DEDEBOOSJANT,OfdeMOSTELLARIAvanPLAUTUS;BLYSPEL:vertaald, verschikt, en berymd,doorLUDOLPH SMIDS. M. DJuvenal. i. Satyr.Stultaeft clementia, cum tot ubiqueVatibus occurras, peritura parcere charta.tor AMSTERDAM,Gedruktvoor den Autheur, en te bekoomenByJAN KLAAZENten HOORN, Boeckverkoper tegen overhetOud Heeren-Logement.1636.HAanden redelyken Lezer.e heugdme nochalte wel, ô Lezer, boerampzaliz mijncertgeboorene,dejonge KONRADYN, zelf ook op het toneel isgeweeft, aldaar mede (gelyk certyds op bet schavot) wederknielendeomnooit weer op testaan.Doch, indeplaatsdat mydat z’ude afichrikken, en mynbanden vanToneelpoëzy doen afhouden, zo heeft het niet allein my aangedreven onmyn oudestukken, uit eenboek, weder stor den dagh te baalen, maar enom eenen nieuwen op te stellen en gereed to mauken..DitBlyspel isdan weder op het tapyt gekoomen, naar dat het eenige jaarenachter de bank gelegen had, zynde wel de MOSTELLARIAvan den vermaakelyken Plautus; dochten eenemaal op onze tyden en zedengepast, ennaardebedendaagsche Toneelwetten verschikt z gelyk?yqultkonnen zien, wanneer gy, by den langen vo nier avond, mocht(uft bbeebbenom hetzelveeens aan den kluchtigen MOSTELLARIA te tortzen.Zo zyn dan deHoofdbedryvers meest lieden van een beel anderevang inhoedanigheid: deBedryven lechts drie ingetalle: de Plaats (het gebeelespeldoor) vaft en onbevveegly k.Duchhet midden en eindevan het Eerste bedryfis vvaovelyk vvat oneigen, en onnatuurlyk; aangezien de Spockery (voornaamlykly onzeNederlanders) 20nietmeer aande manvvil, als in verleedene tyden.Niettemin, ô Lezer, toon hier uvurekkelyke redelykheid: vvant ik dieoneygenscbapgevrilligh beken; echter ook voel vveetende dat er geen beetermiddel vvaar gevveeft om het buys afschuvvelyk te maaken, dan met detezmetting van een beklyseijke ziekte; dich met ziekten (Gods gaczelzoveepen) en zieken, degekte scheeren, meenik ten cemmaat ons ongecorloofdtezyn.Derhalvendocht het mybetaamly st toovezen van myn lichtgeloosigengryzaard een Duytscher Deen ofSweed te maaken 3, goghi zavoikeasrennoch ten eenemaal naar Geesten, Spooken, Tovenaars, Bezweersders, endiergelyke bygeloovige zosternyen, baar coren neigen.Vorders was ik eenigzins met de aam van het Blyfpel vertoegen; diewanGedrochtpraatjes drukte voel de zin vanhet voord MOSTELLARIAwit; doch kon mygeenzins behaugen; gelyk medenict de op.schriftenvande Versierde Kwelgeeft, de Lichtgaloovige, Sec. dushebik (in’t vvelneemen) de Hr. BERNAGIE nagevolgt, gelovende bemdat voelteverstaan; aangezien de Paris enHelene, en de Christen KeizerKonstantinus, genoegzaamtoonen, vrat een meester die Heer in deTooneelpoëzy is.Maargyvervvonderd umischien, dat ik van een reeds uitgevoerdeEigenvindingtot eenVertaalingeoverstap:die (hreschoon een kopyeook zyndevaneen deftig principaal) byde Liefhebbers en kenners, van een wellaagerprysgehoudenwoord: vwant zofpreekt de Hr. HUYGENS in het47zneldicht vanhet XXI I I.boek.Vertaald een werkzo wel als doenlyk, en zo naar* 2Den31Denoorsprong als ’t behoord, om goed te zyn, en waar’t Zal wel’t afdruckzel van die munt zyn; maar, Vertaaler,Bewystgemy daar op, gy zyt een slecht betaaler!Ly, dat iku den aart van dezen arbeid leer;Neem maar een fraai tapyt, en keer het gins en weêr,Eerst opde rechtezy (het zy ge op dier ofkruydt ziet)En dan op de averechtsche, en let eens hoe ’t ’ er uit ziet.Dochdit geschied by zeker toeval, die my aanpord deze myn DE BOOSJANT, door den Druk, in het licht te geven, en(ten minsten)vadeLiefhebbers te doen leezen en keuren (vuelke het gemeene pogovit is vanalle Schrywers) terwyl die van de Hr. BERNAGIE (vvelgelyk van inboud;maar vanschikking, maat en rym zeer verschillende) het geluk genietvan zich op het tooneel te doen zien.Evenovel, gelijk ik mijn arbeidgeloofde ten vollen betaaldtezijn, toendebeklaagelijke Dood van KONRADYN aan eenige voornaame Liefhebbers, en Letterkundige vermaak verschafte, zo zal ik gearen te vredenxijn als deze DEBOOSJANT u (bysonderlyku) zal konnen vergenorgen.Poëta (zegt Terentius in Andria) cum primum animum adscribendùmappulit,Idfibi negoti credidit solum dariPopulo ut placerent quas feciffet fabulas:Verum aliter evenire multò inrelligit:Nam.&c.3.In vvelke verovachtinge ikbemu lieden beeden opdrage, belovende demissslagen (die’er, aangaandestelling, redeneering, ofFrym, rym, ininmochtenzin,sezullen verbeeterenin deMILES GLORIOSUS van dezelvePLAUTUS,gelijk ik mij voorde mistellingen, in KONRADYN (helaas!) begaan,zal vrachten in ARISTOBULUS, of de Coninklyke jatouzye: op datik dus eindelijk ook leere vvaar medmen (behalvenu) de gemeene man,inhet volk, behaaglijkmort zijn.Amsteldam, den 7 Novemb- 1686.BEDRYVERS,ERIK, een Sweeds Kapitein tegenwoordig zonder dienst.GUSTAVUS, zyn zoon.ROBBERT, Pedagoog van Gustavus.SIBYLLE, Buurvrouw van Erik.LODEWYK, SKAREL,MEINART,Gasten.WYBRAND, een Rentenier.GERRIT S KnechtvanGOOSSEN. {Gustavus.Lodewyk10SWYGENDE, Debouchanten, speellieden, dienstboden.Het Tooneel verbeeld, eens voor al, een afgezonderdeplaats, métboomen bepland, voor de huyzen van Erik en Sibylle51DE DEBOVCHANTofdeMOSTELLARIA van PLAUTUS:BLYSPEL.EERSTE BEDRYF.EERSTE TONEEL.GERRIT met een zervet om’t lyf, en eenige roemers indeGer.RobGer.hand, ROBBERT,handRobbert! ’t geen alhier geschiedtDat is jou werk.Het roert u nier. (men!Watbrengje daer voor volk te zaa-Jehoorje, zeker, wat te schaamen,Wel vriend, ben jy een pedagoog?Een suode sielt in Gerrits oog.Rob. Ga binnen; ga de glazen spoelen;Of moetje myn commando voelen,Teweeten, door een voet in’t gat?Hou daar! hou daar!hoe smaekt udat by slaatGer. K’heb u wel beter drank geschonken.Rob. Naar binnen, Gerrit, gy zyt dronken.Ger. Dat jokje; k’ heb maar eens geproefd.’Kben, om myn braven heer, bedroefd.Hoe kan een mensch zo ras verkeeren!Oh! komt dat van Latijn te leerenZo vloek ik het Latyn voortaen,En wil liefst voor een bloedje gaan.IyPedagogen jy bent guitenABeΣDE DEBOVCHANT,Bedervers van de jonge spruijten,En.Rob. Wilt gy zwygen?Ger. Erik! heer!Jeblyft te lange weg. ai, keer!Tgaat alles, in jou huys, verlooren:Maar, jy kond Gerrits stem niet hoorenEn ondertufschen word uw zoonVan Robbert...Rob. Kom, daar is uw leon1Voor die verdrietige exclamaci! slaende.Ger. Hoe word ik steeds gebeukt! cilaci!Mocht ik my eens gewroken zien!Rob. Wel Gerrit, dat kon haeft geschien,Want Erik moet eens wederkeeren.Ger. Ja, jy moogd daar de gek mee scheeren,’K heb hoop, maak jy je rug slechts reê.Rob. Amice, dan krygt gy wat meê.Dan zullen wy de slagen deelen.Ger. Wel ja, daer zou de droes meê speelen.Rob. Maak dat ik u ter deure uitzet,Gelyk dat booze beest, Alet.Swing stille, of ik...Ger. Die zal ons scheyên.TWEEDE TONEEL.GUSTAVUS, KAREL, ROBBERT, GERRIT.Guft. Kom, Robbert, kom; gy moet nietbeyên:Gy weet nw boodschap, alle daagh.Rob. Sie eft. Gy wilt dat ik eens vraagGuft. Nu geen kluchten.Naar deugdige oesters.Rob. Gustavus, hoe? hoor ik u zuchten.Wel wat ligt u toch op het hart?[p. ]3 1Guft.’kVoel my beneepen en benart.Hoor of de schuit is aangekoomen.Rob. ’t Is wel.Guft. Zo vader word vernoomenZo vlieg te rug, gelyk een wind,En waerschuw ons.Rob. Zyt gy een kind!Wat vreest gy?Guft. Doe naar myn begeeren.Rob. Tur, tut, laat deze dag passeeren.’k Was immers gistren aan de schuyr.Guft. Quam hy op’t mat, hetwas verbruyt.Ga heen.Rob. Welaan, ’k volg uw beveelen.Laat ondertuischen niet te speelen.Ha! waert gy zo geruit als ik.’kBen hier weer, in een oogenblik.DERDE TONEEL.GUSTAVUS, KAREL, GERRIT.Al my dan nu de vrees verwinnen?Guft. Sl my dan Kar.Guft. Hou Gerrit! ga naar binnen,Breng hier de vles met Rynsche wyn.VIERDE TONEEL.Guft.HGUSTAVUS, KAREL, zittende,I. Vader! indien je wist hoe wy bier leven,Et groen doet my weer lustig zyn. *Je docht wel haest weer om het Nederland;Alles is aan deze vrinden gegeven,Die my daerom ookeerenals eenfant.2.’Ree* Hy fimt, waer op binnende instrumenten medegereerd worden,[p. 4]2. Treedegeld rolde zo ras door de keelen;Doch’tgeen nut deede aan de witte muur,Silver, en porselein, en tafereelen,Zamenverzet, geeft noch een vrolyke uur.VYFDE TONEEL.GUSTAVUS, KAREL, GERRIT, met een boutelje.Ger.Gust. T’Believe u.Weeft nu stil te gader.t’ Zy de gesondheid van myn vader.Kar. Ja wel, het is met hem geen deeg.Guft. t’Heugd my niet dat ik tyding kreeg.Zo dat ik haest begin te vreezenDathy wel mocht gestorven weesen,Mischien door schipbreuk, op de zee.Welja; zyn broeder bleef daar meè,Wiens middelen hy nu zou erven,Kar. Hy kon ook wel in Sweden sterven.Guft.Dat erfnis haalen duurd te lang.Acht volle maanden.Kar. Benje bangDat vader niet zal wederkomen.! hy drinkt.Gust, Indien hy leefd; zou hy wel droomenVandit gewoel, en dit gedruys?Van zulk een leven in zyn huysVan zo veel vrienden die hier drinkenEn rooken, speelen en rinkinken,Als of het altyd kermis waer?Dit wrocht de droefheidom myn vaêr.Ik quelde my; doch liet voort halenEenivyf ses blyde kommensalen,Tor troost, waar van jy’t puykje ben’t.Kar. Ja, maar hoe stelje’t met die vent,(k’Meen Wybrand) hoekon jy hem paajen[p. ]Guft. Ho! Robbert weet dat werk te draajen:t’ls een student; en Wybrant laatZich licht verleiden door zyn praat.Kar, k’Moet weer eens stoppen.Guft. Gy zult drinken.En’t glas doen op uw nagel klinken.O druyvetraantjes! Karel,Men denk eens om u Sylvia.za!Kar. Die schoone dronk wil ik niet weyg’ren: zy drinken.Maar ’ voel dit naar myn harsens steyg’ren.Guft. Kom, wat gezongen.1. Druyve god! qui StudiorumDiluis molestias,Ziet bier een paar amicorumVaardig veegen glas by glas,Strenue,Strenue,Vaeder! leven wy hier niet ingenue2. Bacche! Ziede Joyphos leegen,Dit is u tot gloria;’kWensch dan om geen gulde regen,Maar om vina pinguia.Want de wyn,Want de wyn,Zetvan’thart, op staande voet, degrootstepon.Kar. Nu gepraat.Wiens wooningis het die daar staat?Die gevel kost wel honderd duyten.Guft. t’Huys isvan binnen als van buytenHet komt Sibylle toe, die wêeuw?Die..... wat is daar toch voor geschreeuw?De wijn schynt daar de baaste speelen.Kar. Kom op.Guft. Wien kan het hier verveelen?Wat zullen we in de kamer doen?[p. 6]Is’t hier niet luchtiger in’ t ggrrooenEn onder ’t loof van deezeboomenKar. Sie! Lodewijk, en Meinart koomen.SESDE TONEEL.GUSTAVUS, KAREL, LODEWYK, MEINART, GIRRIT.Guft. Eemplaats, Messieurs: de pypen wegh.Watschortje, Lodewyk?Lod. Ik zegh;Ik kan niet drinken Meinart zaljeBescheyd doen; laat mij leggen.Kar. Valje?Guft. Hier, Lodewyk, avoes!Mei. Eineen!Het vat is vol: laat hem met vreên.Kar. Ia; laat de man een uiltjen vangen,Guft. Maar’tglas magh hier niet blyven hangen,Verhaal ’t op Meinart: Gerrit, wijn!SEVENDE TONEELROBAERT, GUSTAVUS, KAREL, LODEWYK slapende,MEINART, GERRIT.Ie zou daar dood voor willen zijn!Rob.WI’t Gaat treffelijk; zie, waard engaftenElk even vrolyk.Guft. Seldremasten:Het hapert hier, wel? tot Rob.Rob. Ik en gy.Guft. Hoe ik en gy?Rob. Wy zyn, ja wy,Wy zijn omhals.Guft. Waarom?vieBLYSPEL.Rob. Uw VaderIs weêr gekomen, en u naderAls gy wel denkt.Guft. Wat hoor ik hier?Rob. En quade maar: goê raad is dier,Uw vadetErik is gekoomen,Guft. Waar is hydan?Rob. Gy magt wel schroomen.’t Laghu, niet te onrecht, op de leên,Ikzag hem van de wagen treên.Guft. Zozaagtgy hem?Rob. Ia, by de wagen.Guft. Watdoe ik nu?Rob. MoetgydatvragenGyzit.Guft. ZaagtgyhemRob. Ia, ja, ja,Tenderdemaal, ik zagpapa.Gust.Ik sterf, indien gy zegt de waarheid.Rob. Ik meendat dit bewijs wel klaar leid,Guft.Wat nu gedaanRob. De sles gebergd.Hywierd noch meêr hier door getergd.Ditglas ook: wie ligt daar te ronken?Kar.’t Is Lodewijk, de vent is dronken.Rob. Wek hemtoch op.Mein. Ikben gereed.Op Lodewijk! op!Lod. Wat? bescheet?Reyk my dan’t glas toe te voller sGust.ZammelNiet langer; Vader komt op!Lod. RammelWatheen van vader; hy vaar wel.Guf.Hy vaat tniet qualyk, myn gezel,Maarik, ik ben geheel verlooren.[p. 8]Lod. Is ’t waar? laat dat noch eenmaal hooren?Guft. Ik bid u, rijs.Kar. Wat beest is dat!Guft. Mijn vader is hier in de stad.Rijs op toch!Lod. Is jou vaar gekoomen?Heeft hy den erfenis meegenomen.Dat hy, weer ga, is hy zo gaeuw.Guft. Helaas! hoe ben ik in het naeuw!Ontmoet de grijzaart my beschonken,En al myn kammeraden dronken,De speelliê meê meest van de been,Zalik wel kikken durven? neen.O dwaas, die dan om raad wil zendenAls hy omringd word van elenden!Rob. Die legt noch eens zijn hoofdje neêr.Ai, maak de slapert wakker, heer!Guft. Waak op, waak op, daar is mijn vader!Lod. Help my; myn degen! die verrader!Kar. Was Goossen hier, zijn knecht,..Lod. Die guyt!Guft. Oh! alles word door u verbruydt.Men sleep hem wegh.Lod. Ik zal jou byten.Wil iy men’t, beenvan ’t licchaam rijtenMijn schouder! hei!ACHTDE TONEELGUSTAVUS, ROBBERT, KAREL, MEINART.At nuRut.Wiedenmijn heer, ik neem dit san. Rob.Kzal u geneesen van dat schrikken.Guft.Ik hebdekoorts, mijn beenen knikkenMyonder’tlyf.[p. 9]Rob. Wees niet bevreest;Gykent mijnkop en flugge geeft:Ik zal dien kapitein verjagen;Hy zal naar ’t huys niet durven vragen.Brengt dit terwylen aan een zy.Guft.Maar ik?Rob. Blif waar gy wilt.Kar. En wy;Licht elk zijn weegs.weegs.Rob. Dit volgt op kitten:Neen.neen, gaatbinnen;blijfdaar zitten,En drinkt malkaêr een glaasje toc;Doch stil, maak geen geraas.Kar. Wel hoe?Rob. Denkt op geen onraad.Mein. Zuikre woorden!Gy trekt myn ziel met zy’e koorden.Guft.’k Bemin...Rob. Bedaar, en volg myn wil.Zult gy dat doen?Guft.Heelwel.Rob. Maar stil.Tree binnen, Karel, Meinart, binnen.Mei. Vwdienaars.NEGENDE TONEEL.GUSTAVUS, ROBBERT.Rob. Laat ons nu Aat ons nubeginnen.dit is dan mijn last:Doch ziet dat gydaar wel op past.Voor eerst maak deze deur te sluyten,Sowel vanbinnen als van buyten;Geeft myde sleutel.Guft.Gy verliest...Rob. Zwijg, maak datniemand hoest, of friest,A5OFTO DE DEBOVCHANT,Ofroept, wanneer men aan mochtkloppen,Wil liever elk debek toe stoppen.Gust. Iksal zo stil zijn als een muys.Rob. Als ofgeen mensch waar in hetGuft. Seer wel; en danRob.Gy kond vertrekken.hethuys.Guft. Engy my metuw vleugels dekken.THIENDE TONEEL.DOPRb.OROBBERT, alleen.Itop, ik wacht hemvandiekant;De wagen heeft on...ELFDE TONEEL,ROBBERT, MEINART.Nverstand!Wat doet gy buyten? zie! zo speelenDie lichte maats met myn beveelen.Daar spat al ’t werk in duygen, spijt!Doch elk is zyn geheugen kwijt.Mein.Gustavusbid, uit alzziijjnkrachten,En wy te zamen, met ons achten,Datjy toch, door uw groot verstand,Wilt Erikjaagen aan een kant;Hyzou ons van de droes doen droomen.Rob. Pisboodschapjes! ga: laat hem koomen,TWALFDE TONEEL.ROBBERT, alleen.En nu ’t eenemaal bereid.BommelichtgelovigheidOmBLYSPEL.:Er.1VanErik, in duelte treeden:Maar, luyttera hy niet naar myn reeden,Wat dan?ingenium, sta by!T’zal gaao; ik voelhet al. door my,Lichtminen,... isbydaar begommen!Zo lang de trappen opgeklommen,Hykan my in destoep niet zien.DERTHIENDE TONEEL.ERIK, gevolgd van een jongen mit een valiesROBBERT.Eleens... ik hoor niers, zou misschienBDedraadgebrookenzijn in stukkenLaat staan; laat staan; wat helpt dat rukken!Klop liever... styf. ter goeder uurOp’tland! wat viel de reys my zuur.Myn tweede broêr, myn neef, mag sterven,Niet weêr naar Zweden, om daar te erven.Neen, Zweden is te ver van hand;Ik hou het nu met Nederland:Maar, hoe zal my mijn zoon omvangen,Hier ziende ’t wit van zijn verlangen!Watofdit zal beduyden? hoe:En deur, en vensters, blyven toe.By daag de vensters toe te krappen?Za! wilt ’er eens te deeg op lappen.Mendoet nict open.Rob. Wie gy zyt,Hou! weet gywel waarop gy smyt? toetredendeEr. Zyt gy’t niet, Robbert?Rob. Wel gekoomen,Myn heer! ik kan me niet betoomenVan blydschap, ’k zie u fris?Er. Ja.14 DEDEBOVCHANT,Rob. Hei!Dat’s puyk!Er. Maar leusterd joudekey?Rob. Wat meenje toch?Er. Ik zou wel vragen,Of elk hier leefd naer zyn behagen;Gaat uit, en ’t huys laet staan. zeg, heer.Wat wil dat trant’len heen en weer?k’Hoor niemand op het kloppen kikken.De deur is....Rob. Oh! gy doet me schrikken.Wiftgy, hoe dathet met u stond.Er. Hy sineetde deur haast op de grond.Rob. Noch flimmer. hy dedeur aanraaken.Er. Wel, waar om zou ik het verzaakenIk brakze zelfs bykans aan twee.Rob. Gy, gy de deur geraakt? waar mee?Er. Waar anders mee, sot; met mynhanden.Sluyt open.Rob. Gy dit huys aanranden?Er. Wat is ’er?Rob. Ik word zo benoudt.Er. Wat schaat het?Rob. Oh! gyzyt te stout,Ik ben te zwak om uit te drukkent’Getal der nadrende ongelukken.Er. ’k Weet nergens af.Rob. Blyf van de deut;tot dejongen.Wegh, lekker, neen, daar is geen scheur.Gyroerde ze.Er. Ja. kon ik kloppen,En niet aenroeren, iy wilt foppen.Rob. Intusschen moord gy ’t huysgezin:Er. Wat grillen vallenu staag in;Wat zullen deze vyzevaafen!Wat droes beduyd toch aldit raasen?NochBLY.SPEL3Noch eens, sluyt open.Rob. Maar, mijn heer,Wy dochten nu om u niet meêr.Hoe bleeft gy toch zo lang in Sweeden?Er. Ikheb daar veel affront geleeden;Het schijnt men achtgeenoud foldaer,Die zyn rapier verroeften laat,Dewyl zyn krachten zyn geweeken,En hy kan minder doen, als spreeken.Men wees my daar op ’t slechste deel,..En hier uit rees een huys krakeel,Hier weêr een pleit uit, met mijn broeder;Want wy zyn niet van eenen moeder:De myne was een ryke Deen.k’ Ging echter, met myn erfnis, heen.Kwon pleit op pleit: schoon ’tyder smarten,De rechters naamen ’t werk ter herten.Maer Robbert, ’k zie, jou schort een praat.Kom; gaenwe in huys; het is al laat.Rob. Geen brieven, heerEr. K’zeg, laat ons binnen.Wat drommel, benje buyten zinnen.Swyg, en ontsluyt; of zegme, waar...Rob. Wel hoor: t’is ruym een hallefjaarDat niemand hier zyn voeten stelde;Jadat uw zoon (dien ik verzelde)Verhuyzen moeft met kist en kas.Er. En waarom?Rob. Jongen, kyk eens, ras;Kan ons ook jemand hier verspieden?Er. K’zie niet een mensch: wel nu; gy liedenMoeft wyken uit dit huys al voort.Rob. Wel eer geschiede alhier een moord.Er. Wat?Rob. Ons isblyks genoeg gegevenDat hier zoon misdaad is bedreven.Is’t14 DE DEBOVCHANT,Er. Is’t lang geleên? en kan me raên,Vanwie datschelmituk is gedaan?Rob. Wie durft daar mede een mensch betichtenEr. Deedge u daar af nooit onderrichten aIs naar de moorder nooit gezochtRob. ’t Is hy die udit huys verkocht;Die heeft het geld en goed genoomen,En(omdat het nooit uit zou koomen)Het lyk geworpen ineen put.Er. Is’t waar Poh! help my uit den dut,Isdit gebeurdRob. Ik bidu, luyster:Gustavus quam eens ’thuys, by duyster,Onthaald van heden van fatzoen.Hy t’huys fynde; elk gingh zich ontdoen,En droop naar bed, vervaard voor spooken.Gustavus wilde noch eerst rooken.Maar als ik om Verinis liep,Zo hoorde ik dat hy vreeflyk riep.د, Alzagjesdaar!Ikvloognabooven, bydedeur.En vroeg..Er. Maar, moet ik dit geloovenRob.Maar kapitein! wat benje een mensch?O Robbert! k’zag hier een gespens.Het sprak, en woume schier vermoorden.Dit zyn Gustavus eigen woorden.Zr. Hydroomde licht, toen dit verscheen.Of was hy zat en vol?Rob. O neen.Myn heer, wat kont gy kluchtig vraagen?Hy zat en vol? ’kvoel ’t hart noch jaageriAls ’k aande taal denk van datbeest.Hy zeyde dan.Er. Myn zoon?Rob. De geeft.’kHeet Ronfifox, bokend by deleren,[p. 15]’K Woon hier; myn romp is ’t aas der pieren:De Schim zwerfd hier, met groot gesteen,Door’t huys, zo boven als beneén.Ik stierf te vroeg, wel vijftien jaaren,En moet zo lang op’t aerdrijk waaren.Het menschen leven is bepaeld,En Charen niet eer overhaald.Die voor zyn tyd sterft, die moet Spooken.Myn waard heeft my de nek gebrooken.Betoverd door een zak met goud,Die’khem zo deugdlyk had vertrouwd.Het lyk is in een put gesmeeten,Ikben verlooren en vergeeten:Maar gy, wil uit het moordhol gaen.Wegb!Sluyt het! laat het leedig staan.Ikzal bet van zyn placts noch tillen.Myn heer, laat ons geen tyd verspillen.Ik zeg noit half(al gaaft ge tyd)Het geende dolle geeft uit smyt.St! st!Er. Ei lieve!Rob.K’ hoor iets kraaken.Heefthydedeur aan durven raakentEr.ORobbert! ik geloofuw reên:Een grilling rijd door al mijn leen.bydedeur.Rob. Ha! zoo veelkan ik niet verwerven; byde deur.,, Mijnstrategeme te bederven, Met raazen!volgen zy mijn raad?Er. Watofhy met zich zelven praat?Rob. Ikbidu, metgevouwen handen,Vanhier! van hier! gy raakt te schanden,Er. Tut, tur, waar om gaa jy niet vliên?Rob. Ikmag wel spookerije zien.Er. Hou Robbert!Rob. Stelje weer de pypen,Ogeeft gy moet naar my niet grijpen,k16 DE DEBOVCHANT,Ik heb de deur niet aangeraakt.Er. Wel hoe? zo bleek, en zo mismaakt?Seg, met wie spreekje? laat dat tieren.Rob. Met Ronfifox, het hoofd der leren.De sterke vent greep naar jou been.Ziet gyhem niet waar loopje heen?Ziet gy die voetstap niet die vlakken?Mijn heer, ai wil uw biefen pakken.Vanhier!Er. Waarom ga iy niet vliênRob. Ik mag wel Spookerje zien.Er. Dat leek flus anders aan uw schrikken.Rob. Wat zet die kwelgeeft een paar blikken!Er. Waar is myn zoonRob. In zekerheyd:1kvrees, indien gy langer beijd;De vent zal uįden huyd afstroopen.Er. Gy staat noch; ty zelfeerst aan ’t loopen:Eengeeft! een huys vol spookery!Wel: Nederland is niet meer vryAls Sweden, van die nachtgesichten.Deketters meenen dat we ’t dichten,Zy spotten met een ziel in nood;Maar keerdmen niet wel na sijn doodRob. Ik ga, wilt gy niet voor uw forgen,Blyfhier vry teemen tot aan morgen.Er. Neen: ikwil eens de man verstaan,Wien dit mijn huys is afgegaan.Komjongen!1VIERTHIENDE TONEEL.TROBBERT, alleen.werk is dan begonnen.Ikheb voor eerst genoegh gewonnen,TeBLYSPELTeweten tyd; ik sweet’er af.T’ vielhard, eer fich die krygsman gafWant hy begon al jets te giffenDoor ’t raasen vandie lichtemissen.Maar, sacht! ik ga; hy is al wegh.Ditdiendwel verder overlegh.TWEEDE BEDRYF.EERSTE TONEEL.binnenROBERT, ERIK, yder van een bysondere kantERIK beziet zyn huys van onderen tot boven,met veele vreemde grimmatzen, terwylWYBRAND van verre naderd.Rob. En ongeluk komt vroeg of laater.Hierdreigd my ’t vuur, en daar hetE water.Myn heersen Wybrand, op een tyd.Oh! laat ik vliền uitdeze strijd.Het is te veel met twee te kampen.Wacht! wil ik Wybrand eerst aanklampenOf liever dezen oorlogsheld?Hoe dryfik haar beyde uit het veldDe kapitein schynt zeer verslaagen.Wil ikhet dan eerst, met hem, waagen.Ja: van waar komt gy?Er. Snood gedrocht!Guyt! van die my dit huys verkocht.Rob. Maar, spraakt gy van ’t geene ik vertelde?Er. Ja roch.Rob. K’weet dat het hem onstelde.Want hy ontkend de doodflagh niet.Er. Hy zweerd dat die nooit is geschiedt.BRob.18 DEBOVCHANT, DE:11Rob. Maer, spraakt gyvan geen confrontacy?,, Dit is een lelyke tentacy!,, Ik ben debaas, raak ik hier uit.„Och! myn concept is heel verbruydt.Er. Komspreek, met my.Rob. Dorst hy ’ tontkennentDedroes moet zulke schelmen schennen.Maar hy ontkend de doodslagh niet.Er. Hy zweerd dat die noit is geschiedt.Rob. Hoe; zweeren? wat is dat te zeggen?Hy zal ’t niet konnen wederleggen.Bekend hy’t?Er. Neen hy, benje mal.Wat nu te doen in dit geval?Rob. K’zal hem een ander lied doen zingen...En meteen fyn procesje dwingen;Kendgymijn neef, den advokaat,Een losse vent; maar loos in raadt,Wel afgerecht op pleiters kuuren?chuuren,Om hem te geeflen, k’moet my spoên.T’verhaalen baat niet; maar hetdoen.,, Ik zie je wel.Er. Waar wil iy heene?Rob.ziende Wybrand.,, Dit wil my springen voorde scheenen.Wel, waarom komt gy?Wyb. Schoon geval,k’Weet naeuw hoe ik u noemen zal!Rob. k’Zie vroolykheid op beide uw koonco..Wyb. Dat is omdat ge u komt vertoonen,Gewislyk enbeurs met met geld.Rob. O woekenaar! die steeds my queld,En, als een wolf, om my komt waaren.O vuyle schaccher!Wyb. Laat dit vaaren.Ditbeuzelpraatjen aan een kant,১RobBLYSPELRob. Wat wiltgedan?Wyb. t’Is immersschand...Rob. Gy past wel op bequaame tyên.Wyb. Hoe zo?Rob. Kom hier, komhier; ter zyên.Wyb. Maak dat ikheb myn geld...Rob. St! hem!Gut, broer, gy hebt een groove stem. 1Wyb. ’k Spreek om myn geld.Rob. Wil my dan hooren.Wyb. Wel aan, ik leemugraag myn ooren.Rob. ’kVerzoek nu, Wybrant, dat gygaat.Wyb. Gaan! gaan!Rob. En dat gy keerd...Wyb. Hoe laat?Rob. Ontrent acht uuren.Wyb. ’k Zal hier wachten.Rob. Zo langh? wegh! waar zyn u gedachten?Wyb. Geef geld, men haal jou pandenwêer.Rob. Gaheen voorwaar, gykrygt het eer.Broer, luyster! maak geen buurgeruchten.Wathelpt het my dus uit te luchten.Ei Wybrand, blyf van onze deur.Wyb. Je steld geduurig my te leur.Schaf geld, dan zal ik achterblyven.Rob. Ja wel: ik heb nu juyst geen (chyven.Er. Kom hier, is’t noch niet uit, jou beest?Hier Robbert!Rob. Waar ofgy voor vreenMyn heer kan, als hy wil betaalen.Wyb. Geld! geld! geld! Robbert, ga het haalen..Rob. Gy zyt de drommeldie my queld,Geenmenich: het is algeld! geld! geld!Beniku wel een stuyver schuldigh?Wyb. Wat zegje k’word noch onverduldigh;Gymy niet schuldig, Robbert? niet?B2 Er.120 DE DEBOVCHANT,Er. Wat is’tdaar hy zo boos om ziet:Rob. Daar is de vader (ziet hem treeden!)Die zo veel middelen uit SwedenGehaald heeft, een afgryslyk goed!Die daadelyk u wel voldoed,Dehoofdiom met de dubble renten.Er, Wat?Rob. Is’er jets?Er. Maar, seldrementen!Wie ist wat eyscht hy van mijn zoonGyzethem afmet smaat en hoon,Inplaats vangeld: wat zijt gy schuldigh!Rob. Mijnheer, uw zoon is zo zorgvuldigh:Oh! hy bemindde zuynigheid,Eu’t eenzaam leven! en bereid.Er. Ik kan dit talmen niet meêr dulden.Hoe veel ift? spreek?Rob. Twee duifendgulden.Wyb.Dit is niet veel voor zulk een man:Rob. Hoor! hoe de sielt flikfloojen kan.Watzit hy vol bedrieglijkheden:Spem vultu fimulat.Er. Ik ben met geen Latijn te vreeden.Het roerd my niet is hy een guyt:’kBegeer slechts dat gy my beduydHoe gy geraakt zijt aandie schulden.Hoeveel is Elis’t?Rob. ’k Zeg twee duisend gulden.Niet eenduyt meer: ai lieve, zegh,Gy zult die geven, jaag hem weg.Er. Ikgeven tRob. Zeghet slechts, ai luyster!Beloof.Er.Ditwerk is my teduyster• •1.Wybrand ter zjden,baalcude eenige papierenuit zijn boezemrekenende;&c.Omdaardoor heen te zien, zeg my;Wat deed gy met dat geld toch?Rob.BLYSPEL. 27トRobWy?Ruft! rust! het is in goed bewaaren.Er. Laatdeze met zijn geld dan vaaren.Voort; geefher weêr: is ’t weggebrocht?Rob. Daar is een wooning meê gekocht;Een huys.Er. Eenhuys?Rob. Ia, heer! eenwoning.Zo schoon, als waer zy voor eenkoning;Zo helder als het sijnste glas;Men zou haar zetten in een kas.Er. T’is goed, daar is niets aan bedreven.Wat zalGustavus daar voor geven?Rob. Slechts derthienduyzend guldens, heer.Tetellen op sint Ian; niet eer.Wyzochten, toen onshuys onvry was,Een aer, geen zonder spookery was,Enkreegen strax eene in het oog,Waarmeê men onsgeenzinsbedroog.Het scheendaar was l’argent van nooden,Dus heeftme wel wat mingebooden,Dochdingende presentibus:Tweeduysend guldens zeide ik flus.Er. ’t Is goed; maar watzyn toch de reedenDatdie verkooper is te vreeden:Desombedraagt noch geen termijn.Diemoet vierduyzend guldens zyn.Rob. t’Is geen termyn; maar..staak dit vraagen.Ik kan zijn by zijn niet verdraagen;Hy stinkt, maak uw die bok eens quyt.Geef’t geld, heer.Wyb. Wel? is’t nochgeen tyd?Er. Gy kont op my zien, ’kben de vaderVandien gy’t geld schoot.Wyb.T’ was nooit nader.Zeerwel,:B Er22 DE DEBOVCHANT,Er. Kom morgen hier bymy,Wyb. Mijn heer, je maakme weder bly.Rob.Er.’K heb dit geluk niet durvenhoopen.TWEEDE TONEEL.HERIK, ROBBERT.Oekandie schobbejak nu loopen!Waar staat het huijs?Rob.,, De droes!.Er. Welaan!Waar zijn uw zinnen heen gegaanIk zie, gy zoekt aan alle kanten:Offlachtjede komedianten,Die altijd speelen op het boekStaat daarook jemand om een hoek?Neen, neen, je peinst op uw studeeren,En wat Gustavus nu zal leeren.Hou, Robbert! Robbert! benje mal!Keer weder tot u zelf.Rob. Ik zal.Dithuyshoud my steeds opgeroogen,Zo ras ik op haar slaa myn oogen.Er. Is dit het? laat ik ’t wel verstaan.Rob. Mijn heer! wel twijfeld gy daar aan.Ditis het.Er. ’tKanmy nietbehaagen.Rob. Niet, niet waarom, zou ik wel vragen:Gymaakt dat ik van spijt hier sterf.Er. ’t Staat naast een onbetimmerderf,En ’t is eenhoekhuys, tegen ’t zuyên,Waar opde natte zomerbuyer,De winterhagel, en.Rob. Tut! tut!...’Tis van de boomen weer beschut.EnBLYSPEL.23DtEr. Waarachtigh!En ’t heeft een thuyn, mijn heer.Een thuyn by’t huysi dat woord is krachtighOmmy te paajen: ’k wil het zien.’kGa vragen, ofhet magh geschiên.Rob.,, ’k Ben vast, hier kan ik geenzins tegen.Het komt de juffrouw niet geleegen.Er. Een juffrouw, Robbert?Rob. Ja, myn heer;Maarvys van ommegang en teêr;Men moet haar als de drommel myên.Zyzal de inspekzy nu niet lyen:Het is een weêuwtje; maar....Er. Gegoed?Rob. Voorzeker, envan deftighbloed.Zy heeft onlangs haar man verlooren.Er. Gy zegt, gegoed, en wel gebooren?Rob. Ja; daar by wel gemaakt en schoon.Er. Och! dit is uw partuur, myn zoon.Wil ik u dan eerst tot haar zendenRob. O ja; ’k ben een van haar bekenden;Dat vatje recht.Er. Ras, dien het aan.Ik zal zolang ter zyden gaan.De deur gaat op.,Rob. Daar is Sibylle;Myn heer, staat hier een weynig stille.Zie! zy vertchynt ter goeder uur.Er. Wel Robbert, heb ik zoo’n gebuur?DERDE TONEEL.SIBYLLE ROBBERT, ERIK ter zyden.totOmt Aeltje nicht; laat haar wat toeven, Margriet}KMargriet zy zalme weêr bedroeven,B 4binnen.Mer24 DE DEBOVCHANT,1Met haar gehaate talmery:Ik luyster noch naar geen gevry.Doch nimmer spreeken zulke vrouwenDan of van meiden, of van trouwen.Maar, wat wil Robbert ga iy heen.Rob.Hoe is’t? gy schynt niet wel te-vreên,Zultgydan noit weêr vrolyk wezenSib. Ik ben gelyk ik was voor deezen.Rob. ’t Is waar: een juffrouw van verstand;Eenpeerel van gantsch Nederland;Eendiemen een godin mag noemen.Sib. Het deugd niet veel ’t geen vrienden roemen,Jybent een knecht, een pedagoog;Doch of je’t weet, in ydersoog.Inplaats van goede zeên te leeren,Doet gy Gustavus steeds verke erenBy tafelbeesems, licht van hart,En zonder geld, en zonder smart.’kBeken, ’t is soetlyk van u lieden:Het leven schynt het aan te bieden,Wiens kortheydyder maand tot vreugd.Maar eindelyk (ô dwaze jeugd)Zult gy noch kommer moeten lyên,Rob. O! Juffrouw praat van uwe tyên.Sib. ’k Zie dat gy zaam als prinssen leefd;Ja, ’k zie dat deze stad niets heeft,Of’t diend uw mond, en streeld uwoogen.Het beste wild komt hier gevloogen;De schoonste visch strand aan uw deur;De verste wijn is voor uw keur.Zo dat, Robbert, hetstudeerenBestaat in ’t Kordiaal tracteeren.Rob. Myn lieve juffrouw, tis verbrayd,Helaas! dat oopen hof is uit.Het schynt, gy hebt noch niets vernoomen:Dekapitein is weer gekoomen,SibBLYSPEL:Sib. Zwyg stil, maar, Robbert!Rob. ’ t’Is gedaan.Zookomt de droefheid achter aan.De traanen rollen langs mynwangen.Sib. Maar, Robbert! Erik laet u hangen,Rob. Daar vrees ik voor; wantdat doet zeer.Oh juffrouw! zeg niets aan myn heer,Hy zal ’t Gustavus wel vergeveen:Maar ik zou ’t boeten met myn leeven.Ikbid; bewaar my voor die grys.Sib. Wat roerd het my? ’k zalzwygen; rijs.Rob. Hoor nu, waar om hy u durfd kwellen,Sib. Neen, Robbert moet my eerst vertellen,Hoe dat de vaar de zoon ontfing,Rob. Ja dat gesprek was zonderling.Gustavus stierfschier in zyn armen,En Erik scheen zich ook te erbarmen,Hykreet, en...Sib. Rook hy niets?Rob. Oneen!Hy kreet van blydschap, en ging heen,Nu wou hy wel uw huys eens kyken,Sib. Het is niet veyl.Rob.. Maar, diergelykenWil hy selfs timmeren, myn heerWil deze gevel floopen neêr,En binnen alles ook verscheppen,Sib. Waarom?Rob. Durf ik daar wel afreppen!Maar, gy zyt buurvrouw, en vriendin,Men spreekt tot onzent van de min;Van vryery, van huwelyken.Hywil nu eens zijn macht doen blijken,En schenken, aan hetjonge paar,Die wooning, tot een nieuwejaar,Dochzalhet (eer hy ’t wil vereeren))BSHer26 DE DEBOVCHANT,:Herbouwen, en naar eijsch stoffeeren.Sib. Wil Erik zo veel moeijten doen?Rob. Nuzoekt by een bekwaam fatzoen,۱En heeft uw huys juyst uitgekoozen.Sib. Mijn huys? gydoet mijn wangen bloozen,Rob.Menzegt, het was een braaf fabryk,Die dit model gaf, zo antijk.Sib. Ia, kon men ’t elders heene kruijen,T’was wat: het ziet te veel naar ’t zuijên.Apol blijft (als eenbedelaar)Hier aandedeur staan’t gantsche jaar,En doet zijn vuur ons steeds gevoelen.Dus, wil men s’ somers zich verkoelen,Men dientte springen in de put.Rob. ’t Is van de boomen weêr beschut,Ei buurvrouw! ei vergun hem ’t kijken.Hy zal zo buijgen, en zo strijken:Ei laat hem het van binnen zien.Sib. Wel aan, ga zeg, het kangeschiên;En kan hem jets in ’t huijs behaagen,Hyhoeft niet om’t model te vraagen:Hetword van nu aftoegestaan:Rob. Ik roep hem.Sib. En ik klop weer aan,Om Margariet wat te onderrichten.Rob. Mejuffrouw gy zult ons verplichten.Rob.Er.VIERDE TONEEL.ERIK, ROBBERT.ksprak de weeuw zy is te vreen.ikbinnentreên,K’heb indie juffrouw groot gevallen.Rob. Mijn heer, het lust u wat te mallen.Fr. Iebleeft daar al wat lange staan.1HebVBLYSPEL.27Rob. Heb ik mijn woord niet wel gedaan,En ’tgeengywenscht, van haar verkreegen?Ikdoe u nimmer jets ter deegen;Gy knort altyd; dat magh niet zijn.Gy kent het spreek woord in ’t Latijn...Er. Swing toch wel nu! zy isgeweeken.Rob. Zy gaat hier met haar meid af spreeken.Maar, ’k hoor dathaar de koop berouwd.Er. VoorwaarRob. Zy heeft het my vertrouwd.Ik ga tot afstand hem beweegen....Er. Gustavus?blijf! daar ben ik tegen.Rob: Zy bad êr on.Er. Dat raakt my nier.K’ bemin Gustavus.Rob Maar zy biedt.Er. Wegh! wegh! ik heb geen mededoogen.Want let, zo ik my vondbedroogen,Zouzymy vande koop ontslaan?Ja, apesteerten! ’tis gedaan.Rob. Zy komt, gy diend haar aan te randen.:VYFDE TONEEL.SIYLLE, ERIK, ROBBERT.LSib.WElkoom, mijn heer,indeze landen.Er.Sib. Wouwje ’t huys eens zien?Er. Ja, Juffrouw, ’k zag het geern; indien....Sib. Niet! niet! het komt me wel geleegen.Treè in; zie alles, en ter deegen.Er. Maar...Sib. Heer! ik bidu, blyfniet staan.Er. Maar’ t is vry stoutelyk gedaan.Sib. Nict; ga gelyk als in uw eygen.Rob3:28 DE DEBOVCHANT,6BensRob. Swygh! (wygh, mijn heer helaas zy steend. trekkendeZiedaar, zy keerd zich om, en weend.Dat komt door van de koop te spreeken.Er. ’k Zie ’t.Rob. Wil haar ’t hart zo niet doorsteeken,Zo niet braveeren: maak geen praatVan dat gy deze koop noch staat.Er. Voorwaar, je zegt het aan geen dooven.Geleerde liên gaan elk te booven.Sib. Maar treê toch binnen;’thuys staat op.Er. Ikheb ook ’t hart niet dat ik klop.Rob. Gymoet de gevel eerst beschouwen;War is dit cierlyk uitgehouwen!Bekykdie deur eens met de bril.Aen beyde zyden!Er. Stil! ei stil!Jemoet’er mywat tyd toe gonnen.Rob. Die duifjes opde fruytfestonnen!Diepallemtakken in dit perk!Die lauwerkranfssen op die zerk!Hoezwierigh rold dit uit het ander!Hoe geestigh past dit op malkander!Er. ’tIs jammer; zie, dit is geschendt.Rob. Maar dit is weder excellent.Sib. Het riekt ook excellent naar duyten.’t Is alles hier gevoerd met schuyten:Doch’tblyft myn huys tot dat ik sterf.Er. Wat?Rob.Maar, verschietgy weer uw verfter zyden./terzyden.Ikdocht, gy woud niets laaten blyke n.Er. Wel! wel! ik ben vermoeyd van kyken,Sib. Vernoegd her u?Er. Maar, ongemeen,ADekonst vernoegt my, en de steen:Is schoon al ’t geene ikkan beoogen.Sib. Zie met vermaak u opgetoogen,TreeBLYSPEL.29Treêin; het is de pyne waard.Er. Maar Robbert; is zy vies van aard?Ik hoop zy nochSıb. Men zal u leyên.....!Margrietje, kom! breng deze beyênEens binnen, lei haarop en neêr.Er. MaargySib. Ik kom zo daadlyk weêr:Ik moet iets wichtigs zelfbestellen.Treê in: die meyd zal u verzellen. binnenDERDE en LAATSTE BEDRYF.EERSTE TONEEL.:ROBBERT, ERIK, koomende uit het buysvan Sibylle.Er,Rob.Er.Kdankje voor de moeit, Margriet.Ik dankje, heer? en anders niet?Dorft ikhaar een vereering geeventZy had wel licht met my gekeeven;’tHoofdis dat goed vaak op de loop.Rob. Wat zegtge nu van deze koopIs’took te veel voor dit getimmer?Er. De tyden zyn nu wel wat slimmer,Enalles is iinnlaeger stand,Als toen ikkwam in Nederland,Voor sestien jaren, met de bendenDie Duytfland tot secourskwam zendenAandit gezegend paradys:Doch, ’khoorde nooit van zulk een prys.Ditheet ik vinden, en geen koopen.Myn vriend! dit hart staat vooru open;Rob30DE DEBOVCHANT,1Robbertus, gy hebt wel gedaan.Rob. De koopmanichap staatu dan aen?Er. Ia.Rob. Watte zolders! watte vloeren?Er. K verzoek het bakkes wat te snoeren.1Mynblyde ziel danst op en neêr,Maar gy verstoordze dus.Rob. Myn heer!1De schoorsteen in de boven kamer.Er. Geen schoonder, grooter, noch bekwaamer.’kBeken ’t; ’kheb, om zyn aartigheid,Uit puur contantement, geschreidRob. K’ stond ook en keek gelyk verweezen.Er. Ik zag nooit prachtiger voor dezenVanzulk een hoogte, breette; neen:Iy wel, Robbertus!Rob. Heer! nieteen.Gustavus wilde dat ook weeten:Wygingen allerweeges meetensDaarwas geen schoorsteen in de stadDie deze breette en hoogte had.Er. Robbertus, oh! ik moet u roemen,En u, van blydichap, zomtyds noemen.Rob. Maar, wat een heerlyk tafereel!Hoe net gedaan! hoe zacht! hoe eêl!Er. Weet jy me de inhoud niet te zeggen;’K zag vrouwen op een houdtnyt leggen,En kiygsgeweer, helm, schild, en zwaard.Ikwensch dat jy me dit verklaard.Rob. Men ziet het op de schouwtoneelen;Doch gy houdvan geen stille speelen,Die zelden naar de schouplaats gaat,Dan als me raaft, en vecht, en slaat.Er. Iynimmer, ofmen moet’er springenEndanslen; ofmen moet ’er zingen.Rob. Hoe word gy kwaad, mijn heer?welBLYSPEL.3.11Er. Welja.Ie steekt me, die juyst niet verstaDit stuk, misschien vande ouwe tijên.Wat droes weet ik van schilderyen:Een krijgsman weet van casemat,Van bastion, van storremkat,Van batteryen vol canonnen,Vanwelgeregelde esquadronnen:Rob. Tis zo, t’was Didoos dood. Hoor.Er. Neen.Laat ons van deze stoffe aftreên.En weder tot het koopen keeren,Ik zou geen schoonder huijs begeeren.Zy gafme licht wel duysendpondVoor de afstand.Rob. Soogy’t huijs afitondIkzou...Er. Ik zal wel wyzer weezen.Rob.Al lietge u van Sibyll beleezen,Ik ly dien afstand nimmermeer.Er. Ie draagd van deze koopook de eer.Rob.’Kdurf, zonder schroomen, dat belyên.(Eenmaakelaar magh my benijên)Ikkan het kunsje. ’kliep om geld,T’geenWybrand eindlyk heeft geteld,Ik hebat Sibylle zelfs gegeeven:Dekoop is vast, en wel beschreevenGeteckend van Gustavus, en.Er. ’t Is niet te zeggen hoe ik ben,. •Ik kan myn blydschap niet meer dulden.Het zijn slechts derthienduijzend gulden.Rob. Niet meer.Er, Niet meêrRob. Neen, niet een speld.Lang’t my: want, zogy ’tzelven teld.Zy zeilicht datze was bedroogen.Zy32DEBOVCHANT, DEZyzag u nimmer met haar oogen:Maar heeft het huys aan ons verkocht.Lang ’t my, heer.Er. Ditis wel bedochtOm Erik door de neus te booren,Rob. Zytgy dan ooitvan my geschooren,Dat gy menu zo zeer mistrouwd?Waar ofmy Erik toch voor houd?Er, Datgy me nimmer hebt bedroogen,Daar voor dank ik verstand en oogen,Ikhou my voor een schrander manAlsik me voor u wachten kan,Rob. ’K merk jets, gy hoord naar achterklappers,Myn vyanden, ik kan de snappers,Zyzijnjaloers op mijn bedrijf. zietGooff.koomen.Er. Waar heen, al weer: ik zegje, blyf.Nu zultge naar Gustavus trekken,En hem mijn weder komst ondekken,Maak dat hy morgen hier kan zyn,’Kverlang naar hem, met smart en pyn.Ga, repu toch, omtijd te winnen.Rob. Ik ga..,, door deze gang, hier binnen.Er.TWEEDE TONEELFRIK, zyn eigen huys onder en boven beziende,terwylGOOSSEN, met noch een jongen aanΟkomt kloppen.Spook! ô nachtgeeft! ’kben, om u,Hier, voor mijn eigenwoning, schuwVerleegenziel! ik... stoutejongen,Wat zullen deze kromme sprongen,Watzoekje hier, jou jonge zot,Watkykje door het gat van’t flot.Go. Mijnheer! zy willen nu niet spreeken.War1BLYSPEL.iWatdrommelof daar magh ontbreeken,Dat mendedeur niet open doet?Bel! klop, en stoot eens met de voer.Ik hoor geen kannen noch geen glazen;Geenbas noch vedel: alhet raazen.En al het rinkelen is.Er. Hoe?Go. Noch houwenze de deuren toe!’Kmoet weer eenskloppen, Gerrit, open!Er- Watkluchtis dit?Go. Wy koomenJoopenOm Lodewyk, die zelden gaat,Naar zeven uuren, langs de straat,Te haalen.Er. ’t Spookt hier; laar het raazen.Go. Wil ik eens goojendoor de glaazen?Er. Laat staan...Go. Mijn heer is in dit huys,Er. Iou heer? het spook: hier? ’tis abuys.VVieis uw heer? wil hem my noemen.Go. Ik wil zijnnaam hier niet verbloemen:T’is Lodewyk, de....Er. longen wegh!!Go. T’is nochtans waar het geen ik zeg.Er. Dat zy zo: maar ik zal u toonenDat hier geen menschen langer woonen 3Zo kan uw heer...Go. VVatzegje daar?Er. Geen menschen, zinteen hallef jaar.Go. Danben ik blind: ia, doe my blinden,Ik wil dit huys, by midnacht, vinden.VVoond hier Gustavus niet?Er. VVeleer;lehebt gelyk, doch nu niet meer.Go. Is hy verhuyst?Er. Ja, zijt te vreden.C33:totdejongenWarn3480DEBOVCHANT, DE:Go. Wanneer toch? gifteren ofheden?Jeboert metons, mijn heer.Er. Oneen.:Hethuys staat leegh ga iy maar heen.Go. ’thuys leeg? waar in men plag te zwelgen,En... maar mijn heer schynt zichte belgen.Er. Vaar voort.Go. Daarwasnier eenen dagh,Waar opmengeen byeenkomst zaghVan gasten, spitsbroers, vrinden, neven.Er. Wie heeft haar deze slemp gegeven?Go. Gustavus.Er. Wie Gustavus, ah!,, Ik zwym.Go. Gy maakt noch dat ik lagh:De zoonvanErik, en geen ander.Er. Zo kwamenze steeds by malkanderEndronken?Go. Je vraagt alle ding:Zint dat de vaar na Upzal ging.Er. O knecht! hoe maalen ude zinnen!’kGeloof, je bent noch- nat van binnen;Licht hebje niet te bed geweestZint gifter avond.Go. HoeEr. My vreeft1Datiy de onrechte deur komt moeyen.Go. Wel, wat of hier noch uit zal broeyenIk ga enkom; en weet van waar,En ook waar heen.Er. Ik zeg, bedaar.Go. Gustavus zal, en moet, hier woonen,Die zyn gastvryheid elk gaat toonenEr. Hymaaktedagelyks goe sier!Go. Zint dat zyn vader trok van hier.Er. Maar, spreek: regeeren hier geen spooken.Go.BLYSPEL.35TEGo. Menheeft daar nimmer af gesprooken.Er. Gustavus heeft dit huys gekocht.Go. Dat zal versierd zyn, en bedocht.Er. Gustavus gaftweeduyzend gulden.Go. De jongman heeft vry grooter schulden..Er. Och!Go. ’tSchynt dat dit u gaat aan’t hert,Enuw gelaat getuygd uw smert.Jebent mifschien een van zyn maagen,Er. Dit kan de vader niet verdraagen.Go. Je hoord noch maar eenkleyn gheid.Hyword van Robbert heel verleid.Diezegthet geen hy liefst wil hooren,Ennoopt hetweeligh kind met spoorenInplaats dathy ’t beteug’len zou.Isdeze zedemeester trouw/Men neemt daar alles vande wanden,.!.En gaat het goed voor geld verpanden;Goud, zilver, spiegels, porselein,En schilderyen, grootenklein,Devuyl bemorste muuren hebben,Totcieraad, ragh enspinnewebben.Er. Oh, vader! goede vader, oh!Gyword vermoord door snood bedrogh.Go. Ja, heer! hoe zal de vader klaagen!Hoe zal dit in zyn boezem knaagen;Alshy ’t gewaar word.Er. Zo’tzò is,’kHeb, met de vader deerenis.Go. Ik had het evenwel gezweegen,Had ik een glaasje meê gekreegen,Ofeen stuk broot: voor dit, ofdat,GafRobbert my een voet in ’t gat..Dat moet gewrooken zyn. doe open!Oflegje zamendood gezoopen?Er. Gaheen. zoek elders dit gespuys,2beilende enkluppende.C2 Go.36 DE DEBOVCHANT,Go. InMeinards, of in Karels, huys.Sib.DERDE TONEEL.ERIK alleen.Kben dan schandelyk bedroogen,Hoe dikmaals hebt gywelgeloogen.O sielt! ô schelm! gy dicht de geeft,Die noit hier binnen is geweest:Ik zie nu door de duysternissen.Maar, guit! de wraak zal ook niet miffenOp’t ongenadigst u....VIERDE TONEELSIBYLLE, ERIK,Aarhoe?MAJe staat daar noch? benjynietmoe?Heer kapitein, ik zie uw haarenVan zorgen gryzen, en van jaaren;Enjyweet vangeen ongemak?Er. Mejuffrouw! dat ik ook eens sprak.Sib. Indien ’tu lust; gy kond nu spreeken:Hebjymynhuys wel doorgekeeken?Jebent niet, naaruw zin, voldaan.’Er. Sibylle! daaris vry wat aan,Gafu mynzoon tweeduyzend gulden?Sib. Neen.Er. Robbert!Sib. Hoe kan ik dit dulden!Waar voor?Er. Wel; wat is hier geschied?Ho! ho! dekoop is al te niet.Sib. War koop, mynheer? je schynt te droomen.Er. Wel! dirzal noch al schooner koomen!Wel, Juffrouw!Wel7e 37BLYSPEL.111Sib. Wel myn heer!Er. Wathoon!’kWeet vanden handel metmyn zoon,In myn afweezen.Sib. ’kBen geduldigh.Er. Ikben eltduyzend gulden schuldigh.Sib. Aan myEr. Ja toch.Sib. Het heeft geenschyn.Ik magh op straat niet langer zyn.Vaarwel. ei, laatme binnen treeden.Er. Maar sta ten minsten; hoor myn reeden.Ontken het niet, ’tis onder ons,Hetgeen gy kreegr.Sib. Gy hebt een gons.Er. Tweeduyzend zynu al gegeven.Elfduyzend zyn ’er staan gebleven,Diezal ik geven opzyn tyd,Mits dat gyden ontfangbelyd.Sib. Wel Erik! watte bagatellen!Het lust u dan my wat te kwellen;Ofhier is ergens misverstand.Ik zal haast zien aan welke kant.De pedagoog zei: gy woudbouwen,Endoen terwyl Gustavus trouwen.Dushy, van uwentwegen, bad(Oh! dat ik hetgeweigerd had!)Dat ik myn huys zou laaten kyken,Er. Gaudief! oh! ik zal bezwyken.Oh! oh! oh! oh! oh! sta meby.Sib. Hoe wat deê Robbert?Er. Ik en gy,Sibylle, zyn door hem bedroogen.Doch, ’ tzal hem druypen in zyn oogen.Hyzal ’t betaalen met zynhuyd.Die vagebond! Ô die schavuyt!C31Wils38DE DEBOVCHANT,Wilt gy nu wel uw hand my leenen?Zo moet Margrietjen op de beenen,En gaan,..Sib. Wel!Er. Maar op staende voet,Naar Wybrand, die hier komen moer,Met alzyn knechten, en gezellen;’k Wil’t geldt, voor zyne panden, tellen.Sib. Waerom poch, heerEr. Gy zult het zien;Zo ’du gevalt.Sib. Het sal geschiên.Er. Ik vrees uw heuscheid hier te tergen.Helaas! wat durf ik u niet vergen!Sib. Niet, niet: laat dit maar op my staen.Er. Daar komt den grooten lichtmis aan.Sib. Vaar wel, myn heer! ik ga naar binnen.Er. Vaarwel! ik zal myn wraak beginnenEr.R.HVYFDE TONEEL.ERIK, ROBBERT.zo luydtOe? benje noch niet naar de schuyt?Heer! waarom roeptge tochGustavus quam op’t Spuij my teegen.Er. Maar, hoe is ’t met Sibyll geleegenIk zag haar nimmer daar op aan,Dat zy dat geld zou onderslaan,Rob. Hoe dan? durft zy dat geld ontkennen?Er. Ja.Rob. Žo mag haarde nikker schennen!Er. Zysegtdat zy hetnooit genoot,Rob. Gyiokt’er meê; gyzet me een toot;1Wegh, wegh. heer! zou ze dat ontkennen!Er. Ja.Rob. Zo magh haar de nikker schennen:Doch zy ontkend het niet.;O JaBLYSPEL1Er. Oja!Sibylle ontkent het voor als naa,Endat zy wilde’er huysverkoopen.Rob. Maar, ik wil evenwel noch hoopenDat zy ’ t, op ’t laatst, bekennen zal.Er. Zy bied een eed, in dit geval.Rob. Genoegh! zie! zie! ze wil’t ontzweeren.Er. Zyzegt: ik ben een vrouw met eeren;Bezit dit buys; en zagnooit geld,’tGeen my daarvoor zou zyn geteld.Rob. Wat meer!Er. Zy doet de schout hier haalen,Om u...Rob. Durft zy noch op my smaalen?Ik wed dat zy de schout wel laat.Zy, zy de schout?Er. Ja, zy.Rob.,, Watraad!Dan zal de schout haar zelven grypen.,, Ik voel van schrik mijn dermen nypen!Zy my verbluffen? ’k zal u raên.Er. Ik zal eens by Sibylle gaen.Rob. Ga, met Juristen consuleeren;Bruy’t inprofes.,, ’k zal my verweeren.,, Die keyen strekken voor geschut. raapt keyen opBlyf! hoor! een raad, gering; maar nut:Er. Neen; ik zal eerst hier binnen treden,Rob. Hoor! hoor! zy heeft veel swaarigheden;Dryf dat ze ’t huys (ô, dit is goed!)U vry van aanspraak levi’en moet.Dan zullen alle ’er creditorenTerstond dit huys verkoopen hooren.Er. Ik ga.Rob. De droe sbreek u de nek.Terwyl gy gaat, kies ik dit hek. klimt op de schuttingEr. Zulneder! wat is dat te zeggen?[p. ]san’t liege erf.Rob. Nu zal ik u dat uit gaan leggen...Er. Robbertus! foei! maar, wat een kuur!Rob. Robbertus is geen groot postuur;Er.Hy zou beneen niet konnen kyken,Als schout neefmet die weêuwgaat stryken.Daal neêr: ik roep haar voor het recht;Beft word daar ditgeschil geslecht.Jy klauwterd alseen aap: zul neder!En help me, met uw raden, weder. CRob. Zeg op...ik trefde zaak in ’t lit;’k Bendubbel schrander als ik zit:...De zittende confulten, trouwen,Die worden altyd goed gehouwen.. "Er. Boert niet ziemy, uwbrootheer, aan,Rob.’k Zie brootheer Erik daar wel staan,Er durft een derde my genaaken,De pokken schen zyn neus en kaaken.Er. Rabaut! ik weet uwfieltery..Rob."k Bekenze; dies vergeefze my.Er. kZalu, met rook en damp, omringen,Endoen zò, van de schutting, springen.Rob. Wat hadjedan, mijn goeje heer,Een drooge bukking, en niet meer!Er. O galgenknepel! ’kzal my wreeken,* Voor dat ik zo ben doorgestreeken.Er. Hoe was, eer ik vertrok, mijn zoon?Rob. Alsnu: bevalligh, jongh en schoon.Er. Ik vraag wat aêrs.Rob. Ik kan wel hooren.Er. Dit is geen antwoordnaar behooren. Rob.fingeWat zal dit fuytenRob. ’t Isde leus.Myn heer nu tooru genereus.Dieboose nachtgeeft zal verschynen,En, met een compliment, verdwynen.fSESDEBLYSPEL, 041SESDE TONEEL.ERIK, ROBBERT op de febutting, LODEWYKKar.KAREL, MEINART, met demantelsom de ooren:jongen..Minheer!! gy leefd, en zyt gezond;En ’t word myvan ’t geluk gejondDat ik wellekom mag heeten.Rob.,, Had gins de Sweed hem doodgezmeeren,>>Het waar ons zaliger geweest.Ir. Ik ben te zeer bedroefd van geeft, been enDies, wilje wys zijn, wilme myên. weergaande.Kar. Watdoeje daar?Rob. Ik leer hier ryên,En voltizeeren, op dit paard.Mijn heer, flus wierd ik zo vervaard,En. maar, ’t sijn al geen Pakolettjes, •Ik maak wel vreemde karebettjes;Doch raak niet verder van hem af,Die my zo streng is, en zo straf,Spreeknu!Er. Gy hebt mijn zoon bedorven.Mein.Ia, Robbert heeft het zeer verkorven.Er. Geenwoorden!jongen, roep mijn soon.O ravenaes! verwachtuw loon. jongen binneRob. Gy dreigt, en ik heb niets misdreeven;Vw wysheyd zy my toegeschreeven,Vexatio dat intelle &um.Er. ’k Zal jou vexatio!Rob. Aanschouw...Er. Neen alsme, met een endje tou,U, van de galligleêr laat strijken,Danzal ik u, met vreugd, bekyken.Kar. Eergy umêer, en meer, verstoord,Zohoor ten minsten eens een woord.Wywillen onze schuld wel weeten,C5こ142 DE DEBOVCHANT,Begaan in speelen, drinken, eeten;Hoewel zy even ’t zelfde doen,Die leven willen naar ’t fatzoen:Want dat begrypt de converfacy.Rob. Dat geld verbruyen; doch, met gracy.Kar.Hetgeenmen nimmer houd voor kwaadt,Wanneer ’t geschied, by liên van staat,Vanlevendigejongelingen:Want deze voegen zulke dingen.Veelbeeter los, naar ziel en lyf,Als fuf, en stil, enloom, en styf.Wathaduw zoon toch aan ’tstuderen,Kon hy by menschen niet verkeerenMaar zitten (foei! het is een schand.)Zodroog, en stom, als een pedant;Doch alles heeft zijn maat, zijn orden;Hier zijn my schuldig aan geworden:Ditis’t: hier schrikt Gustavus voor,Metwien wy weeken van het spoor;Ditdoethem vaders gramschap mijén,Wiens felle gloed hy niet kan lijên.Er. Ik geef het op; en ben bekoord,En op mijn zoon niet meer gestoord.Kan ik myn zucht tot hem verzaaken!"Neen, neen! hy maghme wel genaaken.., Dejeugd moet kooten: ’tis gedaan:,, Het is een geldzaak, ’klaat het gaan,,, Ah! mocht hy met Sibyllerouwen!,, Vaak hield de minzaamheid der vrouwen,, De man, al streelende, uit de kroeg,,, Die na geen andre raders vroeg.Wel; laat utavus buiten koomen.SEVENDE TONEEL.terzydın.GUSTAVUS, ERIK, ROBBERT, op deschutting, LODEWYK, KAREL, MAINERT, GERRIT.IkBLYSPEL.431kheb de stout heiddan genoomen by knield.Gust. IOmmy te werpen voor uwvoet.Myn vader liet, betoom uw moedt.Zytwellekom!Er. T’is u vergeeven.Gut.Daar schenktge my noch eens het leeven!Er. Hoe? kon ik wel jets minders doen;Als dat ik my met u verzoen,Opde uur, dat ik ben weergekoomen:Guft. De vreugd zal ’t hert noch overstroomen,opheff.’kHad mydie nimmer dus verbeeld. by knield.Rob. T’is of menhier de Cinna speeld.Nu zal my meê genaâ gebeuren.Er. Uzal ik van malkaer doen scheuren.Guft. Vergeef het hem,Er. ’k Wil alles doen,Eerik my, met dien sielt, verzoen.Rob. Zozalik geen genaâ verwerven?Er. Ik rust niet voor ik u zie sterven:Wel, Wybrand?ACHTDE TONEEL.ERIK, GUSTAVus, ROBBERT. op deschutting,LODEWYK, KAREL, MEINART, WYBRAND,gevolgt van eenige knechten, waar afde eene eenSchildery, de twede een spiegel, de derde eenkistje metjuweelen, de vierde eenfilvereSchotel, de vyfde een porcelyne vles, c.reer?dragen.WΕλ. HIekomt vry laat.T’is ofhier een proceffy, gaat.VVyb. Dit zyn uw meublen, heer,Er.Ogaften?Dia1J44DE DEBOVCHANT,Die deze meablenzò verbrasten?O galgenbrok?Guft.Geefhem genaa!Laat u verbidden, vader! ja!Er. Gustavus zal ik my niet wrecken?1k wou diễn gaudiefwel doorsteeken.Guft.Ei!Er. Weg! ga, waar’tulust.Rob. Mijn heer!Er. Kom onder myn geficht nooit weer.Rob. Ik stiet my zelf in deze rampenafspringende.Ger. Myn heer de pedagoog moet schampen.Zo wel als onze vroome Alet,Doch eerst moet hy mijn vuysten voelen.Van hem ter deuren uitgezet.Rob. Mocht ik myn luit eens met u koelen!Ger. Amice! nu krygt gy wat mee!Rob. vertrekt.Er. Op deze wys vertrekt gy meêMei. Heb dank.ALod. Kar. Main. vertrokken.4Maar zijt gewaarschuwt, wiltu wachtenOoit weder naar dit huys te trachten.Er. En klop iy daar eens aan,Zeg dat het werk is afgedaan. Gerritgaat in Sibyles’T’is laat: kom, Wybrand, met u knaapen, buys.’k Zal u te nacht meê wel doen slaapen.Dit werk is nimmer uit gelekt?Wyb. Ik heb het aan geen mensch ondekr.Die, in onse handel niet kan zwijgen,Die zal niet veel kalanten kryger.Er. Ik vreesde ’t echter. Zoon, welaan!Guft. Ne.n; vader moet eerst binnen gaan.Ende van bet derde Bedryf, en het gelealeBlyspel.