Continue

Abraham Vereul: Proeve, van poëtische brieven. Gouda 1786.
Gebruikt exemplaar: UBL 1206 F 25 : 2.
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.
Voor informatie over heldinnenbrieven: Heroides neerlandicae

Continue

[p. I: blanco]
[p. II: blanco]
[p. III]

PROEVE,

VAN

POËTISCHE BRIEVEN,

DOOR

ABRAHAM VEREUL.

Sumtaque prudenter dabitur licentia.
                                                            HORAT.

[Typografisch ornament].

Te GOUDA, Bij
WOUTER VERBLAAUW,
MDCCLXXXVI.

Continue

[p. IV: blanco]
[p. V]

AAN
GOUDA
BIJ MIJN VERTREK NAAR DE
ACADEMIE.
__________________

De tijd, die ’t all’ gebiedt, en boeidt aan zijne wenken,
    Roept, vrolijke IJsselstad! mij uit uw’ dierb’ren kring;
Vaarwel dan! — ’t Letterveld, dat gy de jeugd wilt schenken,
            Maakt plaats voor hoogere oefening.

(5) ’k Mogt in uw’ schoot, de vrugt der onderwijzing smaaken,
    My oeff’nen, om met roem op steiler weg te gaan,
Vijf jaren, in ’t genot der streelendste vermaaken,
            Mijn’ teedren — kindschen Cither slaan.

Waar bleef die lieve tijd?... zij vloog, gevoelloos, heenen,
    (10) Als stof, als nietig stof, dat in den wind vergaat;
Of als een droom, die voor ’t ontslooten oog verdweenen,
            Geen spoor zelfs in ’t geheugen laat. —

Maar ’t is in het gevoel der teêrste erkentenissen,
    ’t Is schreiende, dat ik mijn’ jongsten groet u bied’,
(15) Ja! Gouda! ’t weiff’lend lot mooge in mijn’ strand beslissen,
            ’t Beslist in ’t dankbaar harte niet.

De gulle minzaamheid van zo veel’ waarde Vrinden,
    Vereeuwigt in dit hart de opregtste dankbaarheid.
Slechts, in het stof des doods, zal zy haar eindperk vinden,
            (20) Slechts met mijn’ stap in de Eeuwigheid!
[p. VI]
Waar mij het noodlot* voer’, ’k zal van hunn’ deugd gewagen,
    Hunn’ deugd, die, altijd groot, voor lijdende onschuld plijt;
Die in het prangendst leed, in woedende onweêrsvlagen
            Aan ’t Land, aan God blijft toegewijd!

(25) Mijn Gouda! door de zorg van zo veel’ welgezinden,
    Rijst uw geluk, en glans door alle rampen heen!
Gij durft den bleeken nijd aan uwe voeten binden,
            Gij durft uw’ vijand tegentreên!

Bloei, dierb’re!.... Diebr’re Vest! stel nijd, en heerschzugt paalen,
    (30) Schoon de afgrond om u loei’, blijf pal voor Vrijheid staan!
En, daalt de zon uw’s heils, ’t zij om met rijker straalen,
            Uit damp, en nevels op te gaan!

’k Wij’ u, ’k wij’ hem mijn’ Zang, die in zijn’ kring te vreeden,
    De wet der Overheid, ’t gezag der Godsdienst vreest,
(35) Na rustelooze vlijt, na grooter beezigheden,
            Verpoos’ mijn Zang een’ wijl zijn’ geest!

Dat vrij de hand des tijds, de zwaare hand der jaaren,
    Elk uur uit een tafreel de fijne trekken slijt’,
Zij slijt mijn’ eerbied niet, die blijft aan uwe altaren
            (40) Voor Eeuwig.... Eeuwig toegewijd!

Wanneer zelfs in den dood, het perk van zorg, en smarte,
    ’t Gordijn der eeuwigheid voor mij al opengaan,
Leg, Gouda! dan uw’ hand op mijn bezwijmend harte,
            Het zal voor u ook dan noch slaan!

                                                A. VEREUL.



[p. VII]
Zie hier, Geachte Leezer! het eerste werk van eenen Jongeling, die niet dan met schroom het zelve aan uw toegeevend oordeel aanbiedt. — Men mag den geest zijne uitspanning niet weigeren, en het ontbreekt niemand aan gelegenheid, om zodanige te kiezen, die met zijnen smaak overeenkomt, en hem meest geschikt schijnt, om de meer gewigtige beezigheeden te vervangen, die iederen levenstijd, en stand verzellen; ik heb dus ook voor my zodanige keuze gedaan, en het beoeffenen der Digtkunde is mijn grootst vermaak, mijne geliefdste uitspanning geworden.... Ik heb dan mijne leedige oogenblikken, (daar ik doch ook beezigheeden heb, die voor mij van belang zijn, hoe zeer zij anders den naam van gewigtig niet mogten verdienen) aan ’t opstellen deezer brieven toegewijd; mijn voorneemen was derzelver getal te vergrooten, en daar toe mij van de Historie van ons Vaderland vooral te bedienen; ik zoude bij voorbeeld de Weduwe van Oldenbarneveld, na het gevangennemen van haren Zoon, aan Mauritz; Amelia aan Ripperda; De Ruiter aan zijne Kinderen, &c hebben doen schrijven; maar verscheidene omstandigheeden hebben mij tot nog toe belet, dit voorneemen uittevoeren; ik laat dan die voortreffelijke onderwerpen over voor die geenen mijner Land- en Tijdgenooten, welke dit vak der [p. VIII] Digtkunde mogten verkiezen, en zal gaarne van hun leeren, hoe ik dezelve had moeten behandelen. — Voorts heb ik niets, betreffende de Brieven zelve, te zeggen; dan alleen, dat de grond van den eersten is getrokken uit Ferdinand en Constantia, schoon ik mij niet geheel aan het verhaal van den Heer Feith gebonden, en veel van het mijne, ’t geen ik dagt met mijne briefswijze behandeling van dit stuk hier beeter te strooken, ’er bij gevoegd heb; een ieder kent de volgende onderwerpen — Dus, geachte Leezer! vergun mij mijne pogingen aan uwe gunt aan te beveelen; wanneer gij mijne gebreeken ziet, zie dan ook teevens op eenen Zestienjarigen ouderdom, en denk, dat die noch verre van de volmaaktheid af moet zijn. — Inmiddels zal ik den geenen, die, als een waar Vriend, mij mijne dwalingen onder ’t oog gelieft te brengen, hoogschatten; want waarom zou ik mij schaamen, van kundiger meer te leeren? —

        GOUDA
            1786.

Continue

[p. 1]

KAREL
AAN
FREDRIK.
___________________

Neen... Fredrik! zulk een’ strijd streed nooit een sterveling!
Hier wijkt de stoutste moed, ook — schoon die nooit verging;
O zo in uwe borst noch deugd, en vriendschap gloeien,
Dan zal een teed’re traan gewis dit blad besproeien;
(5) Maar... ach! uw levensloop glijdt zonder kommer heen,
Zal ik die kalme rust ontroeren door geween?
Zal ik het naar toneel van zo veel smarts ontblooten,
Den dolk, op nieuw gescherpt, in mijnen boezem stooten?
Lang heeft mijn bonzend hart in eenzaamheid geschreid,
(10) Lang schuwde ’t zelfs den troost der zuivre tederheid;
Maar... ’k voel.... ’t is noodig, dat het menschlijk mededogen,
In mijne rampen deel’, mijn’ tranen poog’ te droogen:
Welaan... ’k stort ze in uw’ schoot, gij zult mijn lot verstaan,
En... eisch ik iets van u... ’t is slechts... één teed’re traan.
[p. 2]
(15) Gij weet... gij weet, hoe ik, ver van ’t gewoel gescheiden,
Mijn’ God, in eenzaamheid, een dankbaar hart mogt wijden;
Hoe ik, op ’t stille land, waar ’t weifflend lot verstomt,
En waar de Mensch het naast aan zijnen Schepper komt,
Reeds in dit tranendal de rust des Hemels smaakte;
(20) Hoe mijne Emilia dat aardsch geluk volmaakte:
’t Was in dat stil verblijf, door de onschuld opgecierd,
Dat zij en dierb’re Gade, en teed’re Moeder wierd:
Daar zagen wij terug op ’s Waerelds wisselingen,
Ons bondt het aardsche niet, wij scheenen Hemelingen,
(25) Daar kenden wij geen’ haat, daar was ’t geweeten vrij,
Ik had Emile’s hart, en dat hart sloeg voor mij.
Wat was zij boven ’t schoon dier Vrouwen ver verheeven,
Aan wie de kunst alleen bevalligheid kan geeven:
Haar hair, bevallig zwart, was aan geen’ kunst gewoon;
(30) Een roosje was haar pragt, eenvoudigheid haar schoon;
Zoo, zoo vlood de eene dag, een and’re keerde weder,
En ieder vondt ons heil meer groot, ons hart meer teder,
Twee jaren waren weg, mijn vriend! wij merkten ’t niet,
Ik zag de blixem niet in ’t ijzelijkst verschiet;
(35) Ik rustte op roosjes, vrij van aardsch verdriet, en zorgen;
Maar ach! de seis des doods lag, in de roos, verborgen. —
    ’t Was avond, en de zon, die, droever dan voor heenen,
Mijn kommerloos verblijf had, op dien dag, bescheenen,
[p. 3]
Zonk in het westen neêr, en week uit ons gezigt;
(40) De maan trad treurig voort, en gaf een beevend ligt;
De nagt brak langzaam door langs ak’lig zwarte paden;
De wind sliep; en natuur scheen doodsch in nagtgewaden.
’t Was toen (verheeven’ deugd!) toen, dat Emiles ziel,
In diepe eerbiedigheid, in stille godsvrugt viel.
(45) Zij had zich, ongestoord, naar ’t naaste bosch begeeven,
Daar loofde zij dien God, den oorsprong van haar leeven,
Den geever van het geen zij kommerloos genoot;
Daar badt zij voor haar’ Zoon, voor haren egtgenoot;
o Daar.... daar poogde zij in haar’ bespiegelingen,
(50) Op wieken van geloof, tot voor Gods throon te dringen.
    Op eens ontsteekt de wind, de maan verbergt haar’ gloed;
De sterren staan, zo ’t schijnt, in eenen kring van bloed;
Twee wolken, ’t zaam geperst, verspreiden blixemstraalen;
De grond geeft krak op krak, en beeft herhaalde maalen;
(55) Het hart der aarde klopt de rotzen zinken neêr,
En de echo kaatst, met drift, de donderslagen weêr:
De hagelsteenen, van verwonderlijke vormen,
Verzellen het geloei der ijzelijkste stormen,
Ik vlieg mijn’ woning uit.. maar... hemel!.. wat gezigt!
(60) De lugt zo straks nog zwart, is thans geheel verligt;
’t Bosch, waar Emile bad, was.... ’k voel mijn’ boezem beeven!
Was... door het blixemvuur der vlam ten prooi gegeeven!
[p. 4]
o God!.. wat ogenblik!... wat pen beschrijft deeze’ nood?
Gevoel hier zelfs, mijn vriend! gevoel als Egtgenoot!
(65) Ik dwaal in ’t bosch, verbleekt, door drift op drift bestreeden,
Verschrikking, wannhoop, angst verzellen mijne treeden;
’k Herhaal Emiles naam.... vergeefsch is mijn beklag;
’k Hoor geene Emilia, maar... somts een’ donderslag.
’k Was thans door vuur, en rook, langs neêrgevelde boomen,
(70) Tot aan dat plekje gras, haar liefst verblijf, gekomen;
,, Waar zijt gij? in wat hol?... ’t is hij, die u bemindt,
,, Ik ben het, die u roept, ’t is Karel, ’t is uw vrind! ..!
Zo gilde ik, toen mij dagt een’ kermend Mensch te hooren,
’k Treed toe, de stem brak af, en ging geheel verlooren,
(75) Mijn voet stuit.... God! een Vrouw, bleek, worst’lend met den dood!
Een blixemstraal geeft ligt, ’k herken mijne Egtgenoot!
Toen, toen vereende zich, in mijn bezwijmend harte,
Al ’t ijsselijk geweld der wanhoop, en der smarte,
,, De blixem sloeg u neêr... Emilia! gij sneevt!
,, (80) ’k Vervloek, ’k vervloek de grond, waar gij met mij niet leevt,
,, Sla! donder! tref ook mij, of keer, keer dierbre! weder’’.
Hier smoort mijn stem, ’k zink op Emiles boezem neder!
Zij zugt... zij trekt!... ’k herleef!... mijn hoop verheft zich weêr,
Zij stamerdt: ,, Karel zijt....’’ o God! zij kon niet meer!
(85) Zij stierf... verschriklijk lot! mijn oog heeft haar zien sterven!
Ik moet eene Egtgenoot, mijn Zoon een’ Moeder derven!
[p. 5]
    Ontwringt het naar verhaal van zo veel tegenspoed,
Mijn vriend! uw treurig oog geen tee’dren tranenvloed?
Ja! ’k zie dit blad, besproeid, in uwe ving’ren beeven;
(90) Ach! kon mij uw gevoel Emile wedergeeven!
Maar neen.... haar slaap is vast, ’k zie haer op aard niet weêr;
Dat hart, dat voor mij sloeg, dat hart... het klopt niet meer;
Het droevig overschot van mijne levensdagen,
Wijde ik aan de eenzaamheid; daar wil ik stoorloos klaagen,
(95) Ik heb geen’ vreugde meer, mijn kragt neemt langzaam af;
Mijn heil, mijn troost op aard’, — ’t rust in den schoot van ’t graf.
Hier overstelpen mij de treurigste gedagten,
Vaak krijgt de boezen lugt door ’t uiten zijner klagten;
Emilia!... een steen..... uw’ nagedagtenis.....
(100) Zie daar.. wat van uw’ deugd, en godsvrugt ov’rig is!
o Gij, beminde stoet! gelukkige Egtgenooten!
Die in ’t genot der liefde uw heilstaat voelt vergrooten,
Die, daar gij vrugten van uwe Echtkoets plukken moogt,
Elkanders leed gevoelt, elkanders tranen droogt!
(105) Bemindt... blijft eene drift, den lust der Godheid, kweeken;
Maar denkt.... het uur zal slaan... uw’ banden zullen breeken,
Voel het, alwie dit graf, Emiles graf aanschouwt,
De dood rukt alles los, ook ’t tederst hart word koud;
Vergeet dit denkbeeld niet.... het kan, het kan niet baaten;
(110) Daar, bij dat somber graf, daar moet ge uw pand verlaten;
[p. 6]
Denk aan mijn ijslijk lot... ’k heb ook bemind voorheen;
Maar ’t Huwlijksbed maakt plaats.. helaas!.. voor eenen steen!
    Hoe vaak zat ’k aan den voet van eenen digten ceder,
Geheel vertederd, aan Emiles zijde neder!
(115) Daar zagen wij terug op onze tee’dre jeugd,
Wij bloosden niet... o neen.... dat denkbeeld baarde ons vreugd;
Die lieve jeugd!.... zij was, bevrijd van tegenheeden,
In de arm der tederheid, onschuldig, heengegleeden.
Verbeelding voerde ons daar bij ’t graf van eenen vriend,
(120) Die onze vriendschap, door zijn’ braafheid, had verdiend;
Hoe zagt sliep hij, terwijl vast de eeuwen heenen dreeven,
De schrikstem van den tijd deedt nu zijn ziel niet beeven;
Maar ook..... zijn vonnis stond in ’t eeuwig boek geveld.
,, Wat vonnis! Karel! (riep Emilia ontsteld)
(125) ,, Verdoolde waereldling! die aan uw’ schat blijft kleeven,
,, Ding naar den eeuw’gen schat, ding naar een beter leeven!
,, o Zalig! zalig hij! die vroeg zijn’ dagen teldt;
,, Wien steeds ’t gevoel des doods, op ’t pad der deugd verzeldt’’!
Zo bleef ons ’t ak’lig beeld van ’s Menschen Niet bekooren,
(130) Tot we ons in ’t duister hol der eeuwigheid verlooren. —
    Die boom herroept mij ’t meest mijn’ vroeg verbrooken band;
Dan eens trek ik, bedweld, Emile’s naam in ’t zand;
Dan eens verheffen zig tot God mijn’ schreidende oogen;
De wolkgordijn gaat op, ’k dring door de hemelboogen,
[p. 7]
(135) Een’ stem klinkt door de lugt, ,,troost, troost u in uw lot,
,, Zij was eene Engel hier, zij is het thans bij God’!
o Dan, dan meent mijn oog die deugzaamste aller Vrouwen,
Met meer bevalligheid voor ’s Vaders throon te aanschouwen;
’k Wil met haar spreeken... ’k zugt... ’k herhaal mijn’ tederheid,
(140) Maar.... ’s Hemels deur valt toe!.... ontzachlijke eenzaamheid!.....
    Zo leef ik, Fred’rik! maar... wat toch is zulk een leeven?
Daar niets, dan ramp, en smart, mij ov’rig is gebleeven?
Waar is een enk’le wensch, die mij meer ov’rig schiet?
Een doodkist... dierbaar vrind! meer wenscht mijn harte niet;
(145) Maar ach! verdoolde wensch! een Zoon treurt in mijne armen;
Een Zoon bindt mij aan de aard,’ ik moet dat pand beschermen;
Een Vader blijft hem slegts, daar hij zijn’ Moeder derft,
Wie zal zijn helper zijn, wanneer die Vader stervt?
Daar treedt hij in ’t vertrek,... dat oog... die wezenstrekken!
(150) Hoe klaar is daar het beeld der Moeder in te ontdekken!
Och! dat hy slegts zo braaf, maar meer gelukkig zij!
Hoe lacht zijn lieve mond... hoe huppelt hij om mij!
Vaarwel... ik ga een wijl hem van zijn’ Moeder spreeken,
Ligt is in ’t jeugdig hart haar denkbeeld reeds bezweeken.
(155) U zij dit blad een blijk, dat Karel u bemint,
’t Kan ligt het laatste zijn... vaar wel, gelukkig vrind!

Continue

[p. 8]

JEAN CALLAS
UIT ZIJNE
GEVANGENIS
AAN ZIJNEN

ZOON.
___________________

Ontvang, mijn dierb’re Zoon! mijn jongste Zeegeningen;
    Het vreeslijk uur spoet aan, maar ’k vrees zijne aankomst niet;
’k Zie wel het ak’lig beeld der wreedste folteringen;
    Maar.... ’k heb de rust van ’t hart en — God, die alles ziet!
(5) Men sprak mijn vonnis uit, het is bepaald op morgen,
    En kondigt, dond’rend mij ’t gevoel der felste pijn!
Ach! word een laage dood het loon voor all’ mijn’ zorgen?
    Hoe? zou ik Vader, en onmenschlijk teevens zijn?....
Zou ik mijn’ eigen bloed, het Voorwerp mijner liefde,
    (10) Die dier’bre Spruit, die ’t eerst mijne Egttrouw heeft verrijkt,
Wiens neiging tot het spel zo fel mij ’t harte griefde,
    Hem, wien ik ’t leeven gaf, den strop.... mijn pen bezwijkt....
[p. 9]
Neen, hij die reeds voor mij den glans der kroon doet stralen;
    Die de onschuld, na haar’ strijd op aard’, voor eeuwig ciert,
(15) Die over nijd en ramp mij zal doen zegepralen;
    Hij kent dit Vaderhart, dat nimmer eerloos wierd. —
Hij weet, dat nooit mijn vuist het zwaard heeft opgeheeven;
    Maar veeleer, nimmer moê, gestreeden voor mijn Kroost;
Hoe ook de donder loei’, Hij zal mij nooit begeeven;
    (20) Daar zwigt de magt des nijds, waar ons de Godsdienst troost!
Hoe vaak heb ’k u vermaand!.... mijn dierb’re Zoon! Hoe teder!
    Uw Broeder dagt: ’t was drift — maar neen, ’t was Kindermin,
Hij wierp helaas! zijne eer eerst in een’ afgrond neder,
    Met haar zijn’ deugd, in ’t end zinkt hij — hij zelve ’er in:
(25) Men wijt aan mij dien val, ik ben de vloek der aarde! —
    Men zegt: Een leerbegrip bepaalt zijn’ tederheid
De pijnbank foltert mij, de waarheid heeft geen’ waarde,
    Ik roep het regt tot hulp, het regt zwigt voor den nijd —
Mijn’ Rechters!.... O kendt gij het hart van eenen Vader,
    (30) Hebt ge ooit dien naam gevoerdt, en — haar gewigt gevoeldt?
o Dan, dan kendet gij wis Callas harte nader;
    Dan was, zelfs door de reede, uw’ woede ras verkoeldt!
Mijn einde nadert meer, maar het zal heerlijk weezen;
    De beul verneêrt mij niet, die schande is slechts in schijn;
(35) Hij, die op God vertrouwt, behoeft geen’ beul te vreezen,
    En — daar ’k onschuldig ben, durf ik rampzalig zijn!...
[p. 10]
Mocht Hij, die gunstrijk is, die eens — ook u zal richten,
    Hij u vergeeven, zo als Callas u vergeeft!
Ja! mocht mijn vloed uw’ straf — voor de Eeuwigheid verlichten;
    (40) Uw naberouw vergoên, ’t geen gij door drift bedreeft!
In ’t eind, mijn dierb’re Zoon! God roept mij uit dit leeven;
    Maar Hij, Hij blijft uw steun, eer Hem in ’t ak’ligst lot;
Ween vrij!.... maar zoudt gij U aan wanhoop overgeeven?
    Uw vader sterft niet — neen — hij zegepraalt... bij God!
(45) Volbreng voor mij dien post, wiens last mij nooit deedt zwigten;
    Mijn Zoon! uw’ Moeder zugt! wees tot haar’ troost gereed!
Uw grootst geluk op aard’ zij de oef’ning uwer pligten,
    God schenke u al mijn heil, maar spare u voor mijn leed!
Bemin de deugd, maar zoek haar nooit op rozenpaden,
    (50) Ze is een’ steile rots, ze is op de verste kust. —
Blijf in uw ’kring; laat teeds een weinig u verzaaden,
    De rijke heeft wel magt, maar heeft hij vreede, en rust?
Ik voel ’t — het zwaard des beuls verbreekt de taaiste banden;
    Maar — slegst voor weinig tijds, de toekomst troost ons meer;
(55) Mijn Zoon!... Mijne Echtgenoot!....o Dierbre!... Dier’bre Panden!...
    Gewis... in de Eeuwigheid... ja! daar ziet gij mij weêr....
Vaarwel!... ’k Voldeed mijn’ pligt. — Mijn tijdkring is verlopen;
    Kom, Beul! verhaast uw’ slag, verhaast mijn eeuwig lot!
o Vreugd!... Daar gaat de deur der Zaligheid reeds open!...
    (60) Mijn dierbaar Huisgezin!... ik toef u bij mijn’ God!...

Continue

[p. 11]

MARGARETHA
VAN
HENEGOUWEN,
GRAVINNE VAN HOLLAND
EN ZEELAND,
AAN HAAREN
ZOON

HERTOG WILLEM,
NA DEN ZEESLAG BIJ DEN BRIEL.
___________________

Herken in dit geschrift uw’ Moeder zwakke hand,
Slagtoffer van uw’ drift, verwoester van mijn land!
Zoo zwaait gy, juichend, weêr uw’ trotsche Zeegevaanen;
Zoo doopt ge uw’ lauweren weêr in mijn bloed, en traanen;
(5) Mijn Zoon! verdoolde Zoon! heeft dit mijn’ zorg verdiend?
Helaas! gij wordt mijn Beul, gij waart voorheem mijn Vriend.
Gij hebt aan duizenden den Maas tot graf gegeeven,
De zeege koos uw’ zijde.... ik kwijn een ak’lig leeven;
Vaak stort mijn treurig oog een’ bitt’ren traanenvloed,
(10) Maar meer om ’t zugtend Land, dan om mijn tegenspoed;
’k Viind ligt in Eng’lands schoot het eindperk mijner plaagen,
Gij kunt, gij slegts dat perk vervroegen, of — vertraagen.
[p. 12]
Of... is ’t nog niet genoeg? nog niet?.... na zo veel smart!
En dondert niet de stem der wroeging in uw hart?
(15) Waar is dat vast Verbond, zo duur mij toegezwooren?
Kan moord, kan Burgerbloed, verdoolde! uw ziel bekooren?
Ken uw belang in ’t eind... Ziet gij dat naar verschiet,
Die sloten neêrgestort, den brand dier tempels niet?
Ginds zinken, in hun bloed, twee Egtgenooten neder,
(20) Hier roept een schorre kreet: ,,geef mij mijn zuig’ling weder!’’
Daar, waar ’t bloeddorstig zwaard de zwang’re Vrouw verslaat,
Waar de onschuld, zorg’loos, slaapt, ook daar zelfs woedt de haat;
Men ziet uw tijgerrot dan wreedsten bloedrol speelen;
Natuur deinst, zidd’rend, af, bij hunne moordtoneelen;
(25) Stel perk aan hunne wraak... hergeef den vreede aan de aard’;
Keer weêr, verblinde Zoon! uw’ Moeders liefde waard!...
Herroep uw’ Kindschen tijd, die dagen van genoegen,
Toen gij den pligt van Zoon bij dien van Held bleeft voegen;
Toen nooit een wreev’le drift uw’ kinderliefde schond;
(30) Toen de onschuld aan het hoofd van alle uw’ daden stond.
Vernielt één enk’le drift de zorg van zo veel’ jaaren?
Erken mijn regt.... O leer de lijdende onschuld spaaren!
Eens gaf ’k u ’s Lands bewind, en week naar Valencijn;
Maar... gij wierd dat onwaard, bij dorst mij trouwloos zijn.
(35) Waan thans niet, dat, daar mij mijn’ Vrienden zijn onttoogen,
Daar Haamsteede, en Renesse, in ’t graf ter neder boogen;
[p. 13]
En Brederode zelv, een beeter noodlot waerd,
In ’t hol des Kerkers voor uw’ woede word bewaard;
Daar ’t trotsche Delft, door ’t eerst zich voor uw’ staf te bukken,
(40) Een Viertal Steeden aan mijn’ zijde wist te ontrukken;
Daar weêr uw’ Vloot de Maas in zegepraal verlaat;
Waan niet, dat zich mijn Volk de hoop ontukken laat;
Er zullen wreekers zijn van Margaretha’s smarte;
Het zwaard blinkt in hun’ vuist, de wraakzugt gloeit in ’t harte;
(45) En.... Hij, die aan den worm, en Vorst het leeven geeft,
Voor wiens gedugte magt de trots der bergen beeft,
Hij wenkt... en de afgrond gaapt, de hoogmoed polft ter neder,
En ’t offer, lang gebukt, geniet zijn’ voorspoed weder:
Zoo kan hij ook, mijn’ Zoon! na zo veel’ teegenheên,
(50) Mij naar het hoogst geluk, door roozepaên, doen treên;
U kan hij van den Throon ten duist’ren grafkuil rukken;
Ik ijs.... het is nog tijd.... ach! laat uw’ heerschzugt bukken!
’t Is waar ginds praalt een staf... maar hier een schooner lot;
Hier wenkt uw Moeders klagt — uw pligt — natuur, en — God!
(55) En... wat doch noopt u dus naar eenen staf te dingen?
Bedagt hij nog wel ooit,wat zorgen hem omringen?
Gij haakt naar schijngeluk — ’t gebied geeft niets dan smart,
En ’t Purper van een’ Vorst verbergt een angstig hart;
Waar hij zijn’ treden zet, hij heeft een’ strik te mijden,
(60) En struikelt hij... die val doet duizend braaven lijden;
[p. 14]
De Landman, die alleen de vrugt zijn’s vlijts geniet,
Mist eenen Scepter wel, maar mist de Vriendschap niet;
Maar hij, die, luisterrijk, ten rijksthroon is gereezen,
Moet, die zijn Vriend meest schijnt, als zijnen moorder vreezen.
(65) De Hoov’ling, die, wanneer zijn zelfsbelang het eischt,
Zijn’ deugd, zijn’ God vergeet, de snoodste gruw’len prijst,
Verheft hem met de tong, en vloekt hem in het harte,
O... onder ’s Vorsten kroon schuilt eindelooze smarte;
Zijn glans is valsch, mijn Zoon! maar die verblint de jeugd.
(70) En... zoudt gij magtig zijn ten koste van uw’ deugd?
Is ’t beeter zonder deugd, dan zonder magt, te leeven?
Neen... Willem! waar geluk blijft aan een’ kroon niet kleeven!
De deugd weegt eind’loos meer, de deugd slegts wankelt niet;
En.., wie, wie offert gij aan ’t nietig Staatsgebied?
(75) ’t Was eens uw waardste pand!... Verdoolde! ’t is uw Moeder!
De Vriend vermoort zijn’ Vriend. — Wie zag ooit iets verwoeder?
Den schuldeloozen man word geen genâ vergund;
Tel de offers van uw’ wraak, kom, telze, zo gij kunt!....
’t Land rookt van Burgerbloed... men spaart geen’ Kerkgewelven;
(80) Kom!... gij verwond mijn’ Vloot... Mijn Zoon! verwin u zelven!
Verlaat het zwaard, en wijk naar ’t eenzaam Valencijn,
Laat daar de vreugd van ’t hart uw’ grootste vreugde zijn:
’k Heb, na uw’s Vders dood, daar kalmte, en rust genooten;
Maar sins uw vloekverbond na Gorinchem geslooten;
[p. 15]
(85) Sints gij uw’ trouw vergat, is mij die rust ontzegd;
U voegt zij — wijk daar heen — verwin u, en — doe regt!
Zo ginds het Oorlogsveld, daar slaapt, in stille vreede,
Uw Vaders dierbaar lijk, herdenk zijn’ jongste beede;
Herdenk, hoe, toen de dood in hem haar’ moorddolk joeg;
(90) Mijn beevend hart voor ’t laast op zijnen boezem sloeg,
En hij den jongsten kusch op uwe lippen drukte;
Hoe hij, met dit vaarwel, in ’t stof der aarde bukte:
,, Mijn Zoon! deeze Egtgenoot zij thans uw dierbaarst pand,
,, Leef voor haar, voor uw’ roem, voor God, voor ’t Vaderland!
(95) Hij stierf, maar wis zal eens de toekomst ons hereenen;
Hier zweevt de stem der faam, om zijnen grafzerk, heenen:
Welaan, verdoolde Zoon! word weêr uw’ Stam gelijk,
Word weêr de Vriend der deugd, de Zoon van Lodewijk!
Maar, zo u, na dit al, ’t gebied nog kan bekooren,
(100) Zo gij de zugt naar magt meer dan mijn klagt blijft hooren,
En dus nog regt, noch pligt, Natuur, noch wreeker vreest,
Och! of dan uwe wieg uw sterfbed waar’ geweest!
Dan zult gij, in ’t gewoel der wreedste geesselslagen,
Een rustelooze hel in uwen boezem draagen;
(105) En op dien zwakken throon, met ’s Moeders bloed bespat,
Waarop gij niet als Vorst, maar als verraader trad,
Zal steeds mijn jongste gil uw sidd’rend hart doorbooren,
Gij zult — ook in ’t gejuich des Zegepraals dien hooren;
[p. 16]
En schoon de Hoveling uw Vriend en trooster schijn’,
(110) Ook zelfs de stem des troost zal u een treurlied zijn.
Gij zult het gantsch Heelal u tot een’ afgrond maaken,
Vergeefsch onttrekt ge u dan, aan grootheid, en vermaaken;
Ook... schoon gij vlugten moogt naar ’t eindperk van de zee,
Gij voerd steeds, met mijn beeld, een wroegend harte meê;
(115) Steeds zal mijn ak’lig graf zich voor uw oog ontsluiten,
Gij zult mijn’ Wonden zien!... niets zal uw’ wroeging stuiten;
Dan leest de jongste dag op uw onrustig graf:
,, Haar, die hem ’t leeven schonk, nam hij het leeven af.’’
De Hel... maar ’k staak, mijn Zoon! gij ijst reeds voor u zelven;
(120) Gij zult voor mij, voor u geen’ afgrond verder delven;
’k Beloof mij weêr een’ Zoon, in wien Natuur nog spreekt;
Die ’t zwaard, op haar geklag, weêr in de schede steekt.
Waan egter niet, dat met mijn’ dapperste onderzaten,
De moed, en hoop geheel Margretha’s ziel verlaten,
(125) En ik slavin zal zijn!... Slavin?... in mijn gebied?...
Mijn voorspoed daale neêr, mijn moed ontzinkt mij niet;
’k Bescherm mijn wettig regt, schoon kuilen voor mij gaapen;
Hier klopt een’ groote ziel, voor lafheid niet geschaapen.
Welaan, mijn Zoon! kies wijs, denk om uw Moeders smart;
(130) Pleeg raad, niet met uw hof, maar met uw eigen hart! —

Continue

[p. 17]

MELANIE
AAN
MONVAL.
___________________

In ’t eenzaam ziekvertrek, waar mijne traanen vloeien,
    Schrijf ik u bevend’ bij de sombre maaneschijn!
Ach! Monval, moet een Mensch, wanneer zijn’ jaren bloeien,
    Wanneer ’t geluk hem wagt, reeds zo rampzalig zijn?
(5) Mijn Vader schuwt mijn’ klagt, zijn wil staat onbezweeken,
    Hy hoort de Moeder niet, die aan mijn’ zijde treurt;
Hij zal... ’t staat vast... hij zal het schrik’lijk vonnis spreeken,
    Dat my, in ’t geestlijk kleed, voor eeuwig van u scheurdt!
Vaak, als hij teêrder schijnt, wil ’k hem tot reede dwingen,
    (10) Ik hef mijn’ hand omhoog, ik val voor hem te voet,
’k Vertoon hem ’t ijslijk lot van zo veel’ kloosterlingen;
    Maar.... spreekt medogenheid, waar trosche baatzugt woedt?
Hoe? moet mijn Broeders heil uit mijne rampen spruiten?
    Hij, — langs zijn’s Zusters graf, naar zijn’ gelukstaat gaan?
(15) Moet ons geluk, mijn Vriend! des naastens welzijn stuiten,?
    Dit kan met ’s Menschen heil, noch met Gods deugd bestaan.
Wie zal, — wie in ’t Heeläl mijn’s Vaders doen niet wraaken?
    Hij schenkt mijn’ Broeder magt, mij niets dan ziels verdriet;
De een’ vermoordt hij, om den and’ren groot te maken;
    (20) Neen, — dit is ’t ware merk van eenen Vader niet. —
[p. 18]
Mijn Vader!.. ach! zie neêr op mijn rampzalig leeven,
    De ste, van ’t bloed, — uw pligt! — ’t pleit alles voor mijn’ zaak:
Zult gij mij voor ’t altaar de wissen doodsteek geeven?
    Mijn Vader word mijn Beul!... Wraakt! groote Hemel! Wraak!
(25) En durft hij op uw doen Gods Heilig Zegel drukken?
    God is geen dwingeland, hij haat geweetensdwang;
De Mensch moet voor hem vrij, en niet gedwongen bukken;
    Beef! trotsche Vader, beef! — God kent uw zelfsbelang!
Gij gaaft mij ’t leeven!... ach! herneem, herneem dat leeven,
    (30) Dat ik om u vervloek, dat gij mij bitter maakt;
Het strekt mijn’ ziel tot last, daar gij ’t mij hebt gegeeven,
    Gij, die u in mijn smart, in kindermoord vermaakt!
Ga!... volg uw’ blinden drift, ’k zal mij ten offer geeven;
    Toef niet... sleep naar ’t altaar een’ kragtelooze Vrouw;
(35) Daar is welhaast de draad mijn’s leevens afgeweeven,
    Ik leeve slegts zo lang, tot dat ’k uw’ straf aanschouw.
Maar neen... ô neen... waar heen heeft mij mijn drift gedreeven?
    Vergeef!... ’k bemin u noch, schoon ’k van uw’ daaden gruw;
Gij kunt me in ’t stof vertreên... maar ik, ik kan vergeeven;
    (40) Gij gaaft mij uwen vloek, ik zeegen... ’k bid voor u!
Ja! Vader! hoe ontmenscht uw vonnis ook moog’ weezen,
    Ik zal gehoorzaam zijn — voltooi uw’ zegepraal;
En zo nog eenig kwaad op aarde u staat te vreezen,
    Dat het den Vader spaare, en op de dogter daal’. —
[p. 19]
(45) Mijn Monval! ’k voel uw ramp... ach! zie mijn’ tranen spreeken,
    ’k Verlaat het huwlijksbed voor ’t somber Choorgewelv;
’t Is hard, ’t is schriklijk, zo de naauwsten band te breeken;
    Maar... ’t is een vast bevel.... Verwinnen wij ons zelv’. —
Gij, zult in ’t Vaderhart, nooit gunst voor mij verwerven,
    (50) Gij poogd vergeefsch!... het word verwoeder door geklag;
Dus, monval waard te zijn, en schuldeloos te sterven,
    Zie daar al wat ik wensch, en wat ik wenschen mag!
Of — zou ’k dit tranendal, vol smarts, te rug verlangen?
    Neen — ’k wensch het stille graf, daar zwijgt mijn’s Vaders toorn;
(55) Men ziet toch schaars op aard; de duegd haar’ loon ontvangen,
    En waar is ooit, mijn Vriend! het roosje zonder doorn?...
Hou moed dan!... ’k zal welhaast met u den Eeuw’gen prijzen;
    Hoe schielijk sluipt de tijd, in ’t stof des doods, voorbij!
En, agter ’t graf des tijds zal de eeuwigheid verrijzen,
    (60) Dat onze hoop, mijn Vriend! daarop gevestigd zij!
Daar zal, terwijl de Slaaf en Vorst hunn’ loon ontvangen;
    Terwijl de Waereldling in ’t klamme doodzweet stikt;
Daar zal ik, kommerloos, aan uwen Boezem hangen,
    Terwijl geen Vaderhaat, geen zorg ons hart verschrikt!
(65) Ligt zal mijn ziel welhaast voor zo veel smarte zwigten,
    Een enk’le polsslag nog.... en ’k ben misschien niet meer.
Maar denk... wanneer de troost uw hart niet kan verligten,
    Denk ,,Melanie leeft en ’k vind haar eenmaal weêr!’’
[p. 20]
En schoon ik thans de stem der liefde moet verdooven,
    (70) Schoon ik, in ’t kerkgewelv, uw’ dierbare aanspraak derv;
Denk niet, dat iets mij uw’ gedagt’nis zal ontrooven,
    Ik sterf noch vergenoegd, zo ik slegts de uwe sterv. —
Maar... ach! mijn’s Vaders wraak staat thans — ook u te vreezen;
    Verhoor mijn laatste beê — Poog, poog die wraak te ontvliên;
(75) Vergeef... ’t is waar... ’k ben zwak — de liefde moet het weezen. —
    Maar — hij, die mij verstoot, zou hij mijn’ Vriend ontzien?..
Neen.... hij zal wis uw graf naast mijnen moordkuil delven;
    Bij al wat heilig is, tart zijne woede niet;
Mij hebt gij steeds bemind — doe meer — bemin u zelven;
    (80) Denk meer op uw behoud, dan op mijn zielsverdriet.
Maar staak de zugt naar wraak, uw hart zij meer verheeven;
    Gevoel al ’t schoon der deugd — ook midden in den rouw;
’t Is grootsch het regt te doen, maar grootscher te vergeeven,
    Kom! sterven wij mijn Vriend! zo deugdzaam, als getrouw! —
(85) Triumph!.. mijn rust is na — ik zie mijn graf ontsluiten;
    Neen Vader!... neen... ik smeek! herroep uw vonnis niet!..
Welhaast zal voor ’t altaar de dood mijne oogen sluiten,
    ’k Vind in den dood alleen het perk van mijn verdriet.
Mijn Monval!.. ach! vaarwel!.. mijn liefde is u gebleeken,
    (90) Dat God uw leidsman zij, dat God u hier verzell’!
Die God!..... maar ’k beef!.. men komt.. ik hoor mijn’ Vader spreeken,
    Vriend!... teeder.... dierbaar Vriend!... welhaast... vaar eeuwig wel!

Continue

[p. 21]

DE
GRAVE

LAMORAAL VAN EGMOND,
UIT ZIJNE GEVANGENIS TE BRUSSEL,
AAN

PRINS WILLEM DEN EERSTEN.
___________________

De Man, zo vaak beproefd in ramp, en onweêrsvlagen,
    Wiens boezem steeds van moed, en vrijheidsliefde zwol,
Die ’t zwaard voor Neêrland droeg, moet thans een’ keeten dragen,
    En schrijft u, afgemat, uit een verachtlijk hol.
(5) Ja! Prins! mijn hoop is uit, het slachtmes is gesleepen,
    Ook ik ben ras een prooi van Alva’s wreekend staal.
’k Zag Hoorn aan mijne zij ten duistr’ren kerker sleepen;
    Zie daar dan voor den nijd een’ dubbl’len zegepraal!
De donder dreigde — ook u — gij zijt dien vroeg ontweeken;
    (10) Ik koos uw’ schreeden niet, die keus steunde op mijne eer;
En zo mijn’ Heldendaên voor mij niet konden spreeken,
    Dan heeft de hoogste deugd, mijn Prins! geen’ waarde meer.
[p. 22]
’t Was niet genoeg, dat door Granvelles ijz’re roede,
    Zo meenig Weesje treurt, en om zijne Ouders vraagt;
(15) En dat Kastiljes volk, met toomelooze woede,
    Wet, pligt, Natuur vertreet — den stillen Burger plaagt;
In Alva vind men thans de snoodheid van die allen,
    Hij dorst naar Bloed, in schijn van Gods verdeediging;
Hij doet de Dogter naast het lijk der Moeder vallen,
    (20) En ’t graf verstrekt ten wieg den teed’ren Zuigeling. —
Zie ginds dien grijzen Held met smaad, en schand bejeeg’nen;
    Hij troost, met vroome taal, zijn kermend huisgezin;
Hij strekt zijne armen uit — wil hun noch eenmaal zeeg’nen,
    Maar... straks wringt hem de beul het staal ten boezem in. —
(25) Hier snikt... maar ’k trek ’t gordijn voor zo veele ijslijkheeden:
    Fnuik Alva’s trotschheid, Prins!... ontkeeten Nederland;
’t Zwaard, niets dan ’t Heldenzwaard, zal hem terug doen treeden;
    Zo lang hij strafloos woedt blijft hij een dwingeland. —
Zijn Bloedraad stijft zijn doen, en acht noch pligt, noch reede,
    (30) Ons leeven, onze dood hangt van hunn’ driften af;
’t Zijn Bloodaarts in den strijd, en Beulen in den vreede;
    ,,’t Is God, zo spreeken zij, die ons zijn’ donder gaf,
,,Met dien beschermen wij zijn’ dienst, en onze pligten’’!
    O God rust noch uw vuist, die steeds den last’raar sloeg?...
(35) Ontwaakt uit uwen slaap, ontwaakt, gij Donderschigten!
    Maar neen... ’t geweeten spreekt — zie daar reeds strafs genoeg.
[p. 23]
Ik mag niet meer voor ’t Land in raad, of krijg verschijnen;
    Uw vuist verplette thans den trotschen Dwingeland,
Breek gij den boei des Volks — de dood breekt ras den mijnen;
    (40) Ik heb met roem geleefd, en... Prins! ’k sterf zonder schand.
Ik zie mijn heerlijk graf van vijanden omringen,
    Die ik, mijn Vorst ter wraak, kloekmoedig nedersloeg:
Getuig het, Sint Quintijn!... getuig het Grevelingen!.....
    Ja! ’k heb genoeg geleefd... voor de Eeuwigheid genoeg!..
(45) Maar ’k heb, in ’t strijden, meest naar deezen lof gedongen,
    Dat ik, als Christen, streed, en steeds mij zelv’ bezat;
En — ook dit staal, zo vaak in ’s Vijands borst gewrongen,
    Was voor mij zelfs gescherpt, zo ik mijn’ pligt vergat. —
Voelde ik nu mijne borst, nooit onder ’t harnas, beeven,
    (50) Zij vreest ook ’t moordstaal niet, voor haare deugd bereid;
Mijn smart zij duldeloos, zij eindigt met mijn leeven;
    Maar... die des Dwingelands verduurt zelfs de Eeuwigheid!
’k Heb, in dit hol, meer rust, dan hij in magt verheeven,
    Mijn grootheid is bevlekt, maar mijn geweeten vrij;
(55) Nooit wierd dit land door mij tot oproer aangedreeven;
    Neen — ’k haat oproerig Volk, maar ’k haat ook Dwing’landij.
Ik heb Philippus steeds die deugden aangepreezen,
    Waar door de Vorst bemind, ’t Volk zalig weezen kan;
Maar nooit kon vleijerij voor mij bekoorlijk weezen.
    (60) Zij maakt den besten Vorst vaak tot een’ aarts-tijran;
[p. 24]
Een’ groote ziel word door geen’ rampen neêrgeslagen;
    Zij wagt, bedaard, de straf, die haar de nijd bereid;
Zij treedt op ’t moordschavot, als op een’ zeewagen,
    En ziet bij ’t zwaard des Beuls de kroon der Eeuwigheid!
(65) Laat ook de wreedste vuist dit schuld’loos lichaam kerven,
    Slegts, met mijn’ jongsten snik wordt mij de moed ontrukt:
Prins! ’k vrees het sterfuur niet... ’k zal leeven na mijn sterven;
    Maar ach!... mijn Gade en kroost!... zie daar al wat mij drukt!
Sabina!... O hoe zal mijn lot haar harte treffen!
    (70) Agt dierb’re panden staan neêrslagtig aan haar’ zij;
Een traan... Neen ’k droog die Prins! Ik moet mijn’ hart verheffen;
    God is der weezen troost, hij staat de Weduw bij!
Hij blijft in alles God! zijn goedheid kent geen’ paalen;
    Hij dult niet, dat de deugd geheel in rampspoed kwijn’:
(75) Of — kwijnt zij.... ’t is om eens met meerder glans te praalen,
    Kan voor mijn Huisgezin ooit teêrder Vader zijn?
En... wat zou ons een lang, een glansrijk leeven baaten?
    Het gaf wis nieuwe stof tot klagt, en traanen weêr;
Wat is de Slaaf in ’t juk? wat hij, die duizend staaten
    (80) Met éénen wenk verneêrt? stof — nietig stof — niets meer. —
De Mensch belooft zich steeds een’ kring van zaligheeden,
    De toekomst lacht hem aan, hij vreest geen’ struikel paân,
Straks valt hij... ’t heil verdwijnt... hij treurt in teegenheeden,
    En trekt voor ’t vreugdgewaad het ak’lig rouwkleed aan.
[p. 25]
(85) Waar is die wijde kring van mijne lievelingen?
    Zij juichen in Gods schoot, daar slaapt de Dwing’landij,
Zie... Zie, hoe zij, om strijd, zijn’ eeuw’gen throon omringen!
    Mijn borst gloeidt!... teed’re stoet! niet lang meer toeft gij mij!
Vaak zag ik, uit den strijd, mij met een’ kroon begroeten,
    (90) Maar eens... Welhaast schenkt mij Gods hand een eeuw’ge kroon,
Met dien op ’t hoofd, zal ik mijn’ Gade, en Kroost ontmoeten!
    Loeit, Donders!... Beulen! woelt!... ’k vind luister in dien hoon!
Neen. — ’k mag de traanen van mijn’ panden niet zien stroomen;
    Ik mag niet zugten, Prins!... de zugten zijn hier schand’;
(95) Geen tederheid zal ooit des Dwing’lands trotsch betoomen;
    Ik hoor alleen die stem: ,,sterf voor het Vaderland".
Ja, Prins! de wreedste dood zal mij de waardste weezen,
    Zo door mijn voorbeeld slegts ’s Volks Vrijheidszugt ontbrand’;
Het bloed, in drift gestort, vergramd het Opperweezen,
    (100) Maar vloeit het ooit meer grootsch dan voor het Vaderland?
Prins! waarom heeft de Mensch slegts ééns — slegts ééns — te leeven?
    Waarom gunt ons de dood slegts éénen Zegepraal?
Och!... dat men duizendmaal voor ’t Vaderland kon sneeven,
    Ik tarte duizendmaal het opgeheven staal!...
(105) En, schoon ’k een beter graf dan ’t moordschavot verwagtte,
    Dat graf verneêrt mij niet. — ’t is ’t loon van deugd en moed.
Maar gij... gedoog niet Prins! dat Alva straf’loos slagte,
En dat zijn aanzien rijze uit Neêrlands dierbaar bloed!
[p. 26]
Niets, Niets dan Heldenmoed moet in uw’ boezem spreeken,
    (110) Dat gij — dit blijve vast — den zeege, of dood verwervt.
Ik eisch uw’ traanen niet, durf uwen Egmond wreeken,
    En — zo gij sterven moet, dat gij gewrooken sterft.
Laat trotsche Davila den Nederlander doemen,
    Met t’zaamvereende kragt op vleklooze onschuld woên,
(115) Laat Barlaimont ons vrij een’ bende Beed’laars noemen,
    Ligt zullen Beedelaars noch Spanje beeven doen. —
’s Lands heil moet uw geluk, zijn rampen de uwe weezen;
    Uw hart blijve altijd groot — ook in het nijpendst lot;
Gerechtigheid behoeft geen’ overmagt te vreezen,
    (120) Ken geen gehoorzaamheid, dan — aan uw’ pligt, en God!
Mij wringt een vroege dood het slagzwaard uit de handen;
    De snoodheid vreeze thans uw’ arm, en zijnen val,
Verdeedig Nederland, en straf de dwingelanden,
    Verdeedig Nederland voor ’t oog van ’t gantsch Heel-al!
(125) En... zo uw’ teed’re ziel mijn’ zwijgende asch blijft eeren,
    Zo gij een’ enk’len zugt voor lijdende onschuld loost,
En bij uw Heldenmoed de Menschheid blijft waardeeren,
    Dan smeeke ik u, mijn Prins! voor mijne gade en kroost!
Ik zal op ’t moordschavot, ’k moest in hunne armen sterven!
    (130) Bezeft gij de ijselijkheid van deezen donderslag?
Bezeft gij, wàt het zij, ons dierbaarst pand te derven?
    Droog dan hunn’ traanen, Prins!... smoor, troostend, hun geklag!
[p. 27]
Zijt gij, naast God, hun steun, — dit zal uw’ roem verhoogen;
    Dek, dek hen voor den nijd, — zo eert gij ’t meest mijne asch;
(135) Nog eens: houd hun geween, en ’s Volks belang voor oogen,
    En... denk, dat ik uw Vriend, en die van Neêrland was!’’

En gij, groot!... eeuwig God!... ontzaglijk Opperweezen!
    Die de aard’ tot voetbank hebt, den Hemel tot uw’ throon,
Gij, wien de Slaaf — de Vorst — de Serafijnen vreezen!
    (140) Geef, dat ik, in den dood, mij Neêrland waardig toon’!
Gij kond, na zo veel storms, mij kalmte en grootheid geeven;
    Terwijl de Bloei mijn’s huis ’t voorleed’ne wijken deedt; —
    Eén wenk slegts, Hemelheer!... het onweêr was verdreeven,
    En ’k zag, in ’t helderst licht, het eindperk van mijn leed!
(145) Maar neen... dit smeek ik niet... ’k zal Neêrland leeren sterven;
    ’k Zal toonen, hoe men sterft, in all’ den glans der deugd,
Maar, laat mij, in dien nood, uw’ onderstand niet derven;
’k Beveel u Nederland, en sneeve, o God! met vreugd!...

Continue

LIJST DER BRIEVEN.

KAREL AAN FREDRIK - - - -Bladz. 1.
CALLAS AAN ZIJNEN ZOON - -—   8.
MARGARETA VAN HENEGOUWEN
    AAN HAAREN ZOON - - - - -— 11.
MELANIE AAN MONVAL - - - -— 17.
DE GRAVE LAMORAAL VAN EGMOND
    AAN PRINS WILLEM DEN Ien - -— 21.

Continue