De klucht van Ian Hen en juffrouw Sybille. Anoniem, ‘Culemborg’ ca. 1660.
Uitgegeven door Marti Roos
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton110090Ursicula
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.
Continue
[
fol. A1r]

De KLUCHT van

IAN HEN

En JUFFROUW

SYBILLE.

                Heer wat sijnder al Jan Hennen in de Stad!
                ’k Woud’ seker niet, dat ick die naam’ had:
                Maar ’k soud’ my by Minnos laten verdoopen:
                Want de meesten siet men met Hoorens loopen.
                De andere weder die soecken te toonen,
                Dat zy de Mans met Hoorens konnen kroonen:
                Soo dat ick sien moet dat in geen eene JAN,
                Eenigh overblijfsel van deucht wesen kan.


____________________

Gedruct tot Culenburgh,
By Ian Blickslagers Blickdrager, inde Hoender-Straat
inden Gekroonden Os.



[fol. A1v]

                PERSONAGIEN.

JAN HEN.
SYBILLE Huysvrouw van Jan Hen.
TRYN de Meyt van Jan Hen.
FREDERICK Minnaar van Sybille.
THRASO aldernaaste Buurman van Sybille.
MARY de Meyt uyt de Kamp.
FYTGE een Vroet-wijf.
GRIET Meyt van Frederick.
ADVOCAAT.
PRIESTER.
Continue
JAN HEN Uyt.
WEl gort zegent! wat isser te doen in ’n huys-houwen?
Hadd’ ick ’t geweten! ’k hadd’ myn gad wel mogen klouwen,
En sitten op een heeckel, met een molensteen op myn schoot;
Dan dat ick myn selven most steken in sulcken noot:
(5) Want alsmen recht op biegt, wat synder niet hoosen te wassen!
Men dient by winckel te sijn, en op de keucken te passen:
Insonderheyt, als een mensch sulck een slors van een wijff rijt,
Die een heelen dagh niet, als met labben den tijt slijt,
En laet het Huys in bordel loopen, die kol rijster,
(10) ’k Geloof zy haar selfs in-beelt, dat s’ is een Vryster:
Daar ickse soo dickwils in de kam hebb’ gebeten,
Ick geloof immers niet, dat zy nu noch wil weten,
Of den bruy by een ander beter smaackt als by myn:
Want ick denck dat er niemant in de heele Stad sal sijn,
(15) Die beter stouwt als ick, al is hy wat kortjes,
Dat is niet met al, ick geef soo veel meer hortjes.
Gort ick werd’ soo hengstigh, als ick maar hoor praten
Van die zabbery, ’k wouder myn eten voor laaten:
want als ’t hups is, als een Vorst, dan moet hy charasseren, *
* Jan Hens spreeck-woorden.
(20) Dan moet hy eens leven en wacker domineren.
Nu al hoogh genoech; ick moet de meyt eens vraagen:
Waar dat zy soo uyt labben loopt heele daagen,
En waar zy nu al weder heen is gegaan, Trijn, Trijn,
My dunckt dat ghy meer op u eten let als op mijn.
(25) Ghy doet een heelen dagh miet als kacken en eeten,
Of men ’t broot om een duyt koft, daar ’k soo om moet sweten,
Waar is zy weer labben?
[
fol. A2r]
Trijn.                              s’Is by Buur-Vryer gegaan
Op den hoeck: maar naar ick zie, soo komt zy ginder aan.
Jan Hen. ’t Is wel, gaat voort met u werck. wel soete butter-doos,
(30) Komt ghy daar lijmstanck? ick geloof, ghy hebt altoos,
VVel een seer ront gad: want ghy kunt niet duuren
Hier te sitten: maar ghy labt liever by de Buuren,
Of gaat ghy om een snoep-reysje by een hupse quant?
Ghy weet immers wel, dat ick u oock wat in de hant
(35) Kan steken, ghy kont, denck ick, over my niet klaagen:
VVant het endt wil altijt wel de last draagen.
Sybille. Dat’s waar, Jan Hen, meent ghy dat ick soo licht ben als ghy?
Die s’ avonts droncke t’ Huys komt, en roept dan, sta by,
Al wat datter is, dan is het knorren en kijven;
(40) Maar ick meen Vaâr, hadden u sommige VVijven,
Ghy sout anders leeren fluyten. Ja wel ick segt:
De vromen moeten lijden; maar als men ’t overlegt,
De deugt die wort gedruct; maar noyt niet onderdruct
’k Heb oock yets voor-genomen: indien my, dat geluct,
(45) Ick sweere, het mocht u oock wel dickwils rouwen,
Datmen sijn eygen VVijf niet langer wil vertrouwen:
VVat my aangaat, ghy weet wel dat ick in de Kerck,
Tot onse zaligheyt, wel heele dagen werck,
En dat ick dickwils drie of vier uyren achter een,
(50) Myn selve besigh houd’, met stadige gebeen;
Soo dat van myn knien, het heele vel wel afgaat,
Om te krijgen onses Heyligen Vaders Af-laat,
Voor ons, en alle die ellendige zielen,
Die het Vagevuur anders dreygen met haar hielen
(55) Uyt te pissen. VVel nu kont ghy dan wel dencken,
Of uwe woorden myn eere niet en krencken.
Jan Hen. Ja wel hertje lief zie daar, duympjen op, ick sweer,
Dat ick sulcke valsche schelt-woorden nimmermeer
U op leggen zal, en dat ick my zal dragen,
(60) Gelijck ’t een eerlijck Man past sijn Vrouw te behagen.
Nu ’k ga dan uyt, om die saack, daar ick u lest van sprack.
Syb. Ja wel. Kan men oock yemant soo pissen in de sack?
Dat gecken geen broot aten, wat soud’ een saluw’ eeuw geven?
Ghy hadd’ sulcken klucht niet gehoort van u leven:
(65) VVant zy souden dan wat liberaalder wesen,
Als zy nu sijn: want myn narr’ moet ick soo vreesen,
[fol. A2v]
Dat ick de klanten niet eens bier soud’ derven schencken:
Want ’t soud’ hem tot sijn kleyne Jan Hen toe krencken,
En als ick ’t evenwel doe, om dat ick beschaamt ben,
(70) De luyden soo te laten heen gaan, als dien Jan Hen,
Komt hy dan t’ Huys, dat ick op de daat wort betrapp’,
Dan knyst hy aan myn rug, is dat schencken om een lap!
En nypt vast in myn ermen heele blaauwe steën.
Nu hy moeter voor lijden, ick magh dat al heen
(75) Laten gaan: want ick maack, dat hy by eerlijcke lien
Voor een Hoorndrager zal werden geacht en gesien:
Ja laat hy vry een Hoet van dubbelt blick besteën,
Ick zal even wel maacken, dat zy daar door heen
Komen kijcken. Nu ick magh eenmael gaan schrijven
(80) Aan myn lief, en sien of ick soo kan verdryven
Al myn rampen en ellenden.
Trijn uyt.                              Ja wel ick segt:
Die sulck een Jan Gort heeft, die ’t alles soo overlegt,
En beknibbelt tot een duyt, hy isser qualijck aan,
Hy is noyt t’huys, of hy zal altijt by my staan:
(85) En dan is den draat te dick, of dan weer te fijn,
Dan raastet wiel te veel, dan moettet gesmeert sijn,
Dan ist weer ongelijck, dan neemtet niet genoech op,
Dan hebb’ ick myn werck niet gedaan, dan sta ick niet vroech op,
Somma, ’t is nimmer geen deegh, hy soud gaarn hebben,
(90) Dat ick alle morgens ten drie uyren opstont om sijn webben,
En dat ick by een kooltje vuyr in den heugel zou spinnen:
Want, zeyt hy, ghy kont met u wercken geen heele kaars winnen.
Syb. Ist noch niet langh genoech labbekack? soo binter een draat aan.
Ghy rabbelt en raast datmen u niet kan verstaan;
(95) Ick soud’ by na dul en zot worden om u rasen.
Bestelt dese Brief eens, en steecktse door de glasen,
By myn Lief op den hoeck, en klopter eens tegen,
Hy zal myn schrijven, en u doen dan wel overwegen.
Gaat haastelijck.
Trijn.                 Ja wel Vrouw, ick zal dat dan soo doen.
(100) Ick vrees, ick vrees, dattet onsen knys noch zal bevroen,
Dan zalder de drommel te villen wesen, hy magh wel vreesen,
Krijgt hem onsen grim, dat hy een gelubde zal wesen:
Want ’t is een Duyvel van een vent, ja een dubbelde Kater,
Hy pist door twee broecken heen een tobb’ vol water.
[fol. A3r]
(105) Nu wat raect dat my, ick magh gaan doen dat zy my hiet,
Hier ben ick voor het rechte Huys, soo ’t hem aansiet.
Die tydingh heeft hy al wegh, nu ick magh weer naar huys gaan,
En doen myn rapport, dat ick alles hebb’ gedaan,
Gelijck zy my heeft bevolen.



Freder. uyt.                            Heer watte dingen!
(110) Ick kan myn selven nauwlijcx van vreuchden bedwingen.
O Brief! ick moet u evenwel noch eens lesen
Om u zoet-voeligheyt.     Myn weerd’ en noyt volpresen,
Het is onnoodigh noch langer met klachten te achtervolgen myne droeve rampen: het was noch huyden morgen, dat de silte traanen myne wangen bedouden; als ick begost te errinneren, dat U.E. liefde, soo menichmaal aan my bewesen, niet dan door heymelijcke ’t samen-komsten kan vertoont werden; maar Hemel en Aarde zy my getuyge! al waren al de Furien te samen gerot; soo en kan geen hinder-paal sigh oyt vertoonen, om onse liefde in roock te doen verswinden. My aangaande, die tot dit miserabel leven, door het samen koppelen van schijn-heylige Kloppen, aan myne Grim verknocht ben, zal noyt af staan, van liefde toe te eygenen, aan die gene, met welcke de Hemel self getuygt my gebonden te sijn: en wil met gedult afwachten, hoe onse saacke, van welcke wy, naar onse oude gewoonte, op de plaatse en tijt U.E. bekent, sullen handelen, sigh zal toe-dragen.
U.E. altijt in Minblaackende Minnaresse.
                SYBILLE.
Dat sijn woorden vrienden, ja soo soet als suycker!
Dien schelementsen Grim! ’k woud’ dat hem de duycker,
(115) Met syn gantschen aanhangh, woud’ slepen in sijn nest:
Dan soud’ ons Liefdens-Brant noch werden eens gelest,
Nu de tijdt die naact al, ick magh sien hoe zy al vaart,
En ofse knys-kul tot noch toe t’huys heeft bewaart?
Dat gaat er naar toe, hier ben ick dicht by de Kamp
(120) O plaats; daar ick soo dickwils by myn eygen ziel quamp!
Vergeselschapt met haar Buur-vrouw, die vrome ziel!
Met welck ick soo menigmaal, met myn neus in ’t vet viel:
Dats een geesje inder gat al vry diep, die weet van ’t knoopen,
Die zal ons by malkander helpen, al soud’ zy ’t met de doot bekoopen:
(125) Trouwens, zy heefter de slemp voor, als wy in de Kamp vrolijck sijn,
Als wy eens op de groey, van Jan Hens hoorens drincken de wijn;
’tHeugt my dat wy vrolijck waren, dat lippen kleefde,
Met sulck een na-druck, dat de heele tafel beefde,
Daar ginck vry wat om, Ja ick derf het niet seggen;
[fol. A3v]
(130) Want wy gingen holder, bolder, over malkanderen leggen.
Nu ’k magh kloppen, om ’t soet geselschap vande Vrouwen.
Mary. Wie klopt daar? geeft ’t woort.
Fred.                                           ’t Woort is droogscheerders mouwen.
Of anders Vrouwe-broeck.
Mary.                                 Treet vrymoedelijck binnen.
Hoe komt ghy soo laat? ghy had over ’t uyr hier konnen vinnen
(135) U tweede Ziel Voogdes, zy snact het hert aan stuck,
Fred. Ja ick geloof het wel: want die door soo veel druck
Geperst wort van een Grim, nu ’k magh eens by haar gaan,
En sien hoe onse saken nu gelegen staan,
Myn ziel-bekoorster wel, hoe siet ghy dus bedroeft:
(140) Maar ick kan voorwaer wel dencken, dat ghy troost behoeft.
Zie daar is troost, ick sweer by ’t opperste gebiet:
Dat Duyvels noch haar stoet, noch spokery, noch yet,
Ons liefde scheyden sal, ja nu noch nimmermeer;
Ten zy dat zy gescheyden wort door doots begeer.
Syb. (145) Ick houd my aen den Eed, en steun op u beloften.
Zie daar, ick wens dat het huys ter neder plofte
Op myne schouderen; indien ick ontrouw zy.
Maar den Brief, die door de Meyt gekregen hebt van my
Hebt ghy die noch by u?
Fred.                             Ick kan ’t voorwaar niet seggen,
(150) Ja wel ick voelse niet, s’ is ergens blyven leggen.
O doot ick ben in ly! ick moetse eens gaan soecken,
Of sy niet ergens blyven leggen is in eenige hoecken.
Ick zal terstont weer sijn; siet ginder komt myn Neef,
Of hyse gevonden heeft? Ja soo waar als ick leef,
(155) Syn aansicht wijstet uyt, och was ick noyt gebooren!
Och Venus laat u uyl doch nimmer gaan verlooren!
Thraso. U dienaar Cousijn, hoe zijt ghy in ’t soecken dus vlytigh?
Fred. Ja zoud’ ick niet soecken, het is voorwaar spytigh,
Ick heb daar een Brief verloren, daar vry wat in staat,
(160) Ja myn heele gelegentheyt en alles wat my aangaat.
Thraso. Dat is waar guyt als ghy zijt, ghy zijt waart gesneen,
Gelijckmen de ossen doet, op dat ghy niet als voor-heen,
Een anders Vrouwe soect, ô overspeeligen hont!
Dat ick my niet ontsagh, ick sloegh u blaauw en bont,
(165) Dat ghy geen mensch gelijcken sout, is dat geen wonder?
Fred. Wat roertet u? had ick vrouwe-vlees voor, ick hacte daar datelijck onder,
[fol. A4r]
Maar soo wreet niet, als ghy meent, maae in sinceerheyt,
Wie heeft den Brief gevonden, of u dat geseyt?
Thraso. Ick sal ’t verhalen, een seker vrient in de Backersteegh,
(170) Die tot uwent winckel-knecht is geweest, vont die onderweeg,
En lietse my in ’t by-zijn van een Priester lesen:
Op dat wy u mochten waarschouwen, en doen vresen
Voor u Faam.
Fred.             Ist anders niet? ’k beveel u ’t bacchuys te houwen,
Of ick zal u anders eens lustigh af-touwen,
(175) Magh dat niet helpen, zal ick door een Interdict laten verbien,
Dat u stront-kaauwer te roeren niet langer zal geschien.
Nu ’k blijf u Dienaar, ’k magh sien hoe zy al vaart.
Wel goeden dagh hertje, hoe zijt ghy soo ontaart?
Ghy placht soo vrolijck te wesen;
Syb.                                                Wat soud’ ick doen?
(180) Daar ick myn selven met duysent vreesen moet voen.
Wel wat bescheyt brengt ghy nu?
Fred.                                            Ja een slechte maar,
’k Sweer by myn Frederick, dat ick wenste dattet anders waar:
Want Thraso en een Priester isse ter hand gestelt.
Syb. Dacht ick ’t niet wel, ick hebt langh by myn selven gespelt.
(185) Ja wel goe raat dier, wat sullen wy nu beginnen?
Fred. Dat is niet met al, ick zal wel haast wat versinnen.
’k Hebt al: hij weet wel dat wy de selfde neeringh doen,
Ghy sult hem wijs maken, dat ick altemets wat catoen,
Of andere waâren kom koopen, en datter profijt
(190) Van komt; dan zal de Vorst van de Blaauw-Cappel heel verblijt
Meenen dat syn pels nieuw is; soo konnen wy ons roll’ speelen,
En de winst sullen wy met malkanderen deelen.
Wat dunct u? of ick geen raat weet, konje gissen,
En als dat niet voort gaat, wilt dan met u naauw gat syn oogen uyt-pissen.
(195) Nu adieu hertje, noch een kusie, ’k wil niet meer als na drie trachten:
Tot een voorbeelt, datter een magh in gaan, en twee wachten.
Syb. Maar wat of myn ouden Jan Hen zal seggen,
Die zal licht met ’t dronke gad in de luuren leggen.
Nu ’k magh aankloppen. Wel Trijn is Jan Hen t’huys?
Trijn. (200) ’t Is een uyr geleden, quam hy met sulcken gedruys,
Of hy had alles willen opslocken, dien hollebac!
Stracx vraagden hy, waar is Sybill die labbecac?
Syb. Ja wel ick magh wel vreesen: goeden avont man,
[fol. A4v]
Verschoont my doch, dat ghy wat berooft zijt geweest van
(205) Myn presentie.
Jan Hen.                   Dat is seker Truy naauw kous.
Ghy bruyter soo op heen dunct my, goet Seeuws goet rous.
Hoe na hebt ghy weder by Frederick geweest?
Die de man is, na ghy segt, die u best geneest.
Ja wel ick sweert, indien ick u kan betrappen,
(210) Dat ghy ’t geen van beyden aan yemant sult klappen.
Syb. Ick bekent: maar ick hebb’ daar geweest om ons profijt.
Jan Hen. Ghy overloose pry? ghy mocht dat de kat schijt,
Ick placht my met sulcke praat te laten bedriegen:
Maar ghy behoeft my soo niet weer in slaap te wiegen,
(215) Ick wil dat ghy nimmermeer by hem sult verkeeren,
En dat ghy strict sult t’ huys blyven, of ick zalje leeren:
Hoe men sulcke kol-rysters in ’t kolde-school besteet,
Daar zy in plaats van alle nachts, noyt krygen eenen beet.
Syb. Wel saccereertse Jan Hen, ghy magh wel praten van alle nachten;
(220) Ghy laat niet als op Bier en Wyn gaan u gedachten:
Alsser een vaan in ’t lijf is, dan wil men charesseren,
Dan ist hups: maar kont ghy dat spreeckwoort niet leeren?
Dronck mannetje, dronck dingetje, ’t geen een Vrou kon inbrengen,
Doe men zey dat haar Man de nacht woud’ verlengen
(225) Met syn soete Meyt. Maar ick sweer dat ghy niet een nacht
Meer by my slapen sult: want ghy hebt doch geen kracht,
Ghy deuchter niet toe.
Jan Hen.                    Dat wil ick niet gedoogen,
’k Wil my liever ontblooten voor yders oogen.
Komt Trijn, gaat voort haalt Fytge het Vroetwyf,
(230) Seght dat zy soo hier komt, en dat zy moet seer styf
Voortgaan, met al haar toover-boecken en instrumenten:
Want daar zal wat te doen syn, by gort slapperementen!
’t Sal gaan staan, dat lang gehangen heeft, gaat ras voort.
Trijn. ’k Sal doen. Wel wie heeft oyt sulcken klucht gehoort,
(235) Hy zal hem laten schouwen! wel ’k woud om een lief ding,
Dat syn gelegentheyt boven in de schoorsteen hing.
En dat hy ’t my vereerde voor een Nieuwe-Jaar,
Het soud altijdt goet wesen voor myn en voor haar:
Want ick souder myn schoenen me vegen, en voor een pezerick houwen;
(240) En myn Vrouw soud dan met eeren een ander mogen trouwen.
Wel na myn dunct, hier woont die oude toover-hoer
Ick magh eens aanbongsen.
[fol. B1r]
Fytge.                                 Wie ist die daar komt kloppen?
Trijn. Ick ben ’t Moer.
Fytge.                         Ick denck immer niet dat ghy my wilt foppen:
(245) Want u Vrou kan geen kinders krijgen, het kuyltjen is te diep;
Schoon dat Jan Hen twintig-maal op een nacht by sliep.
Trijn. Maer sonder gecken, ghy moet tot onsent komen
Met al u instrumenten, hoe staat ghy soo te droomen?
Ick moet ras t’ huys sijn.
Fytge.                             Wel nu ick ga dan mede,
(250) Heer wat gaater om in de Brouwery van het ront! ô vrede!
’k Verlang myn hert aan stuck, wat of dit seggen wil,
’k Denck niet dat zy door Venus-jancken een quade bil
Gekregen heeft. Dat en geloof ick gantschelijck niet,
Zy moet wat anders schorten, ja wel vrienden siet,
(255) Ick sal ’t afwachten, nu wy sijn hier voor de deur,
Trijn, klopt eens aan, na myn dunct hy komt selfs veur.
Weest gegroet Monsr. Jan Hen, legt my de saack eens open
Waarom dat ghy my, by u hebt laten roepen.
Jan Hen. Wel hoort toe: myn Wijf en ick leggen seer over hoop,
(260) Om dat zy haar selfs, in plaats van ons goet draecht te koop.
By Monsr. Frederick, op den hoeck in die Laecke-winckel,
En zy seyt dat icker niet toe deugh; en dat myn Schinckel
Te dick, en te kort is, en hierom zijt ghy ontboden,
Op dat ghy sien mocht, of my myn krachten sijn ontvloden;
(265) Of wattet schorten magh.
Fytge.                                       Ja wel vaar gaat daar leggen:
Ick zal het u metter haast wel konnen seggen.   
Trijn. Wat isser al te doen om Jan Hen te bekijcken?
Heer hoe besigh is dat Wijf, siet zy hem eens strijcken,
Wat al Crucifixjes! en wat al tooveryen!
(270) Slapperment houw vast, eer hy u zal ontglyen:
Maar wat of desen groenen bril wil beduyden,
’k Geloof dat zy denct, dat hy is van ossen huyden:
Want daar zoud’ zy niet wel door heen sien, of hy schoon
Van alles wel versien vvas, en een bequaam mans-persoon.
Jan Hen. (275) Wel Fijt vvat dunct u?
Fytge.                                          Wat soud’ icker veel af dencken;
Dan mochter niets blyven, ’k zal myn advijs schencken;
Want het is vvat raars, ick moeter op studeren,
Nu ’k vvilje gad bevelen, en vvilt eens sijn leeren.
[fol. B1v]
Syb. Jan Hen, gaat naar bed, ick moet noch Vesperen lesen:
(280) Maar als ick weg ben, soo sal ’t wat anders wesen:
Want ’t journaal deses avonts, moet myn lief noch weten.
Trijn, loopt eens heen, en wil ’t hem van stuck tot stuck afmeten:
Seght dat ick hem wel zal spreken.
Trijn.                                               Ick ga soo heen.
Syb. Ja wel wat wil ick langer op doen hier alleen;
(285) De Meyt zal wel t’huys komen, ick mag my naar bed spoën:
Want zy sal my morgen van alles wel rapport doen.
Jan Hen. Wat is dit te seggen, daar ’s niemant op, wel ick meen:
Dat de luyheyt by velen plaats grijpt, ja by yder een.
Trijn, Trijn, ist mogelijck dat een mensch soo vast kan in slaap raken;
(290) Al benam men haar Maagdom, zy soud niet hooren kraken,
Staat op Pinxterblom, en wilt u Vrouw eens wacker maken,
Segt dat zy uytgaan moet, met twee, drie, stucken laacken.
Trijn. Vrouw, Vrouw, daar is gelegentheyt ghy moet opstaan:
Want ghy moet dicht by Fredericks Huys met Lakens uytgaan.
Syb. (295) Ick kom terstont.
Jan Hen.                             Waar blijft u Vrouw soo langh?
Trijn. s’Is daar, daar komt zy uyt de kamer, zy maackt al gangh.
Jan Hen. Daar mof-kous gaat uyt met die Lakens, maar komt soo weer.
Syb. Men zal doen Jan Hen, maar niet eer als ick selfs begeer.
Dat gaater naar toe, ’k sie myn lief al, dagh beckje,
(300) VVat docht u gisteren avont van sulcken treckje?
Maar segt my nu eens wat wy sullen beginnen:
Of wat middelen dat wy noch souden konnen vinnen,
Om ’t samen te komen?
Fred.                             Ick weet al wederom raat:
VVy sullen Fyt, die Jan Hen geschouden heeft, op de daat
(305) Gaan besoecken, en sien of w’ een Attestaty konnen krijgen,
VVaar by zy tuygt, dat hy onder een Vrouw soud neersijgen,
En diens onbequaam is, tot den Houwelijcken Staat.
Daar is myn Meyt. Griet gaat terstont om een Advocaat,
En segt dat hy hier komt, hy moet een Request schrijven.
Griet. (310) ’k Ga heen.
Fred.                              Daar zal in staan dat hy u niet kan gerijven.
Advoc. U dienaar Frederick, ghy hebt my hier laten haalen:
Apparent denck ick, om ’t Request eens af te maalen,
Daar wy de lestemaal, ’t samen sijnde, van seyden,
Fred. ’t Is soo, ’k zalt met gedult, terwijl ghy schrijft afbeyden.
[fol. B2r]
Den Advocaat geschreven hebbende, spreeckt:
(315) VVel Monsr. gelieft ghy eens te hooren, hoe het luyt;
Om of daar yets in is, dat tegen u borst stuyt.
Aan de E.E. Achtbare Heeren,
Geeftmet alle eerbiedigheyt en reverentie te kennen, Juffr. Sybille Huysvrouwe van Mons. Jan Hen* [* Gewillige Contradictie.] hoe dat zy Suppliante den tijt van acht achter-eenvolgende Jaren metten voornoemden Jan Hen, den Bant des Houwelijcx heeft gecelebreert, van welcke acht jaren zy Suppliante, de eerste zes achter-eenvolgende jaren, door volle contentement de effecten van een Bed-genoot heeft konnen genieten: maar wat aangaat de twee verdere jaren is de Suppliante, door het inkrimpen en al te dick werden van Jan Hens gelegentheyt, vande selfde vruchten berooft, en gelijck de natuur de swackste menschen, gelijck het Vrouwelijck Geslacht, alderstrengst soect te overheeren. Soo ist nootsakelijck, dat zy Supliante haar keere tot U.E.E. Achtbaarheden, considerende, dat soodanigh Houwelijck niet alleen tot de Wettelijcke Man een tegensin causeert: maar oock een prickel soude konnen sijn, om sigh self on onmatigheden te vergrijpen. Soo versoeckt zy Suppliante om dese en andere reden, Wettelijck van den anderen gescheyden te werden mettet Licentieren tot een tweede Houwelijck, twelck doende, &c.
Fred. Myn Heer ’k hoor datter niets in is dat my mishaagt:
Maar zie dattet aan alle kanten sijn reden draagt,
Myn Heer zal ’t eens gelieven te presenteren
(320) En met ’t appoinctement ten eersten te rugh keeren
Om of ’t ghy niet bequam, wy mochten raatslagen,
Hoe onse saack sigh verder zal toedragen,
’k Sal u dan wachten.
Syb.                          ’t Is wonder dat Jan Hen niet om my stiert
VVant naar ick hoor, soo ist voor thienen al gequartiert.
(325) Sulcke ratten sullen wy draeyen, daar magh hy sijn hoorens aanstooten,
Zy souden anders te verr’ uytsteken en te seer vergrooten.
Ick verlangh al hoe onse saack zal uytvallen,
De Heeren sullen haar te berste laggen, over dien mallen
Jan Hen: maar liefste indien ’t tegen ons zin uytviel.
Fred. (330) Dan wist ick al weder raat met die Hooren ziel.
Voor eerst soo dient seer wel dat ghy myn Meyt inhuurt:
VVant ick verseker u datter geen trouwer is in de heele buurt,
Die zal ons ’t samen helpen, het is hem lief of leet,
Ja, ’t is een quant, zy soud’ hem soo veel achten als een scheet,
(335) ’k Zalse eens roepen, Griet hoor hier, ’k moet u wat vragen.
[fol. B2v]
Griet. VVat is dat!
Fred.                     Of ghy u wel heel trouw sout dragen
Ontrent ons, als ghy by Juffrouw Sybille woonde?
Griet. Soud’ ick niet? ’k wed’ ick hem dickwils met vuysten kroonde,
Dat hy geen lust soud’ hebben tegens my aan te gaan.
Syb. (340) Ghy sult myn Meyt sijn, blijft maar op u beloften staan.
Lief, daar is den Advocaat, hy toont een droef gelaat,
Dit zal een teken wesen, dat de saack heel slecht staat,
U Dienares Heer, hoe ist Request uytgevallen?
Adv. Tegen Regten, Regulen,VVetten in allen:
(345) Maar ’k soud u nu raden, dat wy een Priester gingen spreken:
VVant die weten van alle Duyvelsche treken.
Syb. Ick zalder de Meyt stuuren, die zal eens heen vliegen,
Griet, gaat om onse Priester, en wilt beleeft niegen,
Versoect of hy sigh hier gelieft te vertoonen.
Adv. (350) VVy sullen dese saack dan soo by woonen:
VVy sullen hem in schijn van heyligheyt, soo om den thuyn leyden,
Dat als ghy ’t by hem moey zijt, en wilt van hem scheyden,
Dat hy u de helft van ’t goet zal moeten uytreycken;
Daar kunt gy dan altemet een schoone maaltijt in de Kamp, of schapekaesjes uytweycken,
(355) Daar komt de Priester, dat gaat naar Jan Hen met ons drien.
Syb. ’k VVed dat hy ons sagh, hy soud van ons afvlien,   
Gelijck als van de Pest.
Priester.                       Weest gegroet Broeder Jan Hen,
’t Is vreemt dat ick tusschen u beyden noyt veyligh ben:
Daar ick immer soo menichmaal myn best hebbe gedaan;
(360) Ick versoeck dan dat ghy dees condity sult aangaan,
Die d’Heer Advocaat my gecommuniceert heeft.
En die hy daar nu schrijft, in termen heel beleeft.
Jan Hen. Myns halven, ick wil de Geestlijckheyt submitteren,
Want ick ben bewust, dat zy my wel recht zal presteren.
Priest. (365) Mijn Heer hebt ghy gedaan, soo leestse de Comparanten eens voor.
Adv. Ja, ick heb geeyndigt. Vrienden geeft doch wat gehoor:
Compareerden voor my Advocaat van den Hove Provinciaal, en de naar- beschreven getuyge, Mons. Jan Hen Poorter alhier, ende Juffr. Sybille, Echte Luyden, dewelcke verklaarden, om redenen in seker Request geexprimeert, in de bestendigste forme, des doenlijcx sijnde, met malkanderen over een gekomen en veraccordeert te sijn, gelijck zy over een komen en veraccorderen mits-desen; dat den voorschreven Jan Hen nimmermeer sigh zal mogen verstouten, of sijne Huysvrouwe Juffr. Sybille sal mogen vergen om by den anderen te slapen of in- [fol. B3r] dien by desen Contracte quame te overtreden, dat hy Jan Hen sal gehouden sijn sijne Huysvrouwe vrymoediglijck te laten passeren, waar het haar sal gelieven, en boven dien noch moeten uytreycken een gerechte helfte van alle de Goederen, het zy roerende of onroerende actien en credijten egeene uytgesondert, met welcke somme zy Juff. Sybille haar belooft gecontenteert te houden, en sal moeten afstaan. Verbindende zy-luyden hier onder haar Persoonen ende Goederen, submitterende alle Rechten en Rechteren, ende specialijck den Hove Provinciaal, aldus gedaan by de Contrahenten, ter presentie vande Heer Priester, en was onderteyckent,
Jan Hen, Sybille, Priester, Advocaat.
Adv. Wel wat dunct u nu hier van Juffrouw Sybille?
Syb. Ick bekent wy hebbent gekregen naar ons wille.
Nu mijn Heer, wy sullent mettet salaris wel stellen.
Adv. (370) ’tIs goet, ’k blijf u Dienaar.
Syb.                                           Nu ’k moet eens gaan vertellen,
Aan myn Lief, hoe ver de saack sigh heeft toegedragen,
Wel wie heeft van sulck een geck gehoort sijn leven dagen.
Daar staat myn Engel, Soetert, ghy komt wel te passe,
Gaan wy om een schaapekaasje; soo salmen ’t vercken wassen,
(375) Dat de bostels blincken! d’Hemel schijnt gunst te toonen,
Hoort eens. om dat ick hem Hoorens opset, hoe hy my moet loonen:
Hy magh noyt by my slapen, ja niet toe versoecken,
’kMagh heen gaan met de helft van ’t goet, ja selfs tot myn doecken.
Nu ick zal u dan eens een moy les voorhouwen,
(380) Waar op dat ghy magh vast gaan en u selfs vertrouwen,
Gy sult alle avont aen ’tvenster dat op den Dam uytkomt, tweemael kloppen
Dat zal te seggen sijn, of een teecken: doet oppe.
Maer komt ordinaris, als de klock zal elf slaan:
Want ghy weet, dat ick uyt myn, door sijn kamer moet heen gaan
(385) En als ghy vroeger quam, dan mocht hy ons verrassen:
Want ick geloof dat hy nu fel zal op-passen.
Nu ’k blijf u Minnares, ’k kan hier niet langer blijven.
Fred. Ick u Getrouwe; ick zal u dan soo gerijven.
O Hemel! wat straf is oyt soo wreet, of ’k hebse moeten smaken?
(390) Ghy doet ons raat te niet, wilt eens u wreetheyt staken.
En denct ick ben een mensch in swackheyt voort-geteelt,
Of ist vermakelijck datmen met ’t schepsel speelt?
Al had ick Atlas schouderen en Hectors Helden-schilt:
’t Is immers niet met al, als ghy maar delgen wilt,
(395) Het maacksel van u hant, hebt meedogen, groote Goon!
Staat af van tegen-sin, en schuwt de bittere hoon,
[fol. B3v]
Gun voorspoet in ons doen, bekrachtigt onse daat.
Nu ’t is lang genoech geklaagt, het wert al vry laat:
Het is lang tijtd, dat ick daar magh henen gaan,
(400) Slapperement! hoe wil icker met myn voorhamer opslaan!
De steel zal wel toegeven; want zy is van elf duym!
Hoe zal ik warmoes hacken in ’t hackbett! ja dattet schuym
Boven de wederzijdse randen sal uytraacken:
Maar ’k versoeck u mont te houden, soo ghy yet hoort kraken.
Hy klopt. (405) ’k Hoor myn Engel al, sie daar staatse in haar hembt.
Syb. Wel Liefje, wel hoe dus, geeft u dat seker soo vremt?
Tast eens door de Traly.
Jan Hen van binnen.     Dat mogt de Duyvel halen.
Fred. Neen soetert als ick binnen ben, zal ’k u betalen.
Jan Hen. O bloet! hoe wil ick u, nu Hoorens leeren planten!
(410) Nu sult ghy sien, hoe zy groeyen aan alle kanten.
Sta Hoerejager sta, nu zal het u gelden,
’k Heb noyt de gelegentheyt soo gehad of selden.
Sie soo! sie soo! soo zal ick u eens recht leeren
VVattet is andere mans vrouwen te onteeren.
Syb. van binnen. (415) Moort! moort! moort! Trijn, Trijn, helpt doch Mons. Frederick,
Of Jan Hen slaat sijn heelen Hamer wel aan stick.
Trijn. Jesus Marie! heeft hy Frederick nu eens voor!
Al viel ick op myn knyen, soo kreeg ick geen gehoor,
Vrouw, myn dunct hy ist ontsnapt.
Syb.                                               Den Hemel zy gelooft!
(420) Dat zy my noch niet gants, van myn hoop heeft berooft.
Ick docht dat hy hem al lang de rest had gegeven.
Jan Hen. Had ick ’t konnen doen, hy hadd’ in’t leven niet gebleven.
Daar ghy Hoer, doet de deur op, ’k wil by u slaapen,
’k Wil voor u poort de wacht houden, hy zal de vreucht niet raapen.
(425) O Kronje! ’t is u schult, dat myn muts in de loop most blijven,
Nu daar morgen de Buuren haar van gerijven:
Het is een teecken dat ick my socht te weeren.
Doet op Duyvelin, of ick sal u mores leeren.
Syb. Set ghy u gat soo hoogh niet, ghy mocht my beschijten,
(430) ’k Woud’ om geen stront in u bakhuys, dat ick so geck was gy soud my verwijten.
Slaapt gerustelijck, neemt het oorkussen in u erm,
Soent het en lict het soo dickwils, tot dat ghy werm
Daar van wert.
Trijn.               Wel wat gaatter al om met de molen?
[fol. B4r]
Het most eens uytbersten: want zy doen niets verholen.
(435) Het was immer noch geen jacht voor de Venus-uylen:
Want die gaan eerst ten twaalve voor by de deur huylen.
Soo moetet eens sijn: want zy is te ritsigh in ’t gat.
Nu wat roertet my, ’k magh naar bedd’ gaan en rusten wat.
Fred. uyt. By gad, hoe was icker gisteren avont aan vast!
(440) Wel! dat ick van dien Jan Hen soo most worden verrast!
Daar komt myn liefsten aan, die moet ick eens verhalen:
Hoeveel te duur dat ick dat gelach moest betalen
’T was of ick in een Hoerhuys was. O mijn Sybille!
Syb. ’K dagt dat hy u te nagt by na levend’ woud’ villen.
Fred. (445) Mijn half hemt en mijn bef is evenwel aan stucken.
Syb. Dat is niet met al, als de rest maar wel wil lucken.
Hy quam met ’t stuck van u bef, voor mijn kamer, en riep, Hoer!
Ist noch niet waar? doet op, of ’k bruy de deur op de vloer.
Hy mach het stuck van u bef op sijn hoet steken,
(450) En gaander med’ proncken als een Triumph-teecken.
Maar hoe sullen wy ons saacken verder beleggen?
Fred. Daar weet ick soo wel raat toe, als tot twee Stuyvers weggen.
Hy moet u de helft geven volgens u voorwaarde:
Ick weet geen beeter raat, als dat gy het soo klaarde,
(455) Te weten: als dat gy u van alles soud versien,
Dat gy de Schult-Boecken soud nemen en van hem af vlien
Syb. Versien! Dat heb’ ick al langh gedaan van te vooren.
O bloet! soud’ ick dien Jan Hen niet door de neus booren?
Hoort een Staaltge. Hy had lest een liberale buy.
(460) ’k Seyd hy soud mijn Pandanten koopen. Wel lieve Truy,
Seyd’ Jan Gad, ick salse u terstont gaan beschicken.
O broer? dagt ick ’k sal u nu voor een goed somm’ licken;
Ick ginck daar stracx voor heen en sprack de luyden aan
Dat al wat hy boodt, sy hem de koop souden toe staan,
(465) En ick soud’ de rest byleggen: soo dat hy meende,
Dat hy maar voor hondert gulden de koop vereende,
Daar sy hondert Rijcxdaalders in ’t geheel beliepen.
Meent gy, dat wy in sulcke gelegentheyt sliepen?
Nu lest noch gaf ick mijn Neef een heele pont groot meer
(470) In ’t schilderen. O! Dat geschiet soo menige keer.
Nu ’k sal dan mijn gat aan de post vande deur schuuren,
En wy sullen onse Griet over en weer stuuren,
Om gedurigh te hooren onse gelegentheyt:
[fol. B4v]
Want gelijck gy wel seght het schijnt een trouwe Meyt.
Fred. (475) Wel liefje, dat is een soentje op het goet succes,
En datw’ eens mogen opseggen ons O, J, O, les.
Syb. Hier med’ adieu.
Fred.                         ’K sal my u gedienstigh thoonen.
Wie soud’ ook by sulcken Saggelaar willen woonen?
Ick geef haar daar gelijck in. Nu ’k hoop, ’t sal wel vergaan:
(480) Want sy was altijt met sugten en droefheyt belaan.
Trijn uyt. Daar wil sy heen gaan, ’t schijnt by na een droom te wesen.
Sy hebben daar even de Mis noch hooren leesen.
Syb. Wat mompelt sy daar weeder, die moer reutels?
Hier hout daar, behandight u Meester dese sleutels.
(485) Ick neem de schult-boecken mee, seght hem goeden dach,
En dat ick by dien Jan Hen niet langer woonen mach.
Trijn. Ja wel. Hy sal hem nu aan zijn wijf niet verhappen.
Hy sal syn hoet als hy ’t hoort met voeten trappen.
Ick mach gaan doen mijn werk eer Jan Hen mijn leeg vint.
(490) En eer hy my van boosheyt met syn tanden verslint.
Fred. ’T is evenwel al tijt dat ick mijn Griet eens heen sen:
Om te sien hoe’t al staat tusschen mijn Lief en Jan Hen.
Griet, Griet, gaat tot Sybils Moeder, en siet hoe sy vaart,
Of sy seer besigh is in’t verschieten van ons kaart.
Griet. (495) Dats gangh. Maar waar of ick hier het huys sal vinden,
Ist niet in dees Papenhoeck, onder dese Linden?
Nu ’k mach aankloppen. Ick hoor haar self voor-komen.
Wel Sybille mijn Meester wilde, dat ick lang had vernomen
Naar uw’en syne saack.
Syb.                               Treed binnen ’k sal’t niet spaaren,
(500) U alles te seggen hoe dat ick ben gevaaren.
Jan Hen uyt. Heer wat komt my over? sy is naar haar moer gebruyt.
En ick sal de helft moeten uyt-reycken, tot een duyt.
Hoe soet dat ick fluyt, sy sal nimmer weder-keeren:
Ja wel ick mach dit eens mijn vrienden Adverteren.
Syb. uyt. (505) Nu Grietge wiltet u Meester alles soo verhaalen.
En dat ’k hem met sulcke munt altijt sal betaalen.
Griet. Seer wel. Heer! wat geschieden der vremde grillen!
Die verbruyde Hoerejagers hebben scherpe brillen!
Sy konnen verr’ sien, nu daar is hy: holla, hy soud wel hooren,
(510) Wel Meester dagt gy niet, dat ick was verlooren?
Fred. Ja inder daat.
[fol. C1r]
Griet.                     Luystert toe nu sult gy eerst klugten
Vernemen: ey let daar op: watte groote vrugten
Van uwe practijck komt. Jan Hen heeft by haar geweest.
De man isser ellendigh aan: hy is soo bevreest,
(515) Dat hy by zijn hielen neer schijt, dien armen bloet!
Hy heeft haar vijf-en-twintig hondert gulden geboon voor haar goet:
Maar sy staat op haar eys, sy wil de helft trekken.
Had gy eens gehoort, hoe dat hy kon trecke-becken?
Och hy sprack soo vriendelijk mijn hertge! mijn liefge?
(520) Ick sal ten minsten noch eens by u te gast gaan, mijn suyker-diefge!
En gy by mijn; als gy dogh immers wil weg blijven.
Strax sy weerom, niemant sal my van die opiny drijven,
Nu noch ten eeuwigen dagen, soo hebt gy nu gehoort:
Hoe sy tegens hem geageert heeft van woort tot woort,
Fred. (525) ’T is wel gaat wederom aan u werk.
Griet.                                                                 ’K sal soo doen.
Heer! wat sijn het simpele menschen, die blicke hoen
Dragen! Doch dat kan men wel mercken uyt Jan Hen,
’k Soud’ anders klaren, ’k ben soo slecht als ick ben,
Ick soud’ haar weer soecken t’huys te krygen met rechten,
(530) En een Italiaansch slot daar voor hangen, maar ’tis sulcken slechten
Jan Hen, dat ick hem soo rade, hy sou ’t weer overbrengen,
En seggen soud’ ick tegen u rechten, ’k zal dat niet gehengen.
Ick besijndese liever met myn mostert moolen,
En setten dat ritsige gad op heete koolen:
(535) Want ’k geloof niet dat sulcken accoort kan kracht raapen;
Waar in de Man verboon wert by sijn Wijf te slaapen:
Want dat gebonnen is, en kan de menseh niet scheyden
Seyt de Mennist, en hy zat met alle beyde
Syn handen in sijn wijfs hayr: maar dat de Schout het Accoort
(540) Kond’ krygen, hy quam den Advocaat wel stracx aen boort,
Om dat hy Crimen laesae Majesteyt heeft begaan:
want ’t ontbinden van den Trou, gaat de Magistraat aan,
Nu ick nemer het myn af naar myn genoegen,
’t VVas te wenschen, dat elck sigh na de tijt kon voegen.
TOE-GIFT.
(545) Beminde Leser, soo u dese Klucht kan smaken:
Soo sal ick hier naar ’t Appendix van de saack maken.
UYT.
[fol. C1v: blanco]
Continue

Tekstkritiek:

In vss. 241-244 is het rijm onregelmatig. Als we ‘toover-hoer’, ‘kloppen’, ‘Moer’ en ‘foppen’ als rijmwoorden beschouwen is het gekruist rijm; in dat geval moet vs. 242b (‘Ick ben ’t Moer’) inspringen en de woorden van Fytge juist niet.