960) Hy heeft uit deezen slag niet dan te wel vernomen,
Dat gy geen reden hebt, om voor zyn’ kracht te schromen.
De Argyver mort al lang, en wil zyn’ gramschap niet
Meêr dienen, al het Volk heeft in den Kryg verdriet.
’k Heb uit den mond der faam de tyding laatst gekregen,
(965) Dat zyn Schoonvader tot de vrede meêr genegen
Als tot de Wapenen, houd voor zich zelfs de Kroon
Van het Miceensch gebied, uw’ Broeder op den Troon
Van Argos heeft gestelt. Hoe moedig hy mag wezen,
Nog hebtge voor zyn’ kracht en wapens niet te vrezen.
(970) Verzeker u hier van, hy komt de vrede u biên,
Dat meêr is, draagtze u op, die deeze dag moet zien
Van weêrzy staven, of voor onverkrygbaar achten;
Gy kont zyn’ meeninge eens in deeze zaak verwachten.
Beloof hem, wat gy wilt, maar weiger hem de Kroon.
ETEOKLES.
(975) Hy eischt niet anders, als te zitten op myn Troon.
JOKASTE.
Laat hem ten minsten eens verschynen voor uwe oogen...
KREON.
Terwyl hy ’t zelfs verzoekt, Gy zult veel meer vermogen,
Als wy. Zo blyft het bloed noch in zyn oud gezag.
ETEOKLES.
Kom Kreon, laten wy hem dan gaan vinden.
JOKASTE.
Ach!
(980) Myn Zoon, ik bid u, laat ons hier ter plaats hem wagten.
ETEOKLES.
Wel aan, Mevrouw, ik zal u bidden niet verachten,

[p. 40]
Hy kome dan, en dat men hem op myn bevel,
Zo veel verzekring, als hy nodig heeft bestell’.
Kom, gaanwe.
ANTIGONE.
Zo de vrede ons heden word gebooren,
(985) ô Kreon, zalme uw’ lof door al de Werreld hooren.

ZESDE TOONEEL.
KREON. ATTALUS.

KREON.
NEen, spytige Princes, het is ten voordeel niet
Van Thebe, waarom gy zyt in zorg zyt en verdriet.
Die trotse, die my nu door vleijen wil behagen,
Na datze my zo lang heeft bitsen haat gedragen,
(990) Denkt minder om ’t genot der vrede, als om myn’ zoon,
Wiens wederkomst zy stelt voor my met smart en hoon.
Maar wacht: het lot doet ons die dage vast verwachten,
Waar in Antigone de Rykskroon zal verachten
Om Kreons voorbeeld na te streeven op dien voet.
(995) Wy zullen zien, wanneer my elk voor Koning groet,
Of die heilryke Zoon op haar meêr zal vermogen
Als ik, en spiegel zich in die verlokkende oogen.
ATTALUS.
Wie staat niet stom, voor zulk een’ wispeltuurigheid?
Zelf Kreon, Kreon zelf is tot de vreê bereid.
KREON.
(1000) Gy stelt de vrede dan voor ’t oogwit van myn’ zorgen?
ATTALUS.
Ja, ’k meen dat deze zucht legt in uw hart verborgen:
En had dat niet verwacht, en ziende, datge uw tyd
In edle zorg ten dienst van Thebes wallen slyt,
Sta ik verslagen, datge uw haten stelt ter zyden,
(1005) En zulk een monster in het graf laat nederglyden.
Meneceus zelf heeft ons niet heerlykers verricht,
En zyne dood straalt ons niet schooner in ’t gezicht.

[p. 41]
En iemant, die zyn haat het vaderland ten beste
Kan dempen, gaf aan haar zyn leeven zelf ten leste.
KREON.
(1010) Is ’t wonder, in wiens hart een vyandsliefde leeft,
Dat hy een edle dood trots onder de oogen streeft?
Hoe! zoude ik dan de zorg van myne wraak verachten?
En zou myn vyand liefde en hulp van my verwachten?
Zou ’k Polinices gaan beschermen tot een loon,
(1015) Dat hy veroorzaakt heeft de dood van mynen Zoon?
En schoon ik dezen haat had uit myn borst gedreeven,
Kon dan myn’ grootsche Ziel wel zonder Rykskroon leeven?
Neen, neen; de tyd zal u ontdekken, dat ik fier
Al myne vyanden zal haten, en het vier
(1020) Dat myne grootsheid stookt opwekken, en verheffen
Om met een donderslag den septervloek te treffen.
De Kroonlust heeft al lang myn ingewand verteert.
Ik schaamme een Onderdaan te zyn, en laf verheert.
Te luistren na ’t gezag der geenen, die verheven
(1025) Op hunnen Troon al ’t Volk voor zulk een glans doen beven.
Ik volgde ’t voorbeeld niet van myn doorlugtig bloed,
Dat daar geheerscht heeft met een’ onvertsaagde moed.
Myn gansch Geslacht leid me in gelyke deftigheden
Om, als myn’ Vaderen, de Rykstroon te bekleeden;
(1030) En ’k zag die al, zo ras ik zelf het licht bezag;
Twee jaren noopt my nu die zorg, en dag aan dag.
Ik doe geen eenen tret, die my niet zal geleiden
Na ’t Koninkryk, om daar weêr nimmer af te scheiden.
Ik voede en onderhou der Vorsten razerny,
(1035) En myn’ staatzuchtigheid spreekt hunne staatzugt vry.
’k Dwong tegen recht den Vorst om op den Troon te steigeren,
Ik dee hem ’t erfgebied aan Polinices weigeren.
Gy weet, dat ik my zocht te vesten in het Ryk:
’k Verhief hem, om hem weêr te ploffen in het slyk.

[p. 42]
ATTALUS.
(1040) Maar zooge u zelven dus van krygslust aan voelt randen,
Waarom de Wapenen gerukt uit hunne handen?
En zo gy hunne wreede oneenigheid betracht,
Hoe komt het, dat gy hun vereeniging verwacht?
KREON.
Deze Oorlogsbliksemvlam tot myn verderf gebooren,
(1045) Heeft my meêr rampen als myn’ vyanden beschoren,
Daar ’s Hemels gramschap die gedurig grooter maakt,
En al zyn goedheid, en zyn mededogen staakt.
Myn eigen oogwit geeft hem kracht om my te kwellen.
Hy dient zich van myn arm, om my ter neêr te vellen.
(1050) Zo dra de Kryg ontstak verliet strak Hemon my,
En voegde zich met lust aan Polinices zy.
De twee Gebroeders zyn geraakt in vyandschappen,
Om myne dolligheid met yver na te stappen,
Elkander aan te doen met laster, smaat en hoon.
(1055) Ik ben een vyand zelf geworden van myn’ Zoon.
Ten laatste op dezen dag deed ik den stilstand breken.
Ik moedig den Soldaat. Men geeft het Oorlogsteken.
Het Leger wapent zich, men levert slag, en ziet
Een Zoon sterft in een slag vol wanhoop en verdriet;
(1060) Hy breektze, die ik dus gevest had in myn zinnen.
Een Zoon is ovrig, dien ik waarlyk zal beminnen,
Hoe hy zyn Vaders wil en wenschen wederstreeft,
Een zelve schoonheid zyn gemoed verovert heeft.
Ik wil myn’ vyanden verdelgen en verpletten,
(1065) Maar hem bewaren, en zyn’ ondergang beletten.
’t Zou my te duur staan, zo ’t twee Zoonen kosten zou,
En ’k leed al straf genoeg in zulk een naberouw.
Der Prinsen haat verlangt in Broederbloed te zwemmen,
Geloof niet, dat die ooit een vaste vreê zal stemmen.
(1070) Ik zelf zal die zo wel bezoedlen met venyn,
Datze eêr om ’t leven, dan in liefde zullen zyn.
De haat, daar vyanden elkanderen meê plagen,

[p. 43]
Duurt maar een korten tyd, en dikwils weinig dagen,
Maar als men eens den band van vrouw Natuur verbreekt,
(1075) Niets is’er, Attalus, dat nieuwe vriendschap kweekt
By zulke, die de band van vrouw Natuur verwoeder
Maakt. ’t Is de grootste haat, het haaten van een broeder.
Maar ’t afzyn heeft nu reeds hun gramschap al verzoet;
Hoe groot een haat men tot een’ vyand draagt in ’t bloed,
(1080) Als hy afwezende is, en altyt uit onze oogen,
Vergaat zy half, of vind op ’t laatst nog mededoogen.
Weest niet verstelt, zo ’k wil, dat zy elkander zien,
’k Wil, datze elkanderen uit dolheid ’t hooft weêr biên,
Hun haat herhalende in dat doodelyk ontmoeten
(1085) De keel toewringen aan elkander onder ’t groeten.
ATTALUS.
Zo hebtge niemant dan u zelfs te vreezen, want
De Kroon op die manier verkregen zal een brand
Gedurig stooken in ’t gewisse, nooit te blussen,
En eene wroeging door geen artseny te sussen.
KREON.
(1090) De Kroon verschaft ons wel eene andre zorg en pyn.
En ’tzyn geen wroegingen, waar door we in onrust zyn.
Een Ziel verovert, en verrukt door lekkernyen
Van het gebieden, voelt zich zelven nooit bestryen
Van onrust, denkt niet meêr om den voorleden tyd,
(1095) En raakt door het Gebied alle andre zorgen kwyt.
Zy telt die dagen dan alleen maar van haar leven,
Van dien tyd af, dat haar den Septer is gegeven.
Maar gaan we. ’t Is voorwaar geen wroeging, die my, plaagt;
’k Heb harts genoeg, dat is in misdaân onversaagt.
(1100) Ons eerste Schelmstuk doen wy wel met schroom en vrezen,
Maar in het tweede kan geen zorg of wroeging wezen.

Einde van het derde Bedryf.

[p. 44]
VIERDE BEDRYF.
EERSTE TOONEEL.
ETEOKLES. KREON.

ETEOKLES.
JA, Kreon, dit’s de plaats, daar ik zyn komst verwagt
Men zal haast hooren, wat zyn wil is; maar ik acht,
Dat de onderhandeling vergeefs word aangenoomen;
(1105) Ik ken zyn trotsheid wel, die zal hy niet betoomen:
En d’ onverzoenbre haat neemt aan van dag tot dag,
Niets is’er, dat de loop van dien weêrhouden mag:
Wat my belangt, ik wil, ik moet hem eeuwig haaten.
KREON.
Maar zo hy afstand doet, en u de Kroon wil laaten:
(1110) Gy zult dien fellen wrok haast bannen uit uw Ziel.
ETEOKLES.
Zo groot is die, dat ik (schoon het alzoo geviel)
Zou twyfelen, of zulks myn haat zou nederzetten;
Dan of het die noch zou met meer verwoedheid wetten.
Neen, zyne trotsheid is geen bronaâr van dit kwaad:
(1115) Hy, Kreon, hy alleen is ’t voorwerp van myn haat,
Wiens onuitblusbaar vuur de Zielen kwam te ontsteeken,
Der Broederen, (dat wy noch in den boezem kweeken)
Wanneer Natuure aan ons den eersten adem gaf.
Die vyand’lyke wrok begon van kindsbeen af
(1120) Met ons te groeijen; nu in dolheid uitgelaaten
Vervoerd twee Broeders om elkander fel te haaten:
De wieg verwekte haat, wat zou dan niet de staf?
De haat leev’ dan in my, tot dat ik daale in ’t graf:
Het strenge Noodlot heeft van eeuwig dit beslooten,
(1125) Om de Ouders Bloedschand, daar wy beî zyn uitgesprooten,

[p. 45]
Te straffen, heeft het in ons goddeloos Geslacht
Al de euveldaden, die men ooit zag voortgebracht
Van d’ onbetoomde min, of haat uit willen werken:
Al wagt ik hier zyn’ komst, men zal in my niet merken
(1130) Dat de overoude wrok myn gram gemoed begeeft;
Hoe hy my nader komt, hoe meêr die in my leeft;
t’ Afbeeldsel van myn haat zal schittren in zyne oogen,
En ’t zou my spyten, dat hy ergens door bewoogen
Voor my zoude afstand doen van de opperheerschappy:
(1135) Hy moet niet weg gaan, neen, ik wil, dat hy voor my
Zal vluchten, want ik kan hem niet ten halven haaten
Ik vreez’ zyn’ vriendschap meêr, als gramschap: wat zou ’t baaten;
Zo ik den vollen toom myn toomeloos Gemoed
Niet vieren mogt? Ik wens, dat ik hem zo verwoed,
(1140) Zo uitgelaaten, en zo naa myn bloed zag haaken,
Dat zyn verwoedheid kon myn doen regtvaardig maaken:
De Hemel geev’, naadien ik myn verbolgen hart
Niet kan verzaaden, dat hy zo myn’ gramschap sart
Met dier vervloeken, dat ik hem met regt mag haaten.
(1145) Hy is de zelfde noch, hy loert noch op myn Staaten,
Hy heeft het op de Kroon, gelyk voorheên, gemunt,
Hy wil gebieden, en veel eerder zal de punt
Van ’t bloedig oorlogszwaard zyn’ razerny verpletten.
Als dat hy zal myn Kroon uit zyn gedachten zetten.
KREON.
(1150) Dwing hem dan door de kracht van uwe dapperheid.
Toon hem wat gy vermoogt in moedig krygsbeleid
Door wraakzugt aangehist, hoe trots hy ook mag weze
Men zal hem temmen, en hy heeft uw’ kragt te vrezen
En schoon de vrede veel vermag op myn Gemoed,
(1155) En haar verlokkingen my aangenaam en zoet
Zyn, ik zal de eerste een eind van deezen stilstand zoeken,
Schoon ik den Broederkryg moet haaten en vervloeken,

[p. 46]
En poogde moedig te verbreeken haar geweld:
Ik wil geen vreê, maar kryg, zo het uw heerschen gelt;
(1160) Men doe den oorlogstoorts op nieu verwoeder blaken;
Want Polinices zou de vreê te lastig maaken
Zyn tegenwoordigheid zou ons den zoetsten smaak
Verzuuren, dies ik ook, met u, na Oorlog haak.
Denk Vorst, dat al het Volk door my u komt vermanen,
(1165) Belet hun slaverny, noch maak hen Onderdaanen
Van dien verwoeden Prins, die hun als een Tieran
Gebieden zou. Maar, Vorst, indien de vrede kan
Bevestigt worden, ’t zal my en al ’t Volk behaagen;
Maar zo gy ’t volk bemint, wil uwe Kroon niet wagen,
(1170) Blyf hunne Koning, hoor uw Broeder met gedult,
Bedwing uw’ Ziel toch die met gramschap is vervult:
Veins Vorst... My dunkt, ik zie daar iemand nader koomen.

TWEEDE TOONEEL.
ETEOKLES. KREON. ATTALUS.

ETEOKLES.
WAar zynze al Attalus? Hebt gy hen niet vernomen?
ATTALUS.
Zy zyn al reeds in ’t Hof, en zyn de Koningin
(1175) Gaan vinden, ik vertrouw, dat zy haast zullen in
De naaste Zaal zyn.
ETEOKLES.
Ik gevoel, dat zy genaken,
Hun naderen doet myn Gemoed in gramschap blaaken.
Wat lyd een groote Ziel al harteweê en pyn,
Wanneer zy zonder wraak moet by haar vyand zyn!
KREON.
(1180) Daar is hy al... ô Goôn! maakt hen bei zo verbolgen,
En woedend, dat zy hun verwoede driften volgen.

[p. 47]
DERDE TOONEEL.
JOKASTE. ETEOKLES. POLINICES. ANTIGONE. HEMON. KREON.

JOKASTE.
’k ZIe my dan eindlyk in myn’ smeekingen vernoegt,
Nadien de Hemel u weêr by elkander voegt:
Na twee jaar afzyn kuntge elkander zien en hooren
(1185) In ’t zelve Koningshof, waar in gy zyt gebooren;
En ik door een geluk, dat onverwachtbaar stond,
Omarm twee Zoons gelyk, en kuss’ hen mond aan mond.
Begin, myn Zoon, begin dien band zo waard en teder.
Een yder van u tween erken zyn’ Broeder weeder:
(1190) Beschouwt de trekken in elkanders aangezicht.
Maar nadert beide, op datge uw oordeel beter richt.
Het bloed voldoe voor al zyn’ plicht, en spreeke in de aderen:
Kom Polinices, kom. Eteokles wil naderen.
Wel hoe! wat is het? dat gy van elkander vliet?
(1195) ’k Verwachtte zulk gezicht, en zulke onthaling niet.
Is ’t niet, dat yder noch hardnekkig en verwaten,
Niet eerst wil groeten, maar zich eerst wil groete laten,
En staande na den lof van laatst in dit geschil
Te wyken, niemant eerst zyn’ Broeder kussen wil.
(1200) Vervloekte staatzucht, tuk op schelmerye en lagen,
Die razerny den naam van edlen moet doet dragen!
Den overwinnaar schaam’ zich zelfs in zulk een stryd;
Gy zyt grootmoedigst, zooge eerst overwonnen zyt.
Kom, zienwe wie zyn moed in hooger top kan halen,
(1205) Wie van verwoedheid eerst zal durven zegepralen.
Hoe! staat gy stil? wel aan, gy naderde in de Stad
Van verr’,’t is billyk datge uw’ Broeder eerst omvat.
Kom Polinices, kom, omhels uw’ Broeders leeden.
Toon hem...

[p. 48]
ETEOKLES.
Mevrouw, wel waar toe die verborgentheden?
(1210) Tot die omhelzingen dient ons noch tyd, noch lust.
Hy spreeke, en openbaar’ zig zelfs, en gunne ons rust.
POLINICES.
Waar toe noch langer myn’ gedachten te openbaren?
Voorgaande zaak’ en tyd maakte u daar in ervaren,
Den oorlog, slagen en vergieten van het bloed
(1215) Doen blyk genoeg, dat ik den Troon bezitten moet.
ETEOKLES.
Die zelve slagen, en die zelve krygselende,
Die al het land zette in een bloedbad overende,
Getuigen, dat de Troon my toekomt, ’k zal daar af
Niet wyken, voor de dood my treffe, en sleepe in ’t graf.
POLINICES.
(1220) Gy schont het regt, wanneerge uw voet ten Zetel zette
ETEOKLES.
Ik schen ’t met lust, als ik u ’t klimmen maar belette.
POLINICES.
Tree van den Troon af, eerge ’er word van afgestort.
ETEOKLES.
Val ik, zie, datge niet met my vertreeden word.
JOKASTE.
Ach Hemel! ach! hoe wreed vind ik my zelfs bedrogen!
(1225) Zyn zy tot zo vervloekt een samenspraak bewoogen,
Om hen met grooter haat te scheiden, als voorheên?
Ach! moestge op die wyze in gesprek van vrede treên?
Myn Zoonen, ach! verdryft die bloedige gedachten;
Laat ons geen twistzucht, en vernieuwde tweedracht wachten,
(1230) Gy ziet elkander niet op een bloedgierig veld.
Ben ik ’t, die ’t moordzwaard hebbe in uwe hand gestelt?
Aanschout de plaats, daar ik uheb gebaart met smarten.
Heeft dat gezigt geen kracht op uw’ verstaalde harten?
Hier zyt gy, daar gy eerst het Zonnedag licht zaagt,
(1235) Daar alles u van vrede, en Broederliefde waagt.

[p. 49]
Uw’ Zuster, Prinsen, ’t vloekt al uwe onmenschlykheden,
En wat heb ik voor u al zorgen afgestreeden?
Die tot vereeniging zou willen slachten... Ach!
Zy keeren my den rug, en wraaken myn geklag.
(1240) Hun hart is marmer, en geen kracht kan het verzagten.
Vermits hunn’ wreedheid zelfs Natuurstem durf verachten.
tegen Polinices.
En ’k had een zachter aart, en meêr omzetlykheid...
POLINICES.
Ik eisch niet anders, als het geenme is toegezeid:
Hy kan niet heerschen, of hy moet meinedig weezen.
JOKASTE.
(1245) Men heeft in ’t grootste recht voor onrecht meest te vreezen.
De Rykstroon komt u toe, ik twyfel daar niet aan,
Maar ’k zie hem neergebonst, zo gy’er op wilt gaan.
Zyt gy nog onvermoeid in zo vervloekt een stryden?
Kunt gy uw Vaderland koels moeds te grond zien glyden,
(1250) Op dat gy ’t winnen moogt, uw Ryk vernietigt zien?
En over Volk vermoord en afgemaakt gebiên?
Ja, Thebe wraakt met regt zo wreed een Prins, wiens daden
De dorstige akkers doen in bloedrivieren baden.
Zal zy gehoorzaam zyn uw’ goddelooze wet?
(1255) Gy zyt Tieran, eer datge uw voet ten Zetel zet.
Goôn! zo de Staatzugt ons tot wreedheid kan betoveren,
De deugd verschopt word, als men Ryken kan veroveren,
Hoe zultge zyn, als gy den Septer in uw’ macht
Hebt, zooge, eêr dat gy heerscht, in uwe wreedheid lacht?
POLINICES.
(1260) Ach! zo ik wreed ben, ’k word gedwongen wreed te weezen;

[p. 50]
Ik ben geen Meester van myn’ daaden, als voor dezen:
Ik vloek de woede, daar men my toe dwingd, en port,
Ik weet, zo ’t Volk my vreest, dat ik met onregt word
Gevreest. Maar ’k zal de vrees myns Vaderlands verzachten,
(1265) Myn hert is week gemaakt door zo veel bittre klagten.
Zo veel onnoozel bloed gestort ten adren uit,
Vereischt, dat eens den loop der rampen word gestuit,
En zonder dat ik Thebe of Grieken zal doen beven,
Moet ik na de oorsprong der elenden my begeeven;
(1270) Zyn bloed voldoe de wraak op heden, of het myn’.
JOKASTE.
Uw’ Broeders bloed! myn Zoon?
POLINICES.
Ja, ja, Mevrouw, het zyn’.
Zo moetme een eind van zo verwoed een Oorlog maaken,
Dit oogmerk, wreede, deed my na uw byzyn haaken.
Nu daag ik zelf u uit tot zulk een tweegevecht,
(1275) Uit vrees, dat niemant ’t u zou hebben aangezegt.
’k Wou liever zelf, als door een andren, u verzoeken,
Een ander mogt in my zo wreed een wit vervloeken.
Gy weet myn’ mening nu. Geef door uw kragten blyk,
Of gy behouden kunt ’t geroofde Koninkryk.
(1280) Toon u manhaftig, en zo groot een ryksbuit waardig.
ETEOKLES.
Ik neem uw voorslag aan met volle vreugde, en vaardig.
Prins Kreon weet, met welk een lust ik daar na haak,
De Ryksstaf zelf, gaf my niet half zo veel vermaak.
Nu zag ik u met recht op ’s Koningsstoel gesteegen,
(1285) Dien ’k aan u offer op de punt van mynen deegen.
JOKASTE.
Ontmenschten! haast u, drukt u staal eerst in myn borst,
Ontsteekt uw’ woede aan my, die zo na wreedheid dorst:

[p. 51]
Erkent my langer niet te zyn uw beider Moeder,
Maar elk doorstoote in my het hart van zynen broeder.
(1290) Indienge in ’t plengen van het bloed uws vyands groeit,
Zoekt ’t in myn boezem, daar het eerst is uitgevloeid.
Dat yder van u tween voor vyandin my houde,
Om dat elks vyand eerst door my het licht beschoude.
Uw vyand derfde noch het leeven zonder my;
(1295) Dat ik na hem met recht uw’ wraak ten offer zy.
En twyfelt niet, ik neem gemeenschap in zyn sterven,
Noodzaaklyk moetge ’er twee behouden, of twee derven;
En zonder half verzacht, of half verwoed te zyn,
Behoudt hem, of ik volg zyn Noodlot met het myn’.
(1300) Indien u deugd behaagt, en eer u komt te noopen,
Verwoeden, schaamt u, zet geen deur tot schelmstuk open.
Maar zo het schellemstuk u allermeest behaagt,
Verwoeden, schaamt u dan, dat gy een enkel waagt.
Vergeefs zou Moederliefde en plicht uw doen beletten,
(1305) Zo gy myn leeven spaarde, en ’t zyne dorst verpletten.
Gy wachte u wel van my te spaaren, wreed van aart,
Ik leê geen oogenblik dat gy myn Koning waart.
Maar, Polinices, is dat handlen met zyn’ Moeder!
POLINICES.
Ik spaar myn Vaderland.
JOKASTE.
En gy vermoord een Broeder.
POLINICES.
(1310) Ik straffe een Schelm.
JOKASTE.
Zyn’ dood door uwe hand volbragt
Maakt dat me uw’ schelmery meêr straffe waardig acht.
POLINICES.
Zal een verrader dan gekroond zyn van myn handen.
Moet ik voor my een’ Heer in afgelegen’ Landen
Opspeuren? dwalende verlaaten myn Gebied,

[p. 52]
(1315) Uit zulk een wets ontzag, dien hy niet eens ontziet?
Zal ik ten offer voor zyn’ gruwelsmetten bukken?
Zal hy van schelmery de vrucht der Kroonen plukken;
Wat rechten heeft hy niet geschonden en vertreên?
Hy evenwel gebied, my bandmen elders heen.
JOKASTE.
(1320) Maar deed u Argos Vorst eens met een Ryksstaf pralen?
POLINICES.
’t Geen my myn bloed beschaft, moet ik dat elders haalen?
Zou ik hem met myn’ trouw niets brengen van het myn’?
Maar Kroon, en Koninkryk zyn’ goedheid schuldig zyn?
Zal ik myn eigen troon zien uit myn’ handen wringen,
(1325) Om my op zulk een hoop in vreemder gunst te dringen?
Neen; Polinices vleid geen Vorst, ontaart en laf,
Maar wacht de Kroon van hem, die hem het leven gaf.
JOKASTE.
’t Zy gy van Vader, of Schoonvader ’t Ryk kunt wachten,
Gy zult hun giften en hun goedheid altyt achten.
POLINICES.
(1330) Neen, neen: Dat onderscheid is al te groot voor my,
Dit maaktme tot een Slaaf, dat, dat ik Koning zy.
Hoe? zoude ik dan den Troon door Vrouwe handen zoeken?
Myne edelmoedigheid zou zulk een glans vervloeken.
’k Was zonder min dan nooit gesteegen op den Troon?
(1335) ’k Verkreeg myn Heerschappye alleen van minneloon?
Neen, neen: Ik wil geen Troon, of zal die zelfs verkrygen,
Ik styg’er nimmer op, of ’k zal als Meester stygen.
’t Volk zy door dwang tot myn gehoorzaamheid gebracht,

[p. 53]
Zo ik gehaat wil zyn, dat zy ook in myn’ macht.
(1340) ’k Wil eindlyk Meester van myne eigen grootsheid weezen,
Gy zietme nooit ten Troon als wettig opgerezen;
’t Geboortregt maak’ me Vorst, en is dat kragteloos,
Met regt, dat ik de kragt myns arm tot hulp verkoos.
JOKASTE.
Gaa verder, durf het al van heldenmoed verwachten,
(1345) Verkryg uw deel alleen door middel van uw’ kragten,
Verwerp in zulk geval der andren Vorsten tret,
De Kroon zy op uw hoofd door eigen’ hand gezet.
Kroon zo u eigen zelfs door edle heldendaaden.
Uw’ Tulband zy een Kroon van fiere Laurebladen:
(1350) Heersch, zeegepraal, en meng zeeghaftig onder een
Het purpre Hofsieraad, en heldendapperheên.
Hoe? zoudge uw’ Staatzucht zo lafhartig dan zien paaijen,
Met elk zyn beurt een jaar den Koningstaf te zwaaijen?
Zoek voor zo groot een Ziel die onverwonnen leeft,
(1355) Een Zetel, daarze alleen ’t gewenschte Kroonrecht heeft.
’k Zie duizend Septers door uw lemmer overrompeld,
Nogtans in eigen bloed, hoe kostlyk! niet gedompeld.
Met welk een’ vreugd zoude ik u zeegepraalen zien?
Uw Broeder zal in zulk geval u bystand biên.
POLINICES.
(1360) Gy wild dan, dat myn hart gevleid voor ydel waanen
Aan onregtvaardigheid den troon laat der Thebaanen?
JOKASTE.
Indienge uw Broeder zo veel rampen wenscht tot loon,
Draag hem het Ryk zelfs op, en Koninklyke Kroon,
Die Troon was overlang een afgrond van elenden,
(1365) Dien Bliksemvier zo wel als Godloosheid dorst schenden.
Uw Vader, en by wien ooit de Thebaansche Staf

[p. 54]
Was, schokten van den Troon elendig in hun graf.
POLINICES.
Al moest ik aan ’tgewelf den Donder zelfs ontmoeten,
Ik klom’er liever heen, als in den grond te wroeten.
(1370) ’k Misgun dat Heldental, hoewel rampzalig, de eer,
’k Wil met hen steigeren, en storten met hen neêr.
ETEOKLES.
Ik weet voor zulk een val uw’ hoogmoed te bevryden.
POLINICES.
Gy zult wel haast voor my in zulk eene afgrond glyden.
JOKASTE.
Zyn Ryk behaagt aan ’t Volk.
POLINICES.
Ik vloek zyn Tieranny.
JOKASTE.
(1375) Gansch Thebe draagt hem gunst.
POLINICES.
’k Heb Goden op myn’ zy.
ETEOKLES.
De Goden scheenen zelfs u ’t heerschen te beletten,
Wanneer zy door het lot my eerst de Kroon opzetten.
Zy twisten wel, toen zy my keurden tot ’t Gebied,
Dat een, die heerschte, nooit zyn’ Heerschappy verliet.
(1380) Nooit zagmen meêr als een den Koningszetel dekken;
Zy lyd’er nimmer twee, hoe wyd zy zich mag strekken:
Want de een, of de ander moet ’er voort of eindlyk af,
Men lyd geen tweede zelfs in ’t zwaaijen van een Staf.
Nu oordeel, of de schrik, die hy my oorzaakt, zoude
(1385) Verdraagen, dat ik hem de helft des Ryks betroude.
POLINICES.
En ik, ik wil niet meêr, zo haat ik uw gezigt,
Met u bedeeld zyn van het glinstrend Hemellicht.
JOKASTE.
Ik stem ’t dan toe, gaat heen, gaat heen elkander dooden,
Ik zal u beide tot zo wreed een moorden nooden.

[p. 55]
(1390) Myn poogen is vergeefs op uw hardnekkigheid:
Vliegt heenen, daar myn’ dood, en uwe wraak u beid.
En, kunt gy, overtreft uw Ouders gruweldaaden,
En toont uw Broederhart met in zyn bloed te baaden.
’t Was ’t gruwelykste kwaad, dat u het leeven gaf,
(1395) Een zelve neem’ met recht u weder ’t leeven af.
Ik vloek de woede niet, die u komt aan te spooren.
’t Meêdoogen voor myn bloed heb ik al afgezwooren.
Uw voorbeeld heeft die zugt nu uit myn hart gewroet.
Ik ga, verwoeden, leert, hoe dat gy sterven moet.
ANTIGONE.
(1400) Mevrouw... Wat ’s dit? ô Goôn! ach! kan hen niets beletten?
HEMON.
Men kan de onbuigbare verwoedheid niet verzetten.
ANTIGONE.
Ach! Prinsen...
ETEOKLES.
Kom, men kieze een plaats tot dit bestel.
POLINICES.
Vaarwel, myn Zuster, ’k vlieg.
ETEOKLES.
Vaarwel, Prinses, vaarwel.
ANTIGONE.
Myn Broeders, ach! bedaart. Lyfwachten stut hun woeden,
(1405) Stort traanen uit, en mengt die met myn’ traanenvloeden.
Zo gy hen nu ontziet, geeft gy hunn’ woede kracht.
HEMON.
Hy tracht vergeefs, Mevrouw, die hen te stutten tragt.
ANTIGONE.
Ach! dappre Hemon! ’k kom alleen uw’ bystand vragen,
Zo gy my noch bemind, en deugd u kan behagen,
(1410) En hun bloeddorstigheid en woede noch gestilt
Kan worden, schei hen, zo gy my behouden wilt.

Einde van het vierde Bedryf.

[p. 56]
VYFDE BEDRYF.
EERSTE TOONEEL.

ANTIGONE. alleen.
RAmpzalige Prinses! wat zult gy dan besluiten?
Uw’ Moeder smaakte in uwen arm de dood.
En durftge noch geen deelgenoot
(1415) Uws Moeders zyn, om zo des nootlots wraak te stuiten
Of spaartge u zelven, tot een grooter ramp en leet?
Uw’ Broeders handgemeen zyn niet te scheiden, heet
Elkander om te brengen:
Doorstoot u, volg zo groot een voorbeeld namet moed.
(1420) Zult gy alleen maar traanen plengen,
En de andre dierbaar Koningsbloed?

Helaas! waar word ik door myn rampe heen gedreven?
Wat toevlucht neeme ik in een pyn zo groot?
Kieze ik het leeven, of de dood?
(1425) Een Moeder eischt myn dood, een Minnaar eischt myn leven.
Ik zie haar die my roept ten duistren Grafzark in;
Maar ’t geen de reden eischt, dat weigert my de min,
En doed de dood verzaaken.
Wat zie ik kragt van reên, die my ter dood verbind?
(1430) Maar ach! hoe komt het leeven smaaken,
Wanneermen zo stantvastig mint.

Ja, Liefde, gy weerhoud myn’ ziel nu reeds aan ’t slippen.
Ik ken zyn Stem, die my vermeesterd heeft,
Hoop heeft in ’t hart al uitgeleeft,
(1435) Gy leeft, en wilt niet, dat ik in het Graf zal glippen:
Gy zegt, uw Minnaar stortte op u zyn kostlyk bloed;
Gy vergtme, dat ik nu noch langer leeven moet,
Om mynen Minnaar ’t leeven
Te spaaren. Hemon zie, wat kracht de liefde heeft

[p. 57]
(1440) Op my, ’k zou my ter dood begeeven,
’k Leef nu alleen, op dat gy leeft.
Indien ooit twyfeling kon in uw’ boezem glyden...
Maar daar verneeme ik ’t eind van dat rampzalig stryden.

TWEEDE TOONEEL.
ANTIGONE. OLIMPE.

ANTIGONE.
GY zaagt, Olimpe, dan die gruwelstukken aan?
OLIMPE.
(1445) Ik liep vergeefs, Mevrouw, het was al reeds gedaan:
Ik zag, hoe al het Volk afstorte van de vesten,
En gaf die, zo het scheen, hun vyanden ten besten;
Waar op voort volgde een droef en jammerlyk gerugt.
Het geen met naar allarm, en Moord de heele lucht
(1450) Vervulde, naar dat men den Koning had zien sneeven;
Aan Polinices is de Zeegekrans gebleeven.
Al wat Prins Hemon deede’, om ’t goddeloos gevecht
Te stuiten, was vergeefs, hy heeft niets uitgerecht:
Niet liet hy, ’t geen diende om dien gruwel te beletten,
(1455) Hun dolheid was te groot, men konze niet verzetten.
Dit is, Mevrouw, het geen ’t gerugt my deed verstaan.
ANTIGONE.
Ik ken zyn edel hart, ik twyfel daar niet aan;
Zyn eedelmoedigheid vervloekt die gruweldaaden,
Daar de eene Broeder om zyn’ bloeddorst te verzaden,
(1460) Dorst na zynsbroeders bloed;’k heb hem met dieren eed
Verpligt, om ’t schelmstuk te verhindren, en ik weet,
Dat hy in ’t houden van zyn woord geen leet zal schroomen.
Maar ’t is vergeefs, niets kan die toomeloozen toomen;
Niets is zo sterk, dat hun verwoedheid kan weerstaan;
(1465) Ontaarde Prinsen, ziet nu eens uw lust voldaan:
Daar was geen hoop altoos van deeze pyn te sussen,

[p. 58]
Men moest de wraakgloed in een Broederbloedstroom blussen.
De dood alleen vermogt een eind der Broedertwist
Te maaken, daar moest eerst een zee van bloed verkwist
(1470) Zyn, en de Kroon kon geen twee Oppervorsten lyden,
Een langer wytte moest hen van elkander snyden;
En eer de oneenigheid kon worden uitgedoofd,
Moest de een, of de ander van het leeven zyn beroofd.
Rampzaalge Prinsen! ach! ik moet uw lot beklaagen,
(1475) Maar myn elendig lot verduurt noch zwaarder slagen!
Geen van u beide heeft gevoelen van die smart,
My, ongelukkige! gaat die alleen ter hart.
OLIMPE.
Het is een troost, Mevrouw, in alle uwe ongelukken,
Dat gy de wreede dood u niet en ziet ontrukken
(1480) Uw’ Polinices, al uw’ zorg by dag en nacht;
Des Konings voordeel hebt gy nooit zo zeer betragt.
ANTIGONE.
’t Is waar, Olimpe, dat de zorg myn hart doorgriefde,
Dien ik voor hem droeg, en dat ik met grooter liefde
Hem, als zyn’ Broeder, heb bemint; hy was een Held,
(1485) Die schoon hem ’t avregs lot had van de Kroon geveld,
De deugd omhelsde, ’t geen my hem zo deed beminnen;
Maar nu vermag te veel de heerschzugt op zyn’ zinnen,
Hy is lafhartig, en verheft zich tot den Troon
Door Broedermoordery. (Gedoogt gy dat? ô Goon!)
(1490) Zyn Broeder kan my nu veel meer als hy behaagen,
En ik bemin hem om zyn’ droeve nederlaagen.
OLIMPE.
’k Zie Kreon nadren.
ANTIGONE.
Hy is droevig, want de dood
Des Koninks stelt hem voor den Overwinnaar bloot,

[p. 59]
Om zyne ontsteeken toorn aan hem te doen gevoelen,
(1495) Hy is de aanstooker van dat uitgelaten woelen.

DERDE TOONEEL.
ANTIGONE. KREON. ATTALUS. OLIMPE.

KREON.
MEvrouw, wat droefheid trof in ’t naderen myn oor?
Durf ik gelooven, dat de Koningin verloor...
ANTIGONE.
Prins Kreon, ja, ik zag haar sterven.
KREON.
Groote Goden!
Op welk een wys is zy in haare dood gevloden?
(1500) Wat heeft het toortslicht van haar leeven uitgedoofd?
OLIMPE.
Zy heeft door eigen’ hand haar zelfs daar van beroofd:
En durvende onversaagt een dagge in ’t harte drukken,
Haar leeven afgesneên, en pynende ongelukken,
ANTIGONE.
Zo kwamze ’t ongeval van haare Zoonen voor.
KREON.
(1505) ’t Is waar, Mevrouw, de wraak der Goden, die ons door...
ANTIGONE.
Gy legt vergeefs de schuld op wraak der Hemellieden:
Ik zag den Koning in dat doodlyk vechtperk vlieden
Op uwen raad; gy hebt hem tot dien slag genoopt:
Een slag, wiens doodse vrugt hy met zyn leeven koopt.
(1510) Zo moet een Vorst door raad van zyne vleijers bukken
Ten offer; gy verhaast, wyl gy de gruwelstukken
Voor goed keurt, hunne dood; gy zyt ’er oorzaak van.
Maar eên vermoorde Vorst sleept mede in een gespan
Zyn’ vleijers. Kreon, zyn rampzalig overlyden
(1515) Doet u, en ons gelyk in eenen afgrond glyden

[p. 60]
Van rampen: En de wraak door zyne dood geboet
Op u, maakt dat gy ook een’ tranenstof ontmoet.
KREON.
’k Beken ’t, het Noodlot tuk zyn’ wraakzucht te betoonen,
Doet u een Broederpaar beweenen, my twee Zoonen.
ANTIGONE.
(1520) Myn’ Broeders, en uw’ Zoons? ô Hemel! wat verhaal!
Viel iemand anders, als de Koning door het staal?
KREON.
Zo hebtge nog het eind der rampen niet vernomen?
ANTIGONE.
Ja, Polinices had de zeege in ’t Veld bekomen,
En Hemon kon hen niet verzetten, wat hy deê.
KREON.
(1525) Die slag, Mevrouw, sleept meer rampzaligheden meê.
Gy hebt myn ongeluk, noch ’t uwe zien bepaalen;
Helaas! maar wiltge, ’k zal u ’t uwe, en ’t myn’ verhaalen.
ANTIGONE.
Kom wrevel Noodlot, kom, volvoer uw’ gramschap, ach!
’k Voel zonder twyfel nu uw allerlaatsten slag.
KREON.
(1530) Gy zaagt, Mevrouw, tot welk een top hun vlam gerezen
Hen beide voortdreef om elkanders Beul te weezen,
Zy vloogen tot den stryd beide even vaardig heên,
En kwamen nooit, als in dit voorwerp, over een.
De Broederbloeddorst deede een yver in hun merken,
(1535) En lust, die’t broeders bloed voorheen nooit uit kon werken,
De grootste haat deê hen nu als vereenigt zien,
En vrienden, dol elkaar den doodsteek aan te biên.
Zy houden stant, gereet elkander aan te vallen,
Dicht by de Legers, aan den voet van Thebes wallen:
(1540) Hier neemen zy hunn’ woede en razerny weêr aan,
En maaken een begin van zulk een yslyk slaan,
Alwaar die gruwelyke en woedende gedrogten

[p. 61]
Door ’t zwaard een toegang in elkanders boezem zogten,
De razernye alleen, die hunnen arm gebood
(1545) Scheen elk te storten op den oever van de dood.
Myn Zoon verzuchtende en door zulk een ramp bewogen,
Is voort op uw bevel, Mevrouw, daar heen gevlogen,
Hy werpt zich tusschen beide, en heeft door uwe last,
’t Geen yder deede, op hun bevelen niet gepast.
(1550) Hy stuit hun slagen af, bid, tracht hun’ arm te stutten,
En met zyn eigen dood hun leeven te beschutten;
Maar tracht vergeefs hun arm te breidelen, want zy
Verdubblen toornig hun vervloekte razerny.
Noch houd hy stant en moed, en, zonder te versaagen
(1555) Keert hy de stormen af van meêr dan duizend slagen:
Tot ’s Konings woedend staal, ’t zy hy zyn’ broeder zogt
Te treffen, of myn’ Zoon, hem heeft een’ steek gebrogt
Die hem de dood getroost, straks neerwierp voor zyn voeten.
ANTIGONE.
Doed zulk een doodsteek my myn dood noch niet ontmoeten!
KREON.
(1560) Ik vlieg, en hef hem op, ’k omhels voor ’t laatst myn’ Zoon.
Hy kende my, ik sterf, zegt hy met flaauwen toon,
Ik offer vol geluk aan myn’ Prinses het leeven,
Uw’ Liefde word vergeefs tot myne hulp gedreven.
Vlieg na die woedende en ontmenschte Broeders heen,

(1565) Ik sterve; Vader schei, is ’t mooglyk, hen van een,
Hy geeft den laatsten snik. Hun razernye en tooren
Groeit op dat schouwspel aan, nog heeter als te voren.
Maar Polinices scheen bekommert; Hemon wacht,
Dus roept hy, zie uw’ wraak door my te weeg gebragt.
(1570) Waar op hy moedig zig met dubble krachten weerde,
Zo dat het tweegevegt haast tot zyn voordeel keerde,
De Koning in zyn’ zy getroffen door een’ slag,

[p. 62]
Viel neder in zyn bloed, en liet hem het Gezag.
Dit gaf den Legers stof, het Griekse tot verblyden,
(1575) Maar ’t onze, om in een’ poel van smart en ramp te glyden;
En ’t Volk door schrik verbaasd om ’t sneuvlen van zyn Vorst,
Betuigde van den wal zyn sidderende borst.
Maar Polinices, die zyn schelmstuk zag gelukken,
Zag trots, en met vermaak zyne offerhande bukken,
(1580) En scheen te zwemmen in een’ zee van Broederbloed,
Gy wreede, zegt hy, sterft en ik, ik zet myn’ voet
Ten Zetel, zie myn’ hand met Zeege en Septer praalen,
Ga vol van schaamte en spyt om myne glorie daalen
Ten afgrond, en op dat de dood u zwaarder schyn’,

(1585) Verrader, sterf, maar denk myn’ onderdaan te zyn.
Hy zwygt, en trots van gang met opgeslagene oogen
Ziet hy het Lichaam aan uit onmagt neêrgebogen
In ’t zand. Hy nadert, om zyn Wapens onbelet
Te rooven. Maar de Vorst neemt acht op elken tret.
(1590) Hy ziet, en neemt hem waar: zyn’ Ziel door spyt gedreven
Scheen tot een Meesterstuk noch in zyn rif gebleven,
Hy streelt zig zelven nog met zoete hoop van wraak,
En stuit de laatste zucht: ’t Scheen hem een Zielsvermaak,
Gereet te sterven, noch een oogenblik te leeven,
(1595) Om de Overwinnaar in zyn’ dood een steek te geeven.
De ontmenschte Broeder buigt zig neder, om zyn’ hand
Te ontwaapnen, maar de Vorst drukt in zyn ingewand
Den pook, waar door zyn’ ziel verheugd en opgetogen,
In ’t brengen van den slag is uit zyn rif gevlogen.
(1600) Maar Polinices, zo getroffen, schreeuwt vol schriks,
En volgt zyn Broeder na in ’t onderaardsche Stiks.
En schoon gedood, Mevrouw, noch kont gy in zyn weezen
Verwoede teekens van verwoede ontmenschtheid leezen:

[p. 63]
Zyn aangezigt, dat reeds gedoodverfd is, bewaart
(1605) Vervloekte treken van een’ gruwelyken aart.
ANTIGONE.
Hoe komt de Staatzucht, en verblindheid ’t hart beklemmen!
ô Al te klaar gevolg der wreede Orakelstemmen!
Vorst Lajus stamhuis is op ons na tot den grond
Verdelgd. Och, Kreon, ofge alleen maar ovrig stond!
(1610) En ik door wanhoop om der Goden wraak verbolgen,
Bestaan had, Moeders dood op de eigen’ tyd te volgen.
KREON.
’t Is waar, de Hemel, in zyn wraakzucht ongestut,
Heeft tot onze ondergang zyn’ gramschap uitgeput;
En stortende op ons uit een’ zee van Oorlogsplaagen,
(1615) Geeft my geen minder stof, als u, Mevrouw, tot klagen.
Ik mis twee zoonen...
ANTIGONE.
Ach! ach! Kreon, gy gebied,
En voelt, nu Vorst, ’t verlies van uwe Zoonen niet.
Ik bid u, gunme alleen in ’t naast vertrek te treeden,
En verg, of dwingme niet in myne elendigheden,
(1620) Op dat myn weenen, en myn zuchten u niet raak’,
Gy streelt u elders in bekoorlyker vermaak.
’t Volk roept u heen, om u tot Koning in te wyen,
Gaa, smaak de vreugde van uw’ nieuwe Heerschappyen.
Vaarwel; wy pynigen elkander, ik gaa heen,
(1625) ’k Wil traanen storten, en gy wilt den Troon betreên.
KREON, Antigone vast houdende.
Gebie, Mevrouw, wie raakt het Ryk van Thebe nader?
Antigone beklimm’ den Zetel van haar’ Vader.
ANTIGONE.
’t Ryk wagt na my, zo lang het u niet ken voor Heer,
De Kroon behoort u.
KREON.
’k Werp die voor u voeten neêr.
ANTIGONE.
(1630) Ik zou haar van de hand der Goden zelfs verzaaken:

[p. 64]
En wilme Kreon tot Vorstin van Thebe maaken?
KREON.
Ik weet, dat in die rang geen luister steekt, die niet
Voor de eer moet wyken, dat men hem ten offer bied
Aan u. Maar ik bekenme onwaardig te verwachten
(1635) Zo groot een lot; maar mag myne Eerzucht daar na trachten?
Is ’t billyk, dat ik daar door heldenpligt na sta?
Wat moet ik doen, Mevrouw, wat wilt gy?
ANTIGONE.
Volg my na.
KREON.
Tot welk een’ dienstbaarheid komt my die gunst verplichten?
Beveel alleen, Mevrouw, ik zal uw last verrichten.
(1640) ’k Ben vaardig...
ANTIGONE, weggaande.
Wel, men zal ’t verneemen.
KREON,haar volgende.
’k Wacht uw’ wet.
ANTIGONE, weggaande.
Verwachtze.

VIERDE TOONEEL.
KREON. ATTALUS.

ATTALUS.
DEnkt gy, dat haar toornigheid verzet
Zal kunnen worden?
KREON.
Ja; wiens lot moet nu niet wyken
Voor ’t myn’? van dezen dag zult gy dit Hoofd zien pryken
In volle heerlykheid met eenen Koningskroon:
(1645) Myn’ Staatzugt, Attalus, verheft my op den Troon.
Antigone, en de Kroon, zyn ’t al, ’t geen ik de Goden
Heb afgeëischt nu word my van hen aangeboden

[p. 65]
De Septer van het Ryk, en ’t hart van myn’ Vorstin:
De Hemel, om van daag myn Hoofd, en myne Min
(1650) Te kroonen, heeft doen in de Wapenen verschynen
Den haat en liefde; en tot verkoeling van myn’ pynen,
Heeft hy ontsteken twee Hartstogten tegens een;
Hy maakt de Zuster zacht, de Broeders hard als steen;
Hy scherpt hun toornigheid, doet my haar liefde hopen,
(1655) En breekt haar trotsheid, stelt te zaamen voor my open
Haar hart, en hunnen Troon
ATTALUS.
Gy ziet uw wens voldaan,
Maar uw geluk, myn Heer, zou noch veel hooger gaan,
Waart gy geen Vader: Gy zyt op den top verheven
Van Min, en Staatzugt; maar Natuur komt aan u geven
(1660) Een stof van traanen, als zy u voor oogen stelt,
Hoe beide uw’ Zoonen zyn gesneuvelt op het Veld.
KREON.
’t Is waar, hun ongeluk gaf my wel stof tot traanen;
De naam van Vader kwam my tot die pligt vermanen:
Maar, Attalus, ik was gebooren tot den Staf;
(1665) En hunne nederlaag neemt my veel minder af,
Als zy my heerlykheid en glans komt by te zetten.
Men zal den Hemel ons zeer zelden zien beletten
Dat iemand Vader is; ’t is een gemeene naam,
Tot zulk een tytel vind men yder een bekwaam:
(1670) En aan myn grootsche Ziel kan niets tot vreugd verstrekken,
Of het moet tegens my afgonstigheid verwekken:
En yder hand zwaait niet een Koninklyke Staf;
Zo hoog een rang scheid ons van d’andre menschen af:
Heel weinigen, en by de Goden uitverkoren,
(1675) Zyn tot die trotsche pracht en heerlykheid geboren!
Ja zelfs het Godendom is grooter in getal
Als ’t aardsche Koningdom: Dies kan ik om hun’ val
Niet treuren. En gy weet, hoe Hemon ook beminde,
En aanbad myn’ Prinses en zy hem weêr bezinde:
(1680) En zo hy leefde, wiert myn’ Min van hoop ontbloot;

[p. 66]
De Hemel, Attalus, ontneemt my, door zyn’ dood,
Een’ Medeminnaar: Wil my dan geen andre zaaken
Errinneren, als die my door ’t verhaal vermaaken:
Zwyg stil van schimmen, en van geesten uitgeleeft,
(1685) Vergun myn’ blyde Ziel, dat zy zich overgeeft
Aan haare driften; zeg niet, wat ik heb verloren,
Maar wat ik win; ik wil geene andre reeden hooren,
Als van het Opperryksgebied, en myn’ Vorstin;
Ik zal haar hart wel haast bezitten door de Min:
(1690) Ik heb door myn beleid den Troon haast ingenomen:
Al wat geschiet is, acht ik niet, als ydle droomen;
Eerst was ik Vader, en een Onderdaan, nu zit
Ik op den Troon, en ben een Minnaar, ’k heb myn wit,
Antigone, en de Kroon betoovren my, en baanen
(1695) Een... Maar Olimpe komt.
ATTALUS.
ô Goôn! zy zwemt in traanen.

VYFDE TOONEEL.
KREON. OLIMPE. ATTALUS.

OLIMPE.
MYn Heer, Antigone is reeds dood, waar wacht gy na?
KREON.
Is ’t waar, Olimpe, is de Princes gestorven?
OLIMPE.
Ja.
Onnutte zorgen! ach! zy ging maar heimlyk heenen
In een vertrek. (Helaas! wie zegt het zonder weenen!)
(1700) En zonder, dat ik haar voorneemen merken kon,
Heeftze edelmoedig zich beroofd van ’s Levens bron.
Zy heeft den dagge, die haar Moeder eerst deed sneven,
Vol kloeken moed in haar’ sneeuwitte borst gedreven.
De wond was doodelyk: Zy wentelde in haar bloed.
(1705) Nu oordeel eens, wat storm ik leed in myn Gemoed.
Maar eindlyk haare ziel nu staande om heen te glippen,
Spreekt deeze woorden uit met stamelende lippen:

[p. 67]
O Hemon, zegtze, neem deze offerhanden aan.
En dus is ’t leeven van die schoonheid uitgegaan.
(1710) Ik heb haar Lichaam door een innerlyk erbarmen
En mededoogen, noch gekoestert in myne armen;
Maar ’t was vergeefs, haar Rif was koud en styf; ik stond
Door zulk een ongeval in myne Ziel gewond.
Ik was gelukkig, zo die doodelyke plaagen
(1715) In ’t duistre graf met haar my hadden neergeslagen.

ZESDE en LAATSTE TOONEEL.
KREON. ATTALUS.

KREON.
OP zulk een wys vlied gy voor eenen Minnaar heen,
Gy zelve hebt den draad uws Levens afgesneên.
Rampzalige, gy sluit voor eeuwig dan die oogen,
Gy sluitze, op dat gy my niet zien zoud, nooit bewogen
(1720) Door myn’ gebeden, die gy onverhoord verstoot:
Gy vliegt uit liefde tot uw Hemon na de dood;
Zo zeer niet om hem na te volgen in die hoeken,
Als my te ontvlieden, en myn’ Koningstaf te vloeken.
Maar, wreede, moest gy nog zo straf zyn tegen my?
(1725) Zou ’k in de Hel noch zien die dolle razerny?
Moest uwe gramschap na de dood nog blyven duuren?
’t Is wel, ontmenschte, ik zal die nevens u bezuuren,
Daar zult gy ’t voorwerp zien van uw vervloekten haat,
Myn zuchten zullen u verzellen, waarge gaat,
(1730) Om u te plaagen, of uw’ wreedheid te verzachten;
Gy hebt om my te ontvliên geen tweede dood te wagten.
Dit ’s myn besluit, komt, laat ons sterven...
ATTALUS, en LYFWACHT.
Ach! myn Heer...

[p. 68]
KREON.
Ach! die my ’t Leven wil bewaaren, dood my meer,
Dan die my ’t Leven neemt. Vervloekte razernyen,
(1735) Hartstogten, Liefde, die my altyd kwaamt bestryen!
Komt, nadert nu, en maakt een einde van myn pyn,
Bedriegt die Vrienden, die my wreed behulpzaam zyn.
En gy, ô Goôn! vervult ’t geloof van uwe Orakelen.
Om alle uw’ rampen op een’ ry aan een te schakelen.
(1740) Ik ben het laatste bloed van Lajus. Ruktme heen,
ô Goden! ’k ben genoeg door kwaalen afgestreên.
Ontruktme, ontruktme dien vervloekten Septer weder;
Gy neemtme Antigone, ploft my dan mee ter neder.
Den Troon, en al het geen gy my gegeven hebt,
(1745) Vervloek ik, daar ’s niet, daar myn’ Ziel vermaak in schept.
Ik bid niet anders, dan uw’ felle Bliksemschichten,
Die konnen mynen wensch uitvoeren en verrichten.
ô Goden! voegt myn ramp en dood door zwaarder pyn,
By de Offerhanden, die nu reeds gesneuveld zyn.
(1750) Maar ’k bid vergeefs, en al myne eigen’ gruweldaaden
Staan al gereed, om my met rampen te overlaaden,
Die ’k zelf veroorzaakt heb. Jokaste, Antigone,
De twee Gebroeders, en myne eigen’ Zoonen mee,
Die ik heb omgebracht, om op den Troon te* stygen,
(1755) En duizend rampen, die nooit tonge zal verzwygen,
Bekleeden van nu af der Beulen pligt in ’t hart.
Houdt stant, ziet hoe in my uw’ dood gewroken werd.
’k Zie reeds den Bliksem, die myn Leven zal verdelgen,
’k Zie ’t Aardryk scheuren, om myn Lichaam in te zwelgen.
(1760) ’k Voel duizend plaagen my afmatten te gelyk:
Ik daal ter Helle, en zie, of daar myne onrust wyk’.

Hy valt in handen van den Lyfwacht.

Einde van het Vyfde en Laatste Bedryf.


[p. 69: Gravure: HIPPOLITUS. Senec. in Hipp.]
[p. 70: blanco]

Tekstkritiek:
vs. 136 kon er staat: kom
bij 281 JOKASTE. er staat: JOKATE.
443 openbarener staat: openbareu
512 drievoudig rijm.
822 heenen er staat: heeuen
bij 865 ANTIGONE. sprekeraanduiding ontbreekt.
1754 te er staat: de