Homepage Universiteit Leiden
Homepage Faculteit der Letteren Homepage Forum Zoeken in Forum E-mail redactie Forum

Jaargang 4, nummer 3 (mei 2004)

   Agenda
   Onderwijs
   Onderzoek
   Personalia
   Discussie
   Bibliotheek
   Bestuurszaken
   ICT
   Colofon
 
Onderwijs

 

   

Professionele peers

Column door Jef Jacobs

 

De Leidse universiteit is ‘research intensive’. En als zodanig wil zij tot de Europese top gaan behoren. Of moet ik zeggen: ‘behoort zij tot de Europese top’? Het concept Strategisch Plan ‘Kiezen voor Talent’ ademt geheel en al die ambitie. Gelukkig is de dichotomie tussen onderzoek en onderwijs die even dreigde, opgeheven, zodat er nu naast excellent onderzoek ook sprake is van een ‘hoogwaardige standaard voor het onderwijs’.  Het spreekt vanzelf dat met name ook de getalenteerde bovenlaag van studenten waarop wij ons in onze werving richten gevoelig is voor een uitstekende onderwijskwaliteit.

Zeker, de externe studenten die Leiden kiezen voor een masteropleiding zullen vooral door de reputatie van de onderzoekers aangetrokken worden. Maar aankomende bachelorstudenten, al behoren ze tot de grand cru van de vwo-leerlingen, zullen toch vooral door een prima organisatie en invulling van het onderwijs gelokt worden. En vanuit die optiek bezien is een goede studiecoördinator even veel waard als een gereputeerd onderzoeker. Maar ook de excellente masterstudenten die straks de lokaliteiten rondom het Rapenburg bevolken zullen zich licht bekocht voelen als de kwaliteit van het onderwijs dat zij genieten middelmatig tot goed is, in plaats van goed tot excellent.

Te vaak hoor ik van goede studenten dat zij het onderwijs niet uitdagend of zwaar genoeg vinden. Er blijft ruimschoots tijd over voor het baantje en het bestuurswerk. Als deze componenten verenigd worden met een attractieve studie is er niets aan de hand. Maar als de studenten zelf vinden dat ze te weinig geïnspireerd worden door stofkeuze, opdrachten of werkvormen is er iets mis. Kunnen ze dat beoordelen? Ik vind van wel. Als we ze serieus nemen moeten we dat zeker ook doen in deze kritiek.

Het strategisch concept wijdt enkele paragrafen aan het onderwijs: zo dient de koppeling tussen onderzoek en onderwijs te worden verstevigd, de bachelorfase moet worden verbreed (“verbreding in de vorm van een minor met vakken buiten het curriculum van de hoofstudie”) en het onderwijs moet selectief en uitdagend zijn.

Het plan vervolgt met de constatering, dat kwalitatief onderwijs eisen stelt aan de studenten. “Het programma dient studenten … uit te dagen. Door de kernvakken van de opleiding inhoudelijk te verzwaren en te richten op de cognitieve aspecten (abstractie, reflectie), kritisch denken (opwerpen van nieuwe vragen) en zelfwerkzaamheid wordt de student gestimuleerd te presteren.” (p.7, 8).

Verondersteld wordt dat de supergemotiveerde studenten die wij dankzij een stevige ingangsselectie hebben aangetrokken via dergelijke impulsen zo  zelfstandig en geïnspireerd zullen werken dat de docent er minder omkijken naar heeft en dus tijd voor onderzoek wint.

Dat nu is te vlot door de bocht. Een onderwijs zoals hier geschetst, zal zeker de studenten aanspreken.  Maar tegelijk zal het veel  extra tijd en energie van alle docenten vergen. Het verder digitaliseren van het aanbod verlangt bijvoorbeeld een heroverweging van cursusdoelstellingen, werkvormen en toetsing. Er dienen opdrachten te worden geschreven bij de literatuur en het ingeleverde materiaal dient van degelijke en gedetailleerde feedback te worden voorzien (veelgehoord is de klacht nu dat er met ingeleverd materiaal niets meer wordt gedaan).  Om over de stelselmatige integratie van onderwijs en onderzoek nog maar te zwijgen, zeker binnen een faculteit, waarin tot nog toe grote delen van het curriculum eenvoudig gericht waren op het verwerven van basale kennis. Hoe voorkomen we nu dat onder de werkdruk van dit moment alle pogingen tot onderwijsoptimalisering papieren operaties blijven?

Mijn conclusie is deze: wie tot de top van research universiteiten wil behoren kan zich niet permitteren het op een van beide terreinen – onderzoek en onderwijs – met een onsje minder te doen. Dat is niet enkel de uitdaging van onze universiteit, maar ook van onze faculteit. Efficiënter inrichten van het jaar kan ons tijd voor onderzoek opleveren. Samenwerking in onderwijsinstituten en opleidingen op het gebied van de kwaliteitszorg kan leiden tot verbetering van de onderwijskwaliteit. Vooral in dat laatste zie ik veel. Naast allerlei controlemechanismen zoals cursusevaluatie, visitatie en functioneringsgesprekken moeten we het vooral in de sfeer van inspiratie en enthousiasmering zoeken. Daarvoor kunnen we gebruik  maken van het middel van wederzijdse begeleiding (‘peer review’) binnen opleidingen en instituten en tussen onze eigen instituten en zusteropleidingen in binnen- en buitenland. Mogelijk is in de tussen twee visitaties geplande midterm review het bezoek van of aan een zusteropleiding in te bouwen.

Dat lijkt me een van de meest dringende desiderata op onderwijsgebied:  de tijd vrijmaken om  bij elkaar en bij anderen in de keuken te kijken, en daarover te praten. Zo kunnen we op inspirerende en efficiënte manier ons onderwijs uitdagend goed, ja zelfs excellent maken. Dat ons dat iets mag kosten lijkt me vanzelfsprekend.

Printversie
vorige pagina top pagina