Rederijkerskamers verzameld in Leiden: Negenthien refereynen int sot. Leiden, 1614.
Uitgegeven door Maarten Achterberg, Maud van den Berg, Tomas Brouwers, Mart Eekels, Ralph van Hertum, Bas Jongenelen, Kim Karremans, Jeanne Lyklema, Nienke van Oosterbosch, Lotte Peltzer, Judith Schouw-Verschuren, Veerle Van der Veken en Emma van de Vijfeijken.
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Facsimile bij Ursicula
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk. De fraktuurletter is in een aparte kleur weergegeven.
Continue
[
fol. A1r]

NEGENTHIEN

Refereynen int Sot,

Gheprononcieert om Prijs, na de
beroepinghe van alle de vrye Cameren in

Leyden, den 8. October, Anno 1613.

Op den Reghel,

Voor al te wijs,, en valt gheen prijs,, als Sot gheacht.

[Vignet: Aequabilitate]

TOT LEYDEN.

By Jacob Janszoon Paets, woonende in de
Sonnevelsteegh. Anno
1614.



[fol. A1v]

OM
LUST                        WETEN
[Houtsnede]
            Is yver,, blint,, en quaet,, van zeden
            Den Schrijver,, vint,, die raet,, tot vreden.


[fol. A2r]

[fol. A2v]

[fol. A3r]



[fol. A3v]

LOTINGHE, DAER NA ALLE
de Refereynen int Sot gheprononcieert zijn.

LEydenVlaemsche kamer.1. Vlaerdinghe.12.
Schevelinghe.2. Goude.13.
Haghe.3. Ketel.14.
Warmondt.4. Middelburgh.15.
Haerlem Ionghe kamer.5. 
Haerlem d’oude kamer.6. Wt Liefden.
Amsterdam Brabantsche kamer.7.  
Katwijk opten Rhijn.8. Haerlem Ionghe kamer.16.
Haerlem Vlaemsche kamer.9. Leyden In Liefde Vyerich.17.
Zoetermeer.10. Leyden hovaerde.18.
Noortwijck.11. Leyden Piero.19.

Continue
[
fol. A4r]

LEYDEN
Vlaemsche Kamer.   I.

REFEREYN.
OCh zijn dit nu oock niet seer ghevaerlicke tijden
Gheen bedroefder eeuw als nu van s’werelts aenbeghin
Dat het onnoosel kleet soo veel heeft moeten lijden
Elck wilt daer moy med’ zijn naer zijnen eyghen sin

(5) Treckent veel hun selven aen en meest om t’groot gewin
Achten haer selfs te zijn soo hoogh als Godt ghezeten
In schaeps onnoosel kleederen kruypen wolven in
Die Christus selve naemt te zijn valsche Propheten
Tis al van hoochste wijsheyt daer van sy haer vermeten

(10) Buygen de wijsheyt Godts naer haren wil en kracht
Doch tis ydelen roem yet meer te willen weten
Dan Christum voor ons gecruyst dus alst is overdacht

Voor al te wijs,, en valt gheen prijs,, als Sot gheacht.

TIs alles ydelheyt op eyghen wijsheyt stichten
(15) Naer die wijsheyt ghebreck heeft onvervalscht en ghesont
Hy begheertse alleyn van den Vader der Lichten
Dies’ elck sonder verwijt seer ghewilligh gheeft en jondt
Wie daer op voorsichtich bout diens huys blijft vast gegront
Plasreghen en stormwint moeten daer teghen falen

(20) Wie die wijsheyt ghelooft ghesproken uyt s’Heeren mondt
Sal zijn eyghen wijsheyt en hoochmoedt laten dalen
Die magh leven op hoop van eynd’lijck prijs te halen
Die ned’righ ootmoedigh naer Hemelsche wijsheyt tracht
Bekleedt met onnooselheydt en bidt voor die dwalen

(25) Want den reghel blijft vast weerdigh in volle macht
Voor al te wijs,, en valt gheen prijs,, als Sot gheacht.

Een rijck man dacht wijslick door te bringhen zijn leven
Hadde zijn schueren al overvloedichlick vol goets
Sprack nu mijn siele wilt tot lust u overgheven

(30) Ghy hebt voor vele jaren ghenoegh dus weest goets moets
Maer de Godtlicke stem sprack tot hem onverhoets

[fol. A4v]
Ghy dwaes in deser nacht moet u ziel van u wijcken
Och daer en viel gheen prijs maer schande vol onspoets
Den Pharizeeus niet min liet trotz en hoochmoet blijcken

(35) Wild’ hem door al zijn deucht by den tol’naer niet ghelijcken
Maer door zijn heylicheyt ten Hemel zyn ghebracht
En die gheacht als dwaes om hooch niet dorste kijcken
Kreegh den oppersten prijs en d’ander smaet onsacht

Voor al te wijs,, en valt gheen prijs,, als Sot gheacht.

Prince.
(40) Als den oppersten Prins met Hemelscher heyrscharen
Elcx werck oordeelen sal van wijs machtigh en groot
Voor die hun achten wijs sal hy gheen prijs verklaren
En die daer versteken wert och noyt gheen meerder noot
Dus blijft niet eyghen wijs eer u omringht de doodt

(45) Met tkleet der onnnoselheyt omgort uwe leden
Twelck ghewasschen is inden dierbaren bloede root
Des onschuldighen Lams onnoosel en vol vreden
Voor zijn aenschijn oprecht d’aenstaende tijt besteden
Eenvoudigh sonder argh niet in verwaenden pracht

(50) Niet by u selven wijs want dits een vaste reden
Dat Godt des werelts wijsheyt in den Hemel belacht.

Voor al te wijs,, en valt gheen prijs,, als Sot gheacht.

In Liefden groeyende.
Continue
Schevelinghe   2.

REFEREYN.
O Soete sotheyt wat maekt ghy dickwils al vreucht
Hoe inwendich kont ghy het herte raecken
Daerom zijt ghy prijswaerdich int out oft ionge jeucht
Want ghy altijt na prijs staet voor alle saecken

(5) Lestmael wijse luy met Sotten spraecken
Hoe sy best een soete koeck souwen bijten
Welck sy met een toutgen op en neer liet, om raecken
Inden mont der sotten diet dickwils ginck spijten

[
fol. B1r]
Datse veel mis beeten sonder doen profijten
(10) Ten lesten heefter een toe ghevat met kracht
Doen begonsten sy allegaer van lacchen te krijten
Welck seer proprijs,, hannen en lijs,, mee deen met macht

Voor al te wijs,, en valt gheen prijs,, als Sot gheacht.

DEsen dwaes hebbende de prijs verkreghen heel
(15) Waren al de ghecken als den bedroefden
En maeckten teghen de wijse luy krackeel
Segghende waerom sy niet een beetgen koeck en proefden
Twelck sy nochtans soo wel mochten en behoefden
Waer over dat daer ghevallen is een heelen twist

(20) Daer was een geck die met zijn hooft wat schroefden
Welck smeet vry toe heeft den prijsmeester niet ghewist
Die op sulcx niet al te veel en hadde ghegist
Welcke ginck weer vichten teghen dees half slacht
Tvolck seyde wy hoopten dat hy wel beter wist

(25) Dan dat hy vijs,, met groot ghebrijs,, nae sotten tracht
Voor al te wijs,, en valt gheen prijs,, als Sot gheacht.

HOe weynich prijs oft eer haeltmen aen een sot
Want t’ander gheselschap den prijsmeester by staende
D’ander ghecken tasten mee toe en hadde gheen slot

(30) Dus dee men daer niet dan twart smijten en slaende
De wijse luyden seer weynich prijs begaende
Want oude luyden kloeck en seer hervaren
Seyde wie mach haer dit spel raen dese wijswaende
Want die aen gecken met wijsheyt wil vergaren

(35) Die hoort men altijt met schanden beswaren
Want of zijt winnen of verliesen hout in ghedacht
Soo hoortmen de menicht altijt verklaren
T’sy out of grijs,, by bier of spijs,, schout hoogheyts pracht

Voor al te wijs,, en valt gheen prijs,, als Sot gheacht.

Prince.
(40) SGhelijkcx menich al te wijs wesen wil
Spot met een sot daer gheen prijs is aen te halen
Want een sot leyt het af met een sotte gril
Daermen op den ander van elck hoort smalen
Sot is hy die van sotten wijsheyt begeert, die malen

[fol. B1v]
(45) Soo elck mach mercken en goet is om te vermoen
Bedriecht ghy een geck men hoort elck vertalen
Ja dat hebbense wel goet een sot te doen
En wert ghy bedrogen so seytmen siet dese bloen
Waren tot spot nu van den gheck by ghebracht

(50) Die de geck maken kan krijgt prijs avont en noen
Als hy wat vrijs,, seyt int logijs,, daermen om lacht

Voor al te wijs,, en valt gheen prijs,, als Sot gheacht.

De Kaert en meent sulcke Sotten niet, als in dit Refereyn verhaelt worden.

LAET VAREN DROEFHEYT.

Continue

HAGHE   3.
Den Tweeden Prijs.

REFEREYN.

WEl op ghy sotten al die nu met vreuchden leven
Comt en leert u sotheyt wijslick bekleden bly
Of anders salmen u nu gheenen prijs hier gheven
Soo ghy alleene tsot, of wijs, behoudet vry

(5) Ghebruyct sotheyt met maet anders raeckt ghy in d’ly
Weest niet so bot, dat ghy sot zijt, tot allen stonden
Hout alleman voor vrient en niemant voor parthy
Wantmen nu daechlijcx hoort uyt elcken eens vermonden
Dat tusschen sot en vroet, meest twisten wert bevonden

(10) Dies om d’allerwijst te zijn mede niet en tracht
Maer laet van passen wijs zijn u daechlijcx, oorconden
Ist out of grijs,, niet al te wijs,, staet hier op wacht

Voor al te wijs,, en valt gheen prijs,, als Sot gheacht.

VEel verscheyden sotten zijn van natuer bysonder
(15) D’een sout wel al geven al hadt hy met hoopen
D’ander die is soo Sot tis voorwaer groot wonder
Al dat hy maer siet, dat heeft hy lust te koopen
Al sout hem daer nae doen met kackhielen loopen
Dan zijnder noch ander die alle dingh vermeten

[
fol. B2r]
(20) S’willen wijcken niet, al soumens t’vel af stroopen
Maer winnent over al, waer dat sy zijn gheseten
Niemanden haers gelijkck, weten sulcke secreten
Daer deur veel kleyne sotgens, krijghen grote kracht
Die oock belustich zijn wat sonderlinghs te weten

(25) Maer te propijs,, krijcht vry excijs,, hoe groot van macht
Voor al te wijs,, en valt gheen prijs,, als Sot gheacht.

DAn zijnder noch sotten diemen geleert gaet noemen
Van wijsheyt zijnde sot, tblijckt aen hare wercken
Want om dat sy haer selven wijslick gaen beroemen

(30) In plaetse dat een ander sulcx hoort te mercken
Op dat haer doen haren lof mochte verstercken
Maer neen, tis so zijt drijven wie seyt daer tegen
Al woud den meester onderrechten syn klercken
Hy deed’ verlooren arbeyt, twaer beter gheswegen

(35) Want de verwaende wijsheyt, is niet te beweghen
Tis groote verhindering voor alle eendracht
Beter waer by de sulc matelijck wijsheyt vercregen
Tis grove spijs,, daer op glat ijs,, van schiet dees klacht

Voor al te wijs,, en valt gheen prijs,, als Sot gheacht.

Prince.
(40) DAt sulck weetgierich Sot zijn kan men bethoonen
Om dat sy met t’geen haer Godt geeft niet zijn te vreen
Tdunct haer wijsheyt om dattet een deel sotten croonen
En datmen dan daerom haren naem siet verbreen,
Maer die van passen wijs hem weet te bekleen,

(45) En oock alst past bedecktelick den Sot kan maecken,
Ick bevinde dat sulcke ende anders gheen
Hier ter werlt aen tmeeste goet, en tbest leven raecken
Tis voorwaer twijselicxste boven alle saecken
Half sot half vroet alhier te wesen van gheslacht

(50) Nae niet meer als van passe wijsheyt hier te haecken
Swerelts Paradijs,, is sulck tlogijs,, dus sijt verdacht

Voor al te wijs,, en valt gheen prijs,, als Sot gheacht.

MET GHENUCHTEN.
Continue
[
fol. B2v]

WARMONDT   4.

REFEREYN.

Continue
[
fol. B3r]

HAERLEM
Ionghe Kamer.   5.

REFEREYN.

NAer dien daer ghevraecht, hoe dat den tijt nu staet
In het aenmercken hier, wesende desolaet
Door t’menschelijck geslacht, dat hem seer gaet verhoogen
Op zijne wijsheyt groot, denckende tzijnder baet

[fol. B3v]
(5) Daer door tot heerlijckheyt, te comen met der daet
En prijs behalen snel door zijns wijsheyts vermoghen
Twelck niet geschieden sal, des vint hy hem bedroghen
Want smenschen wijsheyt al, is voor God dwaesheyt siet
Geacht, also men mach, seer klaerlijck sien voor ooghen

(10) Daerom weest niet te wijs, dat ghy ter schande niet
En comt, door u vernuft, maer Godt zijn eere biet
En hem toch vreest,, minst ende meest,, vliet t’boos gheslacht

Voor al te wijs,, en valt gheen prijs,, als Sot gheacht.

HEt wijs geleerde volck, sich te vercieren spoet
(15) Met het onnosel kleet door waenwijsheyt onvroet
Om in nedrighen staet, soo tschijnt voor tvolck te leven
Maer opgheblasen hooch, elck heer men noemen moet
Om dat haer wijsheyt al, haer seer verheffen doet
Waer over leet gheschiet, t’onnosel
kleet met beven
(20) Daerom ghy menschen al, wilt u toch niet begheven
Tot latendunckenheyt, dat ghy wijs zijt vermaert
Want s’menschen wijsheyt siet moet voor den Heere sneven
Daerom ootmoedich
slecht wilt doch wesen van aert
Soo ghy ontfanghen wilt, Godts rijcke onghespaert
(25) Daer ghy verheucht,, in rechter deucht,, wert dach en nacht
Voor al te wijs,, en valt gheen prijs,, als Sot gheacht.

DIe daer in hoocheyt zijn ghestelt al van den Heer
Beroemen haer daer op, dat hare wijsheyt seer
Anderen overtreft, daerom sy seer vermeten

(30) Verachten t’slechte volck, om dat sy t’elcken keer
Achten de wijste zijn, om dat sy soo tot eer
In d’werelt zijn gheraeckt, en in hoocheyt gheseten
Maer sulck wijsheyt van God, haestelijk wort versmeten
En worden dan gheacht, voor sotten int ghetal

(35) Daerom ootmoedicht dy, eer dat ghy wort versleten
Al van de doot, seer haest, die u is naeckend’ al
Hierom u neerstich spoet, te treden den wech seer smal
Op dat ghy niet,, in swaer verdriet,, en blijft versmacht

Voor al te wijs,, en valt gheen prijs,, als Sot gheacht.

[fol. B4r]
Prince.
(40) Prince om weten recht, waer na men toeven gaet
In het logijs seer goet, dwelck als den dagheraet
Seer claerlijck is verciert, met veel schoonheyt waerachtich*
T’is naer den mensche slecht, die in nedrigen graet
Hem selfs hier voor den
Heer is draghende niet quaet
(45) Maer goet ende oprecht, in al zijn doen eendrachtich
En niet op wijsheyt groot, sich gaet verheffen prachtich
Dus door
Liefd’ Boven Al, u doch eenvoudich draecht
Dat ghy verschijnen meucht, voor Godts oordeel almachtich
En in t’hemelsche huys, als een reyn suyver maecht

(50) Eeuwichlijck zijn verheucht, des niet te laet beclaecht
Maer toch altijt,, sonder respijt,, den Heer verwacht

Voor al te wijs,, en valt gheen prijs,, als Sot gheacht.

LIEFD’ BOVEN AL.  

Soeckt de rechte straet.
Continue

HAERLEM
Oude Kamer.   6.

Tweede, Derde Prijs.

REFEREYN.

[...]
TROUW MOET BLIICKEN.
Continue

AMSTELREDAM
Brabantsche Camer.   7.

Tweede, Derde Prijs.

REFEREYN.

[...]
Bemint de waerheyt.
Het beter best, daer liefd’ an rest,, en soect meer claerheyt
Verhoopt int goet, wijckt d’oude voet,,
Bemint de waerheyt.
WT LEVENDER IONST.
    Dit Sot,, Refereyn, eenparich,, schiet, op lick,,mondt
    In spot,, al te hatich,, en te diep, van slick,,grondt.
Continue
[
fol. C2r]

CATWIICK   8.


REFEREYN.

[...]
LIEFD’ MOET BLIICKEN.
Tis om te lachen.
Al te veel zotten volghens de Kaert.
Continue
[
fol. E1v]

LEYDEN   17.
Wt Liefden.

REFEREYN.
DIe u Minerva comt van Iupiter gheboren
Sal u de waenwijsheyt noch langhe tijt bekooren
Wilt toch op
Phaton en zijn leven nemen merck
Hoe hy boven zijn kracht hem beroemde al vooren

(5) Van wijsheyt en verstant alsoomen nu mach hooren
Maer inder daet en was hy gheen half gheleert klerck
Hy bid’ zijn Vader af een bed’ al veel te sterck
Twelck was om eenen dach te mennen zijnen waghen

Fobus sprack tot zijn soon ghy begaet een dwaes werck
(10) Want mijn waghen en peert can gheen sterflick mensch draghen
Faton die gaet al voort en doet naer zijn behaghen
Maer met gheknijs,, ghelijck broos ijs,, wert hy versmacht

Voor al te wijs,, en valt gheen prijs,, als Sot gheacht.

DEdalus les behoort elck mensch wel te bewaren
(15) Soo sal hy prijs end’ eer door zijn wijsheyt vergaren
Als men in alle dinck can houden middel maet
Soo en krijght niemant niet door eyghen lust beswaren
Als de History ons wijt en breet gaet verclaren
Al van
Icarus list wijsheyt tot eyghen baet
(20) Hy wilde weten hoe dat in den Hemel staet
Sijn vaders goeden raet heeft hy seer haest vergheten
Hoe dat hy roept om help twas voor hem al te laet

Apollos heeten brant heeft hem ter neer ghesmeten
T’is wonder quaet die lust boven verstant te weten

(25) Al zijn sy grijs,, alsulck advijs,, en heeft gheen kracht
Voor al te wijs,, en valt gheen prijs,, als Sot gheacht.

DE Heyden hebben dit tot leeringh’ ons beschreven
En laet
Cleus eersucht by u niet zijn int leven
Want tis al Esels werck omgort met t’Leeuwen huyt

(30) Noch en beroemt u niet Penneloops web te weven
[fol. E2r]
Dat tijtel van wijsheyt wilt u selven niet gheven
Op dat de sotticheyt die wijsheyt niet drijft uyt
Die roemt van al wijsheyt daer ist dat sotheyt spruyt
Den haen die gaet hier in menich mensch overtreffen

(35) Al eer hy gheeft wieckslach of oock eenich gheluyt
Sal hy t’een oogh om leegh en t’ander oogh opheffen
Die soo niet doen en wil mach men wel noemen effen
Een Uyl by t’Cijs,, singhende op t’rijs,, d’een wort belacht.

Voor al te wijs,, en valt gheen prijs,, als Sot gheacht.

Prince.
(40) PRince of yemant leest hier al Didymus boecken
Noch sal hy vinden niet al t’geen hy meent te soecken
Wat te heet ofte swaer is laten ligghen moet
Als yemant onderwint hem selven te verkloecken

Waerom Jupiter wil d’een meer dan d’ander vloecken
(45) Soo sal sulcke wijsheyt bekent wesen onvroet
Ende bespot zijn oock van die de Cap aen doet
Om dat sy t’hemels heel met haer verstant regieren
En sien niet eenen steen daers an stooten den voet

De sulcke plomper zijn dan d’onvernufte dieren
(50) Dus niemant en behoort een ander te schoffieren
En weest niet kijs,, al is dees spys,, u hier ghebracht

Voor al te wijs,, en valt gheen prijs,, als Sot gheacht.

IN LIEFDE VYERICH.
Continue
[
fol. E2v]

LEYDEN   [18.]
Wt Liefden.

REFEREYN.
WAer zijt ghy Tyribus met kappaerts benden,, mal
Vertoont u hier int perck eer dees feest enden,, sal
Verhaelt ons doch de eeuw die ghy nu hier beleeft
Daer u bootsich ghepraet wy ons hier wenden,, al

(5) Hier ben ick Alecto my nu gheensins begheeft,
Trisiphon, Megara hier nu oock niet en sneeft
Wat menich leyt int hooft, wat we hooren voor wonder
Tgaet met ons voor den wint wy loopen als den kreeft
Soo wie jeghens ons is moet int lest ligghen onder

(10) Ick bevest u goemaer die ons volghen bysonder
Tsy jong of grijs,, bloeyt als groen rijs,, hier vreucht verpacht.
Wt myn kap ghekoleurt ick moet noch bootsen ronder

Voor al te wijs,, en valt gheen prijs,, als Sot gheacht.

DIe noch leutert den key my hant en trouwe,, biet
(15) Vrijd’ ick schoon Bersabe doch niet soo nouwe,, siet
Ten schaet my noch ten baet,, min saeck staet altijts vast
Ich beleef tgulden eeuw van my druck rouwe,, vliet
Die my doch anders praet acht ick den hont die bast
Int slevens loopbaen wijt kan ick niet zijn verrast

(20) Wien isser als ick ben binnen des werelts wijcken
Myn broerkens met ghetelt die van al zijn ontlast
Wy sullen vrolick zijn in vreucht niet om verrijcken
Als ons wederpartye danssen dwers door de pijcken
Int groot ghekrijs,,
Plutoos logijs,, haer toe ghedacht
(25) Ick segh met woorden recht noch eens tot myn ghelijcken
Voor al te wijs,, en valt gheen prijs,, als Sot gheacht.

ALs hoort men my met lust sonder ghetruer,, kijven
Jupiter is den man diet mij sal duer,, drijven
Mijn broerckens laet ons doch wtspreken als de milde

(30) Opgheblasen gheveynst op ons ghebuer,, blijven
Laet ons met goet ghemoet lustich spelen de ghilde

[fol. E3r]
Quackels vangen int wout ghewapent met den schilde
Want wy zijn doch alleen heel wys in overvloet
Als ick ligh onder voet ick swijch voor die my stilde

(35) Hy recht my weder op die my voor quaet gheeft goet
Ich liegh, bedriegh, opt nieu twort al weder versoet
Kouder dan ijs,, waer al mijn spijs,, sonder dees macht
Geen sond’ my scheyden kan van die dees weldaet doet

Voor al te wijs,, en valt gheen prijs,, als Sot gheacht.

Prince.
(40) ONrustich tot dispuyt kan ick niet slapen,, wel
Op een ander ick loer hem te betrapen,, fel
Myn eyghen wijsheyt selfs en kan niet zyn gheswicht
Die my hier anders raet, ick hout voor Apen,, spel
Door inbeeldingh vast ben ick wel onderricht

(45) Al was voor hondert jaer mijns gelijck noyt int licht
Als bloeyd in
Asia de reyn ghemeent vol eeren
Tot seven int ghetal de sond brack haer ghesticht
Daer ben ick niet gheraeckt sulcx wil ick van my keeren
Ons kussens zijn soo sacht ich mach niet anders leeren

(50) Hoe sterck anijs,, Leeuwerc noch Sijs,, ja geen geslacht
Ick segh tot een besluyt sonder eenich verseeren

Voor al te wijs,, en valt gheen prijs,, als Sot gheacht.

Roept vrede hier.            P.H.
Continue

LEYDEN   19.

 Tlest Refereyn,, voor alt,, te wijs
Hier blijckt certeyn,, en valt,, geen prijs.
[...]

[
fol. E3v]
[fol. E4r]
Continue

Tekstkritiek:

fol. B4r vs. 24 waerachtich er staat: waer (‘achtich’ staat achter vs. 25
    en is in ms. toegevoegd in ex. UBGent Her 736)