H. van Bulderen: De bedroge dienstmaegd, of verkogte trou. ’s-Gravenhage,1675.
Uitgegeven door drs. G.C. van Uitert
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton016780Ursicula
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue
[
fol. A1r]

DE

BEDROGE

Dienstmaegd

OF

Verkogte Trou.

KLUGT SPEL.

Onlangs voorgevallen in ’s Gravenhage.

Gerijmd door H. van BULDEREN.

[Vignet: fleuron]

In ’sGravenhage, by Johannes Rammazeyn, Boekdrucker wo-
nende in de Wagestraet, In de Boeckdruckrye 1675.



[fol. A1v]

Op de

VERKOGTE TROU,

Gerijmt door

Mr. HENDRICK van BULDEREN.

HIer siet gy Konst en Klugt, en zoete Laggeryen,
En hoe de groene Ieugt te werck gaet in haer Vryen;
    Maer meenig valt te los in ’t bieden van zijn hand:
    Een die te hastig suypt, wel ligt de Mont verbrand.
(5) Gy ziet hoe Ian hier Vryd’, met woorden, Zin en Reden,
En hoe hy om de Meyd heeft weynig tijts gestreden,
    Waer door hy in de Min het hooft wel deeglijck klout.
    Wat Ian gemeenlijck Vryd, dat wert van Piet Getrout.
Wel leert dan Ionge Ieugt het Vryen en het Minnen,
(10) Het is geen kinderspel, met goê bedaerde zinnen;
    Want die te los Bemint, te losse gronden leyt:
    VAN BULD’REN, u dit leert, en in zijn Clugt u zeyt.
Joh. Rammazeyn.



Personagien.

    IAN,
PIET,
} twee Soldaten.
    TRUY, een Dienstmaegt.

Het Toonneel is in ’s Gravenhage, voor het Huys van
    . . . . .   Het Klugtspel begint met den avond, en
    eyndigt ’s anderen daegs ’s avonds.
Continue
[
fol. A2r]

De Bedroge

Dienst-Maeght.

Eerste Uytkomst.

Truy, al zingende veegd de straat, Stem: Helaes mijn Sugjes &c.
        HElaas, helaas, ik ben gewond:
        Aan wie sal ik mijn pijn nu openbaren,
        Het Minnebloet kruypt door mijn aren,
        Comt Cupido, ay, maakt my weer gesond.
        (5) Mijn hart dat blaakt van Minnepijn:
        Helaas, hoe raak ik hier aan Medecijn.
        O groote Goon hebt tog medogen,
            Eer dat gy hier
        My siet verdrogen,
            (10) Door het Minnevier.

            Ach quammer maar een Serviteur,
        Die my ontbon van dese droeve banden,
        Ik sou u met gevouwe handen,
        O Paphos danken voor het soet faveur.
        (15) En so gy langer uytstel maekt,
        So word mijn vreugden in den Echt gestaakt:
        Want ik mijn oogen uyt sal krijten.
            Dus sal ik hier
        Mijn Ieugt verslijten,
            (20) Buyten ’t Minnevier.



Tweede Uytkomste.

Ian, Truy.

WEl Meysjemaat hoe dus vrolijck, of salje de Bruyt wesen?
’k Loof by me keel van ja; wel kind je doet wel datje jou van d’eensaemheyd laat genesen.
Maar seker met verlof ik’et je vraeg, benje al getroud of niet?

Truy.
Wel hey dese Vent! Waar ofje mee voor aansiet?
(25) Weg, weg mijn Vaar, je sult hier niet aen je slag raken.
Ian.
Bloed Meysje (om de waarheyd te seggen) wat hebje suyker soete Kaken.
[fol. A2v]
Truy.
Watje segt, wel hede Keyjeren! de koopluy komen uyt.
Men zoud ’t niet seggen, heeft een kleyn visjen so veel kuyt!

Ian.
Sijt soo spijtig niet, ik meen noch een blaauw scheentje na je te wagen.
(30) Wat dunktje van mijn Trony, so ik je ook kunne behagen?
Speculleert eens op mijn Baerd, hoe fraay is hy geproportioneert.
Wat meer is, hy ruykt aars noch aars of ’er een dozijn pond Pamadies aen was gesmeerd.
En daer en boven ben ik so bevallig van woorden:
Datje jou leven in de wereld geen netter taal hoorden.

(35) Ja ik ben al een kruyjege Vryer al sie’er me niet voor aan,
En wat meer is, ik ben ook van zints om uyt Vryen te gaen.

Truy.
By my niet, want ik ben niet van meening te trouwen.
Ian.
Gort kenje hart moer, weetje jou so beveynst te houwen;
Ik’e niet; ’t schijnt dit gebrek is by de Vrijsters gemeen.

(40) Maar ’t is ’er leet genoeg datze so menigh nagt alleen
(Sonde een soet Poortuur) moeten gaan leggen slapen:
Bloet! ’t is sulk een soete strijd, men behoeft ’er noch schild noch wapen,
Noch Trommel, noch Trompet, o men gaet’er so sagjes me deur.
Doch de Vrouwluy verliesen de strijd, al hebbense een schreefje veur.

(45) En ’t vermaek dat hier onder speeld, is met geen tongen uyt te spreken;
Ik lag met Mavors die de mensch komt naar het leven steken;
Het geen wy Krijgslien in het Leger zijn gewent.
’k Vegt liever in ’t Bedt, daar is geen vyand ontrent.
O! ’t is so zoet: principaal als de vreugt door ’t Houw’lijk is gebonden.

(50) Schoon Cupido dan quest, hy laat geen vuyle wonden.
Wat segje, datje een Man naamt? so waerje van ’t dienen verlost.

Truy.
O neen, ’t is al te grooten kruys te sorgen voor de dagelijcxse kost.
Ik hou het met den vryen staet, al is het een mallancolijck leven,
Ik denk zo lang ik noch Vrijster ben word’ ik van mijn Man niet bekeven.

(55) En hier troost ik my in: Want ik ben een vyand van onrustige menschen.
Ian.
O je zoud je leven geen goeyer persoon wenschen
Als ik ben, want mijn heele Wesen wijst het uyt.
Want d’onrust my ten hoogsten tegens de borst stuyt.
Seker we souwen by me kaar wel accorderen.

Truy.
(60) Seker Jongman, je hoeft het Vryen niet te leren.
Je verstaaje op de saak meer als gemeen.

[fol. A3r]
Ian.
Ja al waerje zo hart als steen, ik salje zo sagt als Butter kneen.
En na my dunkt, zo zie ik al aen uw’ wesen
Dat gy uw wreed gemoet door praten laet genesen.

(65) Nu Moer, je doet wel, me moet tegens de Vryjers zo hart niet zijn.
Of je soud de Goden vertornen; en drie dubb’le pijn
Die je een ander aen doet, op je hals laden.
’k Loof (sonder jocken) datje dit eertijts je over Bestemoer heeft geraden.
Want d’ouwe Luy verstaen’er op de Vryjery.

Truy.
(70) Ja even als een Snyers Jongen op het bakken van een Hoender Pastey.
’k Loofseker datje bend afgeregt om my van avond wat te foppen.

Ian.
O excutseerd me, ’k wenste liever terstond mijn mond te stoppen
En te swijgen, als een Wever die zijn broek heeft bestruijft.

Truy.
Ey je babbeld even als een Gek die aen een Schonkel kluyfd.
Ian.
(75) Dats geafronsteert, al evenwel korragie, gevrijd op de nieuwe moden.
Truy.
Sus, sus, ’t hoofd doet me al seer, ’k hebje Vryen niet van noden.
Vertreckt met je malle kueren, en steld je hoofd wat gerust.

Ian.
Ey met verlof, ik ben ten hoogste belust
Op uw’lieffelijke gebloosde Wangen.

Truy.
(80) Komt niet nader of uw bakhuys sal vliegen vangen.
Ian.
Hoe, benje zo quaed? nou, laet’et je doen.
Truy.
Hier Poes, Poes, de Vrijer is verliefd op een zoen.
Neen Vaer, van avond niet, mijn tijd is verschenen.

Ian.
Dats zo veel te seggen, als Monseur Vrijer daersje paspoort gaet vry henen.
(85) Maer ’t is noch tijds genoeg, onse saken dienen eerst wat vaster te staen.
Nou alle dingen overgeslagen, hoe staet u mijn persoon al aen?
’k Ik vertrouw niet of je hebt wel een beetje zin in mijn Facy
En naer my dunckt zo sta ik als vry wat in je gracy.
Nu resteert’er maer een woord uyt uw Coralemond.

(90) So dat uw Servituer die zo fel in ’t hart is gewond
U ootmoedig smeekt, datje doch een eynde van zijn elende wild maken.
Nu, laet’er een zoet woortje vloeyen uyt uw Ambrozijne kaken.

[fol. A3v]
Truy.
Je bend, naer my dunkt, tegenwoordig Trouwens gesind:
Meenje dat de Vrijsters ten eersten Ja seggen als de Vrijery begind;

(95) O neen, de luyster van een Maegd, die kan zo ras niet breken.
Ian.
Tut, tut, wat hoeftmen zijn selven in moeyelijkheyd te steken:
Als men ’t voorby kan; want de Vrijery is een stadig verdriet.
’t Moet hier me gaen als een Wildschut die naer een Vogel schiet.
Heet van den Rooster, wat of niet, wou men daer lang staen drygen,

(100) Men zou ondertusschen, door de lust diemen tot de Vogel heeft, de Rotterdamse koors wel krygen.
Niet beter als reroluit* uyt de borst, geseyd zo als men ’t meend.
En wat dunkje zou’er wel ymand zo versteend
By de Dochters zijn, die my hier sal tegen spreken;
Ik loof van neen, want dit is een middel voor toekomende gebreken.

(105) En in dien dit by yder wierd geobserveert,
Daer wierden zo veel Minnaers door Liefde niet zot gestudeert.
O malle kueren, dat men de Liefde zo diep in zijn boesem laet kruypen,
Dat men daer naer gequeld is met een hoofd vol malle stuypen,
Alleen om de gunst van d’een of d’andere Meyd,

(110) Die dikwils door een Harsenloose Minnaer niet naer de kunst is gevryd.
Naer de kunst gevryd, wort zodanigh opgenomen
Datmen de Liefde niet eer laet in zijn boezem stromen,
Voor datmen ziet dat men voor een blawe scheen is bevryd.
Of anders word men zo heerlijk voor zijn fouten gekastijd.

(115) Eer dat dan de Liefde (die hier ten deel zijn begin heeft gekregen)
Mijn hart door Venes Soon met pijlen heeft door regen,
Dien ik eerst te weten of je tot het Trouwen kund verstaen;
So niet, moet de begonne Liefde weer uyt de gedagten gaen.
Wat zegje dan? Met een woord, kunjer toe resolveren?

(120) So sullewe op de koop de keel eens braef gaen smeren.
Truy.
Ja wel, of ik langer veyns of niet, het hooge woord moet’er uyt.
Want langer alleen te slapen, is een saek die my wat tegen de borst stuyt.
En als ik’et over denk, zal ik met dienen niet veel opsteken.
En daer by heeftmen noch te hooren het knorren en qualijk spreken

(125) Van het volk daer me by woond; neen, ik geef het dienen de sak:
Want nou ik het ter degen over denk is’et een lastig pak.
Beter selver vrou te zijn, en verlost van het eensaem leven.

Ian.
Wel ik ben te vreen, hier op sal ik je een Troustuk geven.
Sie daer mijn laetste Potstukje, tot bewijs van regte Trouw;

(130) En geen vroom Soldaet, zo ik mijn woord niet en houw.
[fol. A4r]
Truy.
De Gift, schoon se kleyn is word van my in dank ontfangen.
En tot een teken van weder Liefde, zal ik u ook een Trouwstuk langen.
Sie daer mijn Kouseband, benje daer me te vreen?
Schoon de gift niet veel is, ’t is egter tot bewijs dat ik het meen.

Ian.
(135) Ja, ja, al spuls genoeg; kom, ik mag’er mijn broek me binden;
Of in plaats van Silverdraet om ’t Gevest van mijn Degen winden.

Practica et multeplex, Krijgslien verstaen’er op de saek.
Truy.
Ja wel het is al over tijt dat ik het eten ree maek.
Excutseert me, wy sullen morgen vorder van de saek praten.

Ian.
(140) Verstajet zo, we sullent hier by laten.
Ik wensje dan goe nagt; maer holla, hier most een Soen opstaen.
Dat smaekt! wel nu zo als’t geseyd is, ik spreek u morgen weder aen.

Ian alleen.
Dat ’s een Vrijery, wie soud zijn dagen versinnen;
Maer al evenwel, ik slegten bloed, wat mach ik gaen beginnen,

(145) Dat ik me zo vast verbin aen de Mijd;
Kennis te maken, te verloven, Trouw te geven, in geen half uur gevrijd!
Dat kan ik niet verstaen, dat Nimfje moet zo pluys niet wesen.
Sou ik gaen Trouwen, en also in een stadig verdriet wesen.
Neen, neen, ’k wed ik zo mal niet sal zijn.

(150) Van Wijf, en Kinderen gequeld te worden: Holla! ik trek niet aen die lijn.
Sou ik het gelel van ’t Wijf hebben aen mijn ooren,
Daer ik gewend ben gesuykerde woordetjes te hooren
Van de Meysjes, daer ik daeg’lijkx me conferseer:
Neen, byget niet. Maer had de Meyd de Kouseband weer,

(155) ’k Souse by me keel me leven niet weer aenspreken.
En al evenwel ik bender aen vast, de kans is verkeken.
Wat raed, ik bender te schendig aen vast:
En ik zie geen kans om my te wentelen uyt dese last.
Wel droevige Vrijagie! Het sweet begint me al uyt te breken*.

(160) Dat ik de koors niet en krijg, want mijn tong beeft zo, dat ik nawelijkx kan spreken.
Ja wel,
nil niesje in Contsilio, is goet kruijd, dat beproef ik in dese staet.
Et ego, non habet pecuniam, dat is te slegt, en verkoeld in den hoogsten graed
’t Sal best zijn dat ik wat kuijer om mijn verstand by een te garen:
En d’eerste kennis die my ontmoet, sal ik mijn ongeval openbaren.




[fol. A4v]

Derde Uytkoomste.

Piet al Singende,

            (165) BEn ik krom, Ben ik stom,
            Ben ick beschonken:
            ’k Ga gerust Na mijn lust
            Leggen en ronken.
            Geen Koning leeft’er zo vol van behagen.
            (170) Ik acht’er geen Scepter voor sulke dagen.

Ja wel, ik heb’et van daeg te schendig verbruyd.
En ga ik naer huys, mijn Slaepvrouw stoot me de deur uyt,
En dat, om dat ik geen kans weet om mijn slaepgelt te betalen.
Wel de Drommel, seg ik, moet de Rosolis halen.

(175) Want die maakt ne byget zo kael als* een Luys
’t Is byme keel slimmer of ik uyt een hoer huys
Of Broddeel tegenwoordig quam laveren;
Want se hebben me by na niet laten houwen als mijn onnosele kleren.
En te nawer noot dat ik mijn Degen noch heb gesalueerd;

(180) Want het stond zus of zo, of ik hadze me in de Rosolis verteerd.
O verbruyde Koggel kroegen, Waerden en Waerdinnen;
Opgepronkte, en afgerede Godinnen;
Gy zijt waerd, dat Pluto, Serberes, en Radamand
(Want een is niet genoeg, om dit gespuys te helpen van kant)

(185) Al haer inventien, en kragten by een spannen,
Om u voor eeuwig uyt de wereld te bannen.
Want dit zijn de slimste pesten die’er op ’t Aerdrijk zijn.
Voor eerst de Koggel kroegen, daer men Bier en Wijn
En noch meer andere dronkemans vermaek kan vinden,

(190) Sijn slimmer als het monster Minotaurus, om menschen te verslinden;
Want door het geselschap dat daer den vryen toom geniet,
En in schijn van vreugd, haer steken in ’t verdriet,
Hebben de Waerden en Waerdinnen een gemaklijk en godloos leven.
En de Hoeren die men dikwils, als Muggen, door het huys siet sweven

(195) Sijn regte aenlegtsels tot alle quaed.
Nu sou ik tot mijn selven mogen seggen, hoe benje zo gek datj’er na toe gaet?
Op dese vraeg zou ik qualijk antwoord weten te geven.
Doch het schijnt dat de Mens een Wil heeft, daer hy na moet leven;
En dit is een gebrek oorspronkkelijk uyt de Natuur.

(200) Wel buygtze dan, zou ik weer konnen seggen, want het valt de Deught al vry wat suur,
Dat zy zo weynig by de menschen word aengenomen,
En dit dunkt my zou de beste raed zijn die oyt in gedagten kan komen.
Maer holla! Wie sie ik daer in ’t verschiet?

[fol. A5r]
Kivola. He? Spreekt, of dat gaet’er deur. Is ’t Vriend, of niet?
(205) Al esien, me Cammeraed; Hoe! sou hy wel siek wesen,
Hy gaet zo soet of hy in de Courant ging lesen.
Wel Jan Maet, hoe gaet’et is ’t geen deeg?

Ian.
Och neen! Ik ben zo mallancoolijk.
Piet.
Wat is’er in de weeg?
Wat schortje, hebje me kaer uyt plesier wat geslagen?

Ian.
(210) Neen, maer ik weet niet, voeld me Pols eens jagen;
Je bent tog een halve Quacksalver; Wat dunkje heeft het noot?

Piet.
Je bent seper swak, je loopt al hard na de doot.
Benje gequetst, of is’et van selfs gekomen?

Ian.
Neen, maer een een verbruyde Meyd heeft al me corragie ontnomen.
Piet.
(215) Nou moet ik seper laggen, benje jou corragie quijt?
Ian.
Ja, ik kom daer zo Cacsueel by een Dienstmijd,
Die de straet veegden, daer ik een praetje me heb gehouwen:
En juyst dat we quamen te praten van Trouwen,
En gelijck de Meysjes in ’t gemeen wat Vryer agtig zijn,

(220) So is ze zo diep gevallen in de Minne-pijn,
Dat we accoordeerden, en me kaer Trouw hebben gegeven.
Dit ’s de geheele oorsaek van mijn ongesondt leven:
Want als ik de zaek ter degen overweeg,
So is ’t getroud zijnde, noyt geen deeg.

(225) Ook heb ik’et alleen slim genoeg om doorde Werelt te geraken,
Sou ik dan een Wijf nemen! Neen, die sou me noch kaelder maken;
Best dat ik de Meyd en de Trouw de sack geef,
En noch wat in mijn Vryerlijcken staet leef.

Piet.
Dat ’s vreemd Jan, staetje de Trouw tegen?
(230) Wel doetse me over, ik ben met een Wijf vijf ses, niet verlegen.
Wat seg je, kunjer toe verstaen?

Ian.
Wel, dese pressentatie staet me wel aen.
Piet.
Kom aen dan, laetewe accoorderen.
Coordiael, hoe veel Soopjes sel ik’er je voor vereeren?

[fol. A5v]
Ian.
(235) t’ Samen te drinken? niet meer als een dozijn.
Piet.
’t Is Koop. Kom aen naer schele Trijn,
Of Lijs Hanglip, ons Gelag verdrinken.

Ian.
Als je wild.
Piet.
’t Sa, we moeten eens helder met de Glasen klincken.



Vierde Uytkoomst.

Truy.

EEr dat een Mens tot zijn voornemen raekt,
(240) So is het dat hy veel ramp en tegenspoet smaekt.
So heeft’et ook in de saek van my toegedragen.
Want om de Waerheyt te seggen, daer en zijn geen slimmer plagen
Voor een Hubare Dochter, als ongetrouwt te zijn.
Want yemand die gewond is, tragt altijd naer Medecijn.

(245) Voor mijn part, als ik ongeveynst sal spreken,
En my niet verschoonen van men inwendige gebreken,
Moet ik seggen, dat ik al lang naer een Vryer heb gewagt,
Wat hoef ik hier om te simpeleren, ’t is een gemeen gebrek onder het Vrouwelijk geslagt.
De Liefde wilder uyt, schijnt wel, alwaerse in doekjes gewonden:

(250) Want het is een groote last alsmen niet en wert ontbonden
Van een onrust, daermen geduerig me is gequeld.
Of d’eene Meyd de andere al verteld
Wat voor Vryers en Knegts haer beminnen,
Dat is maer slaverny en onrust voor de Sinnen.

(255) Want op een Vryer te denken en als m’er geen troost van geniet,
Dat is maer een prikkeling in ’t gemoet, en een stadig verdriet.
Daerom ben ik genootsaekt my selve, en alle Meyssens te recontmanderen,
En te tragten dese ware en gouwe Spreuk van my te leeren:

                    Wild by tijds een Iongman kiesen,
                    (260) Die gy snagts hebt aen uw zy:
                    Want gy sult uw soet verliesen
                    Als een Bloemtjen in de Mey.
Trouwens se weten’et selfs wel, dit is dan te vergeefs gepraet:
Want het Vrouw volk is van temtasiement meest in eenen graed:

(265) So dat ik dit aen my selfs dikmaels heb bevonden,
Als ik gedenk hoe meenigmael datme Cupido quam wonden,
En aen porren tot de Min, met schoot op schoot;

[fol. A6r]
So acht ik mijn Trouw, hoe wel se kleyn is, so groot
Dat niemant my de selve met geld kan betalen.

(270) Want hier door heb ik een uytkomst uyt mijn droeve qualen
Ik agtme gelukkig, ja voor de gelukkigste die’er leeft:
Want wat isser aengenamer voor een meyd, als datse een Minnaer heeft,
Die haer met tekenen van Liefde belooft heeft te trouwen.
’t Is een gewenste hoop, die men voor een groote schat moet houwen.

(275) ’k Ben versekerd, zo men woorden gehoor hebben, dat een yder seyt
Dat Vroumens is Vryersiek, of vol van ligtveerdigheyt.
Maer in dien een yder Vryster haer beproeft, se sal van mijn conditie wesen
Hier zijnder soo veel die ik’et uyt haer aengesigt kan lesen:
Daer om Vryers, indien jer toe genegen syt,

(280) Ist noodig datje een beetje scharp toebijt.
Dat is Ho non rabel, je moet niet beschroomt wesen:
Want sulke Jongmans worden by de Vrysters gans mispresen.
Maer Reroluyt, Vrystijfpostig, en Vigelant,
Word aengenomen by de Dochters voor verstant;

(285) Maer Vryers die niet weten van Conttiplementeren,
Die worden weerom gesteurd, tot datse beter leeren.
Of zo ’t gebeurt datse worden geagtsepteert,
So word het geld meer als de persoon geeert.
En dat is de grootste fout der misbruyken:

(290) Want sal een reroluyt gemoet voor het geld duyken,
’t Is belaggens waerdig: nochtans het geschiet.
’k Ben bly dat Truytje beter uyt haer oogen siet.
Al is het geld een van de fraeyste Juwelen,
Nochtans wil ik liever met een Corriael Borst, als met het geld spelen.

(295) Want de meeste vreugd alsmen getroud is, is de genegentheyt van de man.
En alsje zo een Drogerd hebt met geld, hy sietje zo nors en steurs an
Als een Baviaen: Even of hyje tot een huyrling had genomen.
De Vrouwluy zijnder qualijk aen, die in sulken staet zijn gekomen.
Ja wel Vrysters gy die op sulk een Contditie word gevryd,

(300) Wilje onderwesen zijn, zo ra ikje datjer by tijds uytschyd.
En doejet niet, het sal u namaels rouwen.
Dan sal’etje noch leet zijn datje men les niet en hebt onthouwen.
Nou ’t is tijd dat ik wat in mijn deur gae staen,
En de Luy wat bekijk die’er voorby komen gaen.

(305) Moogelijk komt me Vryer wel een praetje maken,
So sullen we eens een overslag doen hoewe aen Trouwen sullen geraken.
’k Heb me Juffrouw de huyr al half opgeseyt.
’k Loof datset wel vat dat ik wort gevreyd;
Maer dat scheeltme niet, ’t schijnt men moet eens Trouwen;

(310) Men kan zijn Jeugt qualijk altijd gebonden houwen.



[fol. A6v]

Vijfde Uytkoomst.

Piet. Truy.

NAer dat hy me beduyt heeft, zo ist in dese Straet.
Maer sagt! souse dat ook wel wesen die daer in de deur staet;
Dat loof ik niet die Vogel is te bont van veren.
Al evenwel Corragie, ik sal het hasarderen.

(315) Goeden avont Hartje, doe ikje ook eenig belet?
Truy.
Ja Montsuer, ’t is laet, ik ga so aenstonds naer bed.
’k Souje versoeken of je voor dese reys geliefde te vertrekken.

Piet.
Hoe benje so spijtig, dit sal weynig Liefde verwekken.
Truy.
Ik hebje Liefde niet van doen, ik versoek gaet heen.
Piet.
(320) Wel hoe Meysje maet, ten is so lang noch niet geleen
Datje, doch in eerbaerheyt, andere reden hebt gegeven.

Truy.
Excutseerd me, ik weet niet dat ik mijn leven,
Als tegenwoordig, metje heb gepraet.

Piet.
Nou sie ik hoe vast dat men Wesen in uw gedagten staet.
(325) Seg, seeker, fopje me, of ist je vergeten?
Je weet wel dat ik gisteren voor den Eeten
Hier voor de deur metje heb gepraet.
Ey! houwje so geveynst niet, je weet wel hoe ons accoord staet.
En tot meerder bewijs, daer is de Trouw dieje me hebt gegeven.

Truy.
(330) Wel ben jeyt mijn Troost! mijn eenig Leven.
Seper je aengename Wesen waer me al half ontgaen.

Piet.
Wel sojet belieft Hartje, kijktme eens ter degen aen.
Men Wesen mogt je anders weer uytje gedagten vliegen.

Truy.
Neen, neen, ’t gesigt salme niet weer bedriegen.
(335) Maer so het je belieft, treed wat in met je Bruyt.
We konnen in huys wel een praetjen houwen, ons volk is tog

UYT,

Niet te Bulderen.

Continue

Tekstkritiek:

vs. 101 reroluit voor resoluit, ook in vs. 283 en 290
159 breken er staat: breden
175 als er staat: al