Nil Volentibus Arduum: Ondergang van Eigenbaat in het Eiland van Vryekeur. Amsterdam, 1707.
Uitgegeven door drs. P. Koning
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton090900UB Gent
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue
[
fol. π1r: frontispice]
[fol. π1v: blanco]
[fol. π2r]

ONDERGANG

VAN

EIGENBAAT

In het Eiland van

VRYEKEUR;

Z1NNESPÉL.

[Vignet: Nil Volentibus Arduum]

TE AMSTERDAM,
___________________

Gedrukt voor het KUNSTGENOOTSCHAP, én
te bekomen by de Erven van J. LESCAILLE, énz.
Met Privilegie. 1707.

De Prys is zeven en een halve stuiver, ingenaait.



[fol. π2v: blanco]
[fol. π3r]

COPYE van de PRIVILEGIE.

DE Staaten van Holland en de Westvriesland, Doen te weeten, Alzo ons vertoond is by die van het KUNSTGENOOTSCHAP NIL VOLENTIBUS ARDUUM, tot Amsterdam, hoe dat zy Supplianten, op ’t voorbeeld van Italiaansche, Engelsche, en Fransche Academiën, voor veele Jaaren, met zorg, moeiten, en ongemeene kosten, hun Kunstgenootschap hadden opgerecht tot opbouwing en voortsettinge van de Nederduitsche Taale en Dichtkunst; ten welken einde de Supplianten, en deszelfs Kunstgenootschap, door ons op den 14e. van Maart, 1692. was begunstigt by continuatie van hunne voorgaande Privilegie of Octroy, om geduerende den tyd van vyftien Jaaren, alle hunne werken, en die derzelver Léden, als toen reeds gemaakt, gedrukt, en ingevolge van tyd verder te maaken, te drukken, herdrukken, uit te geeven, en te verkoopen, en zulks by uitsluiting van alle anderen, onder wat pretext, dat het ook zoude moogen weezen, alleen te mogen drukken, herdrukken, uitgeeven, en verkoopen in zodaanigen formaat, en Taalen, als het de Supplianten geraaden zoude vinden, en dat op zulken straffen, of peene voor de Contraventeurs als breeder by ’t voorgaande Octroy uitgedrukt stond. En dewyl de gemelde Onze Privilegie op den 14e. deezer maand Maart, stond te expireeren, en zy Supplianten gaarne in hunne arbeid en yver zouden volharden, en groote onkosten, hadden gedaan, dagelyks doen, en vervolgens doen zouden, onder andere met het uitgeeven van eene Nederduitsche Gramatica, gelyk ook met hunne werken te vercieren met titelprenten, en andere kopre kunstplaaten, en Muzykstukken, naar vereisch der zaaken. En beducht zynde, niet zonder réden, dat eenige baatzoekende Menschen, op de eene of andre wyze, tot ontluistering hunner werken, en groote schaade en nadeel der Supplianten, hen daar in zoude zoeken te onderkruipen, met hunne werken in ’t geheel of ten deelen, met, of zonder het Muzyk, ende kunsttitels, en andere prenten na te doen maaken, drukken, verkoopen, of verruilen, vinden de Supplianten zich genootzaakt haar wederom te keeren tot ons, verzoekende dat het onze goede geliefte mogte zyn, de Supplianten met onze privilegie als boven gemeld te begunstigen voor den tyd van Vyftien eerstkomende Jaaren, om geduurende dezelve tyd alle de voorschreven werken, in zoodanigen formaat en taale, reeds gemaakt gedrukt, en ingevolgen van tyd verder te maaken, alleen te mogen drukken, herdrukken, uit te geeven, en te verkoopen, en zulks by uitsluitinge van alle anderen, onder wat pretext dat het ook zoude mogen weezen, en dat op zulke straffen en peene, en Confiscatie van alle zodaanigen nagedrukte Exemplaaren, tegens de Contraventeurs te stellen, als wy zoude achten te behooren, en vereischt te zyn, ten einde de Supplianten in toekomende mogen erlangen volstrekter effect van ons voorschreeven Octroy, als zy tot noch toe hadden genoten, ter zaaken van baatsuchtige lieden, die niet tégenstaande onze voorige verleende Octroyen, haar niet hadden ontzien verscheiden van ’s Kunstgenootschaps werken en derzelver Leden, te heb- [fol. π3v] ben doen nadrukken, en de Contraventeurs daar over door de Supplianten niet gecalangeert, en in rechten betrokken waaren, om in geen zwaarder kosten te vervallen, als de boeten als toen daar op gesteld hadde kunnen goed maaken. Zo is ’t dat wy de zaaken en ’t verzoek voorschreeven overgemerkt hebbende, en genegen weezende ter beede van de Supplianten uit onze rechte wetenschap, Souveraine magt en Authoriteit dezelve Supplianten geconsenteert, geaccordeert en Geoctroyeert hebben, Consenteeren, Accordeeren, en Octroyeeren mits deezen, dat zy gedurende den tyd van vyftien eerst achter een volgende Jaaren alle de voorschreeven werken by continuatie binnen de voorsz onze Landen alleen zullen mogen drukken, doen drukken, uitgeeven en verkoopen, verbieden de daarom alle en een ygelyken alle ’t selve werk in ’t geheel of ten deele naa te drukken, ofte elders naa gedrukt, binnen dezelve onzen Landen te brengen, uit te geeven of te verkoopen, op de verbeurte van alle de naargedrukte, ingebrachte, ofte verkochte Exemplaaren, en een boete van drie hondert guldens daar en boven te verbeuren, te appliceeren een derde part voor den Officier, die de kalangie doen zal, een derde part voor den Armen der plaatse daar ’t Casus voorvallen zal, en ’t resterende derde part voor de Supplianten; Indien verstande, dat wy de Supplianten met deeze onze Octroye alleen willende gratificeeren tot verhoedinge van haare schade, door ’t nadrukken van alle de voorschreeven werken, daar door in geenige deelen verstaan den inhouden van dien te authorizeeren ofte te advoueeren, en veel min ’t zelve onder onze protexie en bescherminge, eenig meerder Crediet, aanzien, ofte reputatie te geeven, nemaar de Supplianten, in cas daar inne iets onbehoorlyks zoude influeeren, alle ’t zelve tot haaren laste zullen gehouden weezen te verantwoorden, tot dien einde wel expresselyk begeerende, dat by aldien zy deezen onze Octroyen, voor alle ’t Voorschreeven werk zullen willen stellen, daar van geen geabbrevieerde, ofte gecontraheerde mentie zullen mogen maaken, nemaar gehouden zullen weezen, ’t zelve Octroy in ’t geheel en zonder eenige Omissie daar voor te drukken, of te doen drukken, en dat zy gehouden zullen zyn een Exemplaar van alle de voorschreeven werken, gebonden ende wel geconditioneert, te brengen in de Biblioteek van onze Universiteit tot Leiden, ende daar van behoorlyk te doen blyken; alles op peene van ’t effect van dien te verliezen; Ende ten einde de Supplanten deeze onze Consente en Octroye mooge genieten, als naar behooren; Lasten wy allen en een iegelyken die ’t aangaan mag, dat zy de Suppten van den inhoude van deeze doen laaten, en gedoogen, rustelyk, vredelyk en volkomentlyk genieten en gebruiken, Cesserende alle belet ter contrarie. Gedaan, in den Hage onder onze grooten zeegele hier aan doen hangen, op den 24ste. Maart, in ’t Jaar onzes Heeren, en Saligmaaker Seventien hondert en zeven.
[handtekening: Y. Vincent.]
A. HEINSIUS.   

Ter Ordonnantie van de Staten,   
SIMON van BEAUMONT.



[fol. π4r]

OP DE

TITELPRÉNT.

HIer legt SCHYNHEILIGHEIT van boven neêr gestort,
Vergeefs zich houdende aan de Godtgewyde bladen,
    Daar hy van EERLYKHEIT en DEUGT vermeestert wordt.
ARGLISTIGHEIT wordt met dezelve ramp beladen,
    Hoewel vermomt, omgort met eene Vossehuit
En adders in de hant. BEDROG voelt zyne elende;
    Zyn’ streken zyn ontdekt: zyn loos bewint is uit.
En EIGENBAAT geraakt aan een rampzalig ende.
    De waare OPRECHTHEIT woedt op ’t uitgelaten rót
Van alle schelmen, en verwaten godeloozen,
    Die afgescheiden van de reden en van Godt,
Om Staatzucht en genot het slinkse padt verkozen.
    Wat hooger breekt BEROUW van spyt haar eigen hart.
Zy ryt, en trapt, en breekt de ketenen in stukken
    Van Eigenbaat, en red zich eindlyk uit de smart,
Waar van zy langen tyd te snood zich voelde drukken.
    Noch hooger is Vrouw WIL gezeten op haar’ troon,
Verzelt van GODSVRUCHT, en VOORZIGTIGHEIT, die beide
    Haar sterken. KWAADAARD legt op ’t galgeveld ten toon,
Met VLEIJERY , die loos haar snoode netten spreide.
    Al wie den nieuwen bouw van ’t opgerechte Ryk,
Door STAATZUCHT aangezet, of DARTELHEID, wil stooren,
    Stort strak in Léthes vloedt. Daar is der schelmen wyk.
Al waar de VRYHEID bloeit, gaat EIGENBAAT verlooren.



[fol. π4v]

VERTOONERS.

WIL, Erf Prinsés van het Eiland Vryekeur, door Eigenbaat,
    tót Slaavin gemaakt, met een onrust op het hoofd, én ter
    zyden van ’t zélve een vléugel, én vlérk.

ONDEUGD, Vrygemaakte van Eigenbaat, een gebochcheld
    Dwérgje, in een ryk hovelingskleed.

EIGENBAAT, Tieran van ’t Eiland Vryekeur; in roode,
én zwarte kleederen, met een Griffioen op de borst.

DE Z1NNEN, Onderdaanen; op allerlei wyzen gekleed.
ARGLISTIGHEID, Moeder van Eigenbaat, in een bruin
    kleed met slangen bezaait.

SCHYNHEILIGHEID, in een heilig boven, én lichtvaar-
    dig onderkleed.

BEDRÓG, in een kleed met muizevallen én vishoeken gestikt.
KWAADAARD, Raadsheer, in een bruin kleed, met onzui-
vere vlammen na om laag, én een omgekeerd hart, aan een stróp,
    om den hals.

VLEIJERY, Vrygemaakte van Eigenbaat, dartel gekleed.
TR.OUWEL.OOSHEID, onder de naam van STAATKUNDE,
    ondertrouwde van Eigenbaat, eene bedaagde juffer, in een
    wit boven, én zwart onderkleed, én een dier, verbeeldende het
    voorlyf een Lam, én het achterste een Scorpion op de borst.

VOORZIGTIGHEID, in een wit kleed, met opene Oogen bezaait.
BEROUW, eene oude magre Vrouw, in een zwart kleed, met
    een omgekeerd hart in een schroef geknélt, op de borst.

RECHTVAARDIGHEID, in schyn van Onderzoeking;
    geweezene Gouvernante van Wil, door Eigenbaat gebannen.
OPRECHTHEID, in schyn van Ontdekking; voor deezen
    eerste Staat jufvrouw van
Wil, insgelyks door Eigenbaat,
    uit het Hóf van Verstand gebannen.
GODSVRUCHT, eene Oude vrouw, in een wit onder, én
    blaauw boven kleed, met een zon, waar in een open oog staat,
    op het hoofd, én een vlammend hart op de borst geborduurt.

VRYHEID, DAPPERHEID, én EENDRAGT; hun
    gevólg, zingende én dansende.


Het Tooneel verbeeld, het hóf van VERSTAND, waar in
        EIGENBAAT, zyn Troon gevéstigt heeft.
Continue
[p. 1]

ONDERGANG

Van

EIGENBAAT;

ZINNESPâL.
____________________

EERSTE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

WIL.

ACh! ’t is met my gedaan! Ja Eigenbaat, ’t is waar,
Myn smart is zonder eind; gy hoont my al te zwaar.
Is dit my vriendschap, zo als ik verdiend heb, toonen?
Is dit myn’ trouwe min met wédermin beloonen?
(5) Hoe hebt gy my, helaas! met valsche hoop gevoed,
Eer gy mijn’ broeder deedt versmooren in zyn bloed;
Myn broeder op wiens troon gy eindelyk gesteegen
Met kracht, én met gewéld, hebt dit gezag verkreegen!
Tieran, is Goedaard niet door Kwaadaards raad vermoord?
(10) Wie heeft Gemeenebést doen stikken door een koord?
Is Deugd niet door vergif gescheiden uit het leeven,
Door kwaaden raad u van Arglistigheid gegeeven,
Gestyfd door Kwaadaard, én Bedróg, én Vleijery?
Spreek Wreedaard! bande gy Opréchtheid niet met my,
(15) En met Réchtvaardigheid? uw’ woede is zonder paalen,
Gy plaagt my éven fél: ik mag geen adem haalen;
En dus onwaardiglyk geboeid als een slaavin,
[p. 2]
Vervólgt men my nóch door een ongehoorde min,
Met uw goedkeuring, my door Ondeugd opgedraagen.
(20) O Hémel! zal ik nooit een eind’ zien van myn plaagen?
Moet ik het voorwérp zyn van zulk een wángedrócht,
Een Vleijer des Tierans? waar ben ik toe gebrógt?
Ontroostb’re Infante, die vrywillig uwe staaten
Hebt afgestaan, gy vindt van Gódsvrucht u verlaaten,
(25) Beroofd van Zinnen, die u afgevallen zyn,
Doorknaagd van naberouw! O doodelyke pyn!
Gebannen, én weêr ingeroepen t’myner smarte!
Een spót van ’t hófgezin! Elk trapt my op het harte!
Ach! was Voorzigtigheid in ’t hóf te vinden, mogt
(30) Ik troost verhoopen! Nu smèlt ik in traanen vocht!
Maar Goôn! waar bérg ik my? ’k Zie Ondeugd wéderkomen!
Hoe klópt myn hart van vreez’!



TWÉDE TOONEEL.

ONDEUGD, WIL.

ONDEUGD.
WAt hebt gy voorgenomen,
Bekoorelyke Wil? zal ik u altyd zien,
Met een bedroefd gelaat, afkeerig voor my vlien?
(35) My, Ondeugd! die nu ben tót zulk een staat geklommen
Dat ieder wie my ziet in ’t Eiland moet verstommen.
Elk van verwondering, verrukt, eert my, gelyk
Een twéden Koning, groot van magt in ’t Koningryk
Van Eigenbaat, by wien geen mensch gehoor kan krygen
(40) Dan met myn toestaan.
WIL.
                                          Gy deedt béter dit te zwygen,
Ondankb’re, die u met het bloed der armen mést.
ONDEUGD.
Dat ’s oud: want Ondeugd noemt de dankbaarheid een pést.
[p. 3]
WIL.
Ge érként de diensten niet, u door Verstand beweezen.
ONDEUGD.
Dat ’s lafheid voor een man in hoogen staat gereezen.
WIL.
(45) Neen, deeze érkéntenis moest gy aan my voldoen.
ONDEUGD.
Een oprécht Edelman moet nimmer iets vergoên.
WIL.
Een kaalen Adel is wel meest van Deugd verbasterd.
ONDEUGD.
Een deugdsaam Edelman wordt aan het hóf gelasterd.
WIL.
’k Was eerst hier Koningin, gy Eigenbaat zyn slaaf.
ONDEUGD.
(50) Die nu een dienaar is, wordt mórgen ligt een Graaf,
WIL.
’t Fortuinrad van het hóf was altyd onbesténdig.
ONDEUGD.
Hy ’s meester van ’t Fortuin die valsch is, én behéndig.
WIL.
Uw rykdom kreegt gy door een averéchtsen wég.
ONDEUGD.
Ik dank het Eigenbaat. Waartoe al dit gezég?
WIL.
(55) Ja, door bedieningen, daar Burger op mogt hoopen,
Zélfs door de derde hand aan vreemden te verkoopen.
ONDEUGD.
Dat ’s ’t mérk eens Hovelings, in ’t ryk van Eigenbaat.
’k Ben nu Belang van ’t hóf
WIL.
                                            Dien ik op ’t dood’lykst’ haat.
ONDEUGD.
My haaten, liefste Wil? Wie is er niet geneegen
(60) Tót Ondeugd? Hoe hebt gy op uw gemoed verkreegen
Dat gy een afkeer van bevallige Ondeugd krygt?
[p. 4]
Daar élk met hart én ziel gestaag na haakt én hygt.
WIL.
Toen ik myn hoope én troost op ’s Vorsten liefde stélde,
Scheen ’t dat om Eigenbaat myn Wil na Ondeugd hélde;
(65) Maar sints hy my verstiet, én Staatkunde in myn plaats
Verkooren heeft, ben ik niet meer goed Eigenbaats,
Nóch Ondeugds. Droeve Wil! waar ik my keere óf wende,
’k Vind niet als spót én smaat, als hartzeer én elénde!
ONDEUGD.
Uw Ondeugd blyft dezélve. Ei hou u niet zo vreemd.
(70) My haaten? My die uw vermaak ter harten neemt?
My, die op uw verzoek, nóch weinig tyds verleeden,
Toen gy hier ’t voorbeeld waart van alle dartelhéden
U zo milddaadig én zo rykelyk beschonk
Met kleed’ren dat gy als een schoone Venus blonk
(75) In ’t oog der Grooten, die, gelyk ik, nóch in ’t midden
Van ’t [v*]rouwentimmer u als een Gódin aanbidden.
My was een béter lot door Eigenbaat beloofd.
WIL.
Den Dwingeland die Deugd van ’t leeven heeft beroofd
Gelyk Verstand?
ONDEUGD.
                            Dat moet gy wyten aan hunn’ driften,
(80) En niet aan my[.*] Maar laat ons hier geen woorden ziften
Waarom zy zyn gestraft: want ’t is tóch reeds gedaan.
Waar Eigenbaat gebiedt moet Réden buiten staan.
Vólg zyne én myne wil: laat ik uw hart verzachten,
Waare ik u récht bekénd, gy zoudt my niet verachten;
(85) Maar minnen my weerom.
WIL.
                                        Wel hoe! kén ik u niet?
Schoon dat men u in’t kleed eens hoofschen Jonkers ziet?
Men noeme u Hoofsche zwier, men noeme u vry Belangen
Van ’t Hóf, én alles wat gy wilt om Wil te vangen,
[p. 5]
Gy blyft steeds Ondeugd, dien ik eeuwig schuuwen moet.
ONDEUGD.
(90) Hoe haat gy Ondeugd, én valt Eigenbaat te voet?
Aanbiddelyke Wil, hoe dwarlen uwe zinnen?
Zég, kunt gy Eigenbaat wel zonder my beminnen?
Hoe blyft gy my dus straf? Kunt gy dan niet bevroên
Dat Eigenbaat niets goeds kan zonder Ondeugd doen?
(95) Moet Ondeugd over al den wég niet effen maaken
Eer Eigenbaat bereikt den toelég zyner zaaken,
Het wit daar hy op doelt? Wat is ’er dat u grieft?
Gy hebt, zélfs door myn hulp, vórst Eigenbaat geliefd,
En deez’ myn grooten dienst heeft hy alleen onthouwen,
(100) Om u als zyn slaavin, aan my, zyn slaaf, te trouwen.
Zo haast hy door myn’ hulp gevést zou zyn ten troon
Van Vórst Verstand uw’ broêr.
WIL.
                                            Dit zal, helaas! het loon,
Rampzaal’ge Wil, van al uw’ trouwe diensten weezen,
En ’t proefstuk zyner liefde! ach! ik begin te vreezen
(105) En twyffel aan myn’ Wil! waar word ik toe genoopt?
ONDEUGD.
Tót uw geluk: het is te lang vergeefs gehoopt
Op Eigenbaat, wiens gunst gy eind’lyk zult verliezen,
Zo gy myn trouw versmaadt.
WIL.
                                        Helaas! wat zal ik kiezen?
ONDEUGD.
Vólg sléchts myn voorbeeld: ik verliet zowel als gy
(110) Uw’ minnaar nu verlaat, myn’ zoete Vleiery,
Myne eerste Minnarés; maar zoude ik willen stérven,
Nu ik verplicht word haar, om Eigenbaat, te dérven?
Dat waar te grof gedoold. De Vórst zal daad’lyk hier
Den troon betreeden van Verstand; gy weet hy ’s fier;
(115) Maar ook verliefd, én wil zich door de trouw verbinden
Met Vrouw Staatkunde; ik ben één’ hunner trouwste vrinden,
[p. 6]
En ’k zal wel maaken dat gy straks door Ondeugd zult
In staat hérstéld, uw rust én wénschen zien vervuld.
WIL.
Gy? gy? Uw’ naam alleen, zou my die gunst doen wraaken.
ONDEUGD.
(120) Och! is het anders niet? Dat is ligt goed te maaken.
De naam komt met de zaak niet altyd overeen.
Ik weet wel wie ik ben; maar daar is groot nóch kleen
Of hy moet voor Belang van ’t Hóf my nu érkénnen,
En onder deezen naam tót Ondeugd zich gewennen;
(125) Zo moet gy ook doen: want al uw geluk hangt af
Van Eigenbaat én my, die u de vryheid gaf
Weêr hier te komen; dies wacht u, voor alle dingen
Dat u de Zinnen niet tót eenige oproer dwingen,
Of gy wordt weêr op nieuws verbannen uit het hóf.
WIL.
(130) Wat had ik, waar ik hier niet weêr geroepen, stóf
Tót blydschap, om gerust in éénzaamheid myn’ dagen
Te slyten.
ONDEUGD.
                Min my, én hou op met onnut klaagen.
Daar is de Koning; kom schik u aan de and’re kant.
Ik, Hoofsch belang, voeg my aan ’s Vórsten réchter hand.
DÉRDE TOONEEL.
EIGENBAAT, ZINNEN, ONDEUGD, WIL.
EIGENBAAT.
(135) KOmt Ed’le Zinnen, komt trouwhartige Onderdaanen,
Die om uw Eigenbaat, op ’t loffelyk vermaanen
Van myn’ Schynheiligheid, getrouw’lyk onderschraagd
Van Vleijery, én nut Bedróg, gantsch onversaagd
Verstand verliet, én my het eerst voor uwen Koning
(140) Hebt uitgeroepen, komt ontfangt uw dienstbelooning
[p. 7]
Ook de eerste. Ik maak u myn’ geheime Raaden, én
Begeertge iets waar door ik nóch meêr uw dienst érkén,
Verzoekt het: want gy zult myn voordeel thans betrachten.
En Wil, blyft zy getrouw, mag ook myn gunst verwachten;
(145) Opdat élk zie hoe vroom ik Vryekeur regeer.
GEHOOR.
Ik buig met myn gehoor ootmoedig voor u neêr,
Grootdaadig Vórst, én kus schuldplichtig uwe voeten.
GEZICHT.
Vergeef me, ô Koning, kwam ik u niet eer begroeten:
’k Had veel te zien sints ik Verstand verslaagen zag.
GEVOEL.
(150) ’k Gevoel myn’ vreugde in tóp op deez gewénsten dag
Van uw verheffing, zo ik mag myn’ lippen drukken
Aan uw gevreesde hand.
REUK.
                                        Wie zou voor u niet bukken
Roemruchtige Eigenbaat, ontfang myne offergeur
En wierook, die ’k voor u tót aan de wolken beur.
SMAAK.
(155) Monarch van Vryekeur, wy hoopen ’t zoet te smaaken
Van uw regeering die ons kan gelukkig maaken.
WIL.
,, Verdwaalde Zinnen, ach! gy ként uw rampspoed niet!
EIGENBAAT.
Wat zeid Vrouw Wil?
WIL.
                            Helaas! ’k Beklaag myn zielsverdriet!
EIGENBAAT.
Myn Ondeugd, nu Belang van’t hóf, zal’t haast verdryven.
(160) En gy myn’ Zinnen ryst, gy zult steeds by my blyven
In achtinge als gy waart eer ik deez’ troon betrad;
Gy zyt myn réchter hand, eisch, eisch vry alles wat
Gy dienstig vindt, ik zal het u milddaadig schénken.
[p. 8]
GEHOOR.
Gedankt zy Eigenbaat: wy zullen ’t steeds gedénken,
(165) En zweeren u onz’ trouw, én hulp met raad, én daad,
Tot straf van élk die u in ’t réchtdoen wéderstaat.
EIGENBAAT.
Uwe onderdaanigheid beantwoordt myn verwagting:
Myn goedheid vindt zich ook geneigd om deez’ hooge achting,
Die gy betuigt, én ik geneegentlyk ontfang,
(170) Te érkennen met myn gunst. Weet dan dat over lang
Vrouw Staatkunde in myn’ ziel regeerde, én daar in woonde:
Dat weêrgaâloos vernuft dat Vórst Verstand onttroonde,
En my ten troon verhéfte, is nimmer uit myn zin,
En noopt, én prikkelt my steeds tót myn eerste min.
(175) Ik ken haar waardig om met my de kroon te draagen,
En ’t Ryk van Vryekeur te hélpen onderschraagen.
In myn belangen was haar brein steeds onvermoeid.
Ik heb op haare leest myn heerschappy geschoeid:
Door haar verheffing zie ik uwe glori steig’ren;
(180) Zoudt gy uw Koning deez’ goedkeuring durven weig’ren?
GEHOOR.
’t Zy verre, ô Vorst! dat zulks van onze kant gebeurt,
Al waar zyn oog op doeldt wordt van ons goed gekeurd.
Dat vrouw Staatkunde zal de plaats van Deugd bekleeden,
En névens u den troon als Koningin betreeden,
(185) Zal niemand wéderstaan. Regeer dus beide ’t ryk
Als kroongenooten, in uw staat, én lót gelyk.
Het strekk’ tót aller heil.
EIGENBAAT.
                                    Nooit blonk zo de édele iever
Der onderdaanen uit. Myn Zinnen’k zie niets liever
Dan uw geneegen hart, waarom ik vast besloot
(190) Te doen al wat de magt van Eigenbaat vergroot.
En gy Belang van ’t Hóf, zult u vervoegen moeten
[p. 9]
By vrouw Staatkunde, én haar uit mynen naam begroeten,
Daar zy gereed is, in het pragtig Bruids gewaad,
Gelyk zy, névens my voor ’t huuw’lyks Outaar staat
(195) Te treeden.’k Wil élk een doen luist’ren naa haar’ wetten,
En haar, naast myne zyde, op deezen Rykstroon zetten.
Maak dat zy door Bedróg word herrewaards geleid,
Verzéld van Vleijery, én vrouw Schynheiligheid,
Twé zuilen van myn’ staat. Gy kunt, gy moet u spoeijen.
(200) Hoe voel ik ’t liefdevuur door al myn léden gloeijen!
Ach Staatkunde, uw gezicht dringt tót in ’t ingewand
Van myn benyders! O myn zielvoogdés! hoe brandt
En blaakt myn borst van min! Vlucht droevige gedachten,
Myn heilstar is naby. Ga heen. ik zal hier wachten
(205) Met Wil én Zinnen, die ons strekken tót een wal,
Terwyl dat Kwaadaard, die hier daad’lyk komen zal,
Ons kundschap brengen van den staat der onderzaaten
In ’t Eiland, óf ik my gerust’lyk mag verlaaten
Op hunn’ gezwoor’ne trouw, dan óf in hun gemoed
(210) Iets schaad’lyks broeit, ’t geen my met réden duchten doet.
VIERDE TOONEEL.
EIGENBAAT, ZINNEN, WIL.
EIGENBAAT.
’k HEb reeds aan Zinnen, Vrouw Staatkunde voorgedraagen.
Wat dunkt Vrouw Wil? Kan haar myn trouwkeur ook behaagen?
GEHOOR.
Voor heen is door ons die betuiging afgedaan.
En Wil, kan by u, Prins, met zwygen bést bestaan.
(215) Maar ’t is der Vórsten eer, een gunstige belooning
Den onderdaanen, op den dag van hunne krooning
Of échtverbintenis te schénken; én naardien
[p. 10]
’t Geluk wil dat we u op die beide trappen zien
Gesteegen, is onz’ beê genaad’lyk toe te stemmen
(220) Een gunst die onze trouw nóch vaster zal doen klemmen.
Onz’ néderig verzoek is dat Opréchtheid, met
Réchtvaardigheid worde in haar eersten staat gezét,
EIGENBAAT.
Zoude ik deez’ twee, die lang myn’ ondergang beslooten,
En om haare euveldaân zyn uit het hóf gestooten,
(225) Hérstellen? Neen ik ben myn leeven zo niet moe.
Eischt iets dat reed’lyk is, ik sta uw béde toe.
GEHOOR.
Onz’ béde is reed’lyk, én verstrékt het Ryk tót voordeel.
EIGENBAAT.
Ze is reed’lyk in uw zin, onreed’lyk in myn oordeel.
GEHOOR.
Haar handel is oprécht, die alle valschheid weert.
EIGENBAAT.
(230) Alwaar Opréchtheid én Réchtvaardigheid regeert
Wordt Eigenbaat een slaaf, dat kan geen Vórst gedoogen,
Uw voorstél is te stout: gaat aanstonds uit myne oogen.
’k Zal met Staatkunde my beraaden op uw zaak.
GEHOOR.
Onz’ béde wekke, ô Vorst, in u geen toorne, óf wraak,
(235) Ze is voor ’t gemeene bést.
VYFDE TOONEEL.
EIGENBAAT, WIL.
EIGENBAAT.
                                    WEerspannige gemeente!
’k Zal aan uw goed én bloed, ja zélfs aan uw gebeente
Myn gramschap koelen, om de voorspraak die gy doet
Voor twé oproerigen, die ’k wreed’lyk haaten moet.
’t Eenhoofdige gebied verdroeg nooit zulke réden.
(240) Ik zal het yzer, nu’t noch heet is, af doen smeeden
[p. 11]
Op ’t aanbeeld van de wraak. Dus zult ge, te uwer straf,
Gevoelen ’s Konings haat, die u tót in het graf
Vervólgen zal: myn bloed verhit, kookt reeds in de ad’ren.
Wat dunkt Vrouw Wil? maar ’k zie myn Koningin vast naad’ren.
WIL.
(245) Wat vraagt gy Vórst aan een gekétende slaavin?
Myn Wil is vastgeboeid, myn geest bedwélmd van zin.
EIGENBAAT.
Ze zal ontboeid zyn, zo gy wilt met Ondeugd trouwen.
ZÉSDE TOONEEL.
EIGENBAAT, ARGLISTIGHEID, SCHYNHEILIGHEID, BEDRÓG, ONDEUGD, WIL, VLEIJERY.
EIGENBAAT.
MYn schoone Staatkunde, op wie ik myn’ hoop mag bouwen,
Ontfang, naar waarde, van Prins Eigenbaat uw loon,
(250) En trêe benévens hem als Koningin ten troon.
Nu zal ik eind’lyk ’t wit van myn verlangen treffen.
Gun dat u Eigenbaat mag op zyn’ zétel heffen.
ARGLISTIGHEID.
Zo haastig niet, myn heer, ik bid u neem geduld:
’k Verwacht heel and’re taal als gy my kennen zult.
EIGENBAAT.
(255) Kén ik u niet Prinses? Staatkunde aan wien myn leeven
Verbonden is, die my deez’ Scepter heeft gegeeven?
’k Weet u alleenlyk dank dat ik dit ryk bezit.
En weigert gy myn trouw? wel hoe Mêvrouw, wat’s dit?
ARGLISTIGHEID.
Ik zou, ô Eigenbaat! my zélf gelukkig achten
(260) Zo ik, als Gemaalin, uw voordeel mogt betragten;
Maar ach! natuur ontzégt ons dit geluk, myn Heer.
Gy zyt myn zoon, daarom verzoek my dies niet meer.
[p. 12]
EIGENBAAT.
Hoe! ik uw Zoon, Mêvrouw?
ARGLISTIGHEID.
                                          Ja Heer, ik mag wel roemen,
Dat ik my Moeder van zo dapp’ren zoon mag noemen,
(265) ô Lang gewénschte dag, die my de tong ontbindt,
Dat ik voor ieders oog u noemen mag myn kind!
EIGENBAAT.
Waarom moest gy deez’ zaak, dus lang voor my bedekken?
ARGLISTIGHEID.
Om u, myn waarde Zoon, uit het gevaar te trekken
Dat u beschooren was van Deugd, Gemeenebést,
(270) En Goedaard, die u voor een doodelyke pést,
Uitkreeten by Verstand, toen Heerschzucht was gesturven,
En gy een wyl daar naa het daglicht had verwurven.
Elk was, naa’s Vaders dood, verlekkerd op’s Ryks buit.
Gemeenebést riep u voor Landbedérver uit.
(275) Ja, alle wénschten u in Léthes kólk te domp’len;
Zélfs, die by ’t leeven van myn’ man niet durfden momp’len.
Gy waart het snymés dat het Récht besnoeijen zou:
Gy zoudt verbasterd zyn van vroomheid, eer, én trouw,
En duizend beuz’len meer; maar ’k wist hen voor te komen;
(280) Ik had Geveinsdheid tót uw Voedster aangenomen;
Deez’ hielp my trouwelyk u redden uit den nood,
Toen myne arglistigheid verzierde uw’ vroege dood.
’k Hield my ontroostbaar in uw stérflot te beklaagen;
Een ander kind wierdt voor u in het graf gedraagen;
(285) Maar...
EIGENBAAT.
        ’k Sta verstomd Mêvrouw, om ’t geen gy my verhaaldt.
ARGLISTIGHEID.
Maar onze élénde nam een einde én wierdt bepaald,
[p. 13]
Toen ik op Rêenvanstaat haar naam, uw lóf verbreidde,
En ik, als Staatkunde, u daar naa in ’t hóf geleidde;
Daar ik, gelyk gy weet, door list, bedróg, gewéld,
(290) En wraaklust, u heb in het hoog gezag gestéld
Van Vórst Verstand. En ’t geen daar verder is verzweegen
Was noodig tót ik u zag op zyn’ troon gesteegen.
Doch ’k ben Arglistigheid, uw Moeder; zyt gerust.
De réchte Staatkunde, al uw wénsch, uw liefde, uw lust,
(295) Aan wien ik u voorlang verloofd heb, is gekomen,
En reeds in ’t hóf, al hebt gy daar van niets vernomen.
Die schoone is waard’ van u op ’t hoogst te zyn geächt.
EIGENBAAT.
Mêvrouw, ’k heb veel meer gunst genooten, dan verwacht.
En om deez’ laatste proef van uw genégenhéden
(300) Te prénten in myn ziel, zal ik myn kracht besteeden.
’k Verzéker u, zo lang de kroon myn’ haaren drukt,
Van myne érkéntenis. De nyd legt reeds gebukt,
En door myn voet vertreên. En om uw staat geruster
Te stellen, zég my tóch van wien deez’ brôer én zuster
(305) Geteeld zyn, opdat ik hunn’ beider dienst beloon’.
ARGLISTIGHEID.
Dus blinkt des vaders deugd, in zyn hoogwaarden zoon!
Schynheiligheid, gelyk Bedróg, twé braave looten,
Zyn uit het Vórst’lyk bloed uws vaders voort gesprooten,
Geteeld by Wulpsheid, een betoverlyke Vrouw;
(310) Beid’ waardig dat ge’er lieft om hunne deugd, én trouw.
EIGENBAAT.
’k Zal u Bedróg, gelyk een wettig broeder achten.
En u Schynheiligheid als myne Zuster trachten
Te onthaalen; ’k min u beide als de appel van myn oog.
SCHYNHEILIGHEID.
Och, gy verhéft, O Vórst, myn’ néed’righeid te hoog!
BEDROG.
(315) ’k Zal u myn’ dankbaarheid, zo lang ik leef betuigen.
[p. 14]
Ryst beide, ik wil niet dat ge voor my nêer zult buigen.
Gy, die Gemeenebést zo moedig hebt verworgd,
En gy, die voor Vrouw Deugd, én Goedaard, loos verborgt
De kracht des trouwrings die hen beide bragt om’t leeven,
(320) Ik wil u tékens van eene éd’le dankpligt geeven.
Bedróg, ’k schénk u tót Bruid myn’ schoone Vleijery,
En boven dit, betrouw ik u ’s Ryks heerschappy,
Als Onderkoning toe. Schynheiligheid, myn’ waarde
Beminde Zuster, die geen weêrgâ heeft op aarde,
(325) Gy zult Heer Kwaadaard, nóch deez’dag, van myne hand,
Ontfangen tót Gemaal.
SCHYNHEILIGHEID.
                                        Och broeder! waar ’t geen schand
Voor my te trouwen? ’k schépte in manvolk nooit behaagen:
’k Heb my, van jongs op, aan de kuisheid opgedraagen.
EIGENBAAT.
’t Geschiedt uit staatbelang dat ik u met hem paar.
(330) Hy ’s u wel waardig: want uw deugd weegt éven zwaar.
ONDEUGD.
Heeft Ondeugd, Ed’le Prins, zich niet, naar plicht, gekweeten?
Dat hy...
EIGENBAAT.
                    Myn Hófs belang, ik heb u niet vergeeten.
Vrouw Wil is de uwe, én zal u liefde niet versmaân.
ONDEUGD.
Zy hoopt op de uwe, ik heb tót nóch, niets opgedaan.
EIGENBAAT.
(335) Met zachte vriend’lykheid zult gy haar borst ontfonken.
Ze is niet meêr die zy plagt, ’k heb haar aan u geschonken.
WIL.
Ach droeve Wil! Wie is ’t die zo rampzaalig leeft,
Nu Eigenbaat my zélf aan Ondeugd overgeeft.
[p. 15]
Ach waarde broeder! ach Verstand! mogt gy verschynen!
(340) En zien, én hooren, hoe verslaafd, ik hier moet kwynen!
Myn min bragt u, én my, eléndig in ’t verdriet,
Toen ik u, ô Verstand! om Eigenbaat verliet!
Nu geeft die wreede, my, beroofd van myne staaten,
Een Dwérg ten trouw, die ik, zo lang ik leef, zal haaten.
EIGENBAAT.
(345) Ik zal u straffen zo gy van die zaak meêr répt.
WIL.
Is dit de trouw die gy my dier gezwooren hebt?
EIGENBAAT.
Wat trouw? wat eeden? Ik hérhaal ’t, heb ik ’t gezwooren.
WIL.
ô Hemel, kunt gy, met geduld, dit zien, én hooren!
EIGENBAAT.
Gy, ’t wispeltuurigst’ dier dat ooit de waereld zag,
(350) Gy, die wel honderd maal van wil op eenen dag
Verandert, durft gy my dien hoon in’t aanzicht spuuwen?
WIL.
O Wreedaard! wie zou voor uw trouwloosheid niet gruuwen?
EIGENBAAT.
Niet hooger Wil, byt op uw’ lippen, én zwyg stil.
Daar Eigenbaat regeert is ’t uit met Deugd, én Wil.
SCHYNHEILIGHEID.
(355) Och broeder! dorst ik hier een woord ten besten spreeken.
EIGENBAAT.
Men dient dat harde hoofd door hardigheid te breeken.
SCHYNHEILIGHEID.
Maar broeder, ’t vrouwelyk geslacht is zwak van aardt;
Neem wat geduld, ligt dat zy met’er tyd bedaard.
EIGENBAAT.
Bedaart zy niet, zal ik haar ’t vuur wat nader leggen.
(360) Voor dítmaal, wil ik op uw beê, geen gunst ontzeggen.
Ontsluit haar boeijen tót vermindering van haar rouw;
Ze blyft genoeg geboeid, verslaafd aan Ondeugds trouw.
[p. 16]
Gy zult uw huuw’lyk met Belang van ’t Hóf voltrekken,
Of myn’ gevoeligheid zal uw verdérf verwekken.
WIL.
(365) Ik doe gedwongen ’t geen my Eigenbaat gebiedt.
ONDEUGD.
Vrywillig, óf door dwang, verscheelt aan Ondeugd niet.
ZÉVENDE TOONEEL.
EIGENBAAT, ARGLISTIGHEID, SCHYNHEILIGHEID, BEDRÓG, VLEIJERY.
EIGENBAAT.
HOogwaarde Moeder, ik leef in een groot verlangen
Om van uw lieve hand, myn waarde Bruid te ontfangen.
Doe my die gunst dat ik die schoone spreeke, én zie,*
(370) En onder uw gelei, myn troon, én liefde aanbie;
Op dat ik veilig mag in Vryekeur regeeren.
Maar ik zie Kwaadaard, heel ontstéld, weêr tót ons keeren.

ACHTSTE TOONEEL.
KWAADAARD, EIGENBAAT, ARGLISTIGHEID, SCHYNHEILIGHEID, BEDRÓG,
VLEIJERY, ONDEUGD.
KWAADAARD.
GRootmagtig Koning, ’k heb, op uw gegeeven last,
Door myn verspieders, de gemoed’ren ondertast
(375) In al de hoeken van uw Ryk, om klaar te weeten
Hoe élk gezind is, sints gy hebt den troon bezéten
Van Vórst Verstand. Maar ach! het ziet ’er deerlyk uit!
Wy dachten névens u dat de oproer was gestuit
In Vryekeur, om nóch meêr and’re Koningryken
(380) Te winnen, én ’t Heelal voor uw gezag doen wijken;
[p. 17]
Dóch loopen zélfs gevaar: de Zinnen, én ’t gemeen
Zyn, op uw weigering, aan ’t hóllen, gantsch te onvreên.
Ze schreeuwen ’t Eiland door, als zinn’loos, én vol tooren,
Dat gy, O gruuwel! met twé tanden zyt gebooren
(385) Tien maanden naa den dood uws Vaders. Dat ge uw vólk
Twémaal verslinden zult; én met uw’ wreeden dólk
Doen sneuv’len in een uur, indien ’t de huigh’leryen,
Dus noemen ze uw geloof, niet névens u belyen.
Deeze, én nóch arger taal, klinkt over...
EIGENBAAT.
                                                            Wélk een hoon
(390) Voor een’ Monarch, geteeld als wettelyke zoon
Van Heerschzucht! Ik, die zo zachtzinnig de Onderzaaten
Regeer! Hoor Ondeugd.         Hy luistert hem in ’t oor.
NÉGENDE TOONEEL.
KWAADAARD, ARGLISTIGHEID, EIGENBAAT, SCHYNHEILIGHEID, BEDRÓG, VLEIJERY.
KWAADAARD.
                                    ELk, door wanhoop uitgelaaten,
Roept dat de Burger in zyn Voorrécht is verkort,
En van den Adel op het strafst’ mishandeld wordt:
(395) Dat deez’ den Handel niet alleen, maar na zich trekken
Al ’t geen den Onderdaan tót onderhoud moet strekken.
Dat gy, op mynen raad, al ’t goud én ’t zilver géld,
Vermunt, én naar belang, nu hoog, dan laager stelt,
Of in papiere munt verandert. Nieuwe lasten
(400) Ondraagbaar, invoert. Dat uw weeld’rige Oorlógs gasten
Den meester speelen in de Stéden, én op ’t land.
Dat gy Opréchtheid, én Réchtvaardigheid, verbant,
[p. 18]
En...
ARGLISTIGHEID.
        Zoon, wy moeten straks, tót reddinge uwer Staaten,
Brandkétels, galg, én rad, op kruiswég, markt én straaten
(405) Opréchten. Elk van ons verstrekk’ hier voor een’ beul.
Die slechts verdacht is, vinde in ons genâ nóch heul.
De minst schuldpligtigst’ die we uit meêly laaten loopen
Zal ’t met verlies van neus, én ooren, eerst bekoopen.
lk tree voor uit.
EIGENBAAT.
                        Mêvrouw, een oogenblik gehoor;
(410) Dat ik myn’ last verdeele, én u vólge op het spoor.
    Bedróg, gy zult het oog zórgvuldig moeten houden
Op hen, die we, onder u, bedieningen vertrouden.
Gy Kwaadaard, alhoewél dat gy in ’t Eiland juist*
Niet zeer bemind zyt, zult niet laaten voor de vuist
(415) Myn hoog gezag by élk kloekmoedig te onderstutten:
’k Zal u, zo lang ik leef, voor ongeval beschutten.
En gy Schynheiligheid, myn’ Zuster, die tót nóch
Met hulp van Vleijery, én listen van Bedróg,
My trouw gediend hebt, zult met uwe Tempelieren,
(420) In schyn van heiligheid, den geest van ’t vólk bestieren;
Opdat de Zinnen, van het graauw ligt onderschraagd,
Niets onderneemen dat aan Eigenbaat mishaagt.
Gaat, maakt u met gewéld straks meester van de Zinnen.
’k Verlang myn’ Bruid te zien: Mêvrouw treê met my binnen.
Einde van het Eerste Bedryf.
Continue
[p. 19]
TWÉDE BEDRYF.
EERSTE TOONEEL.
EIGENBAAT, TROUWELOOSHEID, in schyn van Staatkunde, ARGLISTIGHEID.
EIGENBAAT.
(425) IK moet benévens ’t lot, myn’ Moeder danken, die
Aan my gegeeven heeft een Vrouw, waarin ik zie
Het beeld van Eigenbaat. Al wierd my nóch geschonken
De keur uit duizend, gy alleen zoudt my ontvonken
Aanminnige Prinsés.
TROUWELOOSHEID.
                                        Een zélve neiging brógt
(430) My hérwaards, én heeft my in uwen dienst verknócht,
Doorluchte Vórst, in wien ik schép myn welbehaagen.
EIGENBAAT.
’t Zy my geoorlofd, O Vórstin, om u te vraagen
Hoe Moeder u hiertoe beweegde, daar ge my
Te vooren nimmer zaagt.
STAATKUNDE.
                                        ’k Ben boven maaten bly,
(435) O Prins! dat ik hier door bespeur u waard te weezen.
Mêvrouw Arglistigheid, uw Moeder, lang voor deezen
Met my in naauw verbond, én vriendschap, heeft u ligt
Verzweegen hoe ik hoog én dier aan haar verplicht,
Myne achting voor uw deugd betoonde, door myn brieven;
(440) Zy trachte my, én ik haar, téder te believen:
Wy waaren eensgezind voor ’t nut van Eigenbaat;
Tót zo verr’ zélfs, dat zy, alleen niet myn gewaad,
Maar ook myn’ naam Staatkunde in ’t hóf steeds te uwen voordeel,
Gebruikte, tót dat zy met haar doordringend oordeel
[p. 20]
(445) Door duizend proeven zag, én haar verzékerd hiel,
Hoe Staatkunde u zo diep geprént was in de ziel,
Dat nooit geene andre liefde u zou aan ’t hart geraaken.
Uw beeltenis had my reeds in uw min doen blaaken;
Zo dat nu anders niet voor ons te duchten stond
(450) Als dat gy hachchelyk den naam te haat’lyk vondt
Van Trouweloosheid, dien we oordeelden te verzwygen
Tót dat ik hier kwam, én uw’ liefde mogt verkrygen,
Zo ik uw oog beviel, gelyk ik in dit deel
My zélf verzéker, vlei ik my sléchts niet te veel:
(455) Want ’t middel om u ooit als bruidegom te erlangen
Was u in ’t ryk van Vórst Verstand te zien ontfangen
Als Koning: Hierom is’t dat ik door liefde, én lust
Bekoord tót hoogheid, my begaf na deeze kust,
Daar ik Staatkundig, uw belang, naar myn vermoogen,
(460) Steeds ondersteunen zal.
EIGENBAAT.
                                        Myn ziel is opgetoogen!
Gy Trouweloosheid, ons zo waard, én op den naam
Van Staatkunde, overlang verheerlykt door de Faam?
Wie kent u in dit kleed? O stut van myne Staaten,
Die ’k eeuwig minnen zal; op wie ’k my mag verlaaten,
(465) Dat ik uw’ handen kuss’.
ARGLISTIGHEID.
                                        Myn’ kind’ren, die in spyt
Van uw’ benyders, door myn’ hulp veréénigd zyt,
Blyft krachtig tsaam gehécht: laat argwaan nooit uw’ zinnen
Vermeest’ren; Eigenbaat moet Staatkunde eeuwig minnen,
En Staatkunde, Eigenbaat in alles bystand biên;
(470) Dus zultge als halve Goôn u boven ’t Noodlót zien
Verhéven, én uw vólk als slaaven onderdrukken.
STAATKUNDE.
Ik acht het van myn plicht uw wénsch te doen gelukken.
[p. 21]
ARGLISTIGHEID.
Mistrouw u van Vrouw Wil, én van de Zinnen: want
’k Vrees dat ze al tsaamen sterk afhangen van Verstand,
(475) En Deugd, wil tóch op geen van dat gespuis vertrouwen.
Gy moet verspieders niet alleen ten hove houwen,
Maar door ’t geheele Ryk. Houd Kwaadaard steeds te vriend.
Maak dat Schynheiligheid u altyd trouw bedient,
Met Ondeugd, én Bedrog. ’t Loon zal hunn’ dienst verzoeten.
(480) Dat nooit Opréchtheid, nóch Réchtvaardigheid haar voeten
Weêr zetten in uw land. Dat van Gemeenebést,
Nu uitgekreeten voor een kanker, voor een pést
Van Eigenbaat, niet meêr gerépt worde, op ’t verbeuren
Van goed, én lyf, voor die uw wét niet willekeuren.

TWÉDE TOONEEL.
ARGLISTIGHEID, EIGENBAAT, ONDEUGD, TROUWELOOSHEID, in schyn van Staatkunde.

ARGLISTIGHEID.
(485) MAar daar is Ondeugd, spreek. Hoe? keert gy dus vermoeid?
EIGENBAAT.
Waar zyn de Zinnen? zyn ze vast? zyn zy geboeid?
ONDEUGD.
Grootmagtig Prins, ’t heeft wérk de zinnen te bedwingen,
Elks geest is wisselziek, én vol veranderingen.
Men brengt zo ligt’lyk niet veel zinnen by malkaar:
(490) Gevoelen zat de Reuk, ’t Gezigt de Smaak in ’t háár.
Gehoor zei dat men moest een zésde zin verkiezen,
Om u het leeven, én ’t gezag, te doen verliezen.
Hiertoe wierd Spraaklid, óf Vrouw Tonge voorgestéld:
[p. 22]
Dit wierdt van de and’re vier verworpen met gewéld;
(495) Zo dat het moeij’lyk viel hen t’saam in slaap te wiegen.
Bedróg, én Vleijery deên met gevlei én liegen,
Zo veel als de olie doet in een’ ontstooken brand.
Schynheiligheid, een Vrouw van weêrgâaloos verstand,
Deed wel haar bést met wat te leezen, preev’len, preeken,
(500) Dóch ’t was sléchts kaf gedorst, hoe schoon zy ook mogt spreeken.
Heer Kwaadaard deed al wat een eerlyk man kon doen;
En alles was vergeefs.
EIGENBAAT.
                                        Maar kan men niet vermoên
Van wien, óf van wat kant, deez’ moeilykheên ontstonden,
Of kost ge de oorzaak van hun wanplicht niet doorgronden?
ONDEUGD.
(505) Wie weet? ligt was hun trouwbezweering veinzery,
Toen gy gekroond wierdt; maar het zy daar meê hoe ’t zy,
Ik dacht, wanhoopende, Och, nu zal ’t my nooit gelukken
Dat ik de Zinnen voor Prins Eigenbaat doe bukken.
Dus hoop’loos zonder raad, én hulp, bedacht ik strak,
(510) ’k Heb een vergrootglas, een véérkyker in myn zak,
Die me eertyds grooten dienst gedaan heeft in veel zaaken;
Dies vond ik ’t dienstig myn gebruik daarvan te maaken.
’k Nam deezen kyker dan tót myn behulp, én zag,
’t Geene andersints voor my nóch in ’t verborgen lag.
(515) Ik mérkte hen geneigd om Eigenbaat te laaken,
En al zyn grootsch bedryf als spooreloos te wraaken.
Ook wierdt by hen met drift én yver overleid,
Of zy Opréchtheid niet met Vrouw Réchtvaardigheid
Herstellen zouden, zélfs in spyt van tégenstreeven.
(520) Gevoel wou zich straks na Voorzigtigheid begeeven
Om haaren raad: én al de Zinnen vonden ’t goed.
Waarop zy hen op wég begaaven met veel spoed.
[p. 23]
Ter zélver tyd kwam juist Voorzigtigheid hen tégen,
Verzéld van Deugd, én van Verstand. Ik stond verlégen
(525) Op dit gezigt, én vond my byster in den nood,
Als ziende in ’t leeven die ik vastlyk meende dood
Te zyn. Ik zag aanstonds de Zinnen zich vergaderen,
En tót Voorzigtigheid met vlugge schreeden naderen.
Fluks wierden zy van haar gegroet met eenen lach:
(530)     O Zinnen, sprak ze thans, is eind’lyk dan die dag
Verscheenen, dat ik u tot my zie wéderkomen?
Wat uw begeeren is heb ik voor lang vernomen.
Dóch gy komt hier om hulp nu ’t byna is te laat.
Nu ziet ge eerst hoe u drukt het juk van Eigenbaat,
(535) Die zich een vyand toont van billikheid én reden
.
    Ha snoode Vrouw! dacht ik, hoe weet gy’t te bekleeden!
Maar zacht, schoon gy dus stout op onzen Koning smaalt,
De tyd zal komen, dat uw ontrouw word betaald.
’k Stond stil én hoorde hoe gevraagd wierd door de Zinnen:
(540) Voorzigtigheid wat raad? wat zullen wy beginnen?
Haar antwoord was: Wel aan, tót weering van uw ramp,
En om u door myn’ hulp uit zulk een duist’ren damp
Te redden, luistert toe: Indien ge u laat regeeren
Van deeze Geesten, die gy hérwaards weêr ziet keeren,
(545) ’k Meen Deugd, én Vorst Verstand, zo blyft gy buiten nood;
Maar zonder hen staat gy steeds voor de laagen bloot,
Die Eigenbaat u légt, zélf zonder die te mérken
.
Dus poogt Voorzigtigheid de Zinnen te verstérken.
Maar ik blies zulk een damp ten monde uit, dat zy week,
(550) En door die bange lucht bedwélmd, byna bezweek.
En Domheid stiet haar voort, op myn bevél, na buiten.
Ik deed de deur van het vertrék ook aanstonds sluiten,
En haar verbieden ooit weêrom te keeren. Wees
Dieswége vry gerust, én buiten alle vrees,
[p. 24]
(555) Zei Domheid: want waar ik myn voet eens kom te zetten,
Zal ik Voorzigtigheid den toegang wel beletten.
Ze had naauw uitgezégd, óf zy tradt aan een’ zy.
De Zinnen kreegen dorst. Ik sprak tót Vleijery,
Welaan, nu is ’t uw tyd de Zinnen weêr te streelen
(560) Door uw betoverlyk gezang, én kunstig speelen;
Stél al uw kunst in’t wérk, benével hun verstand
Door lekk’re toverdrank, dus krygt gy de overhand.
Zy, onder ’t zingen, houdt hen Schynschoons gift voor oogen:
De Zinnen, heel verrukt, niet kennende ’t vermoogen
(565) Van Vleijerys geschénk, aanvaarden in dien damp,
De kélk van Spraakloosheid, én de oorzaak van hunn’ ramp.
Zy vinden zich bedwélmd, én laaten ’t hoofd straks hangen.
Ik vaardig om hen in myn laagen voort te vangen,
Verkleed my in der yl in ’t ongesierd gewaad
(570) Der vroome Onnozelheid. Hier door raakte ik in staat
Om ze alle, naar myn wil, als lammeren te leiden;
En op dat zy niet van malkand’ren zouden scheiden;
Ried ik, om béstwil, dat men ze ook te saamen bond;
Op dat men niemand van hen ooit alleenig vond.
(575) Zy waaren straks gereed zich naar myn’ raad te voegen.
Ik ziende dat zy met geduld myn reên verdroegen,
En niet meer spraken, bond hen aan zo hécht een band,
Die nooit kon breeken dan door Deugd, én door Verstand;
Dóch die zyn lang al dood, én daarom niet te vreezen.
(580) Heer Kwaadaard, die hier met de Zinnen straks moet weezen,
En tót voortzetting van uw troonrécht blyft gezind,
Verzoekt dat gy dit vólk stélt onder zyn bewind.
[p. 25]
EIGENBAAT.
Wy zullen zien hoe zich de zaaken zullen schikken.
TROUWELOOSHEID.
’k Hélp u myn kroongenoot de Ryksbelangen wikken.
DÉRDE TOONEEL.
EIGENBAAT, KWAADAARD, TROUWELOOSHEID, in schyn van Staatkunde, ARGLISTIGHEID, ONDEUGD, VLEIJERY, DE ZINNEN gekeetend.
EIGENBAAT.
(585) WY zien de oproerigen vermeesterd! Hélsch gespuis,
Ontdank’bre, die ik zal vermorzelen tót gruis,
Gy maakte my nóch flus van heete wraakzucht dronken.
Nu zie ’k u eind’lyk stom, in boeijens vast geklonken.
Heer Kwaadaard, vindt gy hen gehoorzaam?
KWAADAARD.
                                                                    Heel, én al.
(590) ’t Verstomdrankje is de proef die ’t u verzék’ren zal.
Zy vliegen op myn wénk; én is het uw begeeren
O Vórst, laat Vleijery iets zingen te uwer eeren,
Gy zult hen danssen zien, bedwélmd, dóch bly van zin.
VLEIJERY.
Theorbe, én Luit, én Bas, verzell’ myn stém.
KWAADAARD.
                                                                        Begin.
VLEIJERY, zingende onder ’t speelen der Instrumenten,
én het danssen der Zinnen
.

        (595) Ontzinde Zinnen, die voor heên,
U reuk’loos op een lóssen grond vertrouwde,
        En op Verstand, én Deugd alleen
Uw heil, én heul, én hoope, én hulpe boude:
        Gy hebt u al te dwaas misleid.
(600) Waar is uw bystand nu? Waar blyft Voorzigtigheid?
[p. 26]
        Opréchtheid wordt van druk verkracht.
Réchtvaardigheid ziet uit met duizend oogen,
        Die van uw hand haar bystand wacht.
Kon Eigenbaat dien toelég wel gedoogen?
        (605) O neen: want zyn vermoogen groeit
Nu gy door Ondeugd zyt aan Kwaadaard vast geboeid.

EIGENBAAT.
Gaa Kwaadaard: op ’t verzoek van Ondeugd zyn de Zinnen
In uwe magt gestéld, gelei hen straks na binnen,
Verzékerze in het nieuw gebouw Verbétering.
(610) Maak dat haar niemand spreeke, óf zie. Voor alle ding
Gedénk dat gy als bórg aanspraakelyk zult blyven
Van hunn’ gevangenis, gedrag, én hun bedryven.
Uw Vrouw Schynheiligheid verstrekk’ met Vleijery
Hen tót gezelschap, gaa, én kom ons straks weêr by.

VIERDE TOONEEL.
ONDEUGD, EIGENBAAT, TROUWELOOSHEID, in schyn van Staatkunde, ARGLISTIGHEID.
ONDEUGD.
(615) DE wêerhaan van ’t geluk, is wonderlyk in ’t draaijen,
En komt den ménsch veeltyds met schyngeluk te paaijen.
Maar naar den minsten wind van onheil, óf verdriet,
Beweegt hy zich. ’t Is waar ’k ben Ondeugd, én ik liet
Van myn geboortestond af nooit geene andre blyken
(620) Als loutere ondeugd zien. Myn Koning te verryken
Is al myn doel. Myn brein is niet als kwaad gewénd;
En échter, ik beklaag o Zinnen uwe elénd’;
Hoewel ge straf verdient in plaats van médelyde,
Vermits gy ’t hoog gezag van Eigenbaat benydde.
[p. 27]
EIGENBAAT.
(625) Zo wordt een toom’loos vólk gebreideld door gewéld.
Zo staat myn rykstroon vast. Zo wint myn heerschzucht véld.
En gy, gebooren om myn’ grénzen uit te zetten
Myn’ trouwe Koningin, handhaafster van myn’ wetten,
Bedénk, én overlég wat verder dient gedaan,
(630) Terwyl myn’ Moeder ons in alles by zal staan.
TROUWELOOSHEID.
Ik zal, ô Eigenbaat, u myn’ gedachten zeggen:
’t Is noodig, om by tyds, onz’ banden vast te leggen;
Opdat geen ramp ons déére; ook zal naar allen schyn
Mêvrouw Arglistigheid van dat gevoelen zyn.
ARGLISTIGHEID.
(635) Gy zaagt u nimmer myn arglistig oordeel weig’ren,
O Zoon, om uw gezag én aanzien te doen steig’ren.
Gy moet de Zinnen nóch doen zuchten onder ’t juk
Des oorlógs. Burgerplaag, by ons een meesterstuk,
Een blyk van vórst’lyk bloed, verstrekke uw ryk ten voordeel.
(640) Een onderdaan begaafd met een réchtzinnig oordeel,
Is doodlyk voor uw’ troon. Die ’t hófbelang begrypt,
De vryheid éért, én’t brein op deugd, én waarheid slypt,
Moet ge als een troongedrócht uit uw gebied verbannen,
En voor dat slach van vólk uw wreede vierschaar spannen.
(645) Dus zuivert gy uw land van een gehaate pést.
TROUWELOOSHEID.
Dat niet alleen; maar dat uw troon bét word gevést,
En dat de Koning lang, én veilig wil regeeren
Om ’t ryk, zo veel men kan, te schatten, schraapen, scheeren,
En uit te putten, zo dat de Onderdaan bezwykt
(650) Voor zulk een last, waar door ’s Vórsts schatkist wordt verrykt.
Dan vliegt het alles op het wénken van uwe oogen,
[p. 28]
Doorluchtige Eigenbaat, dan kunt gy oorelogen:
Want géld, én baatzugt is de zénuw van den Staat.
EIGENBAAT.
Dus toont gy dat myn heil u beide aan ’t harte gaat.
(655) De norsse Zinnen, die ons wreev’lig tégenstonden,
Zyn reeds door Kwaadaard aan myn tieranny gebonden,
En weereloos geboeid, gelyk ’t u flus nóch bleek.
’k Heb niet te vreezen voor een’ doodelyken steek
Van dat ontaard geslacht. Die kommer is verdweenen,
(660) Die wonde is al geheeld. Gaa Ondeugd, gaa straks heenen,
Zég Kwaadaard dat ik hier na zyn weêromkomst wacht.
VYFDE TOONEEL.
EIGENBAAT, TROUWELOOSHEID, in schyn van Staatkunde, ARGLISTIGHEID.
EIGENBAAT.
’k HEb réden waarom ik nu, buiten Ondeugd, tracht
Met u te spreeken: ’k moet myn hófgezin mistrouwen;
Ik ben benard, én durf my niet verzékerd houwen,
(665) Ja ’k vrees voor Kwaadaard, voor Vrouw Wil, én Vleijery.
Dat meer is, ’k acht my zélf voor Ondeugd ook niet vry.
Hy schépte nimmer in mêedoogendheid behaagen;
Nochtans hoorde ik hem flus der Zinnen straf beklaagen,
Zo haast hén Kwaadaard had na ’t nieuw gebouw geleid.
TROUWELOOSHEID.
(670) ’t Heeft schyn; maar échter moet men, met omzigtigheid
Te wérk gaan, om hen niet onschuldig te belasten.
Myn Staatkunde is bekwaam om hen den pols te tasten.
[p. 29]
ARGLISTIGHEID.
Zacht, daar is Ondeugd, én heer Kwaadaard komt met hem.*
ZÉSDE TOONEEL.
KWAADAARD, TROUWELOOSHEID, in schyn van Staatkunde, EIGENBAAT, ARGLISTIGHEID, ONDEUGD.
KWAADAARD.
O Vórst, de Zinnen zyn te byster in de klém.
TROUWELOOSHEID.
(675) Hunn’ héchtenis, zal ons, heer Kwaadaard, nimmer jamm’ren.
KWAADAARD.
Ik leide hen gelyk een harder zyne lamm’ren,
Die vrolyk hupp’len op de toonen van zyn fluit;
Terwyl hen Vleijery verheugt door ’t zoet geluid
Van haare tooverzang. ’t Is niet wel uit te drukken
(680) Met wélk een dolle drift, én duizend vreemde nukken,
En wildzang, én geraas, zy zwieren onder één.
Dan schreijen ze overluid; dan zyn ze eens wel te vreên;
Dan ramm’len ze met boei, én kluister onder ’t springen,
Daar myn’ Schynheiligheid hen paait met beuzelingen.
(685) Kortom, ze zyn zo wel verzékerd, dat gy nu
Niet meer te vreezen hebt.
EIGENBAAT.
                                                Die last légt heel op u,
Heer Kwaadaard. Neem steeds acht om hen zo in te toomen,
Dat zy, nóch door gewéld, nóch door verraad ontkomen.
’k Vertrouw my op uw zórg.
[p. 30]
ZÉVENDE TOONEEL.
ONDEUGD, KWAADAARD.
ONDEUGD.
                        HEer Kwaadaard, ’k spring van vreugd!
(690) Wat doet de komst van Vrouw Staatkunde, aan Ondeugd, deugd!
Nu wil ik, om gestaag naar myn vermaak te leeven,
My zélf geheel én al, aan wellust overgeeven;
Aan wellust, die my mêer genoegen geeven kan
Dan hoofsche bézigheên, én onlust. Ik verban
(695) De kroonsbekommering voortaan uit myn gedachten.
Nu hebbe ik niet als vreugde, én lust, én rust te wachten.
’k Ben vér genoeg, én my ontbreekt in ’t minste niet;
Naardien men my zo hoog in tóp geklommen ziet
Als ooit een hov’ling was.
KWAADAARD.
                                            Hoe Ondeugd, zo blymoedig,
(700) En uitgelaaten! wat verandert u dus spoedig?
Dit ’s uw gewoonte niet.
ONDEUGD.
                                        Wel Kwaadaard, vraagt gy dit?
Daar Ondeugd nu al wat hy wénschen kan, bezit?
Daar my Staatkunde heeft ontlast van zo veel zórgen,
Van zo veel’ zaaken, die ik listig in ’t verbórgen
(705) Heb uitgevoerd; én daar ik altyd vroeg, én laat,
Myn’ harsens schérpen moest tót nut van Eigenbaat?
Nu kan ik met myn Wil my koest’ren ondertusschen,
En dus de vlammen van myn heete liefde blusschen.
Mispryst gy ’t wel dat ik myn leeven op die wyz’
(710) Verslyten wil?
[p. 31]
KWAADAARD.
                            Gantsch niet; in tégendeel, ik prys
Uw loffelyk besluit, én ’k zou, met groot genoegen,
My, op uw voorbeeld, naar die wellust kunnen voegen,
Maar...
ONDEUGD.
        Meent gy ’t als gy ’t zégt?
KWAADAARD.
                                                Ja, houd het voor gewis,
Dat Kwaadaard om ’t geluk van Ondeugd vrolyk is.
(715) Maar zacht! wat mag Vrouw Wil dus schrikkig herwaards dryven?
ONDEUGD.
’k Geloof zy zien komt waar wy met de Zinnen blyven.
Een toegeneegen hart, schynt blyft haar steeds nóch by.
ACHTSTE TOONEEL.
ONDEUGD, WIL, KWAADAARD.
ONDEUGD.
HOe Wil! dus droef? flus stondt u ’t aangezicht heel bly.
Wat jaagt u hier vol vreeze, omziende met verbaazen?
WIL.
(720) Ach? ach, de wanhoop maakt dat ik begin te raazen!
ONDEUGD.
De wanhoop, om wat rêen?
WIL.
                                            Ach! om een vreemd geval,
Dat u, nóch meer als my, in wanhoop bréngen zal.
ONDEUGD.
My? my? Dat dénk ik niet.
WIL.
                                            Hebt gy van al uw leeven
Vrouw Armoê niet gekénd?
[p. 32]
ONDEUGD.
                                                Sints ik my heb begeeven
(725) Vry jong, by Eigenbaat in dienst, weet ik niet, dat
Ik ’t minste dénkbeeld van Armoede ooit heb gehad.
WIL.
Hebt gy geen Moeder meer?
ONDEUGD.
                                                Dat is my lang vergeeten.
WIL.
Die ryk zyn willen van geen arme vrienden weeten.
Zy komt nooddruftig uit het Ryk van Overvloed,
(730) Daar gy gebooren zyt, gevlugt....
ONDEUGD.
                                                                ,, O tégenspoed!
WIL.
Om van uw mildheid, hier, haar onderhoud te zoeken.
ONDEUGD.
Van my? Ik kén haar niet, óf’k zweer...
WIL.
                                                    Hoor, niet te vloeken.
Zy is verärmd door al uw lui én kwaad gedrag,
In uwe Jonkheid.
ONDEUGD.
                            ’k Weet niet dat ik haar ooit zag.
WIL.
(735) Zy vólgt my met Elénde, én wil u zélve spreeken.
ONDEUGD.
Ik zal haar, gaat ze straks niet scheep, de beenen breeken.
WIL.
Maar ’t is uw Moeder!
ONDEUGD.
                                        Och! daar pas ik weinig op.
’k Zal wel bezórgen dat zy aanstonds krygt de schop,
En niet in ’t hóf verschynt. Maar zég me eens zonder veinzen,
(740) Spraakt gy met haar?
[p. 33]
WIL.
                    ’k Ben haar ontvlugt.Wat moogt gy peinzen?
Ik haat Armoede meer, als u ooit was bewust.
ONDEUGD.
Ik zal wel maaken dat ze u nimmermeer ontrust.
WIL.
Beminn’lyke Ondeugd, ôch! laat Armoê my nooit plaagen,
’k Zal u beminnen, ’k zal u op myn’ handen draagen.
ONDEUGD.
(745) Nu Wil, uit éd le drift, haare Ondeugd by wil staan,
Zal ik, is ’t doenlyk, my van slaafschen dienst ontslaan,
En vérr’ van hoofsche zorg het ov’rig van myn leeven
Met u, myn Wil, geheel aan Wellust overgeeven.
Maar heeft het u niet zeer gespeeten dat gy zaagt
(750) Hoe dat de Zinnen door Heer Kwaadaard zyn geplaagd?
WIL.
Wat kon ’t my hélpen, ik had zélf genoeg te lyden.
KWAADAARD.
Een weinig ongemak, geeft stóf tót groot verblyden.
Gy zyt ontslagen van hunn’ kwelling voor altoos.
Terwyl zy zuchten, vint ge uw’ lusten toomeloos
(755) In Ondeugd. Leef zo lós als iemand kan bedénken:
Gy zult u daag’Iyks zien verrykt met meer geschénken
Als Eigenbaat ooit schonk aan eenig onderdaan:
Dénk dan hoe diep gy in des Konings gunst moet staan.
WIL.
’k Zal myne érként’nis aan den Vórst, én onder allen,
(760) Aan u betoonen, myn’ waarde Ondeugd ten gevallen;
Maar is ’t uw zinlykheid dat ik den vollen toom
Aan myne lusten geeve, ei help my uit den schroom
Dat ik voor Armoede, óf Elénde ooit hoef te vreezen.
ONDEUGD.
Myne overschoone Wil, myn lust, myne uitgeleezen,
(765) Ga met Heer Kwaadaard by Schynheiligheid; verblyf
Daar tot myn wéderkomst, én neem uw tydverdryf
[p. 34]
In alle wellust. Gy, wilt op de zinnen passen;
’t Zyn uw gevangenen, lét dat ze u niet verrassen.
Straf my Vrouw Wil, zo gy van Armoede ooit weêr hoort:
(770) ’k Heb midd’len aan de hand, dat zy weêr straks aan boord,
En uit dit Eiland raakt, al zoude ik, daar ze landde,
Haar, én al haar gevolg, met schip, én al verbrande.

Einde van het Twéde Bedryf.
Continue
[p. 35]
DÉRDE BEDRYF.
EERSTE TOONEEL.
VOORZIGTIGHEID, BEROUW.
VOORZIGTIGHEID.
BErouw, wy zyn hier weêr in ’t Hóf daar Vórst Verstand
Wel eer, tót ieders heil, zyn zétel had geplant;
(775) Die gadelooze Prins, wiens afgesloofd gebeente
Nóch dagelyks van zyn’ mishandelde gemeente
Beschreid wordt! Wélk een tyd beleefde de onderdaan
Toen hy in dit Paleis die troonzon op zag gaan!
Die troonzon, die nu in haar’ kimmen légt gedooken!
(780) Dit hóf, naa dat Vrouw Deugd, haare oogen heeft gelooken,
En door Arglistigheid, én Kwaadaard is herbouwd,
Verbeeldt niets als Bedróg, én Ondeugd schaamt’loos stout.
Schynheiligheid schuilt in de pronk der témpelzaalen,
En Vleijery in ’t Koor: ’t gewélfsel ziet men praalen
(785) Met Trouweloosheid; én het grootste hófsieraad
Is ’t gruuwelykst gedrócht, de grypende Eigenbaat.
Een Dwing’land, die vervreemd van wetten, récht, én réden
’t Gewyde perkament durft met de voeten treeden.
BEROUW.
Wat zégt gy? Hémel, ach! vertrekken wy, Mêvrouw
(790) Uit dit gehaate hof, op dat geen naaberouw
Ons deere.
VOORZIGTIGHEID.
                    Laat geen vreeze uw ingewand ontroeren,
Maar blyf kloekhartig, om ons oogmérk uit te voeren.
Sta pal, én deins niet, om Vrouw Wil uit haaren druk
[p. 36]
Te redden; ’k liet my nooit door eenig ongeluk
(795) Verrassen, als ik dacht op onheil én gevaaren.
Dénk vry Voorzigtigheid kan zich te wel bewaaren.
Ik zal niet reukeloes den dood in ’t aanzicht treên:
Myne oogen dringen door de dikste név’len heên.
BEROUW.
Maar zo ’t gebeurde dat wy wierden aangegreepen,
(800) Bedénk eens wélk een ramp ons droevig naa zou sleepen,
En wat ik lyden zou door ’t vólgen van uw’ zin.
VOORZIGTIGHEID.
Vrees niet; ’k zég andermaal, ’k staa u voor alles in.
Die met beleid my vólgt zal nooit in ’t duister dwaalen.
En had Vrouw Wil haar’ voet gehouden in de paalen
(805) Van my haar voorgestéld, was zy nu niet verplicht
Aan ’t juk van Eigenbaat.
BEROUW.
                                        Maar, hoe kost gy zo ligt
Verstand verlaaten? Dit valt vreemt in myn gedachten,
Hy was altyd uw Vriend.
VOORZIGTIGHEID.
                                Hy, steunende op zyn’ krachten,
Heeft my, Voorzigtigheid, om Eigenbaat gehoond;
(810) Een oorzaak dat ik hem myne ongunst heb betoond:
Want wie myn hulp versmaadt dien zal ik ook verlaaten.
Dus miste fluks Verstand zyn leeven, eer, én staaten,
Toen hy op ’t hoogste dacht van zyn geluk te zyn.
BEROUW.
Hadt gy hem bygestaan, behoefden wy met pyn
(815) En moeiten, om Vrouw Wil te krygen in uw handen,
Niet om te zien.
VOORZIGTIGHEID.
                        Verstand zondt my uit zyne landen,
Met straf bevél, om nooit zyn’ Staaten te betreên.
Zoude ik dan hélpen een’ die my dus handelt? neen,
Dat’s myn gewoonte niet. Men moet voorzigtig leeven
(820) Met my, eer ik myn gunst aan iemand ooit zal geeven.
[p. 37]
BEROUW.
Maar dénkt gy dan dat Wil zal luist’ren naar uw raân,
Met grooter naadruk als Verstand hier heeft gedaan?
Hy die roemwaarde Deugd had tót zyn Vrouw verkooren.
VOORZIGTIGHEID.
Die ook haar leeven heeft door Eigenbaat verlooren.
BEROUW.
(825) Maar Wil bemint hem nóch, én heeft hem lang bemind.
Zy is door Ondeugd nóch met opene oogen blind.
En hoopt gy nóch om haar in de eersten staat te stellen?
VOORZIGTIGHEID.
’k Weet dat de wraakzucht van Vrouw Wil zal opwaards wellen,
Tót straf van Eigenbaat, die haare vryheid krénkt.
(830) Dies, als ge’er aanspreekt, maak dat zy terstond hérdénkt
Haar staat by ’t leeven van Verstand; maar ’k zie haar komen.
Zy schynt van blydschap, én van vreugd, heel opgenomen.
Gaan wy ter zyde, opdat ze vry haar hartstógt uit’,
’k Zal midlerwylen u stil zeggen myn besluit.
BEROUW.
(835) Ei zie, hoe dartel, én verheugd ze ons komt te vooren.
VOORZIGTIGHEID.
Ik bid u, zwyg, eer dat ze ons ziet, óf komt te hooren.
TWÉDE TOONEEL.
WIL; BEROUW, VOORZIGTIGHEID, ter zyden.
WIL, vrolyk zingende, én speelende op een Theórbe.
            O tyd! ô lieve tyd!
        Waar in dat Wil haar leeven
                Met Ondeugd vrolyk slyt,
            (840) Van Wellust aangedreeven!
        De hinderpaalen die haar door Verstand,
        En Deugd gestéld zyn, leggen reeds in ’t zand.
    Nu zal myn luk zich meer én meer verheffen,
    Ja hooger als ik eertyds kon bezeffen!
[p. 38]
        (845) Wég dan met al de zotternyen
            Van eer, én deugd,
            Nu ik, vol vreugd,
        My kan met Ondeugd staag verblyen!
BEROUW.
,,Gy hoort hoe vast zy nóch aan Ondeugd is verknócht.
(850) ,,Vergeefs is ’t dat ge my weêr hebt ten hoof gebrógt.
VOORZIGTIGHEID.
,,Zing op een droever toon, verdraai den zin der woorden,
,,Of uw gezang veelligt haar steenen hart door boorden.
BEROUW, onder het speelen van de Bas continuo.
                O tyd! ô droeve tyd!
            Waar in Vrouw Wil haar 1eeven
                (855) Zo dwaas met Ondeugd slyt,
            Van wellust aangedreeven!
        Al de eerb’re paalen die haar door Verstand,
        En Deugd gestéld zyn, leggen reeds in ’t zand.
    Nu kan zy nooit, met eer, haar hoofd verheffen.
    (860) Maar Wil die kan, nóch wil dit niet bezeffen!
            Want zy bemind de zotternyen,
                En kiest voor Deugd,
                Een yd’le vreugd,
            Om haar met Ondeugd te verblyen!
VOORZIGTIGHEID.
(865) ,,’t Gaat wel, zy schynt al reeds door uwe stém geraakt.
WIL.
Helaas! wat hoor ik? wat geluid óf my genaakt?
Wat naare galm komt my hier in myne ooren klinken!
En doet myn’ vreugde én lust in droefheid néderzinken?
Of is ’t myn broeders geest die, door dit spookgezang,
(870) Myn’ ziel ontroert? Ach, ach, wat maakt myn ziel dus bang?
Het klamme én koude zweet druipt van myn natte hááren.
Ach Hémel, staa my by!
BEROUW.
                                    Vrouw Wil, wil u bedaaren;
’t Is nu te laat én al te vruchteloos geschreid.
[p. 39]
Gy zyt’er de oorzaak van, én hebt u zélfs misleid.
(875) Ik ben Berouw, én wérke in u dit naaberouwen,
Alleen om u te doen uw eersten staat beschouwen.
Lichtvaardige als gy zyt, schaam, schaam u als gy dénkt
Hoe ge u vermogen hebt door Eigenbaat gekrénkt.
Ik heb u in myn’ magt, gy zult uw misslag boeten
(880) Door droevige achterdócht.
WIL.
                                            Ik val voor uwe voeten
Ootmoedig neêr. ’k Weet dat ik kwaalyk heb gedaan.
Berouw, ei zie my met meêdoogende oogen aan!
Ach!’k heb myn kleed besmét met onuitwisb’re schanden.
Een doodsche schrik regeert door all’ myne ingewanden.
(885) Verstand, uw stérflót, dat voor u zo smartt’lyk viel,
En u, sneeuwwitte Deugd, beklaag ik in myn ziel!
Ach! had ik stéms genoeg, ik zou een treurgalm uiten,
Die op het marmer van uw zark te rug zou stuiten!
En gy myn Zinnen, die nu vast gekluisterd zyt,
(890) Had Wil haar wil’ sléchts vry, met wélk een drift, én vlyt
Zou ze u hérstellen!.
BEROUW.
                                Maar uw wispeltuurighéden,
Uw wankelbaare wil, én wisselzieke zéden,
Zyn al te zeer verdacht.
WIL.
                                        Helaas! verlaat my niet
In deez’ benaauden staat, én doodelyk verdriet,
(895) Of ik eléndige moet in myn druk versmachten?
BEROUW.
Dus krygt ge een dénkbeeld dat voor heene in uw gedachten
Geen plaats kon vinden van uw’jammerlyken staat.
Dus ziet gy dat het lót een vyand is van ’t kwaad;
Terwyl ge in ’t hart vast voelt’ een worm van onrust knaagen.
WIL.
(900) Ach! my rampzalige, ach Berouw, hoor naar myn klaagen
[p. 40]
Eer dat deez’ zwakke hand myn leevensdraad verkort’.
VOORZIGTIGHEID.
’t Is tyd. Vrouw Wil, nu ’k zie dat gy gedreeven wordt
Tót inkeer van Berouw; schép moed, ik zal u hélpen.
Laat u de wanhoop niet te schielyk overstélpen.
WIL.
(905) Wie is het die nóch wordt bewoogen met myn leed?
VOORZIGTIGHEID.
Het is Voorzigtigheid, tót uwen dienst gereed.
Ik zal u in uw’ staat, gelyk voorheên, doen leeven,
Indien gy toont dat gy de réden plaats wilt geeven.
WIL.
Ach! ach Voorzigtigheid! dat ik neerslagtig bukk’
(910) Voor u ter aarde; gun dat ik uw’ handen drukk’
Ootmoedig aan myn mond, dat ik die onder ’t kussen
Met myne traanen wassche, om dus den brand te blusschen
Van uwen toorn’, door een oprécht én waar berouw.
VOORZIGTIGHETD.
Rys, rys Vrouw Wil, staa op.
BEROUW.
                                        Maar blyf ons steeds getrouw.
(915) Ons oogmérk is alleen ’t hérstellen van uw Staaten.
WIL.
Voorzigtigheid, ei zég, wat moet ik doen, óf laaten?
VOORZIGTIGHEID.
Schoon ik het veinzen haat, én in geene andren ly,
Ten zy men word geprangd om snoo bedriegery
Weêr met bedriegery betaald te moeten zetten,
(920) Is ’t u hoognoodig, om op alles schérp te letten,
Te veinzen overal waar iemand u ontmoet,
En dat gy alles door bevél van Ondeugd doet.
En tracht behéndig om door Vleijery de Zinnen,
Uit Kwaadaards handen, weêr op uwe zy te winnen.
(925) ’k Zal onderwyl in uw vertrék Réchtvaardigheid,
En gulle Opréchtheid, stil invoeren met beleid;
Die u in allen nood wel vérder zullen raaden
Hoe gy u draagen moet.
[p 41]
WIL.
                                    Ik ben op ’t hoogst’ belaaden
Dat élk haar kennen zal, indien haar Ondeugd ziet,
(930) En dat zy, om die reên bekommerd, moog’lyk niet
Verschynen zullen in het hóf, daar alle hoeken
Vol van verspieders zyn, die nacht én dag met zoeken,
En luist’ren, vraagen, zien, doorsnuff’len hoe ’t daar gaat,
Tót voor, óf naadeel van Tierannige Eigenbaat,
(935) Om in zyn gunst te zyn.
VOORZIGTIGHEID.
                                    Ik bid u, wil niet schroomen;
Ik heb, om uwent wil, haar in het ryk doen komen
In ’t schynkleed van Elénde, én Armoede.
WIL.
                                                                Ach, is ’t waar?
Elénde én Armoê! wier gezicht zo doods én naar
My voor kwam, toen ik ben ontvlugt uit haare handen?
(940) Ik diende ’t Ondeugd aan, zo dra zy beide landden,
Aan deeze kust. Ik vrees dat zyne gramschap al
Te heevig, haar weêr uit dit Eiland dryven zal.
VOORZIGTIGHEID.
Aan ’t gene ik ondernam heeft nimmer iets ontbroken:
Ik heb haar haastig in een ander kleed gestoken;
(945) Ze zyn onkénbaar voor uw vyand; ’k blyf uw bórg:
Want myn’ Voorzigtigheid draagt voor uw welstand zórg.
WIL.
Was dat Réchtvaardigheid? Was dat, ik moet my schaamen,
Opréchtheid, die ’k ontliep?
BEROUW.
                                        Ja, maar met andre naamen
Bekénd, die in hunn’ kracht zélf schynen tót beschut
(950) Van Eigenbaat, maar ons in tégendeel, heel nut
Tót zyn aanstaanden val.
WIL.
                                    Mag ik die naamen weeten?
[p. 42]
VOORZIGTIGHEID.
Deeze is Ontdekking, én die Onderzoek geheeten.
WIL.
O groote, ô waarde Vrouw! Hoe heeft het u behaagd
Dat gy, om mynent wil, nóch zo veel zórge draagt!
(955) Ach! blyf me by, én stier myn’ handel én bedryven.
VOORZIGTIGHEID.
Stél u gerust, ik zal niet verre van u blyven;
Maar richten al uw doen; ik zal u niét ontvliên,
En als ’t de nood vereischt zult gy my by u zien.
Ik zie daar Vleijery, ’t is tyd dat wy vertrekken.
(960) Veins nu voorzigtig, om haar uw verzoek te ontdekken.
DÉRDE TOONEEL.
WIL, VLEIJERY.
WIL.
ACh schoone Vleijery, die ik hier onverwacht
Ontmoet! Wat heb ik lang na dit geluk getracht!
’t Blykt dat de Góden in het eind myn stém verhoorden:
Had ik nu ’t voordeel sléchts dat ik door zachte woorden
(965) Op u verwérven mogt een heel geringe beê.
’k Was ook, tót allen tyde, om u te diénen, reê;
Ja schroomde zélfs niet voor de grootste lyfsgevaaren.
VLEIJERY.
Gy moogt uw béde my wel vry’lyk openbaaren;
Misschien wordt uw verzoek u gunstig toegestaan;
(970) ’k Bén in een goeden luim, gy hebt me ook dienst gedaan.
WIL.
’t Is waar; maar ik behoef dien dienst niet op te haalen
Met inzicht dat ge my die vriendschap zoudt betaalen.
Voldoende Vleijery, ’k verzoek van u alleen,
Dat gy by Kwaadaard, door Schynheiligheids gebêen,
(975) En de uwe, maakt dat ik een’ dag my met de Zinnen
Vermaaken mag, gy zult dit op zyn hart wel winnen.
Zy blyven tóch geboeid; ei maak dat ik deez vreugd
[p. 43]
Met hen mag hebben in myn droevige ongeneugt,
Daar ’k my van dage in vind: het zal myn’ rouw vermind’ren,
(980) En ’t kan aan Eigenbaats belang in ’t minst’ niet hind’ren.
Ik weet dat Kwaadaard, die u lief heeft boven al,
(Uw man is tóch op ’t land) uw bêe niet weig’ren zal.
’k Zie hem tót myn geluk: ei wil hem hier om smeeken.
VLEIJERY.
Maar, ’k weet niet óf hier ligt iets schaad’lyks in mogt steeken.
WIL.
(985) ’t Is tót ontlasting van myn hartzeer, waar van ik
Zélf de oorzaak niet wél weet.
VLEIJERY.
                                            Wel, toef een ogenblik.
VIERDE TOONEEL.
VLEIJERY, KWAADAARD, WIL.
VLEIJERY.
VRiend Kwaadaard, kunt gy in uw ampt vernoeging vinden?
KWAADAARD.
’k Wou gaerne, voor deez’ dag, my van dien last ontbinden.
VLEIJERY.
Indien ik iemand wist voor u, hier toe bekwaam?
KWAADAARD.
(990) Is ’t waarheid? En staat hy ter goeder naam én faam?
VLEIJERY.
Zo wel als ik. Zie daar Vrouw Wil, die sints haar trouwen
Met Ondeugd, haar zo vast heeft in ’t belang gehouwen
Van Eigenbaat, én ons; zy zal zeer graag deez’ dag
U wat verpoozen; laat hen onder haar gezag
(995) En opzicht; midlerwyl dat wy ons wat vermaaken.
KWAADAARD
Dat’s goed; maar ’t zyn voor my gevaarelyke zaaken.
[p. 44]
WIL.
Heer Kwaadaard, ’k ben bedroefd, én ’k weet niet wat
my grieft,
En zoek vermaak; als gy de Zinnen wêer gelieft
Te hebben, zal ik ze u gekluisterd wédergeeven.
Tégens Vleijery. KWAADAARD.
(1000) Ik doe ’t om u. Maar op verbeurte van uw leeven,
Vrouw Wil, zie toe, dat gy zórgvuldig hen bewaart.
WIL.
Zyt vry gerust myn Heer, ik ken der Zinnen aardt.
KWAADAARD.
Hunn’ banden zyn zo vast dat niemand hen kan scheiden.
WIL.
Gy kunt ze zélfs, met my, in Ondeugds kamer leiden.
KWAADAARD.
(1005) Wel haast u: want ik zie de Koning komt daar met
Staatkunde.
ZÉSDE TOONEEL.
EIGENBAAT, TROUWELOOSHEID, in schyn van Staatkunde.
EIGENBAAT.
                        O Gy, op wien ik myn vertrouwen zét,
Volmaakte ziel, wat ben ik schuldig aan uw oordeel.
TROUWELOOSHEID.
Myn lief, ik vólg myn plicht; uw voordeel is myn voordeel.
’k Ben deelgenoot van ’t goed én ’t kwaad dat u geschiedt.
(1010) Maar zie ik Vleijery, én Kwaadaard, ginder niet?
Is hy de Zinnen kwyt?
EIGENBAAT.
                                    Men doe hem hérwaards komen.
Indien ze wég zyn mag hy voor myn toorn wel schroomen.
[p. 45]
TROUWELOOSHEID.
’t Is billyk dat ge ’em dan uw gramschap voelen doet.
ZÉVENDE TOONEEL.
KWAADAARD, EIGENBAAT, VLEIJERY, TROUWELOOSHEID, in schyn van Staatkunde.
KWAADAARD.
WAt is ’t, waar van de Vórst zyn dienaar spreeken moet?
EIGENBAAT.
(1015) Om te onderstaan óf gy de Zinnen uit uw’ handen
Ontslippen liet?
KWAADAARD.
                        Ze zyn, ô Koning, steeds in banden,
En worden héden van Vrouw Wil bewaard, die my
Daar toe beweegde door ’t verzoek van Vleijery.
VLEIJERY.
Doorluchtige Eigenbaat, ’t zal uw gezag niet hind’ren,
(1020) Nóch uw belangen in het minste deel vermind’ren.
De Zinnen strekken aan Vrouw Wil maar tót vermaak,
Die wat zwaarhoofdig is.
EIGENBAAT.
                                        Vórstin, hoe staat deez zaak
U aan?
TROUWELOOSHEID.
    Gantsch slécht. Men moest hen voelen doen de plaagen
Der Zinnen, én terwyl de waarheid ondervraagen
(1025) Aan Ondeugd. Stél, myn Heer, hen beide in héchtenis.
EIGENBAAT.
Ik twyffel zeer Mêvrouw, óf dit wel raadzaam is;
Naardien ze my gestaag met trouwen bystand dienden.
TROUWELOOSHEID.
Daar Eigenbaat regeert ontziet men maag, nóch vrienden.
Hérstél hen, als voor u hunne onschuld open leit.
(1030) Wie u bevélen krénkt, krénkt ook u Majesteit.
[p. 46]
EIGENBAAT.
Ik vólg uw raad Mêvrouw; men neem, hen dan gevangen;
En naar uw handel is, zult gy ook loon ontfangen.
VLEIJERY.
Genade ô Vorst! genade!
E I G EN BA A T.
                                            U zal genâ geschien,
Naar dat men goed, óf kwaad, zal in uw’ daaden zien.
ACHTSTE TOONEEL.
TROUWELOOSHEID, in schyn van Staatkunde, EIGENBAAT, ONDEUGD.
TROUWELOOSHEID.
(1035) GY toonde u eerst te zacht: dit doen zal andren leeren
In alle zaaken steeds te vólgen uw begeeren.
Zie daar is Ondeugd, Vórst; hy komt al lachchende aan.
EIGENBAAT.
Hoe, Ondeugd dus verblyd? Waar komt die vreugd van daan?
ONDEUGD.
Ik kom, ô Koning, u een blyde zaak ontvouwen.
EIGENBAAT.
(1040) Maar zég my eerst eens, waar de Zinnen zich onthouwen.
ONDEUGD.
By Wil, myn, huisvrouw, daar zy louter vrolyk zyn.
Men danst’er lustig, én men weet van smart nóch pyn,
Niet eens gedachtig aan de boeijen die hen drukken.
EIGENBAAT.
’k Vreesde óf Vrouw Wil hen mogt uit onze handen rukken.
ONDEUGD.
(1045) Gansch niet myn Heer, ’k ben van het tégendeel bewust.
EIGENBAAT.
Door die verzékering stélt gy myn hart gerust.
Wat is ’t nu dat gy my voor af bekénd woudt maaken.
[p. 47]
ONDEUGD.
Dat ik flus by myn’ Vrouw twé Juffers zag genaaken,
In kunst, én kennis, tót uw hófdienst heel bekwaam.
(1050) Haar weezen toont wat groots. Ontdekking is de naam
Van de eene, uitsteekend schoon; én Onderzoeking de ander,
Ze sluiten nét gelyk twé schulpen op malkander.
En schynen tót uw lust eenpaarig opgevoed.
Hier door bevond ik my zo vrolyk van gemoed,
(1055) Om u deez’ blyde máár op ’t spoedigst’ te doen hooren;
Wyl ze u verzoeken, dat ge, indien zy u bekooren,
Haar aangeboden dienst én schoonheid niet versmaadt.
EIGENBAAT.
Wat oordeelt gy Vórstin?
TROUWELOOSHEID.
                                            Dat gy haar komen laat,
En aanvaardt in uw hóf. ’t Schynt my in alle deelen
(1060) Een Voorbo van geluk dat deeze twé gespeelen
Uit eige, én vrye wil, aanbieden haaren dienst.
Het heil is ’t aangenaamste als ’t komt op ’t onvoorzienst.
EIGENBAAT.
’k Verbeeld my ook hier door te stérken myn vermoogen.
Het luk komt Eigenbaat als in den mond gevloogen.
(1065) Gaa, ’k brand om haar te zien; ze komen wel van pas.
NÉGENDE TOONEEL.
EIGENBAAT, TROUWELOOSHEID, in schyn van Staatkunde.
EIGENBAAT.
’k BEkén myne Echtgenoot dat ik verleegen was,
Toen ik flus Vleijery, én Kwaadaard heb doen vangen,
Maar ’t was op uwen raad. Nu zie ik met verlangen
Hunn’ schuld, óf onschuld, door Ontdekking haast ontdékt.
TROUWELOOSHEID.
(1070) Men zal haast weeten óf haar boezem is bevlekt,
Als Onderzoeking heeft de waarheid ondervonden.
[p. 48]
EIGENBAAT.
Zo rust hoe langs hoe meer myn troon op vaste gronden,
Wy zullen zien wat ons te doen staat, als hy keert;
Maar schoon ik my door u gelukkig zie vereerd,
(1075) Daar smeult nóch iets dat my gestaag ontroert van binnen.
’s Nachts overdénk ik wie my haaten, wie beminnen;
En over dag mistrouw ik my van ieder een.
Ach Staatkunde! ach Mêvrouw! hoe wordt myn ziel bestréen!
Ik heb het opperste gezag van deeze landen,
(1080) Hoewél onwettig, door gewéld in myne handen.
Myne éenzaamheid bréngt my te binnen, hoe ’k verwoed,
Het huuw’lyks lédekant bevlékte met het bloed
Van Vórst Verstand, die my op ’t vriend’lykst’ dacht te omarmen.
My dunkt dat ik gestaag Gemeenebést hoor kérmen,
(1085) En Goedaards bleeke schim zie waaren in den nacht.*
’k Heb, door vergif, Vrouw Deugd tierannig omgebragt.
En al de vreugd van Wil verand’ren doen in vreezen.
Kortom...
TROUWELOOSHEID.
    Myn Vórst, uw heil schynt reeds op wég te weezen.
TIENDE TOONEEL.
RÉCHTVAARDIGHEID, in schyn van Onderzoeking, OPRÉCHTHEID, in schyn van Ontdekking, EIGENBAAT, TROUWELOOSHEID, in schyn van Staatkunde. ONDEUGD.
RÉCHTVAARDIGHEID.
GEduchte Koning, ’t is met schroom, én diep ontzag,
(1090) Dat wy, op uw gebód, in deez’ gewénschten dag,
By u verschynen, om u onzen plicht te toonen,
En néderigsten dienst te aanbieden; wil verschoonen
Dat wy niet eerder u begroetten met de kroon.
Wy schuuwden steeds dit land, zo lang Verstand den troon
(1095) Van Vryekeur, als een gewéldig Vorst, bekleedde.
OPRÉCHTHEID.
Wy waaren nimmermeer verscheenen hier ter stéde,
[p. 49]
Ten waare ik eerst de dood had van Verstand ontdékt.
EIGENBAAT.
Ik wénsch dat my uw komst tót nut én vreugde strékt.
Maar zég my toch waarom de dood u kon verblyden
(1100) Van Vórst Verstand?
OPRÉCHTHEID.
                                Wy zyn, myn Heer, in vroeger tyden,
By hem in dienst geweest, in dit gezeegend hóf,
Daar myn’ Vriendin met liefde, al wat des Konings lóf
En nut kon vórd’ren, door haar Onderzoek bewérkte,
En ik zyn mogenheid door myne Ontdekking stérkte;
(1105) Dóch hy verstiet ons, als onwaardig, uit het Ryk.
Nu komen we u onz’ dienst opoff’ren tót een blyk
Van ootmoed.
EIGENBAAT.
                    Wil terstond by Kwaadaard u vervoegen,
En Vleijery, in wien ik schép een groot misnoegen.
Ontdék hunn’ grond; zy zyn verdacht van euveldaan.
(1110) Ik zal Arglistigheid inmiddels spreeken gaan.
ÉLFDE TOONEEL.
OPRÉCHTHEID, in schyn van Ontdekking, RÉCHTVAARDIGHEID, in schyn van Onderzoeking.
OPRÉCHTHEID.
GAa, gaa, ontménscht gebroed, uw val is reeds beschooren.
Men zal, ô Eigenbaat, uw ondergang haast hooren,
Wanneer gy tót uw straf, zult weeten wie wy zyn.
RÉCHTVAARDIGHEID.
Myn Zuster, stil, geduld, eer dat men in deez’ schyn
(1115) Ons achterhaale; dénk indien ons iemand kénden,
Hoe kwalyk dat het met Vrouw Wil, én ons zou énden.
Ik bid, betoom uw drift, tót dat zy is hérstéld.
Daar komt Voorzigtigheid.
[p. 50]
TWAALFDE TOONEEL.
VOORZIGTIGHEID, OPRÉCHTHEID, in schyn van Ontdekking, RÉCHTVAARDIGHEID, in schyn van Onderzoeking.
VOORZIGTIGHEID.
                                    OPréchtheid, ach! het géldt
Ons aller leeven, zo ge uw drift niet kunt weêrhouwen.
(1120) Wy moogen hier geen grond, gewélf, nóch wand vertrouwen.
’t Heeft alles oogen, én rondom een open oor,
Een onvoorzigtig woord, klinkt zaal, én lusthof door.
OPRÉCHTHEID.
’k Vólg dan, om béstwill’, met stilzwygen uw bevélen.
VOORZIGTIGHEID.
Wel, hoort dan zacht, wat ik u bei heb meê te deelen,
(1125) Tót aller heil, én tot hérstelling van Vrouw Wil.
Zy heeft de Zinnen reeds ontbonden, zacht én stil;
Dóch ’t schynt voor ’t uitterlyke óf zy nóch in de strikken
Van Ondeugd zyn verward.
RÉCHTVAARDIGHEID.
                                        Wy moeten ons zo schikken,
Dat wy met uwe hulp een eind zien van dit wérk.
VOORZIGTIGHEID.
(1130) Vertrouw u op myn zórg; maar laat ons, eer men ’t mérk’,
Vrouw Wil gaan vinden: ook leef ik in groot verlangen
Te hooren hoe gy by den Koning zyt ontfangen,
En wat bevél gy hebt; én pleegen verder raad,
Wat ons te doen staat tót den val van Eigenbaat,
(1135) En alle die met hem de vryheid onderdrukken.
RÉCHTVAARDIGHEID.
Het Eiland Vryekeur moet voor geen Dwingland bukken.
Einde van het Dérde Bedryf.
Continue
[p. 51]
VIERDE BEDRYF.
EERSTE TOONEEL.
RÉCHTVAARDIGHEID, in schyn van Onderzoeking, OPRÉCHTHEID, in schyn van Ontdekking, EIGENBAAT.
RÉCHTVAARDIGHEID.
JA, groote Vórst, ’t is waar; gy moogt verzékerd zyn,
Dat Vleijery, zo wel als Kwaadaard, in wat schyn
Van onderdaanigheid gy hen ook hebt gevonden,
(1140) Het opperste gezag des Konings heeft geschonden,
En met den voet getreên door hun verslaafd misdryf.
Wie ’s Vórsten last niet vólgt, is waardig aan het lyf,
En goed gestraft te zyn.
OPRÉCHTHEID.
                                        De schénders van uw’ wetten,
Zyn schuldig aan den dood.
EIGENBAAT.
                                            Al zacht. Ik zal wel letten,
(1145) Dat niemand myn gezag zal krénken, wees gerust;
Ze zyn reeds vast gezét, is ’t u ligt onbewust.
Maar, zégme, tilt gy niet te zwaar aan deeze zaaken?
Wat zoude ik, Eigenbaat, hier in dit Eiland maaken,
Zo’k my van Vleijery, én Kwaadaard zag beroofd?
(1150) Hun handel is sléchts kwaad, voor die ’t voor kwaad gelooft.
’t Zyn steunpilaaren van myn’ troon; uw onderzoeken
Zal niets ontdekken dat hun trouwheid zal verkloeken.
OPRÉCHTHEID.
O groote Koning, die hier ’t onbepaald gezag
Voert over zinnen van het hoogste, én laagste slach;
(1155) Wat heil, wat voordeel, staat van Kwaadaard u te hoopen
[p. 52]
Naa’t géne u is verhaald? Hy stelt de deur u open
Waar door gy treên zult in uw uitterste verdérf;
Ten zy gy toestaat dat hy om zyn misdaad stérv’.
Zyn naam, karakter, ja zyn’ daaden t’uwer schanden,
(1160) Voorspellen waar de hulk van uw geluk zal stranden.
En, zo ik ’t zeggen durv’, wat is tóch Vleijery,
Ondeugds beminde, én een Slaavin van Tieranny,
Die met haar valsche tong verblindt des Vórsten oogen,
Tót dat hy met berouw zich vindt door haar bedroogen.
EIGENBAAT.
(1165) Dat’s goed voor Prinsen van een laag, gering verstand;
Maar als ik, Eigenbaat, in dit gezégend land,
Daar alles overvloeit van rykdom, wil regeeren,
Gelyk het billyk is, én myn gezag vermeeren
Met onweêrspreekb’re, én gansch onafhank’lyke magt;
(1170) Indien ik ’t géld wil in myn Schatkist zien gebragt
Der Onderdaanen, die naar myn gebóden luist’ren;
De Zinnen met Vrouw Wil in slaafsche boeijen kluist’ren;
Het Oorlog voeren, én myn moogendheid doen zien;
In andre landen met myn Scepter zélf gebien,
(1175) En vreemde Vórsten door myn groote magt beteug’len;
De Inwoonders van myn Ryk blinddoeken, én hunn’ vleug’len
Zodaanig fnuiken, dat ze zyn van kracht beroofd;
Hen dwingen, dat zy met een néérgeboogen hoofd,
Zich onderwérpen aan myn goede, óf kwaade wetten.
(1180) Hoe waar ’t my mogelyk die zaaken voort te zetten,
Indien ik Vleijery, én Kwaadaard bragt ter dood?
Bekennen zy hunn’ schuld, hunn’ diensten zyn zeer groot,
Zal ik voor de eerste reis, hunn’ misdaad ligt vergeeven.
RÉCHTVAARDGHEID.
Gy wordt, ô Kroon Monarch van yd’le vrees gedreeven:
(1185) Ik ken my zélf bekwaam om te onderzoeken, al
Het géne’er in uw hóf, én ’t Ryk gebeuren zal.
[p. 53]
OPRÉCHTHEID.
Al wat deeze onderzoekt, zal ik uw trouw ontdekken,
Dan kunt gy zien óf ’t u tót schaade, óf heil kan strekken,
En vólgen uw belang.
EIGENBAAT.
                                        Uw reed’nen zo vol kracht,
(1190) Zo bondig, én gegrond, beneemen my de magt
Om u te wéderstaan. Doet Kwaadaard dan straks dooden
Met Vleijery; ’t wordt u door Eigenbaat gebooden.
Gy kunt, zo dra gy wilt, volvoeren myn bevél.
Hun snood gedrag verdient dat dood’lyk nootlót wél;
(1195) Vermits zy trouweloos de Zinnen overgaven.
RÉCHTVAARDGHEID.
Zo zien we, ô Koning, u op ’t Vórst’lyk voetspoor draaven.
Wy zullen échter, eer wy hun vergiftig bloed
Nóch pléngen, acht slaan, óf ’t boosaardige gemoed
Het één óf ’t ander kwaad van binnen houdt beslooten.
EIGENBAAT.
(1200) Doet zo om Eigenbaat, myn waarde gunstgenooten.
’k Verlang reeds na den tyd, dat gy het hebt verricht,
En ben verwonnen door uw vriendelyk gezicht.
Uw oogen flikk’ren als den gloed der Diamanten,
Die midden in myn hart de liefde een’ zétel planten.
(1205) Uw mond, wiens eêl geluid myn oor terstond beviel,
Blaast zélfs de vlammen aan in myn verliefde ziel.
Ik wil de wierook van myn min op ’t outer spreijen,
Daar ik my voel door uwe aantreklykheên geleijen.
Denkt nu óf Eigenbaat u niet op ’t hoogste viert.
(1210) Ik wénschte dat gy nooit van my gescheiden wierd.
RÉCHTVAARDGHEID.
Gy doet door deeze taal, ô Vorst, onz’ kaaken bloozen.
EIGENBAAT.
ô Neen! gy siert uw wang, uit éd’le schaamt’, met roozen,
[p. 54]
En gloeijend purper, op een wit albaste grond.
Ei gun my dat ik tóch uw roode’ én purpren mond,
(1215) Eer gy vertrékt, mag met een lieve kus genaaken,
Om de Ambrozyne vocht, én Nektardauw te smaaken.
Dat vocht, dien dauw, die langs uw lippen néderdruipt,
Terwyl het liefdevuur door all’ myn’ léden kruipt.
OPRÉCHTHEID.
Hou stand, ô Vorst! bedwing de vlam, die door uwe ád’ren
(1220) Zo stérk én driftig speelt; ’k zie Ondeugd herwaards nâd’ren,
Hy mogt aan Staatkunde eens ontdekken ’t geen hy zag.
Den last die uw bevél op onze schoud’ren lag,
Zal ondertusschen door ons worden waargenomen,
En wy, zodra het zal verricht zyn, wéderkomen.
(1225) Wy willen ons geenzins, ô Koning Eigenbaat,
Ontrekken van die eer.
EIGENBAAT.
                                        Myn ziel gaat waar gy gaat;
Zy vólgt u op het spoor, én zal niet herwaards keeren,
Voor gy my wéder met uw byzyn zult vereeren.
TWÉDE TOONEEL.
ONDEUGD, EIGENBAAT.
ONDEUGD.
,,ZO wordt men dagelyks nóch meêr én meêr geleerd.
(1230) Heeft u de liefde, ô Vórst! zo kragtig overheerd?
Bant gy Staatkunde dan zo haast uit uw’ gedachten?
Kunt gy die groote Vrouw dus smaadelyk verachten,
Door nieuwen minnegloed? Ik sta gelyk verstomd,
Dat gy aan onbekénde uwe liefde schénken komt,
(1235) Dus lós én onbedacht? Zy hebben haare voeten
Nóch pas in ’t hóf gezét, óf gy komt haar begroeten,
[p. 55]
Als Lievelingen, én vereert haar met uw min.
Zy hebben reeds gezag op uw verliefden zin,
En ’t nét u over ’t hoofd, Grootmogend Vórst, ’t zyn zaaken
(1240) Die’k niet begrypen kan.
EIGENBAAT.
                                        Nóch u in ’t minst ook raaken,
Nóch hind’ren kunnen: want al wat door Eigenbaat
Verricht wordt, strékt een wét voor Ondeugd, voor den Staat.
En mits gy my hier kwaamt ondeugend te bespieden,
Zal ik u iets, dat ook ondeugend is, gebieden.
(1245) Maar zo gy niet volbréngt het géne ik u beveel,
Valt u myne ongenade, én haat, én straf ten deel.
ONDEUGD.
Myn Vórst gebie sléchts, ik zal zonder my te ontroeren,
Uw’ last, hoe kwaad ze ook is, met groote lust, volvoeren.
EIGENBAAT.
Wel gaa dan spoedig heên: want zulks vereischt de nood,
(1250) En bréng Staatkunde aanstonds, op myn bevél, ter dood.
ONDEUGD.
Staatkunde uw Vrouw ter dood?
EIGENBAAT.
                                                Ik ly geen tégenspreeken:
Zy neemt te veel gezags.
ONDEUGD.
                                    Dorst ik, ô Vórst, u smeeken,
En was ik niet bevreesd voor gramschap, straf, én hoôn...
EIGENBAAT.
Doe zonder tyd verzuim het géne u wordt geboôn.
(1255) Zy kan my niet meêr in myn ryksbelangen stutten,
Nu Onderzoeking én Ontdekking my beschutten.
[p. 56]
DÉRDE TOONEEL.
ONDEUGD, alleen.
WAt staat my, Ondeugd, bést te doen in dit geval?
’k Vrees, zo ik ’t uitvoer, dat my niet als laster zal
Ontmoeten in het Hóf; deez’ daad zal élk mishaagen.
(1260) Zal ik op zyn bevél haar ziel ter rompe uit jaagen?
My deert, Staatkunde, uw lót! Waar kryg ik raad, óf vrind?
’k Ben als een vreemd’ling die zich op een kruis pad vindt,
Verlégen, én benard wat wég hy zal verkiezen.
’t Is noodig, wil ik niet des Konings gunst verliezen,
(1265) Dat ik zyn’ last volbrénge, eer zyne gramschap blaakt,
En met Staatkunde een eind van myne dagen maakt.
’t Voegt Ondeugd échter ’t bést. Wat kan het hem verscheelen
Hoe’t gaat, als hy sléchts mag zyn persoonaadje speelen!
Geen nood, ik gaa dan heen. Maar zacht! daar komt Bedróg
(1270) Met Vrouw Schynheiligheid.
VIERDE TOONEEL.
ONDEUGD, SCHYNHEILIGHEID, BEDRÓG.
ONDEUGD.
                                    WElhoe! dus droevig?
SCHYNHEILIGHEID.
                                                                            Och!
Och Ondeugd! hebt ge nóch het onheil niet vernomen,
Dat Kwaadaard, óch myn man! straks over is gekomen,
[p. 57]
Met Jufvrouw Vleijery?
BEDRÓG.
                                        Ach! ach, myn liefste Vrouw!
SCHYNHEILIGHEID.
Ze zyn helaas!...
ONDEUGD.
                            Wel wat?
SCHYNHEILIGHEID.
                                            Waar is de liefde, én trouw!
ONDEUGD.
(1275) Nu, haast u: want ik heb u beide ook iets te ontdekken.
SCHYNHEILIGHEID.
Ze zyn beide om den hals gebragt!
ONDEUGD.
                                                        Kunt gy ontdekken
Door wie? waarom? én hoe?
SCHYNHEILIGHEID.
                                                    O bittre tégenspoed!
BEDRÓG.
Door Onderzoeking, én Ontdekking.
ONDEUGD.
                                                            Hélsch gebroed!
Maar was ’t niet mogelyk dat opzét te verbreeken?
SCHYNHEILIGHEID.
(1280) ’t Bevél van Eigenbaat durft niemand tégenspreeken.
ONDEUGD.
’t Schynt uit uw réden, óf’t door ’s Konings órder was.
BEDRÓG.
Zo is ’t.
ONDEUGD.
                Hier schuilt gewis een adder onder ’t gras!
Ik zórg voor grooter kwaad.
SCHYNHEILIGHEID.
                                        Och! Is hier meer te vreezen?
BEDRÓG.
Wat is het Ondeugd, spreek?
[p. 58]
ONDEUGD.
                                        Wat is ’t? Ach, wat zou ’t weezen!
(1285) Vórst Eigenbaat heeft my op ’t allerstérkst’ geboôn,
Dat ik, ô wreed gebod! Staatkunde ook straks zou doôn!
SCHYNHEILIGHEID.
Staatkunde? och vroome vrouw!
BEDRÓG.
                                                Wat is hier van de réden?
ONDEUGD.
Een’ nieuwe minnevlam doorkruipt des Vórsten léden,
Die hy, naar ’t schynt, zo lang Mêvrouw Staatkunde leeft,
(1290) Niet durft ontdekken.
SCHYNHEILIGHEID.
                                Och! indien dit voortgang heeft,
Is ons verdérf na by!
BEDRÓG.
                                    Maar wie is ’t die door liefde
Den Vórst dus schielyk met deez’ nieuwe schicht doorgriefde?
Kent gy haar, die aan ons dit deerlyk onheil zéndt?
ONDEUGD.
Ja kennen! zy zyn ons maar al te wel bekend.
SCHYNHEILIGHEID.
(1295) Wat zegt gy, Ondeugd? ’k wou dat gy haar’ naam sléchts noemde.
BEDRÓG.
Nu, zég dan wie het is.
ONDEUGD.
                                    Zy zyn’t, die ’k straks verdoemde.
BEDRÓG.
Wat hoor ik! ’t is hoog tyd, dat wy dit tégenstaan.
ONDEUGD.
Maar door wat wég tóch?
[p. 59]
VYFDE TOONEEL.
VOORZIGTIGHEID, ONDEUGD, BEDRÓG, SCHYNHEILIGHEID, RÉCHTVAARDIGHEID, in schyn van Onderzoeking, én OPRÉCHTHEID, in schyn van Ontdekking, die zich met Voorzigtigheid verbérgen, om de and’ren te beluisteren.
VOORZIGTIGHEID.
                                    ,,LAat ons wat ter zyde gaan;
,,Wy kunnen, zonder hen, in hun gesprék te stooren,
(1300) ,,Al wat zy zeggen én besluiten, duid’lyk hooren.
ONDEUGD.
Wat raad geeft ons Bedróg, tót stremming van dit kwaad?
BEDRÓG.
Ik ben myn oordeel kwyt.
SCHYNHEILIGHEID.
                                            Dan zyn we in sléchten staat!
ONDEUGD.
Bedénk een middel straks, om door bedriegeryen,
De toevlugt van Bedróg, deez’ harde klip te myen;
(1305) Opdat onz’ veege kiel zich niet te barsten stoot’,
En zinke in ’s afgronds kólk.
BEDRÓG.
                                                Helaas! wy zyn in nood!
’k Staa magteloos om iets tót voordeel te besluiten.
SCHYNHEILIGHEID.
’k Bedénk vast; maar ’k weet ook geen raad dit kwaad te stuiten.
Och, Ondeugd, geef ons raad, én leen ons uwe hand;
(1310) Of anders raakt de Vórst, én wy, gelyk van kant.
ONDEUGD.
Ik denk, én herdénk steeds. Ach! ’t zal my eeuwig rouwen,
[p. 60]
Toen ik voor de eerste maal haar hier kwam aan te schouwen,
Den toegang tót den Vórst niet daad’lyk heb belét;
Zy hadden haaren voet nooit in dit Hóf gezét,
(1315) Tót onzen ondergang. Maar zacht! ’k heb iets verzonnen,
Dat mogelyk ons zal tót redding strekken konnen.
BEDRÓG.
Wat is ’t? Nu zég het draa.
ONDEUGD.
                                                Mêvrouw Arglistigheid,
Die zich van jongs af aan, heeft naarstig toegeleid
Op allerhande slach van dwarsse én slinkse daaden,
(1320) Zal ons in deeze zaak gewis ten bésten raaden:
Zy heeft het grootst’ belang in ’t géne ons dreigt. Indien
Schynheiligheid, vooraf, Vrouw Staatkunde eens ging zien,
En ried haar...
SCHYNHEILIGHEID.
                            ’t Is genoeg.
ONDEUGD.
                                                Onzék’re Zee geruchten,
Die de één tót blydschap wékt, én and’re noopt tót zuchten,
(1325) Ontrusten my; wyl van ’t verspiejagt uitgestuurd,
Tót nóch geen’ tyding komt.
BEDRÓG.
                                        Maak dat uw komst niet duurt.
ZÉSDE TOONEEL.
VOORZIGTIGHEID, OPRÉCHTHEID, in schyn van Ontdekking, RÉCHTVAARDIGHEID, in schyn van Onderzoeking.
VOORZIGTIGHEID.
GAat, gaat sléchts heên, gebruikt Arglistigheid haar streeken;
[p. 61]
Voorzigtigheid zal die wel haast in stukken breeken.
’t Is vér genoeg nu gy bedwélmd staat, én benard
(1330) In uw besluiten. Ach! van vreugde springt my ’t hart!
O Vroome Opréchtheid, én Réchtvaardigheid, myne oogen,
Zien reeds hérstelde Wil verheerlykt, opgetoogen,
En in een hooger staat, als zy te vooren was.
Ziet, myn’ Vriendinnen, ziet in dit myn hélder glas,
(1335) Uw luister ryzen, én uw Vyands glori daalen.
Ziet hoe opréchte Wil in ’t eind zal zeegepraalen,
En haare haaters haast vertreeden met den voet,
En parsen uit hun hart het valsch kwaadaardig bloed.
Ja als de mórgenzon, getooid met gulde glansen,
(1340) Haar hooft ter kimme uitsteekt, én siert de hemeltransen;
Terwyl de vaale nacht voor haaren gloed verdwynt,
En zy al ’t aardryk met haar’ fakkel overschynt;
Zal ook haar Majesteit in ’t oog der vólk’ren blinken,
En haar benyd’ren voor dat hémellicht doen zinken
(1345) In de eeuwig donk’ren poel; de schimmen van Verstand,
En éd’le Deugd, nóch bly ten Rey gaan, hand aan hand.
’t Is nóch een korte wyl, die u belét de trappen
Van dat geluk, zo grootsch, in vryheid, op te stappen.
Maar hoort wat vérder noch van u dient onderstaan....
OPRÉCHTHEID.
(1350) Voorzigtigheid, daar komt het Vloekverwantschap aan,
Met valsche Arglistigheid.
VOORZIGTIGHEID.
                                    Komt, laaten we ons versteeken,
Ik zal u daadelyk van alles nader spreeken.
[p. 62]
ZÉVENDE TOONEEL.
ARGLISTIGHEID, SCHYNHEILIGHEID, ONDEUGD, BEDRÓG.
ARGLISTIGHEID.
IK kan niet peinzen hoe de Vórst zo spoorloos komt,
Dat hy Staatkunde wil vermoorden! ’k staa verstomd
(1355) Om ’t geen gy my verhaalt; én als men ’t récht zal wikken,
Stél ik voor vast, dat ons deez’ doodelyke strikken,
Van Onderzoekinge, én Ontdekking zyn gestéld;
Wier snoode handel niets als ons verdérf voorspélt.
Ze geeven, door haar doen, ons tastelyke blyken,
(1360) Heele andere te zyn, als zy voor ’t oog gelyken:
Want wie aan Eigenbaat zyn kéten is gehécht,
Heeft nooit op Vleijery nóch Kwaadaard toegelégd,
Om hen te dooden; neen, ’t zyn tékens, ’t zyn de mérken
Of van Réchtvaardigheid, óf van Opréchtheids wérken,
(1365) Of ligt van allebei.
SCHYNHEILIGHEID.
                                        Die stoutheid waar te gróf:
Zy zullen haaren voet wel houden buiten ’t hóf.
ARGLISTIGHEID.
Zy zullen, om weêr in haar’ eersten staat te leeven,
Haar ombeschroomelyk in doods gevaar begeeven;
Ons om doen brengen met den Koning, die haar uit
(1370) Het hóf deed’ bannen, én haar schatten gaf tót buit,
En ’t érfrécht innam dat zy by Verstand bezaten,
Met alles wat ze uit dwang ons over moesten laaten.
ONDEUGD.
Mêvrouw, gy tréft de zaak, gelyk die waarlyk is;
Ze zyn ’t, ik hou ’t met u, voorzéker, én gewis;
[p. 63]
(1375) Ze zyn ’t, die in ’t Paleis het zaad van onlust strooijen;
Haar beider aanzicht is vol rimpels, én vol plooijen,
En de opslag van haar oog getuigt ons dat ze ’t zyn.
Dus wordt de Vórst misleid door een’ vermomden schyn.
BEDRÓG.
Zo deeze trekken in haar weezen zyn te vinden,
(1380) Laat échter dan de Vórst dus zinn’loos zich verblinden?
Hem zyn te wel bekénd de plichten van een Vórst,
Die zulk een magtig Ryk op zyne schoud’ren torst,
Dat zyn doordringend oog, ’t verraad niet zou doorgronden...
SCHYNHEILIGHEID.
Wat is een gódloos ménsch vol list, én Hélsche vonden!
BEDRÓG.
(1385) En zou niet Eigenbaat ontaarden van zyn plicht,
Als hy Arglistigheid verlaat, én ’t leevenslicht
Van Staatkunde uitdooft?
ARGLISTIGHEID.
                                        Gy hebt dit récht opgenomen.
ONDEUGD.
Stél ’t was zyn voorneem. Hoe dit onheil voorgekomen?
ARGLISTIGHEID.
Ik zal bezórgen dat die pas hem word’ verzét.
(1390) Ik heb nóch pylen in myn’ koker, schérp gewét,
En op den toetsteen van Arglistigheid gesleepen.
Ik zal die nieuwe min haast uit zyn’ boezem zweepen,
Die als een kanker ’t hart door haare vlammen raakt,
En al het ingewand verteert, én doodlyk maakt.
(1395) En zy, die in zyn’ borst deez’ brand van liefde stichten,
Zal ik al bukkende, voor myne magt doen zwichten.
Die staag de Opréchtheid heeft verdrukt én wéderstreeft.
En voor Réchtvaardigheid nóch nooit geboogen heeft;
[p. 64]
Maar vaak beteugeld. En zyn ’t onze Bannelingen,
(1400) Zy zullen, ’k zweer ’t u, haast de jammerzangen zingen.
Het gaa zo ’t wil, ik zal wel weeten óf zy ’t zyn.
Arglistigheid wordt nooit misleid door valsche schyn.
Neen, neen, ’t moet anders gaan, ik laat my zo niet térgen.
Hoor Ondeugd, wil zo lang u érgens hier verbérgen;
(1405) Wees tóch voorzigtig dat u Eigenbaat niet ziet,
Zo lang tót ik hem in zyn oogmérk heb verspied;
Hy mogt u anders ook berooven van het leeven,
Vergramd, omdat gy in gebréke zyt gebleeven
Van uit te voeren zyn gebód; hy is verwoed,
(1410) Gelyk gy weet, wanneer men zyn bevél niet doet.
En ik beloof u, dat Arglistigheid zal maaken,
Dat gy op ’t krachtigst’ weêr zult in zyn gunst geraaken.
ONDEUGD.
Mêvrouw, ik zal my wel verbérgen, zo ’t behoort.
ARGLISTIGHEID.
Daar is hy: Ondeugd, gaa.
ONDEUGD.
                                          Verlaat u op myn woord.
ACHTSTE TOONEEL.
EIGENBAAT, ARGLISTIGHEID, SCHYNHEILIGHEID, BEDRÓG.
EIGENBAAT.
(1415) ’k MEende u, myn Moeder, niet op deeze plaats te groeten.
ARGLISTIGHEID.
Een nieuwe Minnarés dacht gy misschien te ontmoeten.
EIGENBAAT.
Ik weet, Mévrouw, niet, waar op dat gy ’t hebt gemunt.
[p. 65]
ARGLISTIGHEID.
Ei, hou u vry als óf gy ’t niet begrypen kunt.
’k Ben bét érvaaren, én ik heb alreeds geweeten
(1420) Dat u een nieuwe drift van liefde heeft bezéten.
Wat reukeloosheid heeft uwe oogen dus verblind,
Dat ge Onderzoekinge én gehaate Ontdekking mint,
En dus uw plicht vergeet? Vergroot gy dus uw Staaten,
Door nieuwe laffe min, Staatkunde te verlaaten?
(1425) Twé monsters in haar plaats te kiezen, die haar ligt
Niet waardig zyn te zien. Keer, keer weêr tót uw’ plicht,
Ontboei uwe oogen van haar aangebonde kluister
Dat u van ’t licht berooft, én wand’len doet in ’t duister,
Op een onveilig pad daar gy den wég niet kent.
EIGENBAAT.
(1430) Ik ben dat tong geklank, Mêvrouw, heel niet gewénd.
Waar toe die vreemde taal? Kan ik my niet betrouwen,
Myn Ryk, én Troongevaarte op vaste zuilen bouwen,
Wanneer ik ben verzéld van veilig onderzoek,
En trouwe Ontdekking, beide in wysheid éven kloek?
(1435) Kan ik den dienst van die trouwhartigen versmaaden
Zo noodig voor myn staat, die my ten bésten raaden
In al wat my verstrékt tót voordeel, én tót eer,
Gevést op réden; dat Staatkunde nimmermeer
Voor my heeft kunnen doen? Want all’ haar nieuwe vonden,
(1440) Zyn ydel, én gebouwd op wankelbaare gronden.
Hoe dikwils heeft zy ’t spoor door gissingen gemist!
Wel waarom dan met haar myn leevenstyd verkwist,
Die niet in ’t minste kan by myn’ Beminden haalen,
En zélfs bezwyken zou voor ’t licht van haare straalen?
(1445) Dies bid ik, dat gy tóch myn éd’le drift niet wraakt,
Die my vergóden kan.
ARGLISTIGHEID.
                                            Of licht een einde maakt
Met u, wanneer zy ’t staal zal in uw’ boezem drukken,
Als gy begeerig zyt, gewaande vreugd te plukken.
[p. 66]
’k Vrees, zo gy voort gaat, dat een schrikkelyke val
(1450) U néderbonzen, én het Hóf rammeijen zal;
Zo zal die nieuwe vlam van liefde uw wieken zéngen.
Ach! laat uw moeder u op ’t réchte voetspoor bréngen.
EIGENBAAT.
Uw vrees, Mêvrouw, wordt van geen réden ondersteund!
ARGLISTIGHEID.
Het is een wank’lend riet daar uwe liefde op leunt;
(1455) Die liefde die u zal een doosch vergif in schénken.
Uw Mingenooten zyn veel loozer, als gy dénken
Of mérken kunt myn zoon.
EIGENBAAT.
                                        Maar Moeder, gy toont niet
Waar in men blyk óf schyn van haare loosheid ziet.
ARGLISTIGHEID.
Die zal ik u myn zoon, als gy ’t begeert doen hooren.
EIGENBAAT.
(1460) Ik leen daar toe, Mévrouw, gewilliglyk myne ooren.
ARGLISTIGHEID.
Blykt haare loosheid niet, als gy door haaren raad
Zo vér gebragt wordt, dat ge’uw trouwste vrienden haat?
Door haar kwam Vleijery én Kwaadaard om het leeven.
Hebt gy, ô Eigenbaat! door haar geen last gegeeven
(1465) Om Vrouw Staatkunde ook straks te hélpen aan haar dood?
En weet gy wel dat zulks u in den hoogsten nood
Zal bréngen? Ramp op ramp wordt u van haar beschooren.
Het Ryk, én gy, én wy gaan te gelyk verlooren.
En wordt gy nóch hier door haar oogmérk niet gewaar?
(1470) Wy zyn helaas! myn zoon, in ’t uitterste gevaar;
Gelyk een roerloos schip, in ’t barnen van de baaren,
Alle oogenblikken staat ten afgrond neer te vaaren.
Dies zo ge in aller yl geen hulp neemt by der hand,
[p. 67]
Zie ik de Staathulk haast vermorz’len op het strand.
(1475) Het onweer is te nâ, om lang hier mêe te draalen.
EIGENBAAT.
Helaas! wat zal ik doen? myn’ Zinnen zyn aan ’t dwaalen;
Ik staa gelyk bedwelmd, én weet niet wat ik wil.
Myn oordeel, ik bekén ’t, staat voor uw réden stil.
ARGLISTIGHEID.
Laat myn Arglistigheid uw zaak wérkstellig maaken,
(1480) Gy zult straks wêer in rust, én tót u zélf geraaken.
EIGENBAAT.
Vrouw Moeder doe al ’t geen gy ’t nutste, én ’t oorbaarste acht.
ARGLISTIGHEID.
Geloof voor vast dat ik steeds naa uw welstand tracht,
En dat ik u, myn zoon, klaar als den dag zal toonen
Dat in haar schyngewaat heel and’re menschen woonen
(1485) Als gy vertrouwt; dan zal uw schémerend gezicht,
Dat door uw blinde min vervreemd is van het licht,
Geopend worden. Gy zult my niet lang verbeiden
Of ik zal door Bedróg wel haast by u doen leiden
Uw Minnaressen, dóch heel anders opgeschikt
(1490) Als met het schynschoon kleed, waar door gy zyt verstrikt.
EIGENBAAT.
Maar Moeder, vindt gy haar te zyn zo als ze schynen?
ARGLISTIGHEID.
Zo straf my vry’lyk met de onlydelykste pynen
Die ooit tieran bedacht; ik zal den dood met vreugd
Omarmen, zo gy sléchts gerust regeeren meugt.*
EIGENBAAT.
(1495) Gy stélt myn ziel te vréen Mêvrouw, én ’k zal u wachten
Met ongeduld.
ARGLISTIGHEID.
                        Gaa heen.
[p. 68]
NÉGENDE TOONEEL.
ARGLISTIGHEID, SCHYNHEILIGHEID, BEDRÓG.
ARGLISTIGHEID.
                                BEdróg, hélp myn gedachten
Opschérpen. Ondeugd wacht, ’t is tyd dat ik begin.
Schynheiligheid, verlaat my niet myne Aardsgódin:
Wy moeten Eigenbaat onz’ raad’, én bystand geeven,
(1500) En met Staatkunde wêer, in liefde én gunst doen leeven.
TIENDE TOONEEL.
VOORZIGTIGHEID, RÉCHTVAARDIGHEID, in schyn van Onderzoeking, OPRÉCHTHEID, in schyn van Ontdekking,
VOORZIGTIGHEID.
ZY vólge u, tót haar straff’: want Gódsvrucht is naby.
Komt, myn’ getrouwen, vólgt onz’ Vyandin met my,
Eer dat zy u ontdekk’: want ’t geen zy heeft beslooten,
Dient door de Zinnen, én Vrouw Wil, om verr’ gestooten.

Einde van het Vierde Bedryf.
Continue
[p. 69]
VYFDE BEDRYF.
EERSTE TOONEEL,
WIL, VOORZIGTIGHEID, ZINNEN.
WIL.
(1505) OP wakk’re Zinnen, toont uw moed én kloek beleid!
’t Is Wil die’t u verzoekt met vrouw Voorzigtigheid.
Wy zyn reeds half verlóst van all’ de ondraag’bre lasten,
Die wel aan slaaven, maar geen vrygeboor’nen pasten.
De Hémel strydt voor ons; élk moet der Góden gunst
(1510) Zórgvuldig gade slaan: want ménschen hulp, noch kunst
Kan, als men die verzuimt, dien misslag nooit hérstellen.
’t Is tyd dat gy ons komt in ’t lóflyk wérk verzellen;
Opdat de Vryheid, die gy eertyds hier bezat,
Dat onwaardeerlyk goed, die allergrootste schat,
(1515) Die Vryheid dier gekóft, daar steeds Verstand op roemde,
En zich daarvan met récht een’ Schut- én schérmheer noemde,
Hier als voorheene bloeije, én groeije in volle kracht,
Hoe zeer haar Eigenbaat tót wanhoop heeft gebragt!
Ik zal dat Schrikdier in zyn eigen bloed doen zwemmen.
(1520) Zyne uitgebraakte ziel zal myne gramschap temmen.
Hoe kan ik dulden, dat my alles wéderstreeft,
En dat een Aardstieran hier langer wetten geeft?
Neen, ’k zal voor kérker, beul, nóch wreedste pynen vreezen,
En rusten niet, voor dat myn vólk herstéld zal weezen.
VOORZIGTIGHEID.
(1525) Gy yvert; maar te blind: O Wil, neem wat geduld.
’k Vrees dat gy door uw drift ons wérk veryd’len zult.
De Zinnen zullen van uw zyde nimmer wyken:
Onz’ Bondgenooten in hunn’ trouwheid nooit bezwyken.
[p. 70]
Vrouw Vryheid nadert, én gelyk een fiere leeuw
(1530) Komt Krygsvoogd Dapperheid, dat wonder onzer eeuw,
Op de Eilands kusten aan, tót réddinge uwer zaaken.
Laat uwe woede tóch uw ramp niet zwaarder maaken,
En bréng door ongeduld het half-geredde schip
Niet weêr in barning, óf op schaadelyker klip:
(1535) Want zo het strandt door u, doet gy ons alle stranden.
GEHOOR.
Wy zyn in één verstand. Zo lang we door deez’ banden
Van Eendragt trouwelyk ons houden t’saam verknócht
Belooven we u onz’ hulp om ’t haatelyk gedrócht
Dat zich nu vreezen doet, door ’t heilloos schuim van fielen,
(1540) En al zyn snood gevólg, op ’t wreedste te vernielen.
Wy waagen alles voor de Vryheid, én het Récht.
Het gaa hem nimmer wel die ons zyn hulp ontzégt.
Men kryt’ hem uit, men straff’ hem als een landverraader.
WIL.
Myn Zinnen, ’k ben voldaan, ik eisch van u geen nader
(1545) Betuiging van uw trouw. De wraak heerscht in myn hart.
’k Beloof my van uw hulpe eene uitkomst voor myn smart.
Hoe is het moogelyk myn hartstócht te gebieden?
VOORZIGTIGHEID.
Zacht! daar ’s Arglistigheid, zy zoekt ons te verspieden,
Met valsche Staatkunde, ei verschuilen we ons, tót dat
(1550) Ik u het teeken geef dat gy haar beide vat.
TWÉDE TOONEEL.
ARGLISTIGHEID, TROUWELOOSHEID, in schyn van Staatkunde; WIL, ZINNEN, VOORZIGTIGHEID, verborgen.
ARGLISTIGHEID.
VOrstin, ei laat u tóch van my ten bésten raaden.
’t Is Onderzoeking én Ontdekking, want haar daaden
[p. 71]
Voorspellen uwen val, door ’s Konings nieuwe min.
TROUWELOOSHEID.
Maar lieve Arglistigheid beeldt gy u zélf dan in,
(1555) Dat hier Opréchtheid, én Réchtvaardigheid van kleêren
Veranderd, in het hof bedéktelyk verkeeren?
Ze zyn gebannen, neen, dit vindt by my geen schyn.
ARGLISTIGHEID.
Hoe, dénkt gy dan Mêvrouw, dat zy zo loos niet zyn,
Dat ze om Arglistigheid, én Ondeugd bést te ontdekken,
(1560) Geen kleed van and’ren schyn aan ’t lichchaam zouden trekken?
TROUWELOOSHEID.
Haar leevenswyz’ nóchtans voegt kwaalyk aan het hóf:
Ze zyn eenvoudig, hier vindt élk tót veinzen stóf;
Zy konden zonder my, in ’s Konings gunst niet dringen.
Haar doen is slécht, én récht, zulks voegt geen hovelingen.
ARGLISTIGHEID.
(1565) Dus waaren zy wel eer; maar nu, nu zyn ze ’t niet.
Geloof my op myn woord, Vórstin, daar schuilt nóch iet
Waar mêe ze u by den Vórst, al acht ik ’t valsch, betichten.
TROUWELOOSHEID.
My? laas! de loogen mag, al wat zy wil, verdichten;
Ik ben onschuldig.
ARGLISTIGHEID.
                            Daar wordt, door haar list, gezégd
(1570) Dat gy tót zyn verdérf, op uwe luimen légt,
Om zyn Aartsvyand uit onze overzydsche kimmen
Te roepen, opdat gy hier zoudt den troón beklimmen
Alleen.
TROUWELOOSHEID.
          Ik zweer...
ARGLISTIGHEID.
                            Ik kén uw vroom oprécht gemoed,
Dat om uw staatbelang den Vórst nooit naadeel doet:
(1575) Maar ’k weet de smaad die deez’ verbannen’ moesten draagen
[p. 72]
Toen haar Verstand van ’t Hóf door Ondeugd deed verjaagen:
Gy weet wat wrók de wraak in haar uitwérken kan,
En dat Opréchtheid, nóch Réchtvaardigheid zich van
Alle onréchtmaatigheid nooit lieten ongewroken.
(1580) En waantge dat zy nu geen kwaad meer kunnen stooken?
De dood van Vleijery, én Kwaadaard geeft een blyk
Van haar vervloekt besluit. Gy waart al méde een lyk
Was ’t niet door my gestut. Zo ge op ’t gedrag wilt letten
Van Wil, gy zult met my ook buiten twyffel zetten
(1585) Dat zy van de aanhang is, én na haar vryheid tracht.
Ja ’k acht de zinnen reeds al buiten onze magt
Gestéld. Helaas! Vorstin, ik vrees wy zyn verlooren;
Ten zy de Koning wil naar onz’ gebéden hooren.
TROUWELOOSHEID.
Wat hulp van hem, blyft hy verliefd gelyk hy is?
ARGLISTIGHEID.
(1590) Bréng haar door uw gezag in een’ gevangenis
Om ’t leeven, stil, bedékt, én buiten ’s Vórsten kennis.
TROUWELOOSHEID.
Zy doen aan’t hóf veel nut; die daad waar gastvryschennis.
ARGLISTIGHEID.
Geen gastvryschennis als ’t geschiedt uit hoogen nood.
’k Heb Ondeugd op myn hand, die zal wel haast haar’ dood
(1595) Bevórd’ren heimelyk, én romp én ingewanden
In eenen oven doen tót stóf én asch verbranden;
En strooijen uit dat zy voor haar verraad beducht,
Ons, eer men ’t had vermoed, zyn op een schip ontvlugt.
Gy moet uw grootste vreugde in haar verdélging stellen,
(1600) En met onnutte zórg u zelf zo slaafs niet kwellen.
Dat past geene éd’le ziel die ’t hóf belang verstaat:
Want alles wat wy doen, geschiedt om Eigenbaat.
TROUWELOOSHEID.
Mêvrouw, gy vat het wel, vergeef my dit mêedoogen;
’k Wierd door een yd’le drift van liefde nóch bewoogen,
(1605) ’k Dacht om haar’ diensten.
[p. 73]
ARGLISTIGHEID.
                                    Ach! wat diensten? Deeze waan
Maakt haar hoogmoedig... Maar Mêvrouw daar komenze aan.
Vorstin wees op uw hoede, ik zal arglistig passen
Dat wy haar, in de plaats dat zy ’t ons doen, verrassen.
DÉRDE TOONEEL.
RÉCHTVAARDIGHEID, in schyn van Onderzoeking, TROUWELOOSHEID, in schyn van Staatkunde, OPRÉCHTHEID, in schyn van Ontdekking, ARGLISTIGHEID.VOORZIGTIGHEID, WIL, ZINNEN, verschoolen.
RÉCHTVAARDIGHEID.
WY stooren u misschien, Vórstin, in uw reên.
TROUWELOOSHEID.
(1610) Gansch niet Mêvrouwen, wy zyn buiten bézigheên.
Uw komst verheugt ons: want wy raakten daar zo éven
In eene réden twist, die wy aan u verbleeven.
RÉCHTVAARDIGHEID.
Mêvrouw ’t verblydt ons, zo ons oordeel u beviel:
Wat wy beslissen, komt uit eene opréchte ziel.
TROUWELOOSHEID.
(1615) Wy zoeken anders niet; het onrécht baart geen voordeel.
Wie récht &243;f onrécht heeft, staat aan uw beider oordeel.*
’t Geschil bestondt hier in: dat Vrouw Arglistigheid
Réchtvaardigheid beticht, als óf zy was verleid
Door snoode veinzery, én in vermomde klêeren
(1620) Haar’ zuiv’re léden zou bedekken én onteeren,
Om een verhoolen kwaad, door zulk een valschen schyn
Te moogen weeten... maar ik zég het kan niet zyn
Dat in Réchtvaardigheid bedróg zou kunnen woonen.
Wat oordeelt gy?
OPRÉCHTHEID.
                        De nood dwingt dikwils te vertoonen
(1625) Het geen men niet en is, om een gedreigd gevaar
[p. 74]
Te ontwyken; óf somwyl ook in het openbaar
Een kwaad te straffen, dat bezwaarlyk is te ontdekken.
Dus vindt men zich verpligt een schynkleed aan te trekken,
En een geveinst gelaat te ontleenen, om te zien
(1630) Wat in den boezem schuilt van die ons wil verspiên.
TROUWELOOSHEID.
Maar zou Réchtvaardigheid haar dus niet vuil besmetten?
OPRÉCHTHEID.
O neen, het staat haar vry om alles by te zetten
Wat tót haar voordeel dient, opdat zy weeten mag
Het geen ligt anders nooit zou komen aan den dag.
(1635) Het zy men veinze óf niet, wat is’er aan gelégen,
Als iemand zyn belang sléchts heeft naar récht verkreegen,
En onréchtvaardigheid én ondeugd wordt gestuit.
ARGLISTIGHEID.
Mêvrouw, gy zyt misleid, én maakt een slinksch besluit:
Staatkundes zeggen is gegrond én steunt op réden,
(1640) Die zélf Réchtvaardigheid niet béter zou bekleeden;
Opréchtheids oordeel zou niet vaster konnen staan.
TROUWELOOSHEID.
’k Zie u, Mêvrouwen, beide ook voor zodaanig aan.
ARGLISTIGHEID.
Om dit te weeten, moeten we ons gezicht verlichten.
OPRÉCHTHEID.
Zulks zal niet noodig zyn; ’k zal zélf u onderrichten.
(1645) Doemwaarde Arglistigheid, wy zyn het die gy meent,
En hebben deezen schyn, ô heilloos zaad! ontleend,
Om u op ’t onvoorzienste aan ’t lyf te kunnen komen,
En uw vervloekte drift, én valscheid in te toomen.
TROUWELOOSHEID.
Wel hoe! wat’s dit? Bedénk eerst op wat grond gy staat,
OPRÉCHTHEID.
(1650) In een verbasterd hóf, beheerscht van Eigenbaat,
Die Vórst Verstand zyn kroon zo listig heeft ontwrongen,
Toen Wil het slaafsche juk wierdt op den hals gedwongen
[p. 75]
TROUWELOOSHEID.
Durft gy dit, onbeschaamd, ons zeggen in ’t gezigt,
Vervloekte ballingen? Het was des Konings plicht,
(1655) Verstand én Wil, dus straf hunn’ vleugelen te fnuiken,
Opdat hy ’t hoog gezag mogt onbepaald gebruiken.
Toeft harssenloozen, toeft, gy speelt hier met uw lyf.
ARGLISTIGHEID.
Wy gaan aan Eigenbaat ontdekken uw misdryf.
VOORZIGTIGHEID.
Nu is ’t uw tyd.
WIL.
                        Schiet toe, én knévelt haar, ô Zinnen.
GEHOOR.
(1660) Wy zullen ’t oefenen van onze wraak beginnen
Aan u het allereerst’.
WIL.
                                    Bind, bind de handen vast
Op haaren rug.
ARGLISTIGHEID.
                            Hélp, hélp! Réd ons uit overlast!
Gewéld!
WIL.
            Het is vergeefs, uw schreeuwen én uw wroeten.
Réchtvaardigheid, men smyt’ de boeijen aan haar’ voeten,
(1665) En houdze in ’t naast vertrék gevangen, tót dat wy
U vérder al ’t gebroed....
VOORZIGTIGHEID.
                                        Een weinig aan een’ zy.
WIL.
Wie hoor ik?
VOORZIGTIGHEID.
                Gódsvrucht van den Hémel hier gezonden,
Zy heeft Bedróg reeds aan Schynheiligheid gebonden.
[p. 76]
VIERDE TOONEEL.
SCHYNHEILIGHEID, GÓDSVRUCHT, ÓPRÉCHTHEID, WIL, VOORZIGTIGHEID, BEDRÓG.
SCHYNHEILIGHEID.
LAat lós, eer dat gy by den Koning wordt gebrogt
(1670) In haat én ongenade.
GÓDSVRUCHT.
                                    Onzalig kérkgedrócht!
Uw valsche tong besmét de heil’ge tempelzéden,
En schéndt het outerkleed; gy spuuwt met schyngebéden
In ’s Hémels aangezicht, én drongt my uit myn’ staat.
Wie is uw Koning? zég.
SCHYNHEILIGHEID.
                                        De Grootvórst Eigenbaat.
GÓDSVRUCHT.
(1675) Ik heb hem nooit érkénd, én ’k zal hem nimmer eeren.
Vrouw Wil plagt my voorheén gestadig te regeeren
Door Deugd én Vórst Verstand; én ’k vólg nóch hunn’ geboôn.
Waar schuilt ge, ô Wil? Of zyt gy Gódsvrucht hier ontvloôn?
Ik zal met myn’ gebeên, verzéld van droevig smeeken,
(1680) Alleen, om uwent wil, door lucht én wolken breeken.
OPRÉCHTHEID.
Gy komt ter goeder uur, daar staat getrouwe Wil.
GÓDSVRUCHT.
Myn’ Wil, na wien ik lang vergeefs, bedrukt, én stil
Gewénscht heb, zal ik u nu eind’lyk vinden moogen?
Waar zyt gy, waardste kind? De zwakheid van myne oogen,
(1685) Veroorzaakt door geween, belét my u te zien.
Kom, welgeliefde Wil, omhéls my, wil niet vliên.
[p. 77]l
Ik dank den Hémel, die my, na langwylig treuren,
Dit onverwacht geluk nóch eind’lyk doet gebeuren.
VYFDE TOONEEL.
WIL, VOORZIGTIGHEID, GÓDSVRUCHT, OPRÉCHTHEID, SCHYNHEILIGHEID, BEDRÓG, RÉCHTVAARDIGHEID, ZINNEN.
WIL.
REchtvaardigheid, men neem’ haar deez’ gevang’nen af,
(1690) En sluitze ook op, tót dat ik hen gelyk’lyk straff’.
ZÉSDE TOONEEL.
VOORZIGTIGHEID, ONDEUGD, ARGLISTIGHEID, TROUWELOOSHEID, WIL, ZINNEN, OPRÉCHTHEID, RÉCHTVAARDIGHEID, GÓDSVRUCHT.
VOORZIGTIGHEID.
EI zie met wélk een vreez’ komt Ondeugd aangeronnen?
Hy brengt iets goeds, én schynt van droefheid overwonnen.
ONDEUGD.
Ach Trouweloosheid! Ach, geächte Arglistigheid!
Nu is onze aller hoop geheel in de asch geleid!
ARGLISTIGHEID, van binnen.
(1695) Ach! réd ons Ondeugd! ach! wat maakt u dus verslagen?
ONDEUGD.
Rampzaal’ge dag! niet waard om in ’t getal der dagen
Gestéld te zyn, wat ramp ontdékt ge aan ons gezicht!
Vrouw Vryheid naderde, gelyk een snelle schicht
Die van de peezen snort, met ruim vyfhonderd kielen,
(1700) Door ’t schuiment pékel hêen, volprópt van kloeke zielen.
De vlaggen praalen met Hérstellinge, én Geloof.
[p. 78]
Men zag zyne oogen blind, én de ooren wierden doof
Door ’t wélkom juichchen van onz’ trouw’looze onderdaanen.
Zy plantte op ’t hoofdkasteel haar trótse standaardvaanen,
(1705) Eer Eigenbaat het wist. De wimpels waaijen van
De Tempeltranssen. Ach! wat spyt! wat ramp! Wie kan
Uitdrukken hoe de Vórst benard was, én verlégen.
Hy met zyn krygsvólk stapt den Vyand moedig tégen,
Om, waar’ het mogelyk, te stuiten zyn gewéld;
(1710) Maar Dapperheid had hen welhaast ter nêer gevéld.
Deez’ kwam Vórst Eigenbaat zo stark op ’t lyf gedrongen,
Dat hy het naauw’lyks nóch door ’t vlugten is ontsprongen;
Maar had de Vyand hem niet aan het strand betrapt,
Was hy ’t met kroon én staf nóch in een boot ontsnapt.
(1715) Nu vlugt hy herwaards aan, én laat, in alle hoeken,
Na Vrouw Arglistigheid, én na Staatkunde zoeken,
Om raad te vraagen in zyn’ jammerlyken staat.
TROUWELOOSHEID, van binnen.
Helaas! een weêrloos ménsch is immers buiten raad!
Kom, zie de boeijen die ons hier dus deerlyk knellen!
ONDEUGD
(1720) Onlyd’lyk schélmstuk! ’k zal my daar zo tégen stellen,
Dat al het Eiland van myn’ wraak getuigen zal.
Maar wie’s hier de oorzaak van dit heilloos ongeval?
WIL,
Zwyg, schénziek booswicht, zwyg. Hoe! durft gy dit nóch vraagen?
’t Geschiedde op myn bevél.
ONDEUGD.
                                              Hoe kan ik dit verdraagen!
(1725) Wat raazerny regeert uw driften? Zyt ge niet
Myne Egtgenoot?
WIL.
                              Ik zég dat gy myn toorn ontziet,
Of....
[p. 79]
ONDEUGD.
            Wat zal ’t zyn?
WIL.
                                    ’t Zal zyn gelyk het was te vooren
Eer Vórst Verstand met Deugd ’t gezag hier had verlooren.
ONDEUGD.
Wat hélscher taal is dit?
WIL.
                                        Op Zinnen, grypt hem aan.
ONDEUGD.
(1730) Hoe! Ondeugd grypen? Neen, dat zal hy wel ontgaan.
ZÉVENDE TOONEEL.
RÉCHTVAARDIGHEID, ONDEUGD, OPRÉCHTHEID, VOORZIGTIGHEID, ZINNEN, GÓDSVRUCHT.
RÉCHTVAARDIGHEID.
DAt zal Réchtvaardigheid u, valsche schélm, beletten.
Staa Monster, zonder hier een voet vandaan te zetten.
ONDEUGD.
Réchtvaardigheid? Ik heb haar nimmermeer gekénd.
RÉCHTVAARDIGHEID.
Niet, eerelooze fielt? Waart gy daar niet omtrént
(1735) Toen Vleijery, én gy, haar uit het hóf verbanden?
Of dacht gy niet dat ge eens zoudt vallen in myn’ handen
Met al u haatlyk rót, vloekwaardig wangedrócht?
ONDEUGD.
Toen heb ik ’t hoog bevél van Eigenbaat volbrógt.
Ik bid u om genâ.
RÉCHTVAARDIGHEID.
                                Dat ’s vruchteloos gebéden.
(1740) Kom voort.
ONDEUGD.
          Ach Eigenbaat! Ach vlugt met vlugge schreeden!
Of zyt gy hier, kom hélp uw Ondeugd uit den nood!
[p. 80]
OPRÉCHTHEID.
Hy vlugt wel; maar hy vlugt onweetende, in zyn’ dood.
ACHTSTE TOONEEL.
EIGENBAAT, WIL, ARGLISTIGHEID, SCHYNHEILIGHEID, BEDRÓG, ONDEUGD, TROUWELOOSHEID, RÉCHTVAARDIGHEID, VOORZIGTIGHEID, OPRÉCHTHEID, GÓDSVRUCHT, ZINNEN.
EIGENBAAT.
REdt, rédt uw’ Koning, ach! myn’ trouwe troonpilaaren!
Myn leeven loopt gevaar! Hélpt my myn Ryk bewaaren,
(1745) Vrouw Vryheid is in ’t hóf; én Dapperheid verwoed,
Vervólgt my, om zyn’ kling te vérwen in myn bloed!
Gedoog niet dat ik voor dit muitend graauw moet bukken.
WIL.
U helpen? Dénk dat niet. ’k Zal myn Gemeente rukken
Uit uwe dwinglandy. Myn’ Zinnen vat hem aan.
(1750) Uw ryk is uit; het is Tieran, met u gedaan.
’k Zal uw trouwloosheid, én myn broeders dood nu wreeken.
EIGENBAAT.
Hoe! Durft gy tégen my zo opgeblaazen spreeken?
Hélpt Staatkunde én Bedrog! Help my Arglistigheid!
Hélp Ondeugd! Wreek, tóch myn’ gehoonde Majesteit!
(1755) Ach hélp, ik ly gewéld! Men zal my hier vermoorden!
Hélp, réd my! breek hunn’ magt! Breek deez’ vervloekte koorden!
Ach myn’ Schynheiligheid! Myn hófwacht, hélp my nu;
Nu is het hélpens tyd!
WIL.
                                    Daar is geen hulp voor u.
Zy zyn zélfs hulpeloos.
[p. 81]
Hier worden Trouweloosheid, Arglistigheid, Schynheiligheid, Ondeugd, én Bedróg, gekluisterd gezien; én Eigenbaat geboeid, by hen gebragt.
EIGENBAAT.
                                    Wat zie ik voor myne oogen!
ARGLISTIGHEID.
(1760) Voorzigtigheid, ô Zoon! heeft u, én ons bedroogen,
Toen zy Opréchtheid, én Réchtvaardigheid, in schyn...
EIGENBAAT.
O duldeloos verdriet! O ramp! ô wee! ô pyn!
ARGLISTIGHEID.
Van Onderzoekinge, én Ontdekking hier deed komen.
EI GENBAAT.
Ach! heeft Arglistigheid die list niet eer vernomen!
SCHYNHEILIGHEID.
(1765) Wordt dan myn heiligheid dus doodelyk gehoond!
BEDRÓG.
Nu zienwe, ô zuster, dat het kwaad zyn meester loont.
EIGENBAAT.
Foei gy verbannene! hoe liet ik dus myn’ zinnen
Vervoeren door uw kunst? Ach spooreloos beminnen!
Wee my, ’k heb myn verdérf, myn’ ondergang gezócht!
ONDEUGD.
(1770) ’t Is uit met ons, ô Vorst!
TROUWELOOSHEID.
                                        Wie had zulks ooit gedócht!
RÉCHTVAARDIGHEID.
Men zal, ô hélsch gebroed! u loon naar wérk bereiden,
Om de afgebrande ziel van ’t lichchaam te doen scheiden.
Hérstélde Koningin, aan u staat dit besluit,
WIL.
’k Laat aan Réchtvaardigheid dat zy het Vonnis uitt’.
RÉCHTVAARDIGHEID.
(1775) Bindt Eigenbaat terstond, met onverbreekb’re banden
Aan deez’gevangenen die met hem t’saamen spanden,
[p. 82]
En wérp hen, tót hunn’ straffe, in den vergeetelkolk
Die rookt van zwaveldamp, én niet als wolk op wolk
Van dikke név’len braakt. Zo moet men ’t ondier teug’len.
(1780) Ik zie de Vryheid komt ons dekken met haar’ vleug’len.
NÉGENDE TOONEEL.
VOORZIGTIGHEID, RÉCHTVAARDIGHEID, WIL, OPRÉCHTHEID, GODSVRUCHT, ZINNEN.
VOORZIGTIGHEID.
DEugdryke Wil, nu gy den troon van Vórst Verstand
Betreeden zult in dit gezeegend Vryeland,
Moet élk zyn deugd, en lóf by’t naageslacht doen bloeijen,
En over al zyn’ roem van Eeuw tót Eeuw doen groeijen.
(1785) Zyn pronkbeeld worde hier zeeghaftig opgerécht;
Opdat élk yv’rig voor de dierb’re Vryheid vécht’,
En afkeer’ ’t slaafsche juk dat de onderdaan zwaar drukte,
Toen élk voor Eigenbaat als voor een’ Afgod bukte.
Dus wordt uw Staat geducht; de Kérkdienst vast gestéld;
(1790) En Overvloed geteeld in weêrwil van ’t Gewéld.
RÉCHTVAARDIGHEID.
Dus zal Verstand, met Deugd, in Wil op nieuws hérleeven.
En Eendragt aan dit land een vollen zeegen geeven.
TIENDE én laatste TOONEEL.
VOORZIGTIGHEID, WIL, OPRÉCHTHEID, RÉCHTVAARDIGHEID, GÓDSVRUCHT, Z1NNEN.VRYHEID, DAPPERHEID, door EENDRAGT verwellekomd. Hun gevólg, zingende, #233;n dansende.
[p. 83]
VOORZIGTIGHEID,
Zingende; ondersteund van het geheele Koor der stemmen, én Instrumenten, voor, én onder het dansen.

O lang gewénschte Heerschappyen!
    Wat rust én zeegen baard gy niet!
(1795)     Geen Eigenbaat, geen dwang-gebied
Vervult het land met schélmeryen.
    Maar ieder onder reine Wil,
Aanbid zyn’ Huisgôon, vroom én stil.

Geen Vyand zal in ’t Eiland dringen,
    (1800) En zetten ’t wêer in vuur én vlamm’.
    Ik zie den ouden Héldenstam
Zeeghaftig Eigenbaat bedwingen.
    Ik zie den landman bly gemoed,
    En élke stad vol overvloed.

(1805) Elk vólgt met vreugd de Vryheids wetten.
    Bedróg wykt voor Opréchtigheid.
    Alle ondeugd wordt het land ontzeid.
Wie zal ’t geluk nu paalen zétten?
    O kleen, maar ryk gezeegend land,
    (1810) Gy houdt de Dwinglandy in band!
Einde van het Vyfde én laatste Bedryf.
Continue
[p. 84]

AAN DEN LEEZER.

HET KUNSTGENOOTSCHAP, onder wiens naam, én Zinspreuk dit Zinnespél ONDERGANG VAN EIGENBAAT (waar van de eerste druk in weinig dagen uitverkóft was) voor de twéde maal, te voorschyn komt; bevonden hebbende dat veele lieden misleid, én bedroogen worden door eenige valsche naadrukken der Erfgenaamen van ALBERT MAGNUS, krielende van drukfouten, én verminkt, én bedorven door het uitlaaten van geheele régels, én gebrekkelyk overal; waarschouwt U. E. nóchmaal te willen letten op de réchte drukken, die alle versiert zyn met het titelpréntje dat daar énkel toe geschikt is, én het réchte zinspreukplaatje, getékent met den naam van G. Lairesse; ook op de twéde, én derde Privilegie van den 14de. Maart, 1692. én den 24ste, der zélver Maand, des jaars 1707; behalven dat ieder exemplaar getékent is met den naam van een Lid uit het Kunstgenootschap.
Wyders moet U. E. in acht neemen, gunstige Leezer, dat’er van de Wérken deezes Kunstgenootschaps, tót deezen dag toe, geene andere gedrukt, nóch hérdrukt, uitgegeeven zyn, als deeze hier onder genoemde boeken.


TIERANNY van EIGENBAAT, Zinnespél.
DE WANHEBBELYKE LIEFDE, Kluchtspél.
ONDERGANG van EIGENBAAT, Zinnespél.
DE VRYER in de KIST, Kluchtspél.
DE GELUKTE LIST, óf BEDROOGE MOF, Blyspél.
DE LISTIGE VRYSTER, Blyspél.
Q. HORATIUS FLACCUS DICHTKUNST.
GEBRU1K én MISBRUIK des TOONEELS, zynde het VERVÓLG van HORATIUS DICHTKUNST.
D.J, JUVENALIS TIENDE BERISPDICHT, Latyn én Duitsch.
TH. VAN KÉMPENS NAAVÓLGING van J. CHRISTUS.
Dit dient tót uw E. onderrichtinge. En dat het Kunstgenootschap zal voortgaan in het verbéteren, verzaamelen, én hérdrukken van hunne Wérken, én van tyd tót tyd ook nieuwe aan den dag bréngen, om uwe liefhebbery voor onze taal én Dichtkunst, wakker te houden. Den 2e. van Januari, 1708.

ONDERGANG

VAN

EIGENBAAT.

ZINNESPÉL.

Uitlegging van de Titelprént.

WIL vertoont haar op den Koninglyken troon van VERSTAND, te vooren ingenomen door de gewéldenaryen van EIGENBAAT, na dat hy VERSTAND én DEUGD, onschuldig om hals geholpen hadt. Zy zit hier zeedig ten toon, in eenen gerusten staat, nu bevryd van het gewéld én de laagen van EIGENBAAT, én alle zyne aanhangeren: én dus op haaren wettigen zétel gevéstigd, noodigt zy de ZINNEN, én alle onderdrukte onderdaanen tót de oude Vryheid. Zy heeft vleugels aan beide de zyden van haar hoofd, én is gekroond met een onrust, ten téken van haare wakkerheid, én geduurige zorgen voor haaren staat. Zy heeft den staf der wysheid én geréchtigheid, gesiert met een open oog, in de hand, én ’s lands wétboek op den schoot: waar op
    VOORZIGTIGHEID, gelaurierd, én raadtsheerlyk gekleed, aan haar zyde staande, wyst; raadende haar, als een getrouwe Raadsvrouw, niets te besluiten tót naadeel der onderdaanen, én de wetten heiliglyk te onderhouden én te handhaaven. Zy toont de Koninginne haaren spiegel der wysheid, omringd met de slang, tót richtinge van haar beleid.
    Aan de andere zyde staat GÓDSVRUCHT, verbeeld op het hoofd met een heilig vuur, én eene Zon op de borst met een vlammend hart in het midden, wyzende met de eene hand, hoe Góds magtige arm moet aangebéden worden; én met de andere, waar in ze de roede des geréchts heeft, hoe KWAADAARD én VLEIJERY, om hunne schélmstukken, réchtvaardiglyk gestraft, op eenen mésthoop, onder de kréngen by de galg leggen, ten prooi van roofvogels én ondieren.
    RÉCHTVAARDIGHEID, weegende de muts der Vryheid, tégens de sabel, scepter én knóds van EIGENBAAT, die te licht bevonden worden, vervolgt met den dégen in de hand EIGENBAAT, SCHYNHEILIGHEID, ARGLISTIGHEID, BEDRÓG, TROUWELOOSHEID, én ONDEUGD, én jaagt hen alle in den vergeetelkólk van Léthe met vuile dampen bezwalkt, daarze plotseling in verzinken.
    EIGENBAAT vertoond zich met boeijen aan de handen, te kennen aan zynen Koninglyken tabbaard, geboord met armynen, én gesiert met kroonen én scepters. Hy heeft den Ryksstaf, waar van het bovenste einde een Roerdompskóp, én het onderste een klaauw van een Nylpaard is, in de hand. De waereldkloot verbeeldt zyne tierannige heerschzucht om het geheele aardryk, gelyk Vryekeur, in eene eeuwige slaverny te bréngen.
    SCHYNHEILIGHEID légt op den voorgrond, verbeeld als een geestelyk persoon in staatig kérkgewaad, met eenen myter op ’t hoofd. Hy steunt met de eene hand kwanswys op de heilige bladen, én tracht zich met de andere, waar in hy een wy-kwast heeft, vergeefs te verweeren tégen RÉCHTVAARDIGHEID, én OPRÉCHTHEID, door wie hy in den poel gestooten is, névens
    ARGLISTIGHEID, wiens geschakeerd, veelvérwig kleed met slangen geborduurd, én met een vossevél omgord is, heeft Serpenten in de eene, én een mom-aangezicht in de andere hand.
    In de zélve straf deelt BEDRÓG; wiens kleed met vishoeken gestikt is; hy heeft een muizeval op ’t hoofd, én een héngelroede in de réchter hand.

Continue

Tekstkritiek:

vs. 369 gunst er staat: gnnst
vs. 413 Kwaadaard er staat: Kwaardaard
vs. 673 met er staat m
vs. 1085 zie er staat: zle
vs. 1494 sléchts er staat: sleéhts
vs. 1616 récht er staat: réeht