Continue

Uit: Alle de werken van Publ. Ovidius Naso. Het eerste deel. Bestaande in Heldinne-brieven, Minne-dichten, Vrij-konst, Minne-baat. In de Nederlandse taale overgebracht door Abraham Valentyn. Met verklaaringen, en uitleggingen verrijkt, door Lud. Smids M.D. Amsteldam, By Pieter Mortier, Boekverkooper. MDCC [1700].
Het frontispice voor dit deel is van Jan Goeree (1670-1731); bij de heldinnenbrieven staan 21 ongesigneerde illustraties.
Gebruikt exemplaren: UBA 1171 J 2; UBGent BL 276
Dit is de derde druk, vermeerderd met de annotaties van Ludof Smids; de eerste is van 1678 (tekstuitgave en facsimile), de tweede van 1697 (UBGent BL 5537).
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.
I. PenelopeII. PhyllisIII. BriseisIV. Phaedra
V. EnoneVI. HypsipyleVII. DidoVIII. Hermione
IX. DeianeiraX. AriadneXI. CanaceXII. Medea
XIII. LaodamiaXIV. HypermnestraXV. ParisXVI. Helena
XVII. LeanderXVIII. HeroXIX. AcontiusXX. Cydippe
XXI. Sappho





[p. 1]

Continue


DE

HELDINNE BRIEVEN

VAN

PUBL. OVIDIUS NASO.

EERSTE BRIEF.

INHOUD.

ALs alle de Grieksche Koningen en Vorsten sich ten oorlog vervaardigden, om de geschaakte Helene de Trojaanen gewapenderhand weder af te eischen, socht Ulisses een middel om dien oorlogstocht niet te volgen, en te huis te blijven by Penelope, sijn nieuwsgetroude gemaalin. Veinsde deshalven sich dwaas en uitsinnig te sijn, en bedreef seldsaame buitenspoorigheden. Inwelken hy toch wierde achterhaald en betrapt van Palamedes, wel de snelste en schranderste onder gemelde Vorsten. Sijnde dan gedwongen en genoodsaakt, om nevens de andere Koningen, eenpaarig uit Aulis over te scheepen, en naar Trojen te vertrekken, heeft hij aldaar in ontelbaare gevallen getoond, van wat uivoeringe sijn listen en gevondene aanslagen waaren, wanneer die met kracht en dapperheid waren saamengevoegd. Eindelijk, is Trojen, na een thienjaarig beleg, en verscheidene veldslagen, arglistelijk ingenoomen, in brand gesteeken en verwoest. Maar als Ulisses, met de verdere Leger-hoofden, weder scheep ging om naar Griekenland te keeren, so heeft de gramschap van Minerva (wegens gepleegde kerkschennis op hem gebeeten) sijn schip, door een ysselijke zeestorm van de andere doen verdwaalen. Zedert welken hy thien jaaren van zee tot zee deerelijk heeft gedoold en omgesworven. Ondertusschen kon sijn huisvrouw, de jonge Penelope, geen redenen [p. 2] van dit ongemeen lang wegbijven bij sich selven uitvinden; houdende echter, midden in een veelvoudig aansoek, sich binnen de paalen van een onversetbaare kuisheid. Doch sij schrijft deeze sendbrief aan haaren Ulisses; pogende met allerhande slag van redenen hem naar sijn Koningrijk, het eiland Ithaka, toe te trekken.


PENELOPE AAN ULYSSES.

DEsen sent u, trage Ulysses, u lief Penelope. Schrijft mij geen antwoord: maar weest de bode selfs. Nu is Troje verwoest, voorwaar een nest van ’t Griekse vrouvolk vervloekt. Priamus en geheel Troje was schier zo veel hartseer niet waard’. Og was dien overspeler doen in d’ontstuime Zee verswolgen, als hij met sijn vloot na Sparta sette! Dan lag ik dus koel en eensaam niet in ’t bed, ik had geen reden om te klagen, dat ider dag een jaar is. Dan hoefde ik om de lange nagten door te brengen, als onbestorve weduwe, de handen met weven niet afgemat te hebben. Wanneer schrikte ik niet voor groter onheil als te wagten was? Want de liefde is een ding vol kommerlijke vrees. Mij dogt altijt, nu vallen de Trojanen fel op u aan. Hoorde ik Hector spellen, ’k besturf als een doek. Seid imant, Antilochus is van hem verslagen: Antilochus was d’oorsaak van mijn schrik. Of dat Patroclus, in Achilles wapen ver- [p. 3] momt, gevelt wiert; ik weende om dat de list geen scheutig luk kost treffen. Had Sarpedon met sijn speer Tlepolemus doorstooten, sijn dood vernieude weer mijn druk. In ’t kort, wat held daar sneuvelde uit ’t Grieks leger, ’t viel mij so kil op ’t hart als ijs. Maar God heeft mijn kuisse liefde genadig aansiende, Troje aan kolen geset, en u ’t leve gespaart. De Griekse Veldheeren sijn wedergekomen; d’autaars smoken: en den buit der barbaren werd vast voor onse Tempel-Goden opgehangen. De Prinsessen dank-offeren vast voor ’t behouden wederkeeren van haar mannen, die hen de rampen van Troje, door haar wapenen gebroet, in ’t breed uitmeten. Jonk en oud staat verset, en ’t wijf met gapende mond, en luistert na ’t verhaal van haar man. Enige trekken met wijnstrepen op tafel de gestalte van de felle veldslagen, en in ’t klein de stad Troje, tot beduid: en seggen: dus liep de stroom Simoïs, dit’s ’t Sigees voorland, hier stond het pragtig hof van den ouden Priamus. Daar stont Achilles, hier Ulysses tent geslagen: daar sleepten de schriksieke rossen Hectors lijk aan flenteren. Want al dit werk had den ouden Nestor u soon, afgeveerdigt om u op te speuren, verhaalt, en hy aan mij na vertelt. Daarbenevens hoe Rhesus en Dolon, dese in slaap, gene door list om hals rogten. Gij dorst te euvel stout met u leven spelen, en sonder op mij te denken, bij nagt ter sluik verrassen ’t quartier der Traciers: so veel sielen op eenen bot smoren, pas verseld van Diomedes: maar trouwens, gij waart voorsigtig genoeg, en dagt wel eerst op wijf en kind. ’T hart klopte mij in ’t lijf van schrik, tot dat mij vertrokken wierd, hoe gij met Rhesus ros door ’t Griekse leger quamt brageren. Maar wat baat mij dat Troje door uwen arm gemaakt is tot een puinhoop: als ik nog blijven moet in de selve staat, als doen Troje nog in stand was, en mijn man immer derven? Voor andere vrouwen is Troje uitgeroeid, mijnen ’t halve alleen nog in stand, schoon ’t van de zegepraalende Grieken reets werd overploegt. Nu wast het koren, daar eerst Troje stond; en ’t aardrijk met ’t bloed der Friegen gemest geeft welig veltgewas. De kouter krast allen ’t halve op ’t half begrave gebeente der gesneuvelde mannen, en stads ruïnen sijn overgraast. Maar gij verwinner blijft agter: en ik kan, o wreede, niet stikken waar gij steekt, of d’oorsaak van uw uitblijven. Wat vremdeling hier komt aanseilen, ondervraag ik scherp wat hij van u weet: en geef hem, bij aldien hij u ergens gesien heeft, een brief van mijn hand aan u te bestellen. ’K sond lest een expressen na Pylos, de stad van den ouden Nestor, om bescheid; maar vernam van daar niet sekers. Van gelijke na Sparta; maar daar was ’t even ’t selve. Waar steekt gij, of in wat oord werd gij opgehouden? ’T was mij beter geweest dat Troje nog stond. Helaas ’k onsteek om ’t verkrijgen van [p. 4] mijn wens! Dan kost ik weten waar gij vogt, niet anders vresen als voor krijgs-lot, en niet meer te klagen hebben als veele andere vrouwen.
    Ik weet niet wat mij te vresen staat: maar ik vrees ontsint alle onheilen, en vind een ruim veld van sorg en kommer open. Al ’t gevaar dat u te water of te land kan wedervaren, beeld ik mij in dat d’oorsaak van u lang dralen is. Maar terwijl ik dit dwaaslijk in mijn hoofd smede, kont gij misschien (want dat’s den aard van ’t manvolk) op een uitheems lief verslingerd sijn: en daar misschien vertrekken wat boerin u wijf is, niet anders geleert heeft als spin- en weefwerk. Wat ’k hoop ’t is mis gewaant, en dat gy aan niemant verbonden de wil hebt van wederkomen. Mijn vader Ikarius port mij met geweld te hertrouwen, en knort sonder eind om dat ik ’t futselboek soeke. Maar laat hem vrij knorren, ik ben, en sal, als ’t hoord u lief genoemd werden, en Penelope altijd de naam houden van Ulysses egtgenoot. Dan ik set hem door mijn lievende gebeden en blijk van eerbaarheit soo om, dat hij sijn ijver intoomt. Hele troepen over dertele vrijers uit Dulichie, Samos en ’t verheve Zacynthos tornen met geweld op mij, spelen den baas onverhinderd in u hof, en verslikken u goed, mijn ingewand, als vraatsieke honden. Wat hoef ik u te seggen van Pisander, Polybus, den vervloekten Medon, die giereklauwen Eurymachus en Antinous, en diergelijke andere, die, o schande, in u afwesen den bast vult van ’t geen gij wont met sweet en bloet? Irus den bedelbrok en Melanchus, de roervinken om ons vee te slikken, sijn ’t laatste schuim der rovers van u goed. Wij sijn drie in ’t getal onmagtig ’t hoofd te bieden, u kragtelose vrou, vader Laërtes een oud man, en u soon Telemachus pas een jonge. Laast was ik hem schier quijt door ’s vrijers lagen, doen hij in weerwil van haar allen op reis was na Pylos. Maar ’k bid dat de Goden, na d’ordre der nature schikken dat hij eerst uwe en mijne oogen luike. Dit wenscht met mij den Ossenhoeder, u oude minne, en Eumeus de trouwe sorg van ’t verkens kot. Ook kan Laërtes,* nu te oud om ’t harnas aan te schieten in ’t midden der vijanden ons rijk niet verdedigen. Telemachus sal (mag hij ’t leven) wel meer mans werden; maar nu hoorde hij, nog onder u vleugelen beschut, op te wassen. Veel min kan ik onse onbeschofte vijanden ten hof uit drijven: daarom komt gij te spoediger tot stut en behoud van d’uwe. Gij hebt een soon, lang moet hij leven, die in sijn groene jaren in ’s vaders wijsheid hoorde opgequeekt. Slaat ’t [p. 5] oog op vader Laërtes, die met ’t een been in ’t graf, pas ’t leven hout tot dat gij hem komt de verglaasde ogen luiken. Gewis ik sal u, slegs een meisjen voor u vertrek, al quamt gij op staande voet, een bes gelijken.

Continue


TWEEDE BRIEF.

INHOUD.

DEmofoon, soon van Theseus en Fedra, wederkeerende van den Troiaanschen oorlog, is door het geweld van storm en onweder naar Tracien vervoerd. Aldaar is hy ontfangen en onthaald van Fillis, Likurgus dochter; die toen over Tracien heerschte. Doch terwijl hy sich hier op het allerlieffelijkst liet ophouden, is hem ter ooren gekoomen de dood van Mnesteus, die sijn vander Theseus uit het At- [p. 6] tische Koningrijk verjagende, het had bemagtigd, en zelfs ingenoomen. De Kroonsucht dan in sijn hert over de liefde zegenpralende, is hy naar Athenen vertrokken. Belovende echter sijn minnaresse, dat hy noch binnen een maand soude tot haar keeren. Maar als nu reeds de vierde maand al was voorbygegaan, en sy geen tijdingen ontfing; so heeftse deesen brief dien ondankbaaren toegesonden, poogende door het erinneren van haare weldaaden hem aan sijne beloften te doen gedenken.


FILLIS AAN DEMOFOON.

Demofoon, ik Tracier Fillis, u waardinne, doe mijn beklag dat gij ’t peil van u beloofde wederkomst te boven gaat. Gij seit mij toe, dat gij na ’t verloop van een maand onfeilbaar hier weer ankeren sout. ’T is nu reets vier maanden verleden, en u schepen doen sig nog op de Tracier kust niet op. Wilt gij de tijd narekenen, gelijk ik verliefde op een uir, gij sult bevinden dat ik niet te vroeg kom klagen. Ook was mijn hoop traag: ’k geloof niet schierlijk, ’t geen reets gelooft schaad’lijk is, u list, die mij nu, tegen de borst gelovende en verliefd, beschadigt. Dikwijl heb ik mij op u woord vrugtloos ingebeelt dat u schip voor de wind quam aanstuiven. ’K vervloekte Theseus, die u niet ontsloeg, en misschien u reis niet eens verhindert heeft. Dan vreesde ik weer, dat gij in ’t naderen van de Hebrus in de schuimbekkende Zee met ’t schip mogt verongelukt sijn. Dikwijl heb ik, o schelm, voor u behoudenis, de Goden ootmoedig gebeden en reukwerk toegebragt. Dikwijl sprak ik bij mij selve, als ’t een heldere voorwind woei, en voor tij was, leeft hij nog, so komt hij nu. In ’t kort, mijn trouwe min verbeelt sig alle hinderpalen, die reisvaardige konne stutten, en was geestig in oorsaken van u dralen te smeden. Maar gij traagaart sent u kap, past op geen Goden waar bij gij sweert, en agt mijn liefde niet so veel te pijne waard’ om weer te komen. Dus hebt gij, Demofoon, en woord en schip de wind overgegeven: en mij reden om te klagen dat u schip agter blijft, en woord trouloos is. Seg, wat heb ik dan misdaan? als wat te dol bemint. Die misdaad had u horen een vaster band van liefde te maken. Dit ’s ’t enigste dat ik misdeed, dat ik u, schelm, ontfing: en die misdaad hoord ook voor een wigtige weldaad opgenomen te werden. Waar is nu u trou met so veel eden en handtasting bevestigd; waar de God, die u in dien leuge- [p. 7] nagtige mond besturve was? Waar is nu de Bruilofs God, die voor al mijn levens jaren als borg en gijselaar sou staan voor onse trou? Gij swoert mij bij de zee, die door wind in golven opstuift, die gij dikwijl had en most bevaren: bij Neptuin, u grootvader (sijn ’t maar geen flitsen) die d’ontstuime zee door sijn drietand stilt: bij Venus bij Kupidoos boog en pijlen, die ’t mij nu vry te bang maken: bij Juno d’egtvoogdes, en bij de geheime offerhande van de Fakkeldragende Graan-godin. Indien nu ider Godheit sig over u meinedigheit wilde wreken, gij waard alleen niet stijf genoeg om die straf te dragen. ’K liet nog ontsind u gelemde vloot kalfaten, op dat ’t schip, waar me gij mij ontvoert, hegt en sterk sou wesen. ’K besorgde u roejers en seiltuig waar me gij, om mij te ontvlugten, soud’ weg raken. Helaas ik scherpte ’t staal waar me ik werd verwond. Ik geloofde u suikere woorden, die gij niet dan te veel kost praten. ’K betroude op u, en u vaders Godlijk geslagt. ’K verliet mij op u tranen (hoe na kan men ook met tranen spelen?) og die sijn me bedrieglijk, en biggelen so men wil. ’K verliet mi| ook op u beswore Goden. Maar waar toe dienen mij nu al die panden? ’T geringste hier van was kragtig genoeg om mij uit te strijken. En ’t spijt mij niet dat ik u, verdreveling, in mijn Have en Rijk ontfing; hier in hoorde mijn gunst den laatsten steen gelegt te hebben. Maar ’t spijt mij, dat ik nevens dien nog met u paarde. Og was den nagt voor mijn trouwen mijn leste geweest, dan had Fillis nog eerlijk konne sterven! Maar ik hoopte op beter, omdat ik dogt dat ik ’t op u verdiende. De hoop die uit verdienste spruit, is regtmatig. Een ligt gelovig dier te bedriegen is geen roem: mijn eenvoudige onnoselheit hoorde u tot jonst getroont te hebben. Gij hebt mij, die verliefd en een vroumens was, met u praat misleit. God geeft dat dit de laatste krans van al u roemwense mag: dat u een stokbeeld onder Egeus geslagt midden in Athene werde opgerigt, en u vader met sijn daden-tijtelen voor aan sta. Als dan sal gelesen sijn hoe hij Scyron, u de wreet-aardige Procrustes, Sinis, en de mensstier ver- [p. 8] sloeg: hoe hij Thebe met ’t swaard won, de menspaarden sloeg, en ’t donker Rijk van den swarten Pluto deed sidderen: bepronk dan vervolgens u beeld met desen tijtel:
    Dese is ’t die sijn Waardin, door list verlieft, bedroog. Uit so veel stofs en daden van u vader hebt gij niets voor ogen gehad, als ’t verlaten van de Kretenser Ariadne. Dit stuk dat u vader alleen verfoeit, is ’t enigste dat gij voor een helden daad rekent. Ha troulose, u vaders valshartigheit hebt gij alleen geërft. Sij is nog (’k gunt haar ook) met een trouwer man gepaart, en praalt met hem op sijn tijgergespan. Maar met mij schuwen de Traciers, die ik veragte, te paren: om dat mij kan verweten werden, dat ik mijn volk verstotende met een vremdeling troude. Enige sullen seggen: loop nu vrij na ’t geleert Athene: een ander sal nu ’t bestier van ’t strijdbare Tracie wel waarnemen. D’uitkomst kroont of brandmerkt de werken. Ik wens dat hij noit sijn oogwit bereike, die de werken prijst of laakt na d’uitkomst. Want so ’t gevalt dat gij weer herwaarts op de kust komt bruisen, dan sal ’t wesen: sij heeft haar, en haar volks heil wel betragt. Betragt? o neen: gij sult na mijn Palais niet eens denken, nog ’t sweet van u afgesloofde leden oit in Tracis water af spoelen. U gelaat, doen gij op ’t vertrek stont, en u vloot seil ree in mijn haven lag, kan ik noit vergeten. Gij dorst mij omhelsen, u lief in d’ armen gewoelt kus op kus in drukken, mijn tranen met d’uwe netten, klagen, dat gij so haast een voorwind waar most nemen, en seggen op u laast adieu: verwagt, Fillis, u Demofoon eerstdaags weder. U verwagten? die doorgink om mij noit [p. 9] weder te sien? U vloot weer te moet sien, die noit weer op mijn kust kan seilen? Ik wagt u evenwel: keer slegs eens na u beminde, en hebt alleen in tijd, en niet in trou misdaan. Wat wens ik droeve Weeu? misschien hebt gij nu ’t hart verset op een ander lief, tot mijn verdriet verkoren? Misschien hebt gij mij soo vergeten, dat gij geen Fillis meer kent. Wee mij, so gij, op ’t spellen van een Fillis, vraagt wie en waar van daan sij is! Ik ben ’t, Demofoon, die u, na lang omswerven, in mijn haven en hof ontfing: die u met mijn goed verrijkte, en in u armoede veel gaf en nog te geven had: die u in ’t magtig rijk van Lykurgus den Scepter gaf te swajen: een Scepter vrij te swaar voor een Koningin, die sig strekte so ver de besneeude Rhodope sig uitbreit tot de lommerigen Hemus, en de gesegende stroom Hebrus sijn emer in de Pont Euxin uitstort: ik ben ’t wiens maagdom gij ter ongelukkiger ure hebt ontdieft, en wiens kuisse gordel gij met die schensieke handen trouloos hebt ontgort. Op dit huwlijk huilde Tisifone als egtvoogdes, en neurde een gespook van jammervogels een nare treurtoon. Daar bij was Alecto gekranst met korte klisslangen: lijktoorssen waren ’t die de bruid voorligtten. Nog tre ik bedrukt op de rotsige en struikagtige strand, en kijk over Zee so ver ’t mijn sigteinder toelaat, ’T sij daags als ’t aardrijk ontlaat, of bij nagt, als ’t glinsterend gestarnte rijpt: ’k sie staag uit wat weer of wind in Zee is. Sie ik van verre schepen aankomen, ik beeld’ mij aanstonts in dat u den hemel herwaarts stiert. Ik loop schier onbesuisd in zee, daar de hobbelige baren ’t strand bekabbelen. Hoe ’t vaartuig meer naderd, hoe ik meer en meer beswijk, in swijm ben, en in ’t sand val om van mijn dienstmaagden opgenomen te werden. Daar is een bogt flauboogswijse gekromt, wiens punten steile en afgebroke rotsen sijn. Hier van was ik eens gesind in zee te springen, en blijf, doordien gij volhart mij uit te strijken, bij ’t selve voornemen. Laat dan de golven mijn dood lighaam op u strand aanspoelen, en onbegrave u gesigt ontmoeten. Al waart gij harder als ijser, diamant, en u eigen hart, nog sout gij moeten seggen: og Fillis so deerlijk had gij mij niet horen te volgen. Dikwijl dorst ik na vergift: dikwijl tragt ik mij selve moordadig met ’t rappier te doorstoten: of ook mijn hals, om dat hij sig u schendige armen had te omvlegten gegeven, in een strop te worgen. Dit ’s wis, ik wil ’t verlies, van mijn tere maagdom met een korten dood betaald setten: en wat de keur betreft, daar op wroeg ik niet lang. Gij sult op mijn grafsark tot een brandmerk gemelt werden als d’oorsaak van mijn dood, en met dit of diergelijk graf-schrift bekent staan:

        DEMOFOÖN, EEN GAST, HEEFT FILLIS, DIE HEM MINDE
                OM HALS GEBRAGT: HY GAF HAAR D’OORSAAK, SY
                HET SWAARD
.

[p. 10]

Continue


DERDE BRIEF.

INHOUD.

DE Grieken in Troas, een deel van Frigien, gekoomen sijnde om voor Trojen, haar hoofdstad, sich neder te slaan, waaren naauwlijks gelandet, of sy hebben, onder het beleid van Achilles, de plaatsen rondsom Trojen, bysonderlijk ontrent het eiland Lesbos, aangetast, ingenoomen, en aan vuur en swaard overgegeven. Onder deese was ook Lirnessus; alwaar Achilles twee jonge maagden overweldigde; Hippodamia, dochter van eene Brisas (gemeenlijk daarom geheeten Briseïs) en Astinome, dochter van Chrisas, Apollos priester (derhalven meerendeels Chryseïs genaamd) welke hy aan Agamenmon, de opperveldheer, wegschonk. Maar Chrisas sijn dochter de Grieken weder afeischende, en Apollo, sijn priester goedgunstig, een schielijke sterfte in het leger sendende, is Agamemnon, op het aanraaden van Kalchas, de legerwicchelaar, genoodsaakt geweest Chriseïs den vader ter hand te stellen; doch heeft met eene Achilles sijn lieve Briseïs laaten afhaalen. Dit trof soo dien jongen Krijgsheld, dat hy, van die tijd af, sich van de wapenen ontsloeg, ontrent sijn schepen bleef, en geensins in het veld wilde koomen. Waar door de Trojanen gelegenheid kregen om den Griek groote afbreuk te doen, en veel schade toe te brengen. Agamemnon dit siende sond de aansienlijkste legerhoofden naar den vergramden, om den selven neer te setten, en met hem weder te versoenen. Voegde daar seer veel beloften en geschenken by, nevens het herstellen van Briseïs. Doch alles sonder vrucht. Dus klaagt hier de schoone slavinne over sijn onversetlijke gramschap, en alte lang duurende hertnekkighei, en bid hem met de Grieken medelijden te willen hebben; of, so hy van den oorlog sich ontslaan wil, niet, sonder haar, naar Griekenland te keeren.


BRISEIS AAN ACHILLES.

Dese brandbrief,
[...]
die gij leest, komt van u geroofde Briseïs, die naulijks so veel slegt Grieks met haar barbare hand kost schrijven. De plekken, die gij vinden sult, sijn mijn traandruppen, die niet te min wisse tuigen sijn van mijn hartstogt. Mag ik van u, mijn heer en man een weinig klagen, so klaag ik van mijn heer en man in ’t kort. U wijt ik ’t niet, dat gij mij so haast op Koninks woord overliet: hoe wel gij daar in ook enigsins schuld hebt. Want soo haast Eurybates en Talthibius om mij quamen, waart gij straks gereet mij te late volgen. D’ een keek d’ ander met verwondering aan, en vraagde binnens monts, wat grond nu ons liefde had. Gij had immers met mij konne marren: ’t uitstel van mijn smert had aangenaam geweest. Helaas gij smaakte van mij niet eens een afscheit kus. Maar ik weende sonder eind’, trok ’t hair uit mijn hoofd, en dogt, og arm, dat ik voor de twedemaal geschaakt wiert. ’K heb dikwijl gesogt mijn lijfwagt ontsnapt wederom te komen, maar ik was, op ’s vijands bodem, vervaart om gegrepen te werden. Was ik ’t ontlopen, vreesde ik, dat ik bij nagt in ’s vijands klauw gerogt na d’ een of d’ ander snaar van Priamus ten geschenk mogt gesonden werden. Maar laat ik slegs, als ’t so wesen most, aan den Konink overgegeven sijn: ’k ben nu soo veel nag- ten van u geweest, sonder weder vorderen. Gij blijft vast loeren, en slap in u verbolgentheit. Daar mij Patroclus, op ’t overleveren, nog in ’t oor blies: wat schreit gij? hier sult gij maar een korten tijd roesten. Mij niet weer vorderen kost nog gaan, Achilles, maar gij druist om mij hier te laten. Gaat heen, en draagt nu de naam van een verlieft minnaar. Om mij wederom te brengen quamen Ajax u bloedverwand, Fenix u krijgsgesel, en Ulysses Laërtes soon, voegende bij haar kost’lijke geschenken lieftallige smeekreden. De schenkagie bestont in twintig kopere potten, seven tafelen met drie voet schragen soo konstig als wigtig, daar benevens tien talenten gouds, twaalf uitstekende toernoi hengsten: nog tot een toegift eenige gevange juffers, schoon van leest, uit’t vermeestert Lesbos: en boven dien een dogter uit de drie van Agamemnon ten houwlijk; maar aan mij hebt gij wijfs genoeg. Kont gij nu de geschenken, versmaden, die gij anders hoorde te geven, so ik door gift uit ’s Koninks hand te lossen was? Wat misdeet ik u, Achilles, dat gij mij so versmaat? Waar is u wispelturige min so haast van mij ergens verslingert? Drukt dan de bijstere fortuin d’ ellendigen gestadig, en slaat mijn roe altijd even scherp? ’K heb door u wapenkracht mijn stad Lyrnese sien verwoesten, waar in ik geen van de minste was. ’K heb mijn drie broeders door u staal sien vermoorden. ’K sag mijn man, hoe kloek hij was, ter aarde geveld, en met de bebloede borst op’t beplengde aardrijk botsen. Voor al dit verlies, kreeg ik u alleen tot vergelding: gij wiert mijn heer, mijn man, en broeder. Gij swoert mij bij de Godheit van moeder Thetis, dat ik tot mijn geluk van u gevangen was. Ja gelukkig, om, schoon ik u met bruidschat wiert opgedragen, ten spot voor ’t hooft gestoten, en van u met de vereerde gift verjaagt te werden. Dat meer is, gaat de spraak dat gij, so haast morgen den dag aanligt, niet passende op de zuider vlagen, ’t anker meent te ligten. Welk schelms voorneme als mij rampsalige ter oren quam, besweek mij ’t hart en geest van schrik. ’T anker ligten? Og voor wien sult gij mij ellendige ten prooi laten? wat hoofd of troost sal u verlate duif hebben? ’K wens eer van ’t gapend’ aardrijk ingeslokt, en van den vuirigen bliksem verbrant te werden: eer ik sag dat u Ftyse roejers sonder mij afstekende de Zee souden doen schuimen, en lijden most dat u vloot in mijn gesigt afvoer. Sijt gij nu al belust weder na u vaderland te trekken, gij sult aan mij geen swaren ballast voeren. Ik sal mijn verwinner als slavin, niet als vrou mijn man volgen: ik ben handsaam genoeg om wolwerk waar te nemen. Laat vrij de schoonste vrou uit Grieken u huwlijks koets betreden, wel waard om te dragen den naam van Peleus schoondogter, die een neef was van Jupiter en Egina, en waar over den ouden Nereus geern overschoonvader was. Laat Briseïs u nederige slavin slegs haar taak af haspelen, en ’t rokkens hoofd afspinnen. Ik bid alleen dat mij u vrou maar niet verdrukt, die mij, ik weet niet op wat wijse, hart sal vallen: datse in u gesigt niet onverhindert mijn lokken afsnijt, en gij niet flauwlijk segt: dees was ook wel eer mijn beminde. Of lijt dit vrij, als ik slegs niet van u versmaat verlaten werd. Hier voor sta ik, og arm, en sidder als een blad. Maar waar na wagt gij nog? Daar Agamemnon leetwesen heeft van sijn grimmigheit en ’t heir der Grieken ootmoedig voor u knield. Verwin, die ’t alles verwint, u gramschap en fel gemoet. Waarom moet de fluksen Hector de Griekse magt vernielen? Schiet ’t harnas aan, Achilles, na mij eerst weder aangenomen te hebben, en slaat met u gesegende wapenen, de Trojanen verbaast op de vlugt. Om mij ontstont de gramschap; laat sij om mij ophouden, en ik d’ oorsaak en’t einde van u verbolgentheit wesen. En rekent voor geen schande door mijn gebed te buigen: Meleagcr is door ’t smeken van sijn vrou ten strijd geprest. Ik heb ’t horen verhalen, maar gij weet het best, dat sijn moeder Althea, door hem broederloos, haar soon vervloekte en sterven liet. ’T was oorlog, en hij een fluks krijgsman hielt sig van kant, weigerende halsterrig sijn vaderland de behulpsame hand. Alleen sijn huisvrou kreeg hem in ’t harnas. Gelukkiger als ik: want mijn gebeden sijn bij u van geen gewigt. Dog ’k belg mij hier in niet: ik heb noit de naam van u vrouw gedragen, maar ben dikwijl als slavin in mijn heers koets gevordert. Ik weet, dat mij eens een slavin mevrou noemde, en ik haar antwoorde, dees naam verswaart den last van mijn dienstbaarheit. Ik sweer u bij mijn mans gebeente, dat door schierlijk neerhouwen niet wel met aarde besorgt wiert, gebeente dat ik altijd hoogwaardig agten moet; bij de heiligheit van de brave zielen van mijn drie broeders, die met en voor haar vaderland gesneuvelt sijn: bij ons beider hoofden die wij so digt bij een koppelden: bij u beroemd rappier, mij euvel wel bekent, dat noit Mycener (Agamemnon) mij besliep: ben ik menedig, verlaat mij vrij. Vergd’ ik u nu, Manhafte, van gelijke een eed af, dat gij buiten mij, geen andere wellust boete, gij trokt wis de klink in. Wat, ’t volk denkt dat gij treurt; maar gij speelt op de harp, en vermaakt u met een pop op schoot. En vraagde u imant, waarom gij niet aan ’t vegten wilt, sij sout hem antwoorden, ’t gevegt valt suir: ’t snarenspel, nagt en Venus werk soet. ’T valt veiliger met een weeld’rig dier op den dons te plukhairen op de Tracier harp te galmen: als een schild en scherpgespitste speer in de vuist, en stormhoed op ’t hoofd te hebben. Maar voor desen plagt gij voor ’t veilige te kiesen roemrugtige daden, en schepte vreugd in lof van manhaftige heldedaden. stont u ’t gevegt slegs aan, doen gij mij gevangen namt? en leit u lof nu met mijn vaderland in d’as? dat schut den Hemel; maar ik wens dat gij nog met dien sterken arm u Peliaanse speer Hector door de ribben drijven moogt. Sent mij, o Grieken, heen, ik sal selfs als afgesante mijn heer vleien, en ’t verrigten van mijn last met kuskens spekken. ’K sal (gelooft mij) meer uitregten als Fenix, meer als de bespraakten Ulysses, meer als Ajax. ’T heeft wondere kragt, mijn armen, na gewoonte, om sijn hals te klissen, en hem door mijn tegenwoordigheit sijn vorige minsiekte te erinneren. Al waart gij nog so verstaalt, en wreder als u moeders zee, gij wiert, al sweeg ik stil, door mijn tranen gedwee. Sla nu ook, dapperen held, ’t oog op u beknelde Briseïs, en laat mij rampsalige soo versleend niet immer in den druk: so wens ik dat vader Peleus sijn levens tijd voltoje, en u soon Pyrrhus onder u beleid seeghaftig strijde. Of is u liefde op mij in bitteren haat verkeert: dwingt, die gij sonder u te leven dwingt, te sterven. Na ik merk dwingt, en sult gij mij hier toe dwingen, mijn vlees en verf is reeds vertreurt: alleen mijn hoop op u, voet dit ellendig leven. Ontglipt mij die, ’k sal van u handen weer eissen mijn man en broeders, en tonen dat u geen eer is een vroumens te doen sterven. Waarom doen sterven? doorgrief mij mer u bloot rappier; ’k heb nog bloed om uit dees verwonde borst te storten. Doorstoot mij met ’t selve staal, dat Agamemnon sou doorboord hebben, ten waar Minerva ’t selve geschut hat. Maar spaar nog liever dit leven dat gij mij schonkt. ’T geen gij mij nog vijandin schonkt, versoek ik nu als vriendin. Dorst gij na bloed: Troje kan u stof leveren, tap ’t bloed uit ’s vijands lijf. ’T sij gij dan reedschap maakt om ’t anker te ligten, of staat maakt te blijven, ontbied mij slegs uit heer en meesters naam.

[p. 14]

Continue


VIERDE BRIEF.

INHOUD.

Theseus in Kreta, Minotaurus, of den Mensstier hebbende omgebrocht, so heeft hy beide des Konings dochters, Ariadne en Fedra met sich weggevoerd. Maar Ariadne heeft hy laaten sitten op een eensaam eiland, Fedra alleen medegenomen, en binnen Athenen getroud. Hier op is Theseus, met Piritheus, sijn hasvrind, vertrokken, om Proserpina den onderaardschen schaker wederom te ontweldigen. Doch als sijn lang afweesen de Koninginne verdroot, is sy midlerwijlen op Hippolitus, haar mans voorsoon, verliefd geworden. Deese was gedurig op de jagt, schuw voor vrouwenliefde, en deswegen vliedende haare aanlokselen. Dus poogd hem de stiefmoeder met deese letteren te bewegen, en in haar oneerbaare minnelisten te verstrikken.

[...]
FEDRA AAN HIPPOLITUS. ’T Kretenser dier wenst haar Amazoons man geluk en heil, dat haar selfs, als sij u moet derven, niet beuren kan. Overlees mijn brief so sij is. Wat kan u ’t lesen van een brief hinderen? misschien sultg’er iets in vinden dat u behaagt. Door dese letteren werden geheim’nissen te water en te land gewisselt: een vijand leest een brief die van sijn vijand komt. ’K sogt driewerf met u te spreken, driewerf kleefde mijn tong aan ’t gehemelt, en driemaal verstomde mijn woorden op de lippen. De schaamt hoord met de min, so ver die vloten wil, gemengt te werden: ’t geen ik uit schaamtc sweeg dwong mij de min te schrijven. Kupidoos dwang te wederstaan is gevaarlijk: sijn magt rekt sig selfs over de heersende Goden. Hij sei mij, doen ik in ’t eerst niet wist of ik schrijven dorst, schrijft: dien onvermurwbare sal onder u bukken. Hij segen dit, en tref u hart na wens met deselve minneschigt, die mij ’t merg in ’t gebeent met kittelende hitte doet sieden. ’K wil mijn egte trou met geen schandaal verbreken. Noit sult gij horen (vraagt het vrij) dat ik oit mijn eer bevlekte. Hoe later mij de liefde trof, hoe feller: ik bra van binnen: ik bra, en in mijn borst vlamt een verborge vuir. Gelijk ’t gareel in ’t eerst de jonge hokkelingen smert, en een volen eerst uit den trop gehaalt, den breidel niet wel velen kan: so qualijk kan ik de min, die ik ongewent ben, dragen, en wert mijn ziel, te swak, van dit pak overladen. Van kinds gebeente wert de min als een konst aangeleert. Diese rijp van jaren leert, mint uitsinnig. Gij sult de eerste vrugt van mijn onverwelkte kuisheit plukken, en te gelijk met mij u maagdom spillen. ’T is groot vermaak te stropen ’t ooft van swang’re takken, en met den dunne nagel een nog bedaude roos eerst af te knippen. Most ik anders mijn vorige suiverheid, die mij onopspraaklijk maakte, door ongewoon misdoen besoedelen. Maar ’t lukte nog wel dat ik op een braaf karel verslonger: een vuile boel versnoot het overspel. Schoon mij Juno haar man en broeder (Jupiter) schonk: mij dunkt ik koos Hippolytus voor Jupijn. Nu leer ik ook (gij sult niet wel geloven) een werk dat ik noit verstont: ’k stuif met fieren moed onder ’t wrede wild. Nu eer ik de Jagtgodin, volgens u raad, voor de voornaamste. Mij lust in ’t woud ter jagt te gaan, de harten in ’t net te drijven, en de rappe windhonden op ’t wild over berg en rots aan te hitsen: of de drillende swijnspriet uit te worpen, of op ’t klaver gras te kruilen. Dikwijl vermaak ik mij op een lugte speelwagen in ’t stof, en met een leiwijs ros te gieren in ’t sand. Dan rinkink ik weer als de dolle Wijnpapinnen, en Cybeles Priest’tessen, die op Ida’s kruin keteltrommen, of ’tvolk dat door kragt der bosmaagden en gehoornde Saters doldriftig aan ’t hollen raakt. Want als mijn dolheid over is, wert mij al mijn doen verhaalt. ’T inwendig vuir van onse liefde verwekt dit geweld. Misschien is mij dese min door fail van mijn voorouders opgeleit, en eist Venus dese straf, als een tol, van ons heel geslagt. Jupiter bekroop in een stiere huid Europa, de wortel van onse stam. Pasifaë mijn moeder sig vleiende looslijk onder een stier, baarde ’t schelms gebroed van de mensstier. Den troulose Theseus quam door raat van mijn suster met een leitou uit ’t krinkeligen doolhof. So siet gij ook dat ik, om tete tonen dat ik wis een dogter van Minos ben, als de leste, de voetstappen van mijn geslagt navolge. Dit ’s ook Gods schikking: dat wij beide op u gcslagt verliefden: Ik op u schoonheit, mijn suster op u vader. Theseus en Hippolytus verrukten twe gesusters; regt van ons beider huis twe segetekens op. Doen ik u op ’t Eleusijnse feest van Ceres in ’toog kreeg, wenste ik wel dat ik te Gnose gebleven was. Van doen af aan viel mijn oog meer als te vore op u braaf postuir, en drong mij ’t bitse vuir door ’t gebeent in ’t merg. Gij stakt in witten dos, u hair was gekranst met bloemen, u bruine wangen met een blos geverft. U opsigt dat andere stuirs en straf noemen, was, na Fedra’s oordeel, manlijk. Weg met jonkmans die sig quikken als wijven. Een mans persoon hoeft niet veel quiks om te posturen. U siert dat straf opsigt, die natuirlijke hair krollen, en ’t bekroosde stof in ’t uitnemend schoon aangesigt. ’T sij dat gij een fier ros doet gieren. ’K verwonder mij dat ’t dier so kleine kringen maakt. ’Tsij dat gij een swakke lans met de sterken arm swaait en velt; u fieren arm betovert mijn gesigt. ’T sij dat gij een Kornoelie swijnspriet met ten breed spits torst: in ’t kort ’t behaagt mij wonder al wat gij doet. Toont maar die ruwheid op berg en bos: ik hoor immers door u hardigheit niet om te komen. Wat baat u ’t jagtspel van de gegorde Diana waar te nemen, om Venus geregtigheit te verkorten? Arbeit sonder rust is onduirsaam. De rust vernieut de kragten, en sterkt vermoeide leden. Moet gij een voorbeeld nemen aan Diana’s boog en pijlen: so gij die altijd spant hij sal verslappen. Cefalus was wel een vermaard jager in ’t bos, die veel wilds gevelt hat; maar liet sig egter niet onwijslijk van Auroor strelen, die hem, niet al sot van haar grijsaard gescheiden plag t’omarmen. Dikwijl heeft Adonis met Venus onder d’eiken op ’t gras gepopt. So verliefde Meleager op d’ Arkadise Atalante, die hij tot onderpand van liefde schonk het hoofd van ’t Kalidonier everswijn. Laat ons ook voor d’eerste reis onder dat gros gerekent werden: boers is u jagt sonder minnespel. ’K wil met u op ’t pad, en sal nog ruige klip nog rots, nog de kromme tanden van ’t vervaarlijk everswijn schromen. De Tracier Isthmus wert van twe zeën beswalpt, en een engen landhals wedersijds met bernende baren overgalmt. Hier sal ik met u te Trezen, Pittheus Rijkstad, gaan wonen: een stad daar ik reets liever ben als in mijn vaderland. Den Held Theseus is lang van honk, en sal nog lang uit sijn. Van Perithöus, sijn vriend, kan hij niet scheiden. Hij schat (ten waar wij openbare waarheit lochenen wilden) Perithoüs boven sijn Fedra en u. Dit ’s ’t enigst ongelijk niet dat hij mij aandeet; wij beide sijn in grote saken van hem beledigt. Hij slonger ’t gebeent van mijn broeder, die hij met sijn driequastige knots te pletter beukte, over ’t veld, en liet mijn suster tot een prooi van ’t wild geschaakt. De dapperste Heldin onder de Heirbeil voerende Amazonen heeft u gebaart; een vrou wel waard’ so fieren soon. Vraagt gij waar die bleef? Theseus doorstietse met ’t rappier: so weinig bate haar de grote vrugt die sij hem won. Maar sij was aan hem niet getrout. Waarom dog anders als om dat gij, een bastaard, vaders Rijk niet mogt komen te erven? Nog teelde hij u bij mij broeders, die ik niet alle goed vont op te queken, maar hij selfs. Og was mijn buik en vrugt, o schoonste blom op aarden, in ’t baren, so sij u hinderlijk was, geborsten. Gaat heen nu, en hou vrij in eren ’t bed van een vader die ’t so op ons verdiende; ’t bed dat hij door sijn schelms bedrijf so schuwt en koud laat. Laat u geen idle naam van maagschap afschrikken, dat ik, u stiefmoeder, met mijn schoonsoon schijn te sulle poppen. Dit ’s een fijnheit, die nu reets grijs haast wil versterven, en die boerse vrees, die in Saturnus heerschappij in swang gink. Al ’t plaisier heeft Jupiter voor eerlijk toegelaten. En Juno met haar broer gepaard maak ’t alles bondig. Den huwlijks band, die door Venus met hegte knopen onder bloedverwanten strikt, sluit onverwrikbaar. ’T kan ook ligt verhole blijven. Bit haar vrij om Heleens gave: ’tstuk kan onder schijn van verwandschap door den beugel. Siet ons imand met d’armen verklist: hij sal ons beide loven. ’K sal de naam hebben van een trouwe stiefmoeder voor mijn stiefsoon. Gij hoefd bij donk’re nagt geen deur op te breken, geen lijfwagt te ontsluipen. Gelijk wij voor desen in een huis bij malkandere geroest hebben, sullen wij nog roesten, en openbaar kussen, als voorheen. Bij mij sult gij veilig sluiken, en in plaats van blaam lof bejagen, schoon gij in mijn bed betrapt wiert. Toef slegs niet langer: knoopt den band der minne hoe eer hoe liever. So moet u de min, die mij nu rabraakt, matig pijnigen. Ik schaamd mij niet, u ootmoedig te bidden. O bloed, waar is nu mijn trotse en pragtige taal vervaren! Ik had lang vast voorgenomen mijn min te bestormen om in geen schand te raken: so anders in de min iets vast is voor te nemen. Maar nu grijp ik, van liefde overwonnen, u knien met mijn Prinsesse armen. Og die mint let op geen deftigheit. Mijn schaamt is reets vervreven, en merkt mijn wangen niet meer met haar blos. ’K beken ’t, vergeeft het mij, en betoom dat stugger hart.* Wat baat mij, dat Minos Konink over zee, mijn vader is, dat mijn overgrootvader is, die met den bliksem schiet? Dat mijn grootvader is Febus, die sijn hoofd met spitse sonnestralen kranst, en den dag van ’t purper ooste aanvoert. De min vermeestert mijn adel. ontfermt u om mijn voorouderen: en wilt gij met mij geen melijden hebben, spaar ten minsten mijn geslagt. Tot huwlijks goed heb ik Krete Jupiters vaderland. Hier over swaai mijn Hippolytus den Scepter. Vermurw u staal gemoed, een stier kost mijn moeder dwingen. Wilt gij dan norsser als een stier sijn? Ontferm u, bid ik, om Venus wil, wiens troetelkind ik ben: so wens ik dat gij noit een stugger lief bemint: dat u de flukse Diana in ’t bos so begunstige, dat u ’t wild om te treffen schoon sta: dat u de Saters en spiltkotige berggoden segenen: dat gij d’everswijnen in de borst treffende velt: dat u de Nymfen (schoon de spraak gaat dat gij een vijand van dat goetje sijt) water schenken om den dorst te lessen. Dit gebed bestort ik ten overvloet met tranen: mijn smeken leest gij; maar denkt dat gij mijn tranen siet.
[...]
[p. 21]

Continue


VYFDE BRIEF.

INHOUD.

HEkuba, gemaalinne vanden Trojaanschen koning Priamus, groot gaande, droomde dat sy een brandende toorts ter wereld brocht, van welke geheel Trojen wierd in asschen gelegt. Hier by quam een Godspraak, meldende dat de toekomende vrucht gewisselijk sijn vaderland sou ten verderve strekken. Dus gebood de koning de geboorene soon aanstonds om te brengen. Doch Hekuba, van een moederlijk mededogen geraakt, gaf het kind aan de koninglijke veehoeders om in het verborgen op te voeden. Deese, geheeten Paris (by sommige ook Alexander) verkoos, nu sijn jaaren hebbende, tot sijn lief eene Enone; met welken hy een geruymen tijd, in alle gemeensaamheid leefde; tot dat eindelijk sijn vader hem gekend en plechtelijk ten hove geroepen heeft. Hier op is hy naar Griekenland getrokken, quansuis om Hesione sijn moeie, weder te haalen; doch waarelijk om Helena (in het welbekend Oordeel van Venus hem toegesegt) te schaaken, en naar Trojen over te brengen. Dit was naawelijks uitgevoerd, of Enone, dien handel verstaan hebbende, send aan Paris deesen brief, verwijt hem sijn meineed en ongetrouwigheid, raad Helene de Grieken weder ter hand te stellen, en haar alleen getrouwe liefde te bewijsen.


[p. 22]

ENONE AAN PARIS.

Leest gij mijn brief, of verhindert het u nieuwe bruid? Lees vrij: dit is geen schrift van een Mycener hand. Ik Pegasese Enone, roemrugtig op ’t Frigiaans lommergebergt Ida, klage over ’t ongelijk dat gij, mag ik ’t seggen, mijn lief, mij aandeet. Wat God voer ons so dwars in ’t vaarwater? Wat misdeet ik, dat gij mij afsnijd? Verdiende straf mag geduldig geleden werden: maar wat gij in onschuld lijt is bitterder als gal. So groot waart gij nog niet, doen ik, een Nymf van een roemrugte stroom geteelt, met u gepaart was. Gij die nu Priamus soon hiet, waert eerst (de waarheit hoeft niemant te ontsien) een slaaf, waar aan ik, een Nymf, mij niet verontwaardigde te trouwen. Wij rusten dikwijl onder ’t vee en lommer van ’t geboomt: ’t loof en gras verstrekte ons voor een bed. Dikwijl sliepen wij op hoi en stro, en schutten op een laag hut daksken de grijsen rijp af. Wie wees u bosschagien bequaam tot de jagt? Wie de holen daar ’t wild met sijn jongen in roeste? Dikwijl heb ik met u ’t schrik-net gespannen, dikwijl de jagthonden over berg en heuvel gejaagt. De beukbomen tuigen nog in haar bast mijn naam van u gesneden. Men leester nog Enone met uwe hand geschrapt. En met de stammen groeit mijn naam: groei beuken, en schiet op tot verbreiding van mijn naam tijtel. Daar staat een populier op d’oever van een beek, een populier, weet ik wel, waar in gij t’onser gedagtenis iets gesneden hebt. Leef waarde populier, die, geplant op den oever aan ’t water, dit digt tot gedagtenis in u rimpelige schors hebt staan:
            Eer Paris sijn Enoon verlaat en leeft:
            De Xantus na sijn bron te rugge streeft.

Keer Xantus dan te rugge, en stroom opwaarts: want Paris leeft, en durft sijn Enone verlaten. Dien dag beschoor mij arme duif ramp: van doen af begost u liefde t’mijwaarts, so schendig veranderende, te verflauwen: sedert Venus, Juno, en Minerva, die beter in ’t wapen sou gepostuirt hebben, naakt voor u om vonnis stonden. Doen gij ’t mij vertrokt* beefde my ’t hart van schrik en schoot mij een rillende kou door ’t hart gebeent in ’t merg. Ik gink te rade (want die schrik was wat ongemeens) met oude wijfs en grijse mannen: maar vont klaar dat’er onheil op handen was. Men hiew vast dennen, en maakte balken klaar: soo haast was u vloot niet vaardig of’t gepekt vaartuig liep toegerust in zee. Gy schreide op ’t afscheid. Wagt u maar dit te ontkennen. Over die nieuwe min hebt gij u meer te schamen als over de voorgaande. Gij weende, gij sagt mijn oogen tranen, en wij brouwden wedersijts bedrukt traan in traan. Noit sagt gij een olmstaak zo omwoeld van wijnrancken, als u armen om mijn hals gevlogten. Og hoe dikwijl, als gy klaagde om tegenwind weerhouden te werden, hoe dikwijl [p. 23] stak ’t geselschap den draak met u: want ’t woei in ’t seil. Hoe vaak quaamt gij na genomen afscheid op nieuws afscheid kussen, hoe bang viel u ’t laatste woord adieu? Een lugte voorwind deed de seilen aan de stijve masten vast swellen, en ’t water schuimde door ’t wegroejen. Ik gink, onsalige, u wegstuivende vloot naogen so ver ik kost: en storte traneplassen op ’t strand. Ik bad de groene zeegodinnen dat sij u met ’er haast overschikten: regt om spoedig weer te komen tot mijn onheil. Dus most dan mijn gebed u voor een ander doen wederkeren. Og voor een vervloekte hoer heb ik gesmeekt. Daar staat een grote rots op de zeekant, die nu van de golven bekabbelt, maar wel eer een berg was. Hier af sag ik u schepen eerst heen seilen, en vloog u schier door de golven na. Terwijl* ik sta en dut, kreeg ik in ’t oog u glimpig purper, boven op de plegt. Ik stont verstelt: want dat was u dragt niet. Doen ’t schip naderde, en door de wind digt aan land quam, sag ik ontset ’t schoon juweel in ’t aansigt. Dit was nog niet genoeg (wat hielt mij, dus ontsind?) maar ’t schendig staal sat in u schoot als een klis. Doen scheurde ik mijn gewaad voor op, klopte op mijn boesem, krabde mijn betraande wangen op, huilde dat den helen Ida, Cybele toegewijt, weergalmde: en deed, daar van daan na mijn rotshol kerende, aldus mijn weeklagt: so moet Heleen, van haar man verlate, kermen, en haar selfs overkomen, dat sij mij nu doet. Nu voert gij vrolijk weg een dier, dat u over Zee gaarn volgt, en haar egte man weet te verlaten. Maar doen gij nog arm waart, en als harder ’t vee hoedde, hielt gij in u schrapelheit niemant als Enone tot u wijf. Ik vraag na geld nog goed nog u verguld Palais, of onder vele een snaar van Priamus te wesen. Egter niet dat sig Piamus sou hoeven te stoten aan een Nymf tot schoondogter, of Hekuba sig te schamen dat ik haar snaar was. Want ’k ben ’t wel waard, en tragt een Prinse vrou te werden: mijn hand past so wel een scepter als den staf. Versmaat mij ook niet, om dat ik met u op ’t boomloof plag te slapen: het purper past mij beter als de kaf. In ’t kort, met mij blijft gij veilig gepaart. Om mijnen ’t wil wert geen toestel tot oorlog gemaakt, nog vloten toegerust om te wreken. Maar d’egtbrekende Heleen wil nog met vijandige wapenen weer gevordert werden: dat ’s de bruidschat die dit pragtig staal u toebrengt. En of gij haar aan de Grieken dient weder te leveren, staat u te vragen aan broeder Hector, Polydamas, of Deifobus: dient u van Antenors of Pramus raat, die door de lange ervarentheit geleert hebben wat goed of quaad is. ’T is een schandige staatsproef de welvaard van ’t land te hasarderen om een geschaakte snol. U saak stinkt; en haar man voert regtvaardigen oorlog. Gelooft ook niet, wilt gij wijs sijn, dat u dit wufte staal sal trou blijven, dat u so schielijk onregt in d’armen viel. Want gelijk nu Meneläus buldert over ’t schenden van sijn egt, en klaagt dat hem sijn lief van een uitheemsche vink ontfutselt is; so sult gij ook nog [p. 24] schrewen: bevlekte kuisheit kan met geen water afgespoelt werden, en plakt eens voor al. Nu is sij op u versot: so was sij op Meneläus ook verslingert, die nu door ligtgelovigheit alleen in ’t bed woelt. Gelukkig is Andromache die vast aan een trou man is gepaart. So most gij mij, volgens u broeders voorgank, tot een wijf gehouden hebben. Maar gij sijt ligter als dor verdroogde bladeren, die door een so as wint afwajen. Ligter sijt gij als ’t hair van koornaren, dat door gedurige sonhitte verdort staat. Dit plagt mij (want ik herkauw ’t) u suster Kassandre wel te voorspellen, en aldus met hangende vlegten te profeteren: wat begint gij, Enone? waarom in ’t sand gesaait? vergeefs ploegt gij d’onvrugtbare strand. Daar komt een Griekse vaars, die u, ons vaderland en hof sal ruineren. Og weet dit dier, daar komt de Griekse vaars. Terwijl ’t nog tijd is, verswelg, o Goden, dat schendig schip: helaas wat zee van bloed brengt ons dit vaartuig aan! Dus gesprooken hebbende, wierd sij van haar dienstmaagden in ’t hollen gegrepen. Maar mij rees ’t blonde hair te berg. Og maagd, u profesij is tot mijn ramp niet als al te waar geworden: die vaars graaft nu reets in mijn klaverwei. Al is sij nog so schoon, ’t is wis een Overspeelster. Want sij verliet haar Goden en man, om met u weg te lopen. Dit selve dier is eerst uit haar vaderland geroofd door sekeren Theseus (so ik in den naam niet mis.) Gelooft so gij wilt, dat sij maagd weder gesonden wiert, van een grage en geile gast. Vraagt gij hoe ik dit so fiks te weten quam? ik minne. Al noemd gij dit roof, en verfd haar schand met witsel: die twemaal is gerooft, wou selfs gerooft wesen. Maar Enone blijft har valse man getrou: hoewel gij na u eige voorbeeld met ontrou kost beloond werden. Lest schuilende in ’t bos wierd ik gesogt door een troep rappe Saters, een krielig splitkootrot: en Faunus met sijn spitslovige pijnkrans op ’t gehoornd hoofd, een groot stuk weegs over de kruin van den hoge Ida. De Lyer God Apollo, bolwerker van Toje, heeft mij wel eer bemint, en mijn [p. 25] maagd’lijke blom geplukt. Nogtans met worstelen. Want ik trok hem de vlegten uit ’t hoofd, en krabde hem ’t aansigt als een rasp. Ik eiste nog gesteent nog goud voor dit verkragten: geen regtschapen maagd verkoopt met eere haar lijf om goed. Maar hij mij ’t waardig oordelende, schonk mij d’Artsenij, en leerde mij sijn konst hanteren. Wat kragtig kruid of wortel om te genesen in de wijde wereld groeit, is mij grondig onderrigt. Helaas dat ’er geen kruid is, ’t geen min genesen kan! hier komt mij mijn fikse kunst niet te sta. Selfs Apollo, vinder van de Artseny, segtmen, dat Konink Admetus koejen hoede, en op Alcestis door gelijke minnebrand kookte, als ik nu op u. Maar de baat, die ik nog door kruid’ren van ’t vrugtbaar aardrijk nog door Febus kragt kan vinden: kont gij mij geven. Gij kondse geven, en ik ben ’t waardig. Ontferm u over een Nymf die ’t verdiende. Ik ben geen staal die u ’t Griekse heir in ’t land brengt. Maar ’k ben u lief, bij u gekoppeld van kintsgebeente, en bidde dat ik bij u sterven mag.

[p. 26]

Continue


SESDE BRIEF.

INHOUD.

PElias, soon van Neptunus, in Thessalien regerende, was van seker godspraak verwittigd, dat hem de dood als dan was nakende, als hem jemand met een ongeschoeide voet sou komen groeten. Ondertusschen had Jason by toeval, sijn eene schoen in het slijk van de rievier Evenus laaten steeken. Ontmoette dan in die stand sijn oom Pelias, met een jaarelijks offer besig. De vorst, sich de godspraak erinnerende, raad daar op Jason naar Kolchos te trekken, en de gulde vacht zeeghaftig van daar te haalen; op hoop dat hy, of op zee, of aldaar in die poginge, om mogt komen. Doch Jason, naar heldelof staande gelijk een edele jongeling, neemt die krijgstogt aan, versameld de voornaamste ridders van Thessalien, boud het befaamde schip Argo, en begeeft sich op deese wijse op zee. Eenigen tijd deselver doorkruist hebbende, is hy op het eiland Lemnos aangeraakt: alwaar hy van Hipsipile, des konings dochter, nu als koninginne regerende, seer minnelijk is onthaald. Maar, terwijl de reis naar Kolchos moet voortgeset worden, so is hy, bykans naar twee jaaren verlijvens, weder t’ scheep gegaan: belovende, met de geroofde buit, te keeren, en eewigh, als echtgnoot, haar by te blyven. Komt daar op in Kolchos, temt en verwint aldaar al het geene hem in sijn arbeid stuitte; krijgt de gulde vacht, en keerd met Medea (wiens toverkonst hem deese zege deede hebben) naar Thessalien. Hipsipile, dit alles vernoomen hebbende, schrijft deesen Brief, op allerhande wysen hem van Medea trachtende af te trekken.

HIPSIPILE AAN JASON.

’K Versta dat gij heelhuids met u schip weder gehavend sijt op de kust van Thessalie, verrijkt met den buid van ’t gulde vlies. ’K wens u, so ver gij ’t toelaat, geluk; maar ik had die tijding selfs van u hand verwagt. [p. 26] Want schoon gij voornemens mijn rijk, u vast verbonde land, in ’t wederkeren langs te seilen, mogt konnen tegenwind gehat heben: gij hat, hoe ’t woei, ligt een brief konnen afveerdigen: Een groet was u immers Hypsipyle nog waard’. Waarom komt mij ’t gerugt voor u schrijven ter oren, dat gij de stieren die Mars waren toegewijt, voor de ploeg spande? Dat uit het tanden saat een oegst van mannen uit d’ aard schoot, om welke te vermoorden u hand onnodig was? Dat een immer wakkeren draak bij de gulde rams vagt schiltwagt hielt, die hem egter door u dappere hand ontrooft is. Kost ik aan de swaargelovige seggen: dit heeft mij Jason selfs geschreven: hoe stak ik de borst voor uit? Wat klaag ik dat mijn man sijn schrijfpligt heeft vergeten? ’K ben over gelukkig so ik d’uwe blijf. ’K hoor dat met u een vremde toveres is afgekomen en in plaats van mij ons egte bed bevlekt. De min gelooft ligt. Og mogtmen seggen dat ik te ligtvaardig mijn man t’onregt blameerde. Lest quam tot mij een Thessalier vriend van Argos, die naulijks mijn drempel betrat, of ik vraagde: hoe vaart mijn Jason al? Hij sloeg ’t gesigt uit schaamt ter aarde. Fluks sprong ik op van schrik, en riep: leeft hij nog, of vergt mij ’t nootlot tot sijn graf? Hij leeft nog sprak hij, maar seer flau; hij most mij sweren. Maar ik geloofde schier niet dat gij leefde al swoer hij ’t bij de Goden. Weer bij mij selve gekomen begost ik te vragen na u daden. Hij vertrok mij hoe gij Mars kopervoetige stieren voor de ploeg gespannen, drake tanden in d’aard gesaaid hat, dat daar uit schielijk gewapende mannen voor den dag sprongen: hoe die aard’lingen malkand’ren vermoorden , en pas eenen dag geleeft hadden: en na ’t verhaal hoet gij den draak verwont, vraagde ik weder of Jason ook nog leefde. Want hoop en vrees gaf mij staag bijsonder bedenke. Terwijl hij ’t alles melt, ontklede hij vervolgens door spreekijver verrukt, de wonden mij door u ontrou aangedaan. Helaas waar is nu u die vast versegelde trou, en ons huwlijks verbond? Waar bruilofts fakkel, beter waard’ om een lijkhout aan te steken. Ik ben van u niet ter sluik [p. 28] bekropen. Juno d’ egtvoogdes en de bruilofts God met sijn bloemkrans was ’er bij. Nog Juno nog Hymen, maar de helse Erinnys droeg mijn fakkelligt met haar bebloede hand. Wat had ik met de Myniërs, wat met Pallas schip te schaften? En wat joeg u, stierman Tyfis, in mijn vaderland? Hier was immers geen glimpig gulde vlies te halen, Lemnos was immers geen Palais van den ouden Eëtes. Eerst was mijn wisbesluit (maar den Hemel schutten’t) dees vremdelingen te verdrijven. En ’t Lemnis vrouvolk heeft eerst de regte slag van mannen te bengelen. Met so dapperen heir had ik mij horen te weren. Maar so haast ik u sag ontfing ik u in mijn stad, hof, en ’t hart, daar gij met mij twe jaren doorbragt. ’T gink nu in ’t derde jaar, als gij genootsaakt te verseilen, dus wenende van my u afscheit namt. ’K moet voort Hypsipyle maar (geeft den Hemel dat ik weder kome) ’k sal so voor als na u man blijven. Ons beider vrugt in uwen buik ontfangen, die leve, ik ben daar vader en gij moeder van. Dus sprakt gij, en kost snikschreiende met de tranen op de beveinsde wangen geen woord meer uitbrengen. Gij klomt [p. 29] na ’t scheepsvolk alderlaatst op ’t heilig Argo, dat voor wind schigtig doorstoof. Het schip vloog ale een bliksem over de blawe baren, gij starde op mij na ’t land, ik op u na ’t water. Daar staat een toorn om allen ’t halve in zee te sien: hier op klom ik met tranen op de wangen en boesem gestort. ’K sag door de tranen heen veel scherper als voor desen, mits d’oogen haar gunst aan mijn brandend hart verleenden. Flukx storte ik godvrugtige gebeden, en beloofde, om u gevaar te hoeden, de Goden offerpligt, die mij nu nog, vermits u behouden reis, te betalen staat. Ik die belofte betalen? En Medea ’t heil genieten? ’T hart sweert mij, overstolpt van min en spijt. Sal ik offeren, om dat ik Jason bij sijn leven quijt ben? Ik vee slagten voor mijn verlies? ’K was waaragtig noit gerust, en vreesde altijd, dat Eson sig een snaar uit Argos kiesen sou. ’K vreesde voor Argolise juffers; naar nu druktme een Pontus hoer. Ik werd verwond van een onverwagte kant. geen schoonheit of verdienst, maar toverij en vervloekte kruid’ren met haar belese mes gesneden, verstrikten u. Sij tragt de maan tegen wil en dank uit haar koers te rukken, en de sonrossen pek-knevelen voor ’t gesigt te drijven. Sij stuit de vloed, sij stelpt de loop van kromme stromen en drijftse opwaard aan. Sij verplaatst bos en rots.* Sij waart met losse vlegten op de graven, raapt sekere beenkens van een vers gebrant lijk. Sij betovert al sijnse ver: kneet wasse beeldkens, en priktse met fijne naalden in d’onnosele lever. Voorts duisend grillen die ik liever niet en wist. De min door toverkonst verwekt is quaad, de regte wert door deugtsaamheit en schoonheit veroorsaakt. Kont gij dees Kol omhelsen? en durft gij, ’s nagts door ’t staal alleen in bed gelaten, wel sonder vrees slapen. Gelijk sij eerst de stieren, so dwingtse u nu onder ’t jok: u streelt sij door deselve kragt, waar door sij den fellen draak streelde. Behalven datse allen ’t halven sig ook aanmatig de* daden die gij met d’andere helden deet, en onder de naam van wijf u heldestukken verkleint. En d’een en d’ander van Pelias aanhangers schrijft haar toverij u daden toe, en vint onder ’t volk geloof. Geen Jason, maar Medea roofde Frixus gulde vlies. Dit laakt u moeder Alcimede: vraagt het haar: insgelijks u vader dien gij uit ’t kil gewest een snaar t’huis brengt. Sij mag uit ’t gewest ontrent de Tanaïs, de Scytise moerassen, of Fasis haar vaderland na een gemaal omsoeken. Wispelturige Jason, losser als d’ herfst wind, waarom breekt gij u beloften? Mijn man gingt gij van hier, een anders quamt gij weder. Laat ik nu u vrou sijn, als ik was op u vertrek. Stuft gij te pret op Adel en roemrugte namen: ik draag den roem dat ik een dogter van Thoas, Minos neef, gesproten, ben. Bacchus is mijn grootvader, Bacchus vrou ver[ [p. 30] heldert met haar star-kroon ’t klein gestarnte. ’K sal u tot bruidschat Lemnos geven, een vrugtbare Lantsdou, en nevens dien Hypsipyle. ’K heb nu ook reets gekraamt, Jason, wenst ons beide geluk en segen: ’t pak viel mij swangere soet, bevrugt bij sulken man. Ook ben ik in ’t getal gelukkig: ik baarde door genadige gunst van Juno tweling sonen. En vraagt gij wien het kroos gelijkt? na u aansigt sijn sij gedrait. Bedriegen konnen sij niet, voor de rest gelijken sij haar vader, die ik u schier tot gesanten voor haar moeder gestiert had, ten waar die wrede stiefmoeder mijn opset had gestut. Medea vreesde ik. Medea is feller als een stiefmoeder. Medea’s handen sijn bequaam tot alle moordstuken. Die haar broeder verscheurde en de leden over ’t veld ringelde, sou die mijn kinderen konnen sparen? Dit staal, o harssenlose, en met Kolchis vergift betoverde Jason, dit staal, segtmen egter dat gij trouwer mint als u Hypsipyle. Sij kreeg als maagd in overspel met een man te doen, maar wij sijn kuis gepaart. Sij verried haar vader, ik bergde Thoas leven. Sij vlood van Kolchi, ik blijf in mijn Lemnos. Wat baat mij dit? als een deugtsame van een vuil staal werd verbluft, en sij door haar toverschat mijn man verrukt houd. De moord van Lemnis vrouwvolk prijs ik niet, Jason, maar ’k doemse. De spijt wapend gehoonde tot felle gramschap. Kom segt eens, soo gij door storm als ’t hoorde, verslingerd met u boel in mijn haven quaemt, en ik u met mijn twe soonkens toe quam treden: mogt gij wel bidden dat u d’aard verswolg. Met wat voor ogen, o schelm, sout gij u kinderen, met wat opsigt mij aanschouwen? Wat dood waart gij om u trouloosheid waard’? Mijnen t’halve soud gij ligt ’t leven houden: niet om u verdienst, maar mijn sagtmoedigheid. Maar ik kletste ’t bloed van die vervloekte hoer in mijn aansigt, en ’t uwe, dat sij door haar toverij verrukte. Dan toonde ik mij Medea een Medea. Bij aldien mij de regtvaardige Jupiter uit den hogen hemel verhoort, so bid ik dat die hoer en schenteef van ons egt gevoele ’t wé dat Hypsipyle gevoelt, proeve de gal die sij gebrouwen heeft, en gelijk ik, moeder van twe sonen, en egte vrou, van twee sonen en haar man beroofd werde: dat sij niet lang houde ’t geen sij so schandelijk kreeg, en erger late als vont. Dat sij in de wereld swerve en nergens plaats vint. Gelijk sij haar vleeslijke broeder en vader gehandeld heeft, dat sij ook haar sonen en man so wreed traktere. Als sij zee en land sal hebben doorwaart: dat sij dan door de lugt poge te vledermuisen, behoeftig, hopeloos, besoedeld met haar bloed swerve. Dit bid ik Hypsipyle Thoas dogter van mijn man verlate. Leef duivels paar en mors in ’t dier vervloekte bed.

[p. 31]

Continue


SEVENDE BRIEF.

INHOUD.

DE stad Trojen eindelijk van de Grieken sijnde overweldigd, in brand gestooken en verwoest; verliet Eneas, met een vloot van twintig schepen, sijn vaderland, sonder bykans te weeten werwaarts hy het soude op aan setten. Hebbende dan op de baaren eenigen tijd omgesworven, en Thracien, Sicilien, en andere mindere plaatsen aangedaan, is hy eindelijk, door een geweldig onweer, in Libiën te lande geset. Aldaar wierd alstoen een verblijf en nieuwe stad opgetimmerd van Dido, Belus dochter, en weduwe vn Sichëus, sijnde (wegens den overlast van haaren boosaardigen broeder Pigmalion) uit Fenicien vertrokken. Deese vorstinne ontfing Eneas met de sijne seer vriendelijk, wierd op hem verieft, en dede, sonder eenige uitstel, hem de vruchten van sijn wederliefde in haare omhelsingen genieten. Doch Eneas moest sijn noodlot volvoeren, sich naar Italien begeven, en aldaar van de grootmogende regeeringe der Romeinen den allereerste grondslag leggen. Dido de lucht hier af krijgende, poogd hem met honderd beweegredenen die gevaarlijke reis uit het hoofd te brengen. Hoewel sonder eenigen vrucht. Deshalven sy, gesind sijnde sich selven het leven te beneemen, hem moch deese sendbrief laat toekoomen.


DIDO AAN ENEAS.

Dus singt de witte swaan aan de Meandervloed in ’t vogtig lies gespreit, als de dood naakt, haar [p. 32] lijklied. Denkt niet dat ik dit schreef op hoop van u met mijn gebed te vermurwen: neen, dat dult immers den hemel niet. Maar nu ik weldaden, eer, en deugd ligtvaardig heb verspild, is ’t een kleine saak wat woorden te quisten. Gij sijt dan nog gesint te reisen, u rampsalige Dido te verlaten, en trou en seilen aan een en deselve wint over te geven. Gij blijft, Eneas, nog bij ’t voornemen, om trouverbond en vloot gelijk te ontbinden, en u beloofd Italie te soeken dat gij nog niet en weet waar gij ’t vinden sult: En trekt niet eens ter harte ’t nieu Karthago. Mijn steigerende wallen, nog ’t Koninklijk gebied dat ik u opdroeg. ’T gerede vliet gij: ’t ongerede soekt gij. U staat een ander rijk ergens in de wereld op te speuren; hier hebt gij wat gij soekt. En schoon gij ’t land al vind, wie sal u dat overgeven? Wat gek sal sijn eigen erf aan vremden overlaten? Maar ’t schort u aan een ander lief, een andere [p. 33] Dido failt u, een andere doos om weer op niews uit te strijken. Wanneer sult gij een stad als mijn Karthago stigten, en u Heir van een verheve slot oversien? En schoon ’t u alles na wil en wens gelukte, waar haalt gij een vrou die u so beminnen sal, als ik. Ik blaak als een was en sulfer fakkel, min nog meer als wierook op de smokende altaren. Eneas heb ik nagt en dag in ’t hart en sin. Hij is wel ondankbaar, hij agt mijn gaven drek, een gast die ik, so ’k wijs was, missen mogt: egter wens ik hem, al heeft hij ’t quade voor, geen quaad: maar ’k scheld sijn trouloosheit, en ontsteek, na ’t schelden, feller brand. Verschoon, Venus, u snaar, omhels, broer Kupido, u onvermurwbare broeder, en leer hem in u leger plukhairen: of mij: die hem (en ’t spijt mij niet) heb begonnen te beminnen: ten einde hij mijn liefde voedsel schaffe. Wat ik droom, en hij komt mij schijnvals in die gedaante voor oge. Hij heeft geen aas van moeders aart. Een steen, een harde berg, barsse eiken op hoge kruinen gewassen, en wreed wild gediert heeft u geworpen: of de Zee uitgebraakt, so onstuimig als gij die nu door storm siet schuimbekken, die gij egter hoe guir en weerborstig sij is tragt te beseilen. Waar heen vlugtsieke? ontsie dit onweer: blijft niet om mij, maar om den storm. Siet eens hoe d’ooste wind water uit water blaast. Vergun mij ’t luk van ’t weer, ’t geen ik u liever verpligt bleef. De wind en Zee sijn regtvaardiger als gij. Ik ben so veel niet waard, schoon gij anders denkt, dat gij, om mij over de woeste Zee te ontvlugten, omkomen soud. Dien haat staat u vrij dier, so gij, om mij te ontgaan, nog baar nog dood ontsiet. Strakt stilt de wind, legt de zee geschaaft, en rijd Triton met fijn blaaw gespan op ’t marmere nat. Og of gij met de wind verandren kost, en gij sult konnen, ten sij gij harder sijt als d’eike. Hoe? Had gij niet beproeft wat d’ontstuime zee vermogt? Betrout gij so ontsind de pekelplas die gij so vaak in nood gesmaakt hebt? Schoon gij bij moi weder anker ligt, dat woeste nat is egter vol gevaar. Troulose eedbrekers vinden ook in Zee geen heul: dat ’s een pijnbank van schelmse wijffelaars. Te meer als om minnebreuk: om dat de moeder van de Min gesegt werd naakt uit de Cytherese Zee geboren te sijn. Nog vrees ik voor de beul, die mij pijnigde, en ben bekommerd dat dien vijand door schipbreuk sal vergaan. Leef, bid ik: so ontvlugt gij mij gelukkiger, als met de dood. ’K wens liever dat gij d’oorsaak van mijn sterven hiet. Genome gij wier (dat God verhoede) door een felle storm in Zee belopen: hoe sout gij te moede sijn? Strak sal u voorkomen die minedigheit, en Dido, door u trouloos bedrog genootsaakt tot sterven. Daar sal u voor d’ogen malen de schim van u bedroge wijf, bedrukt en met bloed beplengde lokken. Al wat u dan geschied, sult gij uitroepen, ’k heb ’t wel verdiend, og geeft gena: en menen dat alle uitgeschote bliksem op u hoofd gemunt is. Ei wagt nog een kleine tijd tot uwe verbolgentheit en d’ontstuimgheit der zee bedaart: ’t loon van een kort verblijf, sal u behoude reis verschaffen. Verschoon mij niet, maar u kleine Julus. ’T is genoeg dat gij den roem draagt van mijns levens rover. Wat quaad deet ’t kind Askaan? Wat u gevlugte Goden? Die gij uit den brand gerukt in ’t water sult verdrinken. Maar gij hebt die niet bij u, noit hebt gij, troulose, al draagt gij u roem daar op, dat heiligdom en u vader op de schouderen getorst. Gij liegt al wat gij snorkt. Want gij hebt niet eerst aan mij u valse tong getoont, [p. 31] tot mijn verdiet. Vraag imand waar de moeder van schone Julus vervoer: ik antwoord, s’ is van haar onbarmhertige man verlaten en vermoord. Dit maakte gij mij wijs: maar ik liet mij bepraten om dat ik u dienst deed. Dus hebt gij om haar minder straf te lijden, als om mij. Ik twijffel ook niet of u geprese Goden verdoemen u: want ’t is nu ’t sevende jaar dat gij op Zee sukkelt. Doen u de zee uitbraakte ontfing ik u* alsins op mijn ree, en bood u, schier nog bij name onbekend, mijn rijksstaf aan. Og had ik ’t bij desen dienst gelaten: en was de maar van mijn bijslapen begraven. Dien dag, dat ons die overwagte vlaag in de spelonk dreef is d’oorsaak van mijn quellagie. Ik hoorde een hol geluit; mij dogt de bosmaagden juigten; maar d’ helse* rasernijen gaven voorspook van mijn rampen. Wel aan neem straf geschonde maagdom: die ik tot Sicheus hoon besoedelde: waar na ik nu, og arm, vol schaamte tre. Ik heb nog in mijn marmeren tempel een beeld Sicheus toegewijd staan bepronkt met groente en witte lammervagten. Hier uit hoorde ik hem (want ik kende sijn stem) vierwerf mijn naam spellen, en soetjes seggen: kom* Elisa. [Dido] Ik kom, o waarde man, ik toef niet langer; maar draal slegs uit schaamt over ’t geen ik u misdeed. Vergeef mijn misdaad: ’k ben misleid door een geslepen bedrieger. Hij doet den haat van mijn misdrijf verdwijnen. Sijn moeder Venus sijn ouder vader, sijn soon, so dier en waardig pak, gaven mij hoop dat de man wel bij mij wennen soud’. So ik dan dolen most, ik doolde uit eerlijke beweegredenen. Doet gij hier bij sijn trou belofte: hij was, volstont hij, in genen dele te versmaden. ’T Rampsalig lot, dat mij van begin aan trof, verselt mij ten einde toe. Mijn man wiert in sijn huis voor d’auter neergevelt: van die moord draagt mijn broer den roem. Ik wierd als balling verdreven, most mijn mans graf, en vaderland ontruimen, en wierd van mijn vijandige broeder [p. 32] vervolgd, genootsaakt een gevaarlijke vlugt te nemen. Ik lande aan een vremde strand, en mijn broeder en Zee ontslipt koft ik ’t Zeegewest, dat ik u, troulose, heb opgedragen. Ik stigte een stad met wijd bemuirde wallen, een trots en schrik voor de gebuir volkeren. Den oorlog steigert vast, men dreigt mij, die een vrou en vremdeling ben met de wapenen: nau kan ik mijn stads wering en krijgsgereetschap in postuir brengen. ’K was duisend minnaars lief, die mij onder ’t vleien haar beklag deden, dat ik een wilde vreemdeling voor so veel Vorsten koos. Wat mart gij, mij geboeid aan Jarbas, Konink van Getulie, over te laten? ’K sou mij, om u schelms verraad, gevlegeld aan hem konnen en moeten overgeven. Daar bij heb ik nog een broeder [Pygmalion] wiens schensieke hand beplengd met ’t bloed van mijn man, nog dorst na ’t mijne. Leg af de goden, en Heiligdommen, die gij met handelen ontheiligt, U godlose handen betasten ’t godlijke onwaardig. So gij de Goden, die gij uit den brand bergde, most dienen, so spijt het haar, dat sij niet verbrand sijn. Misschien sult gij, o schelm, Dido swanger verlaten, en u vlees en bloed in mij gewonnen ontvlugten. So sal dan ’t deerlijk kind in ’s moeders lighaam sterven, en gij d’oorsaak van u nog ongebore vrugts dood sijn. So sal dan de broeder van de Julus met sijn moeder sneuvelen, en enen dolk twe zielen in een lighaam moorden. Maar die God last u te vertekken: ’k wenste dat hij u t’hier landen had verboden, en dat noit Trojaan den bodem der Penen had betreden. Met desen leidsman, een god quansuis, dobberd gij tegen weerbarstige winden in, en spild gij ruimen tijd in de woeste Zee. Aan Troje kost gij schier met geen meerder moeite komen, al stond het so stijf, als doen Hector nog leefde. Gij soekt geen Simoïs u vaderlijke stroom, maar ’t is den Tijber. Ongetwijfeld sult gij weer aangehaald werden, daar gij wenst te komen. Neen: na ik merk aan [p. 33] ’t afdeinsen van die ver gelede landsteek, sult gij daar met u vloot niet belanden voordat gij een oud man wert. Kiest liever dit mijn volk ten bruidschat, staak u omswerven, en ontfang de schatten die ik hier Pygmalion ontvoerde. Verplant hier Troje met meer geluks in mijn Tyrier plantsoen plaats, en neemt als Konink dees gewijde rijksstaf. Hebt gij lust om te oorlogen: soekt uwer Julus stof tot krijgstriomf; ’k sal hem, om niet stil te sitten, vijand daar toe leveren. Dit ’s eens plaats om vrede en oorlog te hanteren. Ei doet het om moeders wil, om de schigten van u broeder [Kupido] om de Trojaanse Goden bij u gered, (so wens ik segen* al wat gij van d’uwen bergde, dat die wreden oorlogen en u schade hier me einde, dat Askaan voorspoedig grijse, en dat ’t gebeent van vader Anchises onder lugte aarde ruste) ontferm u dog over een huis, dat sig aan u opoffert*. Want waar over kont hij mij beschuldigen, als dat ik u beminde? Ik ben geen Ftias telg, of van ’t groot Mycene geboortig: mijn man nog vader was tegen u gespitst. Schaamt gij u mij u vrou te noemen, noemt mij slegs u waardin. ’T Scheeld Dido niet, als sij maar uwe is, wat naam sij draagt. Ik ken de zee wel die d’Afrikaanse strand afslonst: dan is sij bevaarbaar, dan niet. So ras sal de wind niet goed sijn, of gij sult konnen ’t seil gaan. Nu wart u ’t drijvent wier om schip en riem. Belast het mij, ’k neem aan, u beste tijd te ramen: als gij reisen wilt, sal ik u niet ophouden. U bootsvolk snakt na rust, en u ontramponeerde vloot, pas half gekalefaat, vereist nog wat toevens. Voor al mijn weldaden, en ’t geen mij nog staat te verdienen, voor ons huwlijks hoop, bid ik om nog een kleinen tijd. Tot dat mijn minnesmert met de zee mag slenken, en ik allengs dees ramp kloekmoedig leer verdragen. So niet: ben ik van voornemen te sterven. Lang kond gij mij niet wreed vallen. Og saagt gij eens hoe mijn verf in ’t schrijven was verbleekt! Ik schrijf met u trojaans lem- [p. 34] mer op de* schoot. Mijn tranen rollen over mijn wangen op ’t blote swaard, dat haast in plaats van tranen mijn bloed sal geverfd sijn. Hoe wel komt u gift mijn dood te sta. Gij versiet tot korte vordering van mijn dood, mijn graf met de kleine gift van een rappier. Nu wort mij d’eerste steek niet in de borst gegeven; ’k heb al voorheen van u een minnewond ontfangen. Og Anna, suster Anna, die ter quader ure kondschap kreeg van mijn schuld, nu sult gij mij ook den laatste lijkdienst doen. En als ik ben verbrand op ’t lijkhout, sult gij op mijn marmere Sark niet houwen: SICHEUS VROU; maar dit grafschrift:
        ENEAS GAF MY ’T STAAL EN STERVENS REEN IN ’T VLUGTEN:
        MAAR DIDO WRONG ’T RAPPIER IN ’T HART, EN EIND’ HAAR SUGTEN.

[p. 38]

Continue


ACHTSTE BRIEF.

INHOUD.

HErmione, dochter van Menelaus en Helena, was van Tindarus (wien Menelaus, naar Troje trekkende, de sorg van het hof en het rijk had aanbevolen) ten huwelijk gegeven aan Orestes, soon van haares vaders broeder, Agamemnon. Menelaus, van dit verloven geen kennis hebbende; geeft haar, voor Trojen, in het leger, aan Pyrrhus, soon van den moedigen Achilles. Dus is sy van deesen (na de verwoestinge van Troien, in Griekenland komende) geschaakt. Doch als voor die fiere de fierheid van Pyrrus alte ondraagijk was, heeftse, door desen brief, van Orestes, dien sy seer lief had, versocht van dat haatlijk huwelijk ontslagen te worden. Dus was dit ok den uitslag van haar schrijven. Orestes ging Pyrrhus te Delfos, in Apolloos tempel, vinden, strafte dien schaker met de dood, en herkreeg op die wijse sijne Hermione.


HERMIONE AAN ORESTES.

Ik Hermione schrijf u, onlangs mijn broeder en man, nu slegs mijn broeder, want een ander draagt den naam van man, dese groet. Pyrrhus, trots op den adel van sijn vader Achilles, hout mij hier tegen regt en reden gevangen. Ik weerde mij so ik kost om sijn moetwil tegen te staan; vorder kost ik met mijn teer geweld niet keren. Wat hebt gij voor Pyrrhus, riep ik, mijn wreker leeft: dit vlees is aan een ander man verkoft? Maar hij dover als de Zee, schoon ik Orestes schreeude, rukte mij met ontroide vlegten in sijn Saal, Wat kost ik [p. 39] swaarder geleden hebben, was ik, in ’t veroveren van Lacedemon onder ander vrouvolk als slavin vervoert geweest. Sagter handelde het triomferend grieks heir met Andromache, als het Troje in brand stak. Maar gij, Orestes, draagt gij mij nog ongeveinsde liefde, aanvaart onbeschroomd het regt dat u toekomt. Sout gij, indien een rover u vee uit de stal weg haalde, weer bieden, en voor u geroofde vrou in gebreke blijven? Neem tot een voorbeeld u schoonvader (Menelaus) die, om sijn bruid (Helena) weder te halen, uit liefde oorloogde. Indien hij loom en traag in sijn hof van ’t wijf beroofd had leggen ronken, nog bleef mijn moeder, als voorheen aan Paris getrout. Tot desen togt hebt gij geen duisend schepen nog ontelbaar krijgsvolk van node: komt maar selfs. Hoewel ik egter op sulken wijse ook waard’ was wederom gevordert te werden, en geen man tot schande strekken kon voor sulken lief, een* felle oorlogs kans te wagen. Hoe? was ons beider grootvader niet Atreus, Pelops Soon? En waart gij mijn man niet, gij waart gewis mijn broeder. Kom dan, bid ik, als man u wijf, en als broeder u suster te hulp: twe mannen houden u verpligt tot desen dienst. Mijn grootvader Tyndarus, nu oud, en agtbaar om sijn jaren, bestede mij aan u ten huwlijk: want hij had ’t seggen over sijn nigt. Mijn vader hier van niet wetende verloofde mij aan Pyrrhus. Maar laat grootvaders regt, als meer in magt en jaren, voorgaan. Met u gepaart hoorde ik niemant: wert ik aan Pyrrhus gekoppelt, soo wert gij beledigt. Onse liefde sal vader Menelâus ook wel duiden: hij heeft door ’t selve minnevuir voor desen ook [p. 40] geblaakt. De min die hem geviel sal hij in sijn schoonsoon ligt gehengen: het voorbeeld van sijn liefde tot moeder sal ons trekbekken stijven. ’T geen hij bij moeder was, sult gij bij mij sijn: Pyrrhus leeft met mij, als wel eer Paris met mijn moeder. En schoon hij ewig snorkt op ’s vaders manhafte daden: gij hebt ook een vader waar op gij brallen kont. Agamemnon swaeide den Scepter over al de Vorsten, selfs over Achillles: dese was pas een Veltheer van hulptroepen: gene ’t hoofd der hoofden. Tot overgrootvader hebt gij Pelops, wiens vader was Tantalus: so dat, als gij wel rekent, blijken sal, dat gij ’t vijfde lit van Jupiter. sijt. ’T schort u ook aan geen roem van dapperheit: gij weerde u wel hatelijk; maar wat kont gij anders doen: ’t was om u vermoorde vader te wreken. ’K wenste wel dat gij beter heldenstof gevonden hat; die gij niet verkosen, maar uit dwang hebt moeten waar nemen. Hier in hebt gij u evenwel als een Ridder gequeten; en Egysthus heeft, van u gekeelt, ’t selve huis met sijn bloed bespat, ’t geen te vore u vader. Dit smaalt Pyrrhus, duit u lof tot schande, en kan mij egter nog onder sijn gesigt dulden. Ik berst, mijn kaken swellen van spijt, en mijn boesem scheurt van ingekropt vuir. Heeft niet ider Hermione ’t schandig stuk van Orestes durven verwijten? wel wetende dat ik nog kragt nog rappier heb. ’K mag wis nog schreien: met tranen koel ik mijn gramschap, die als een stroom in mijn boesem vlieten. ’K heb haar altijd alleen,* die stort ik immer. Mijn wangen sijn altijd met tranebronnen overstort. Dit ’s de dwaalstar van ons geslagt, die swerft* van Tantalus af, tot mij toe, om al ons vrou oir tn roof te geven. Ik wil nu van ’t bedrog des water swaans niet reppen, nog hoe sig Jupiter in swanendons verschool. Hippodamia is door een vremdeling [Pelops] weg gevoert op de Isthmus, die met haar lange smallen hals twe zeën schift. Helena van Theseus geschaakt most van haar twee broeders, Kastor en Pollux Amyclessen wederom gehaalt werden. Deselve Heleen van Paris den Trojaan over zee weg gerooft most d’oorsaak sijn dat heel Grieken in ’t harnas quam. Het heugdt mij qualijk, nogtans ’t heugdt mij. Alles was dienthalve vol druks en vrees. Mijn grootvader, sijn suster, oom Kastor en Pollux weenden; Leda badt de Goden en haren Jupiter om verlossing. Ik selfs nog een kind trok ’t kort hair it mijn hoofd, en schreeude: moeder, moeder, vertrekt gij sonder mij? Want vader was van honk. Tot een teken dat ik mede van Pelops kroos ben, siet gij immers dat ik een gereden roof voor Pyrrhus was. Og had Achilles ’t spits van Appollos schigt konne mijden! Hij doemde nu ’t geweld van sijn balda- [p. 41] dig kroos. Nog voor desen, nog nu sou Achilles behagen geschept hebben, dat een man om ’t vervoeren van sijn wijf sou geschreit hebben. Wat schild* joeg mij ’s hemels verwoedheid op den hals, of wat gestarnt sal ik klagen dat mij rampsalige dus drukt? ’K ben jonk moederloos geweest: mijn vader was in de krijg: schoon sij beide nog leefden ik was egter een weeskind: o lieve moeder ’k heb u in mijn teere jaren noit met soet gevlei betatewaald: noit met mijn kinder armkens omhelsd, noit als een lief pak op u schoot geseten. Gij hebt mij nooit opgeschikt: nog mijn kamer, als ik de bruid was, toegetakelt. Als gij weder quamt (’k sal de waarheid seggen) gink ik u te moet, maar ik kende moeder niet. Dog aan u schoonheid merkte ik dat gy Helena waart, en gij vraagde, welk u dogter was. ’T eenigste geluk dat ik in de wereld vond, is dat ik met Orestes ondertrout ben: die ik, soo hij sig niet weert, met de rest sal quijt sijn. Pyrrhus hout mij gevangen, daar mijn vader seeghaftig is wederom gekomen, en Troje nog om mijnent wil niet in den brand stond. Mijn smert valt mij evenwel so swaar niet, als ’t son ge-span bij daag komt opsteigeren; maar als de naire nagt mij bedrukt en angstvallig in de kamer en ’t bed heeft geringelt, schrei ik in plaats van slapen, en ben voor Pyrrhus verschrikt, als voor een vijand. Dikwijl raak ik, onthutst door ramp, en niet wetende hoe of waar ik ben, onverhoets met de hand Pyrrhus ruigen romp. En soo haast ik ’t schennis voel, trek ikse schu te rug, mij inbeeldende dat mijn hand vergiftigt is. Dikwijl ontvalt mij in plaats van Pyrrhus de naam van Orestes: en ’k bemin die misgreep als een leus van beter lot. ’K sweer u bij mijn geslagt, bij Jupiter mijn wortelstam, die zee, aarde, en hemel doet sidden, bij ’t gebeent van u vader, mijn oom, die ’t u te wijten heeft, dat hij door u dapper gewroken in ’t graf quam; dat ik eerst sterven, en in de blom van mijn jeugd smoren sal, of ik Tantalus dogter sal met Tantalus soon gepaart sijn.


[p. 42]

Continue


NEGENDE BRIEF.

INHOUD.

HErkules, soon van Jupiter, gewonnen by Alkmene, in schijn van haar man Amfitrion, had pas sijn jaaren, of hy wierd door Euristeus, koning van Micenen, niet sonder toedoen van Juno, tot groote werken, en schroomlijke halsgevaaren aangedreven. Doch keerde steeds verwinnaar, hier schadelijke ondieren en boschgedrochten, en daar onlijdelijke moordenaaren en dwingelanden ombrengende. Doch een ontijdge minnebrand deede eindelijk in deesen arbeid hem beswijken. ’t Was Jole, sijn krijgsgevangene, daar deese onverwinnelijke op verliefde; welke hem t’eenemaal gelijk een kind regeerde, en alle onbetaamlijkheid deede uitvoeren. Doch als Deianire, sijn huisvrouw, de nieuwe liefde gewaard wierd, poogde sy, met deesen sendbrief, hem van dien schandelijken hartstocht af te leiden. Ondertusschen had sy al gesonden de vergiftigde omhangrok; wiens onbekende werkinge haar ter ooren koomende, sy daadelijk besluit sich selven van het leven te beroven.

DEIANIRE AAN HERCULES.

’K ben blij, dat ’t veroveren van Echalie u lof-tijtelen vergroot: maar klaag dat gij u seeghaftig van een slavin laat vermeesteren. Onlangs liep door al de Griekse steden een schand’lijke maar, die u deftigheid in ge [p. 43] nen deele past. Dat gij, wien noit Juno, noit een oneindige rampketen kost kreuken, nu van een Iole waar verheert. Dat wenste Eurystheus, dat ’s hemels Throon-godin, u stiefmoer, die spek groejen in u schande. Maar dat u wenste hij niet, die (soo’t waar is ) aan eene nagt niet genoeg had, om u soo groot te teelen. Venus heeft u meer genepen als Juno. Dese heeft u met verdrukken verheven, gene een wolle voet op de nek geset. Siet eens hoe de wijde wereld, soo ver die van de zee omvaamt wert, door u manhaftigheid bevredigt is. Het aartrijk en de zee moet u eeren als schermheer: ’t oost en ’t west gewaagt van u helde-diensten. Gij torste den hemel eerst, die u namaals dragen sal: op u schouderen schraagde Atlas den hemel-bol. Maar wat is ’t anders als u schande des te groter te maken, soo gij u eerste glans met overspel besmet? Sijt gij ’t, die men segt in de wieg twee slangen geworgt te hebben, doen gij nog een wigt u toonde Jupiters soon te sijn? most u begin beter sijn als u voltrekken? U kintse deugt is met u manlijke jaren ontaart. Wien duisend monsters, nog Eurystheus, nog Juno kost afmatten, die buigt sig onder de min. Maar ’k draag de naam van een gelukkige vrou, om dat ik Hercles wijf en swaar [snaar?] van den donder-god genoemt wert. Soo ongelijk een hokkeling nevens een stier voor de [p. 44] ploeg loopt; soo wert een kleine vrou van een groter man verdrukt. ’T is geen eer, maar last, een quetsbare glimp te dragen. Die wel wil trouwen, trou aan haarsgelijk. Mijn man is staag van huis, een vremd’ling mij beter bekent als hij: mijn man jaagt monsters en vervaarlijke dieren. Ik kruis mij als weduwe in huis, en offer staag met kommerlijke gebeden, dat dog mijn egt-genoot van sijn felle vijanden niet verslonden werde. Mij dunkt ik woel in serpenten, everswijnen, hongerige leeuwen, en sie dat u de honden verslinden. De vesels van ’t gediert, ijd’le dromen, en voorspoken in de naire nagt vertoont, benauwen mij. ’K verneem bedeest na ’t gemompel van onwisse gerugten: dan schep ik eens moet, dan sakt mijn hoop door vrees. U moeder is van kant, die beklaagt sig dat sij Jupiter beviel. Nog vader Amfitruo, nog mijn soon Hyllus komt te voorschijn. Eurystheus, de bedril van Junoos onregmatige verbolgentheid sit mij op ’t vel en u stiefmoers grimmigheid duirt sonder eind. Dit ’s mij nog lijdelijk: maar gij raapt vreemde snollen op, en maakt u vaar bij ruig,* en rap. ’K wil nu niet reppen, hoe gij Auge in de Valleijen van Arkadie* verkragte: nog hoe [p. 45] Astydamia by u een kind baarde. ’K wil u niet smarten met de vijftig dogters van Thespias, alle op eenen nagt van u gerieft. Maar ’k berst dat een staal (Omfale) onlangs u boelin is geworden, oorsaak is dat ik stiefmoer ben van haren Lamus. De Meander, een krinkelstoom, die ’t selve veld soo dikwijl om en ’t om swerft, heeft baggen* sien hangen om Hercules hals, dien hals, die sonder kreuk den hemel plagt te torssen. Gij schaamde u niet die ruige armen met goude armringen te prangen, en met juffersier u manlijke leden te bepronken. Soo sijn dit dan d’armen, waar tussen den Nemesen leeu, die [p. 46] pest, is dood gewrongen, wiens huid u linker schouder dekt. Gij dorst dien ruigen hairbos bemijteren, die gevoeglijker met wit boomloof bekranst was. Gij schaamde u niet, als een dartel meisjen, te gorden met de Lydiër Omfales riem. Gij dagt doen aan geen wreeden Diomedes, die sijn paarden voerde met menssen vlees. Had u Busiris in dien dos gesien, hij had sig geschaamd van u verwonnen te sijn. Laat u Anteus die vodden van den rouwen hals rukken, soo sal ’t hem niet spijten van een verwijft man vermeestert te sijn. Gij draagt de naam dat gij onder de Lydier juffers de spinkorf hielt, en na Omfales handen met schrik omsagt.* Schaamt gij u niet, Hecurles, u hand aan den rokken te slaan, die soo veel wond’ren wrogt? Gij slaat u sterken duim om draad te spinnen, en levert volle taak aan u schoone meester-vrou. Og hoe dikwijl is u, in’t omsnorren van de scheer-draats-pijl, ’t ijser tussen de harde vingers gemorselt. Men segt, dat gij, og arm, voor de voeten van u basin, de geessel plagt te ontsien als een kind. Daar snorkte gij euvel van u manhafte daden en segepralen, die doen beter verheelt dienden. Te weten dat gij, nog een kind, met de blote hand twee ijslijke slangen aangreept en ver- [p. 47] plette: hoe gij ’t Arkadiër everswijn, dat de Cypres rijke Erymanth onveilde, soo groot het was, versloegt. Gij sweegt niet van Diomedes den Tracier, die de mensse koppen aan sijn deurstijlen spijkerde, en sijn rossen met menssevlees meste. Hoe gij ’t vee roofde van de veerijke Gerion, dat drievoudig monster, schoon ’t drie in een lighaam was. Hoe gij den helhond dwongt die drie koppen op den romp, en slangklissen onder ’t hair had. Ook van de Lernesen draak, wiens afgekapte halsen altijd een dubbeld getal hoofden uit leverden. Nog van Antiëus, dien swaren reus die gij onder de linker arm geschort met de regter hand verworgde. Hoe gij den troep der menspaarden, die sig ongelukkig op ’t voordeel van vier voeten verliet, op ’t Thessalier gebergt versloegt. Kont gij dees daden in purperen dos gekleet vertrekken? verstomt gij niet als gij u wijfs sier aanschout? dat meer is heeft sig ook de Nymf Omfale Jardans dogter gesteken in u wapenen, en droeg blijkbare segetekenen over u slaafagtigheid. Gaat heen nu, snork vrij stijf, haal u heldedaden op: sij was met meer regt doen een dapper man, als gij: soo veel kloeker als gij, Held der Helden, als gij raet?? swigt in u selve te vermeesteren, dan in al ’t geweld des werelts te dwingen. Sij trekt den roem van al u dappere daden: sta af van u goet: u snol is erfgenaam van u roemrugtigheid. O schande, een ruige huid, den leeu van de romp gevilt wiert ’t kleed van geile hoere lenden! Gij doolt, ’t is misverstand: dit was geen leeuwen roof, maar d’uwe. Gij waart verwinnaar van de [p. 48] leeu, sij van u. Een wijf nau sterk genoeg om een volle spinrok te houden droeg de pijlen die met swart Lernees vergift bestreke waren. Haar vuist droeg u knots, waar mee gij dieren temde. Sij sag in de spiegel hoe haar dien mannendos al stont. Dit had ik slegs gehoort; en kost het wel niet gelooft hebben: maar siet nu komt dit leed van ’t oor voor mijn gesigt. Gy brengt mij een vremde snol voor d’oogen, en gunt mij niet mijn leet te verheelen. Gij duld niet dat ikse verdrijf, maar doet de gevange boel door ’t hart van de stad omleiden, om mij smadelijk te doen floers spinnen. Sy komt niet als gemeenlijk de gevange, met ontsierde hairvlegten en dekt het aansigt niet, tot teken van slavernij. Maar sij stapt grootmoedig heen, in goud geblomd gewaad, gelijk gij in Frigie ook gedragen hebt. sij streekt ’t hoofd voorborstig in de wind als Herules dwang, als of Echalie?? en haar vader nog in stand waren. Misschien geeft gij u Etolier Dianira nog de schup, en neemt dees boel tot u egtgenood. En wil Hymen de Eurytise Iöle met d’ontsinde Hercules schandelijk bij een koppelen. Mijn geest beswijkt, ik ril over al mijn leden, mijn hand sijgt magteloos in mijn schoot, als ik ’t beseffe. Onder veel andere hebt gij mij ook bemint, maar sonder schande: laat’t u niet rouwen, want tweemaal hebt gij om mij geplokhairt. Gij dwongt Achelous sijn afgewreekten hoorn in ’t water te soeken, en de verminkte kop onder sijn slibb’rige stoom te trekken. De mens-paard Nessis sneuvelde in de stroom Evenus, die hij met sijn paarde bloed vergifte. Maar waarom dit opgehaalt? terwijl ik sit en schijf krijg ik tijding, dat mijn man uitteert door mijn vergiftig hemt. Og wat heb ik gedaan? Waar toe vervoerde de dolheit mijn ja- [p. 49] loersse sinnen? Vervloekte Deianire, bereit u aanstonts tot sterven. Sal dan u waarde man op den Eta in flarden gerukt werden, en gij, d’oorsaak van dien gruwel nog in ’t leve blijven? Wat heb ik dog nog uigeregt, om voor Hercules wijf geoordeelt te werden? Mijn dood sal tuige zijn van ons huwlijks band. Gij Meleager sult in mij ook een staal van suster sien: vervloekte Deianire bereij u fluks ter dood. Og vervloekt huis! Agrius sit verheven op den Throon: en vader Eneus in sijn ouderdom alleen, en verdrukt. Mijn broeder* Tydeus swerft verdreven in vreemde landen; en broer Meleager wiert levendig verbrant in moeders nootlot stokje. Moeder Althea wrong ’t staal in haar borst. Vervloekte Deianire bereid u fluks ter dood. Dit eenige bid ik, om d’heiligheit van ons egten band, dat gij niet en denkt, dat ik u om een ander pol sogt van kant te helpen. Want doen gij Nessus blakende borst met u schigt doorgrieft had, sprak hij: dit bloed heeft kracht om liefde te verwekken. Dus sont ik u het hemt met Nessus bloed bestreken. Vervloekte Deianire, wat draalt gij nog te sterven? Nu vaar dan wel ouden vader, suster Gorge, vaderland en broeder die uit u land verdreve swerft: en gij, o laatsten dag, ligt dat ik heden lest sal sien; vaar wel, mijn man (maar og kost gij) en gij mijn soon Hyllas, adieu ik sterf.
[p. 50]

Continue


TIENDE BRIEF.

INHOUD.

MInos, soon van Jupiter, en Europa, koning van Krete, beoorlogende die van Athenen, om de dood van Androgeos, sijn soon te wreeken, dwong eindelijk met de wapenen haar sekere belastinge jaarlijks op te brengen. Deese bestond in het senden van 14 jonge spruiten, om van den Minotaurus gedood en verslonden te worden. Onder deese ging ook, hoewel buiten het lot, Theseus, soon van de Attische koning Egeus. Welke Ariadne, de dochter van Minos, tot sijn liefde verlokt hebbende, van haar een middel ontfing om die Minotaurus, binnen sijn kerker geraakt sijnde, het leven te beneemen. So ras dit was uitgewerkt, heeft hy de vlucht genoomen, met sich nemende Ariadne en Fedra, des konings beide dochteren. Doch op het eilant Naxux, of Dia, aan land gegaan sijnde, heeft hy, op het aanseggen van god Bacchus, Ariadne, haar nachtrust neemende, achtergelaaten. Sy midlerwijlen ontwaakt, en haaren Theseus niet vindende, schrijft deesen brief, en verwijt hem daaar in sijn harde wreedheid, en redeloose ondankbaarheid.

ARIADNE AAN THESEUS.

’K vond noit monster wreder, als u, Theseus, aan niemant kost ik mij slimmer betrout hebben, als aan u. ’K sond u desen brief van de selve strand, van waar gij mij verlatende ’t anker ligte. Daar mij mijn eige slaap, en u verraders loeren (o fielt!) te schandelijk verriet. ’T was ogtent schemerligt, den kristallijnen dau bedrupte pas ’t aardrijk, en ’t pluimgediert begost de schelle strotjens onder de lommer te reppen: als ik nog sluimerig en half in slaap, met de hand na Theseus tast. ’K voel niemant: ’K haal de hand in, ’k steekse weer uit, en voel over ’t heele bed: maar vint mens nog mens gelijk. Dees schrik joeg mij de slaap uit d’oogen. ’K rijs verbaast op, en spring met een wip van ’t wedu ledekant. Terstont galmt mijn borst van ’t hand geklap. [p. 51] ’K ruk de ontroide lokken uit ’t hoofd. ’T was nog maneschijn: ik keek of ik ergens iets vernemen mogt; maar waar ik sag ’t was niet als enkel strand. Dan vloog ik gins dan herwaarts onbesuist, en ’t gulle duinsant sonk mij onder de terre voetjens neer. En onderwijl ik de geheele strand over Theseus schreeude, bauden de holle rotsen u naam na. Soo dikwijl ik u riep, riep u die plaats. Regt of die met mijn verdriet was ingenomen. Daar was een berg wiens kruin dun belommert was, nu slegs een klips van d’heesse baren hol geswalpt. Hier klom ik op: de moet gaf my sterkte, en oversag de geheele zee-plas soo ver ’t gesigt toedroeg. Daar sag ik (want ik vond de wind immers soo wreed als u) dijn schip met vollen schoot heen stuiven. Of ’k sag u, of ’k viel, door inbeelding, so koud als ijs besturven, in onmagt. Mijn smert liet mij niet lang in flaute: sij hielp mij hand over hand uit den swijm: en ’k riep met luit geschal: o Theseus Theseus! Waar vlugt gij, schreeuw ik, keer schelmse Theseus weder. Went went het schip, ’t heeft nog sijn volle vragt niet. Dus riep ik: en ’t geen mijn stem te kort quam steef ik met handgeklap: ’k sloeg taal en hand misbaar vermengeld onder een: op dat gij, ’t geen u niet kost ter oore komen, ten minsten door ’t uitslaan van mijn armen mogt verstaan. ’K stak aan een lange stok een witten doek om hoog tot een baken voor u die mij vergeten had. Ondertusschen raakt gij uit ’t sigt: ik eerst aan ’t huilen, dat mij de tranen over de besurve kake vlieten. Wat was mijn oogen werk als mijn verlies beschreijen, na datse u schip niet langer konden sien? Dan rinkinkte ik met losse vlegtgolven in mijn eenigheit, als een dolle wijn-papin. Dan sit ik op een rots, om ’t sigt in zee te hebben, soo stijf verkleumt als de steen waar op ik sat. Dikwijl liep ik weer na ’t bed, dat ons wel beide had ontfangen, maar nu pas een uitleveren most! Ik kruip, in plaats van bij u, ’t eenigst dat ik kan, na de plaats die u lighaam in ’t bed verwarmde. Ik val daar op, bestort ’t gantse bed met tranen, en roep: wij lagen met ons twee hier op, geef weer die twee. Hier quamen wij beide: waarom niet beide gescheiden? Trouwlose bedje waar hebt gij ’t beste pand, mijn Ega, dog verloren? Wat raad hier? Waar sal ik hier alleen in ’t wild gaan dolen? Dit ’s een woest eiland: ’k sie hier geen voetstap van os- of menssen werk. ’T is rontom zee: men siet nog schipper nog vaartuig om d’ongestadige pekelplas te beseilen. Maar genomen ik trof geselschap, een schip, en voorwind: waar wil ik heen? ’K mag nu in mijn land onder vaders oogen niet komen. Schoon ik met een labberkoeltje buiten zeegevaar wegstuif: ’k moet balling blijven. Nu mag ik u, Krete, bepronkt met hondert steden, en wel eer queekland van de nog-suigende Jupiter, noit meer aanschouwen. Want vader, en mijn land, door hem regtvaardig beheerst, twee waarde namen, sijn door mijn mis-drijf verraden. Als ik u, om niet in den dool-hof te sneuvelen, een draat, tot ’t rigten van u paden, gaf. Wanneer gij mij seit: ’k sweer u bij ’t gevaar ’t geen mij te ontworstelen staat, dat ik mijn leven bij u alleen verslijten sal. Nu leven wij, Theseus (en ik ben d’uwe niet) soo’t anders leven is, door bedrog van [p. 52] een mein-eedig man genoegsaam vermoort te sijn. Mij most gij ook, als mijn broeder, o schelm, met de knots gekneust hebben: soo was de trou, die gij mij gegeven hebt, met eene slag gesplist geweest. Nu over-denk ik niet alleen wat mij te lijden staat; maar al wat eenig verlate dier kan lijden. Mij malen duisent-der-lei soorten van omkomen voor d’oogen; en de doot schijnt mij minder pijn in te hebben, als ’t verleng van de doot. Staag denk ik straks komen hier of daar hongerige wolven uit-schieten, om mij te verslinden. Misschien dat in dit land ook blonde leeuwen roesten: wie weet of sig in dit eiland geen wreede tijgers onthouden. Ook segt men dat dees zee groote zee-gedrogten op-werpt: wie kan ’t verhoeden, dat ik met geen rappier door-regen wert? Als ik maar niet als slavin in een harde keten vervoert genootsaakt wert sware taaken te spinnen; daar mijn vader is Minos, mijn moeder Febus dogter, en, ’t geen mij meer sou aanhangen, daar ik aan u verlooft was. Aanschou ik zee, of land, of de vlakke strand, mij dunkt dat d’aard’ en zee mij duisent rampen dreigen. ’K sloeg ’t oog na den hemel: die dreigde mij met sijn bulbakken. Dus wert ik tot oen prooi en aas van ’t gediert gelaten. ’T sij dat’er op dit land menssen roesten, ’k mis-trou haar; want ’k heb met mijn schade voor vremde linkers leere schromen. Og mogt Androgeos nog leven, ’t Atheens vergote bloed, en ’t heilloos offer-soen verschonen: en had gij, Theseus, met u quastige knots niet gemoord den Minotaurus (mens -stier.) Og had ik u, om weder uit den dool-hof te komen, niet gegeven een draat, dien draat, die gij soo dikwijl door mijn raad op en ontkluwde. ’K verwonder mij seker niet, dat gij, met den mensstier worstelende, d’ overhant hielt, en ’t monster velde. Sijn hoornen konden in u harde borst niet hegten: gij hoefde geen borststuk, ’t vel was u genoeg vereelt. In die borst had gij een stut van kajen, Diamant, en een Theseus moet, die kajen morslen kost. Wreede slaap, waarom neept gij mij d’oogen soo tot mijn verderf toe? Maar ’k most eens vooral een ijsere slaap slapen. O wreede wind, en vrij te gereet en gedienstig tot mijn hartseer. O wreede hant, die mij met mijn broeder hebt vermoort: en ijd’le naam van trou door u so vals bevestigt. Den slaap, de wind, en trou hebben tegen mij saam gesworen: dees drie overrompelden te gelijk een meisjen. Soo sal ik dan stervende geen moedertranen sien: en niemand vinden om mijn oogen te luiken! Soo sal dan mijn arme schim in onbekende lugt [p. 53] swerven! geen vriendin mijn lijk salven: op d’onbegrave romp, sal ’t zee-gevogelt staan aasen: dit ’s dan een graf dat ik op u verdiende. Gij sult haast landen in d’ Atheense have, en moet op ’t slot van u vaderlijke stat in u kragt staande, in ’t verhaal hoe gij menspaart versloegt, en behendig uit den doolhof sloopt, mij, die gij op een woest eilant verliet, ook melden: want ik hoor uit u eer-tijtelen niet geslooten te werden. U heeft geen Egeus, u geen Ethra, Pittheus dogter, gebaart; maar harde kajen, en de barre zee uitgeworpen. O God, had gij mij van ’t boven-schip eens in ’t sigt konne krijgen, gij had om mijn bedrukt postuir gesmolten. Aanschou nu nog maar, niet met oogen, maar, gelijk gij kont, met gedagten, hoe ik op een klip sit, die van de woeste golven wert bekletst. Siet eens hoe mij ’t hair over ’t bedrukt aansigt hangt: mijn onderkleet, soo nat van tranen, als of ’t doorregent was. Mijn leden trillen als koornairen voor de wind. Mijn schrift* gelijkt geen schrift door ’t beven van mijn vingeren. ’K bid u niet om mijn verdienst, die mij soo qualijk opbrak: denkt vrij dat gij mij om mijn weldoen geen dankbaarheit verschult sijt: maar ook geen straf. Ben ik geen oorsaak van u leven, gij vint wis ook geen oorsaak van mijn doot. Nu reik ik over de grote zee mijn armen, die vast beven van ’t klappen op mijn borst. Nu toon ik u bedrukt ’t weinig hair, dat ik ongeplukt op ’t hooft liet. ’K bid, om dees tranen, die door u trouloosheit stromen: went, Theseus, u schip, en keer, als de wind keert: sterf ik voor u komst: gij sult mij egter begraven.
[p. 54]

Continue


ELFDE BRIEF.

INHOUD.

Makareus en Kanace, kinderen van Eolus, der winden opperhoofd, besliepen malkanderen, onder de snode dekmantel van bloedverwanschap. Doch Kanace wierd swanger. Beviel van een jonge soon, welken als haar voetster uit het hof wilde dragen, om elders in het heimelijk te doen opvoeden, so is deesen handel ontdekt door sijn krijten. De Vader dit gerucht hoorende, liet het onnoosel kind daadelijk voor de honden werpen, en sond een blooten deegen aan sijn ontaarde dochter. Maar aleer sy met dit geweer haar leven eindigd, schrijft sy aan Makareus, (sich inden tempel van Apollo versekerd hebbende) verhaald haar ongeval, en bid hem de beenderen van het kind te versaamelen, en, nevens de haare, in een lijkbusje te begraven.

KANACE AAN MAKAREUS.

Dog so gij mijn schrift door ’t kladden hier en daar niet kont lesen, denkt dat het is bemorst met ’s harten bloed. ’K heb in mijn regterhand de pen, in mijn linker ’t bloot rappier, ’t schrijfpapier vlak op de schoot: in dit postuir schrijft Kanace aan haar broeder: so dunkt mij kan ik mijn straffe vader best behage, ’K wenste wel [p. 55] dat hij selfs aanschouwer van mijn moord was, en ’t werk als werkbaas op quam nemen. Hij sou, volgens sijn woesten aart, vrij verwoeder als sijn winden, mijn eigen moord met droge kaken komen aanschouwen. Gewis doet het veel met barsse winden om te gaan: hij vlijd sig euvel wel na sijn onderdanen. Hij heerst over de zuide, weste, noorde en scheutigen ooste wind. Hij heerst eilaas, over winden, maar bedwingt sijn hevige grimmigheit niet: en toont dat hij minder heerschappij, als vuile driften heeft. Wat baat mij, dat ik door mijn geslagt ten hemel verheve selfs Jupiter voor mijn maagschap ken? Daar ik niet te min mijn doodpriem in de tengere vuist heb, die harde handen beter pasten? Og Makareus, was den dag, die ons koppelde, verschenen na mijn dood! Waarom hebt gij broer, mij oit meer als met broederlijke liefde bemind? Waarom toonde ik u meer mins als een suster toestont? Ik voelde ook al brand, en ’t kittelen, gelijk ik wel eer had hoore seggen, van ’k weet niet wat God, in mijn ingewand. ’K wiert bleek in ’t aangesigt; mijn ribben kost men tellen. Mijn eetens lust vergink, mijn kawers kregen klem. Ik sliep onrustig, ijder nagt geleek mij een jaar: ik sugte sonder reden. ’K sag egter geen reden waarom ik dit alles leet: ’k wist niet eens wat een minnaar was; maar ’k was reets van de min verwont. Mijn oude voedster rook ’t aldereerst dees vonk, en sei mij eerst: og Eools kind, gij mint. Ik schoot een blos, sloeg van schaamte, ’t gesigt in mijn schoot, en gaf, al sweeg ik stil, teekens genoeg van bekentenis. Nu begost mijn ontmaagden buik reets te swellen, en ’t sluikpak mijn swanger lighaam te verveelen. Wat wist mij mijn voedster niet al kruiden en juleppen te brouwen, en salf sonder schroom onder de buik te smeeren, om de vrugt (dat ’t eenigste was ’t geen wij voor u verborgen hielden) met kragt af te setten. Maar og, het sterke kind weerstont dit moord-tuig, en bleef in sijn blind harnas scheutvrij. Nu waaren reets nege maanden verlopen, en de tiende van mijn dragt in koers. Ik wist geen oorsaak van mijn schielijke weën, ik was een nieu soldaat, en wist niet wat baren te seggen was. Ik kraakte en schreeude. Sus, wat doet gij, wilt gij u eigen schand rugtbaar maken, riep d’oude bes? En sloot my de gapende mond met de hand. Wat doe ik, arme doos? Mijn weën persten my tot [p. 56] schreewen; maar vrees, voetster, en schaamte kroptent in. Ik loos sugt, ’k slik de halfgebalkte woorden in den hals, en most mijn eige tranen verswelgen. Ik sag mijn dood voor d’oogen: Lucyn gaf hulp nog troost, en most ik sterven, mijn dood most euvel schandig klinken. Als gij mistroostig ’t kleed van ’t lijf, en ’t hair uit het hoofd rukkende, mij omhelsde, en borst aan borst drukkende weer barens kragt gaf. Leef, seit gij, suster, leef lieve suster, en dood geen twee zielen in een lijf. Schep moet en kragt: gij sult u broeders bruid werden; een bruid van die u moeder gemaakt heeft, en vrou sal maken. ’K was dood, geloofd mij, maar herleefde op dit woord, en verloste van mijn vrugt, en schandig pak. Wat juigt gij al? Vader Eool sit hier midden in ’t hof: de schandvlek (’t kind) moet ter sluik uit vaders oogen. De vlijtige bes bestommeld het kind in groente, in witte olijfranken, en ligte windselen: dus gaat sij met ’t wigt te kerk, veinst of sij offeren most, en begost te bidden. ’t Volk maakt haar, dus devoot, ruim baan, selfs vader week ter sijde. Nu wassij reets bij den drempel: als ’t kind begost te schreien dat vader hoorde, en sig selve verrade. Fluks grijpt Eool het lam, ontdekt de schijnvalse offerhande, en bulderd dat ’t geheel hof weergalmde. Gelijk ’t water door een soeswind stribbeld en ’t boomloof door een sagte koelte ritseld, so trilden al mijn leden, en beefden de bedstee onder mijn lijf. Hij schoot toe, hangt mijn schande met bulderen aan de klokreep, en hielt sijn handen naulijks uit mijn bedrukt gesigt. Ik kost van schaamte niet als tranen storten, en van kilte schrik geen woord uitten. Reets hij had al belast, ’t wigt in de wildernisse te worpen ten proi van d’honden en ’t gevogelte. Maar ’t onnosel schaapje schreide, als of ’t sijn leed gevoelde, en bad sijn grootvaar in sijn taal gena. Hoe dunkt u, broeder, dat ik doen te moe was? (want gij kont mijn hart by ’t uwe weten) als mijn vlees en bloed in mijn tegenwoordigheit door een schelm gebragt wiert na ’t bos tot een aas van de wolf? Doe hij uit mijn kraamkamer was, begon ik eerst mijn borst te beuken, en ’t aansigt op te krabben. Onderwijl komt’er een trawant van vader, bedrukt van gelaat, met de degen instappen, en sprak dees harde taal: Eool sent u dit staal (met gaf hij ’t over) en last u te overwegen na schuldverdienst wat hij daarmee voor heeft. Og ’k weet dit wel: ’k sal ’t rawe staal, dit vaderlijk geschenck, kloekmoedig in mijn borst begraven. Is dit, o vader, de bruidschat tot mijn egt bereit? Is dit een huwelijks gave om u dogter te verrijken? Weg, bedroge huwelijks God, met u fakkels, en pakt u fluks uit dit vervloekte hof. Maar brengt u toorsen hier, die gij in de vuist draagt, swarte rasernijen, en steek daar mee mijn [p. 57] lijkstapel in brand. Trou, susters, met beter heil en segen als ik, en spiegeld u aan mijn misdaad. Wat misdreef mijn kind, nog soo weinig uren geboren? Waar mee verdiende ’t pas gebore schaap grootvader ongena? Kost het de dood verdienen, soo mogt men ’t schuldig oordeelen. Maar og, dat arme wigt sterft om mijn misdaad. Og mijn lam, moeders smert, aas voor scheursieke dieren, ai mij! Gij wert verscheurt op u geboorten dag: og schaap, deerlijk pand van mijn onsalige min, dit is u eersten dag, dit sal u laatsten sijn. Ik mogt u lijckje met geen moeder tranen bestorten, mijn afgeschoren hair niet in u grafje brengen. Ik mogt niet op u kil lighaampje de laatste kusjens plukken. Nu scheurt het gulsig wild mijn tenger ingewand. Ik sal ook met dees wond mijn kind in ’t graf volgen, niet lang moeder, en niet lang kinderloos genoemt werden. Maar gij, (Makareus) die van u rampsalige suster vergeefs bemint sijt, vergaar u kinds* verstroid gebeente: brengt het bij moeders as in ’t graf, en doet het met mij in een en deselve asbus, al valt sij nog so klein. Leef lang, gedenk mij altijd, stort tranen in mijn wonde, en schrik niet voor het lijk van u beminde. Voldoet gij dog den last van u te fel verstote suster. Ik sal vaders hoofd volgen.
[p. 58]

Continue


TWAALFDE BRIEF.

INHOUD.

JAson (waar af boven, in de Aanteekeningen, meerder is gesprooken) met de sijne in Kolchos geland sijnde, wierd van Medea, des konings dogter, wel ontfangen, en daadelijk bemind. Hier op volgde dan een plechtige troubelofte, met onbreekbaare eeden wedersijds gesterkt; terwijl de princes, boven alle andere in het toveren ervaren, hem leerde, en met eene de middelen ter hand stelde, waar mede hy tot sijn voornemen sou geraaken. De gulde vacht dan, door haar toedoen, bekomen hebbende, is hy heimelijk, met sijn verloofde bruit weggevloden. De konins set haer met sijn lijfwacht na. Maar Medea houd hem tegen; met Absirtus, haaren broeder, te dooden, van een te rijten, ende van een gereetene leeden langs de zee te stroojen. Dus ontslippen sy het gevaar, terwijl de vader de al om gestrooide stukken van sijn omgebrachte soon opvischt. Sy komen dan behouden in Thessalien. Hier verplicht Medea haaren bruidegom met een nieuwe weldaad. Sy hersteld, door haar konsten, den afgeleefden Eëtes, Jasons vader, sijn besweekene krachten, met een tweede jeugd. Dit alles niet tegenstaande word Meda van deesen ondankbaaren veracht en verlaaten. En hy verlieft op Kreusa, de princes van Korinthen. Versoekt haar, ontfangt haar, en troud haar. Midlerwijlen send Medea deesen brief; trachtende met verwijtingen en dreigementen, dien trouloosen Jason aan haar voorledene gunsten en weldaaden te doen gedenken.
[p. 59]

MEDEA AAN JASON.

Ik Kolcher Koningin stont u wel ten dienst, doen gy door mijn konst hulp versogt. Doen hoorden de schikgodinne, die ’s menssen levens draat spinnen, mijn spin afgesnort te hebben. Doen kost Medea nog gelukkig sterven. Al wat ik sedert dien beleefde, was ellende. Ai mij! waarom moet oit het Thessalier schip [Argo] door flukse gasten beroeit op Frixus gulde vagt kome tornen? Waarom most Kolchi oit ’t Magnees schip Argo sien, en een Grieksen hoop uit Fasis stroom hebben?* Waarom was ik te bijster verslingert op u blond hair, u braaf postuir, en valse vleitong? Maer doen dit eerste schip, bemant met stoute borsten, onse strand dorst naken, hoorde d’ondankbare Jason tegen d’opgesperde muilen en vurigen adem der stieren, sonder schild van mijn kruiden gestormt te hebben. Hy had de tanden horen te sajen, om gelijk getal vijanden te verwekken, soo was de sajer van sijn saad vermoort. Bloed! wat trouloosheit was doen met u, o schelm, verstikt, en plagen van mijn hals geweert geweest! ’T genoegt nog eenigsins ondankbare weldaden te verwijten. Dit ’s d’eenigste veugde die ik van u scheppen sal. Gij voert uit ooms bevel met u noit bevare schip na Kolchi, en belande in mijn welig vaderland. Daar waar Medea ’t geen nu hier u nieuwe bruit is. So rijk haar vader is, was mijn vader mee. Hij heerste over Korinten, wiens landhals met twe* Zeën bekab- [p. 60] belt wert: vader over ’t kille Scytien, soo ver ’t sig ter linker sijde van de Pont Euxin uitstrekt. Vader Eëta haalde u jonge borsten in, en sette u vremde Grieken op sijn borduir setels aan tafel. Doen had ik u in ’t oog, doen leerde ik u eerst kennen, dat was d’eerste krak van mijn kuisse ziel. So haast ik u sag, wiert ik verrukt, en brandde door ongevoon vuir, even als een fakkel voor de beelden en autaars der groote Goden. Gij waart schoon; mijn nootlot sleurde mij vast: u oogen hadden mijn gesigt reets betovert. Dit hebt gij, o schelm, gemerkt: want wie kan de liefde wel ontveinsen: sij melt haar selve als vuir door ’t opvlammen. Midlerwijle seit u den Koning, dat gij d’hartnekkige wilde stieren voor de ploeg most temmen. Dit Mars gedrogt was meer als door [p. 61] d’hoornen vervaarlijk: den adem die ’t uitblies was ijslijk vuir en vlam. De voeten waren baar koper, de muilen met koper beslagen pek swart van den heeten adem. Nog wiert u belast te sajen met u ter dood gedoemde handen het slagtand saad waar uit het krijgsvolk stont op te schieten: dat met hun t’saam opgewasse wapenen u aanranden, en ’t loon des sajers suir maken sou. U laatste en swaarste werk was, d’oogen van de noit slapende schildwagt draak door eenige konst aan ’t sluimeren te helpen. Als u Eëta dese last had voorgehouden, schoot gij gelijklijk met verbaastheit op, en vloogt uit schrik van de pupere tafelsetels. Hoe ver was ’t doen van daar Krëusa’s rijk ten bruidschat te neemen,* de magtigen Kreon tot schoonvader en zijn dochter tot egtgenoot te nemen! Bedrukt ginkt gij heen: ik volg u na met tranen in d’oogen, en seg binnens monds: God bewaar u. In mijn kamer te rust gekomen kreet ik den geheel lange nagt over. Want mij maalde voor oogen die stieren, ’t vervloekte saadvolk, en wakenden draak. Hier stont de liefde, daar vrees: de vrees vergrote mijn liefde, tot dat ’s morgens suster in mijn kamer quam, en sag, hoe mij ’t hair verwart was, hoe ik op ’t aansigt lag, en ’t gantse bed met tranen had bedaut. Sij bat mij voor de Myniers (sij bat, en een ander sou ’t heil trekken) en ’t geen sij voor Jason bat willigde ik haar in. Daar staat een bos van hars en eikboom soo digt bewassen, dat ’er schier geen sonstralen door heen konne schijnen. Hier in stont, en had lang gestaan een wout kerk van Diana, waar in de Godin van goud met barbare handen staat nageboets. Misschien is u met mij die plaats al vergeten. Daar t’saam gekomen spraakt gij aldereers* dees schelmse woorden.* De Fortuin heeft u de magt en ’t bestier van mijn welvaart, mijn leven en dood in de hand gegeven. De magt van te konne bederven is genoeg, so imant magtsiek is. Maar so gij mij behout, u roem sal des te groter sijn. Ik bid u om mijn beschore rampen, die gij kont doen verdwijnen, om u geslagt, om u groot- [p. 62] vader Febus, die ’t alles siet: om ’t drievoud wesen en heilige geheimenissen van Diana, en soo dit volk nog andere Goden dient. O maagd ontferm u mijner, hebt medogen van mijn volk, en maak mij door u dienst eewig aan u verpligt. En bij aldien gij geen Griek versmaat (maar hoe kan ik den hemel tot sulk geluk bewegen;)* mijn ziel sal eer in de dunne lugt verdwijnen, dan ik oit ander dier, als u, sal trouwen. ’K neem tot getuige Juno d’egtgodin, en Diana, in wiens marmeren tempel wij hier bij malkanderen sijn. Dees rede, (die pas de minste van so veel andere was) bewoeg mijn teder hart, nevens ’t drukken van hand in hand. ’K sag ook u tranen. Hoe na gaan die ook valse wegen? Dus wier ik, nog een wigt, schielijk door u gevlei verrukt. Dus spande gij door mij de kopervoetige stieren, sonder versengt te werden, voor de ploeg, en worpt het noit beploegde aardrijk, volgens last, met de kouter om. Gij saaide in plaats van saad vergifte drake tanden: waar uit krijgvolk met schild en swaard te voorschijn quam. Ik selfs, die u tegengift verschaft had, sat bleek verneken, doen ik ’t heir soo schielijk sag in ’t wapen oprijsen: tot dat de aardling-broeders (o deerlijk stuk) malkanderen met scherp om d’ooren hieuwen. De schildwagt-draak, die de klaterende schubben ijslijk opstak, schuifelde, en vaagde d’aart met sijn gekrolde borst. Waar was doen u bruidschat? waar u Koninklijke vrou, en d’Isthmus, die twee Zeën van een schift? Ik, die Prinses, die u nu schijn een barbarisse, een kale vink, en vuile schantvlek; heb ’t gloeijende gesigt des draaks met mijn kruideren beloddert, en de gulde vagt veilig ten roof gegeven. Dus streek ik vader uit: ’k verliet rijk en vaderland: op hoop dat ik met u swervende loons genoeg sou vinden. Maar mijn maagdom wiert ten proi van een uitheemse rover: ’k verliet mijn liefste suster en waarde moeder. U, broeder, liet ik in ’t vlugten niet verlate blijven. Hier alleen blijft mijn brief door hartseer onvolkome. ’T geen mijn hant dost doen (u verscheuren) durft sij nu niet schrijven: soo hoorde ik, [p. 63] maar met u, ook verscheurt geweest te sijn. Egter schroomde ik niet (want wat sou ik, na die gruwel, schromen?) schoon een vrou-mens, en nu reets beschantvlekt, ’t lijf op zee te betrouwen. Waar is nu Diana? waar de Goden? Sa, laat ons in zee beide straf dragen, gij om u valsheit, ik om mijn ligtgelovigheit. Og of ons de Symplegades (kneus eilanden) tussen haar rotsen gekneusd, en mijn gebeente in ’t u verpletterd hadden! Of die fliksieke Scylla ons verswolgen haar honden te verscheuren had gegeven! want Scylla had reden om ondankbare mans te straffen. Of had Charybdis, die golven slikt en braakt, ons in ’t Siciliaans pekel versopen! Gij keert weer heelhuits seeghaftig in Thessalie, en hangt de gulde vagt op voor u landsgoden. Wat wil ik ophalen van Pelias dogters, die, door vader-liefde moordadig, ’t stok-out rif van de grijsaart keelden. Schoon dit stuk andere smalen, gij moet het in mij prijsen, voor wien ik soo vaak genootsaakt was gruwel-stukken te doen. Gij dorst (en ik kan na spijt niet fel genoegh bulderen) gij dorst mij seggen: voor ’t vertrek uit Esons hof. ’K vertrek [p. 64] op u gebod, met bei mijn soonen, en liefde t’uwaarts verselt, die mij altijt versellen sal. Maar als u bruilofts-sang mij schielijk quam ter ooren, ’t fakkelligt reets stont en vlamde, en de pijp, die my naarder in ’t oor klonk als een lijktrompet, u bruilofts liet galmde: verschrikte ik geweldig, en ’t hart verkilde in mijn borst als ijs, schoon ik dogt dat dit nog geen volkome spel was. ’T volk dromt by een: schaldt Hymen Hymenëe, en hoe ’t gejuig meer naderde hoe mijn harten wee meer verhief. De slaven hier en daar stonden en schreiden en bedekten haar misbaar: want wie wou de bode sijn van soo vervloekten tijding? En ’t was hoe ’t was, ’t was mij beter nergens van te weten; maar mijn geest was soo beklemt of ik ’t geweten had. Als wanneer mijn jongste soon, uit mijn bevel, en eige nieusgierigeid, voor aan de drempel van de hofpoort staande seide: vertrek moeder: vader Jason hout sijn troustacij, en sweept in ’t gout sijn stacijrossen aan. Straks scheurde ik den boesem op, klopte op de borst, en spaarde geen nagels aan mijn wangen. De spijt dreef mij midden onder den train te vliegen, en ’t kranssieraat van ’t vers gekrolde hoofd te rukken. ’K bedwong mij nau, of ik schreeude, so beplukt als ’t hoofd stont, dit ’s mijn man, en sloeg ’er de hand aan. Juig nu gehoonde vader: juig Kolchers die ’k verliet, kom broeders schim, trek nu soen uit mijn hartseer. Nu werd ik, na ’t verlies van rijk, vaderlant, en hof, nog van mijn man verschopt, die mij alleen dit alles was. Kon ik dan draken, en dolle stieren dwingen, en geen man in mijn bedwang houden? En die de felle vlam-adem door konstige Artsenij wist te botten, ben ik niet magtig om mijn eigen vuir te ontvlieden? Mijn toversang, mijn kruideren, en swarte konst begeven mij: Diana nog de kragtdadige Hekate komen mij hier te sta. Daags schep ik geen vermaak, ’s nagt lijd’ ik duisent doon, en kan van hertseer geen oogen luiken. Ik kan een draak tot rust, mij selve niet bedaren. Mijn konst is ijder een dienstiger als mij. Een hoer omhelst ’t lighaam dat ik behielt, en geniet de vrugt van mijnen arbeit. Misschien, terwijl gij bij u soete bruid sit en snorkt, en ’t onregtvaardig staal met vlei-taal d’ooren kittelt, gaat gij nieuwe smaad op mijn gedaante en leven ophalen: sij giggelen, en om mijn mismaaktheit in de vuist laghen. Maar kittelt haar dat sij lagt, laat sij vrij op ’t purper le- [p. 65] dekant verheve woelen: sij sal nog schreien, en in brand, mijn vuir verbluffen. So lang Medea staal, vuir, en vergif bij de hant heeft, sal haar de vijand niet ongestraft staan. Soo u mijn gebeden ’t stale hart misschien treffen: hoor dan mijn reden die te gering sijn voor mijn grootmoedigheid. Want ’k buk nu voor u, als gij wel eer voor mij, ootmoedig neer, en ontsie mij niet voor u voeten neer te vallen. Ben ik u slegt in ’t oog, siet ons gemeene kinderen aan: op mijn ingewant sal die vervloekte stiefmoer woeden. Sij gelijken u te bijster, haar wesen gaat mij aan ’t hart: soo dikwijl ik haar sie, smelt ik in tranen. Ik bid u bij de Goden, bij de glants van grootvaders hooft, om mijn verdienst, en soons, twee panden van ons trou. Herstel mijn egt, waarom ik ontsint, alles verliet: besegel u woort, en beloon mijn weldaden. Ik versoek u nu niet om stieren, aart-soldaten en schildwagt-draak te bevegten en belodderen. U eis ik, dien ik verdiende, die gij mij selfs opofferde, die mij moeder en u bij de selve vader hebt gemaakt. Vraagt gij waar mijn buitschat is: die telde ik u aan in dat veld, ’t geen gij, om ’t gulde vlies te roven, eerst ploegen most. Die goude vagt, dit schoon vergulde wol is ’t: die gij, so ik die weder vordere, mij weigeren sout. Dat gij nog leeft, dat de Griekse borsten niet verslonden sijn, is mijn bruitschat. Gaat heen nu, schelm, en monster hier bij met Kreons goed. Dat gij in wesen sijt,* dat gij een nieuwe bruid in d’armen, en magtig schoonvader hebt, ja dat gij ondankbaer wesen kont; is alles mijn. Die ik waaragtig in der ijl. Maar wat baat ’t voorbarig dreigen? mijn grimmigheit kookt sware dreigementen. ’K sal doen al wat mijn gramschap wil. Misschien sal ’t mij rouwen: ’t rout mij ook dat ik mijn ontrou man dienst deedt. De God, die in mij kookt, mag sien hoe ’t hoort: ’t is wis, dat mijn hart een schriklijk suipen brout.



Continue


DERTIENDE BRIEF.

INHOUD.

TErwijl de Grieken sich toerusteden om naar Troje met alle hunne magt over te steeken, had sekere godspraak hen bekend gemaakt, dat die geene sekerlijk om sou komen, welke allereerst, uit de [p. 66] vloot der Grieken, sijn voet op den Trojaanschen bodem zoude zetten. Als derhalven Protesilaus, soon van Ifiklus, een dapper oorlogsman, sich nevens de andere Grieken had gevoegd, en, in Aulis, wegens den gedurigen storm, by hen bleef ten anker leggen; so schrijft hem Laodamia, dochter van Akastus, deesen brief; hem aan gemelde godspraak doende gedenken, en deswegen biddende, in het landen, so lang het mogelijk is, in de vloot te blijven.

LAODAMIA AAN PROTESILAUS.

DE Thessalier Laodamia sent en wenst mitsdesen haar lief en lantsman heil en welvare. De spraak gaat dat gij door storm in Aulis baai most blijven. Og doe gij mij ontsnapte, waar was hier tegenwint? doen hoorden de barre baren u riemen agter uit gekletst, doen de zee ter regter tijt geswollen te hebben. Dan had ik mijn man meer kusjens, meer vermaningen gegeven: want ’k had nog meer op ’t hart om u voor ’t laatst te seggen. Gij sijt mij hier schielijk ontrukt, en de wint daar gij op wagte, en ik om traande, woei matroos en schip in ’t seil. Die* wint was voor matroos wel goet, niet voor een verliefde vrou. ’K wert, Protesilaus, uit u armen gerukt. Mijn woorden bleven in ’t beveelen half in de mont. Hoe no kost ik dat droevig adieu seggen? de noorder Boreas blies stijf gekaakt in ’t seil, rukte ’t schip in zee; en mijn Protesilâus was reets ver van de wal. ’K sag mijn man soo lang na, als ik kost, mijn oogen starden sonder knikken op u gesicht. Doen ik u niet langer, kost ik nog u seilen sien; lang bleef mijn gesicht op u seilen gevest. Maar sedert ik nog u, nog seilen meer kost oogen, en dat ik niet als lugt en water sag: soo is mijn oogenligt met u te gelijk verdweenen, en seeg, als ’t volk mij sei, voor doot ter aarden neer. Nau heeft mij schoonvader Ifiklus, en vader Akastus, nau heeft mij mijn bedrukte moeder met kout water verquikt. Sij deden liefdens pligt, maar mij geen dienst. ’T spijt mij dat ik ellendige doen niet sterven mogt. So haast ik bequam, ontfonkte mijn smert, en knaagde mijn wetlijke liefde dit kuis hart. ’K heb nu geen lust meer om de vlegten te krollen, of stijf in ’t gout te pronken. Ik vlieg soo onbesuist gints en herwaarts, als de wijnpapinnen, die men gelooft door de wijnrankpiek van de ge- [p. 67] hoornde Bacchus geklopt aan ’t hollen raken. ’T Fylacier juffertuig komt mij besoeken en roept: Laodamie schiet u Koninginnen dos aan. Hoe kan ik in Tyris purper pronken, dat* hij voor Troje stormt? sou ik de vlegten quikken, hij den stormhoet op ’t hooft drukken: ik in pragtig gewaat, hij in ’t harde harnas gaan? ik sal, soo veel ik kan, in slordig gewaat heen slonssende de krijgsramp na apen, en dees oorlog tijt in druk en rou overbrengen. Vorst Paris, schoon ten val van u hof, weest soo stompen vijant, als gij een quaden gast waart. ’K wenste wel dat gij of Helena’s schoonheit hadt gelaakt, of sij geen sin in d’uwe gehad hadde. Menelaus, die te fier om u gerooft wijf woelt, helaas hoe wilt gij om die wraak nog van vele beschreit werden! ’k bidt dat de Goden quaat voorbedietsel van mij wenden, en mijn man op sijn wederkomst de wapens voor Jupiters beelt ophing. Maar ’k vrees, soo dikwijl mijn gedagten malen op dien droevigen oorlog, mijn oogen tranen als sneeu voor de son. Troje, Tenedos, Simoïs, Xantus, en [p. 68] Ida sijn woorden die mij alleen schier een schrik op ’t lijf jagen. Noit hadde hij haar durven ontschaken, soo gek was die gast niet of hij wist dat hy sig weeren kost: hij had sijn kragt wel gewogen. Hy quam, gelijk men segt, uitmuntent in goutsier, om aan sijn lijf te tonen hoe rijk Frigie was: versien van vloot en volk, bequaam om te oorloogen, en met een gevolg, dat ’t minste deel van sijn rijk schier niet uitmaakte. Door desen swier oordeel ik, nigt Helene, dat gij verrukt sijt, en meen dat die ook de Grieken kan beschadigen. ’K vrees voor een Hector, wie die sij: Paris plagt te seggen dat Hector een bloedig krijgsman was. Wagt u, hebt gij mij lief, voor een Hector, ’t sij wie ’t is, maakt dat gij u selve die naam sterk indrukt. Dese geschuwt hebbende sult gij nog andere gedenken te mijden, en denken dat daar veel Hectors te velt sijn. Maakt dat gij segt, so dikwijl gij ten strijd sult treden: Laodamia last dat ik haar leven sparen sal. Moet Troje door de Grieken vallen, laat het vallen sonder u huit scheuren. Laat Menelâus vegten, en op sijn vijant tornen, om Paris te ontwreeken ’t juweel, dat hem eerst ontschaakt wiert. Laat hem invallen, en die hij in regtvaardigheit van saak verwint, ook met den degen vermeesteren: uit ’t midden der vijanden mag hy sijn bruit halen. U interest is heel anders. Vegt gij maar om ’t lijf te verweeren, en wederom te komen om u deugtsaam wijf te omhelsen. Spaar, bid ik, Trojanen, een man uit so veel duisenden, en stort mijn bloet niet uit sijn wonden. Hy is de man niet die ’t voegt met bloot rappier te vegten, en fel tegen sijn vijant in te vliegen. Hij kan het beter, die uit grote liefde vegt. Laat andere oorloogen, en Protesilâus minnen. Ik had u, ’k bekent, schier wederroepen, en mijn gemoet getuigdent. Maar ik sweeg uit vrees van u een quaat voorteeken te geven. Doen gij uit de hofpoort stapte om na Troje te trekken, gaft gij door struikelen aan den drempel een quaat teeken. Dit siende sugten ik, en sprak bij mijn selven: og ’k bid dat dit mag sijn een voorspook van u gelukkige wederkomst. Dit verhaal ik u nu, om niet te fier op de vijant los te gaan. Maak dat mijn vrees in wint verdwijne. Ook dreigt ’t hemels lot, wie ’t sijn mag, die van de Grieken ’t eerst den voet op den Trojaansen bodem set, met de doot. Ongelukkig is de vrou, die ’t eerst sal beweenen ’t verlies van haar man. God geef dat gij niet voorbarig sijt. Laat, onder duisent, u schip het duisenste van de wal blijven, en alderlaast afgetobt komen aan plenssen. Dit waarschou ik u ook, dat gij ’t lest uit ’t schip stapt: want ’t is geen vaderlant om na te joken. Maar als gij weer komt set dan seil en riem bij, en spoeit u om op u kust te landen. ’T sij Febus ’t hooft onderhaalt of opsteekt gij sijt mijn hartseer nagt en dag. Maar meer bij nagt, als daags. De nagt is soet voor diertjens, die mont aan janskint spele konnen. Ik droom in mijn bedt veel valse worstelingen, en troost mij, bij faut van ’t ware, met ijdelen schijn. Maar waarom komt u gedaante mij soo doots voor d’ooge malen? waarom doet gij mij soo veel naire klagten;* ik schiet uit mijn slaap, ik bid de nagtspoken aan: daar is geen autaar in heel Thessalie van mij onberookt. Ik offer wierook, en stort mijn tranen daar in, die opflikkeren, als wijn in ’t vuir ge- [p. 69] stort. Wanneer sal ik u weer met uitgestrekte armen omhelsen, en eens door blijtschap van mijn selve vallen? wanneer sal ’t sijn dat gij mij in ’t bedt omarmt sult vertellen de helde daden van uwen krijg? in welk verhaal, schoon ik smaaklijk sal toeluisteren, ik u, en gij mij veel kusjens knippen sult. In ’t kussen staakt de tong altijt gevoeg’lijk haar praat, die soete toeving smeert dat lit om des te gladder te labberen. Maar als ik denk om Troje, zee, en storm! smoort mijn goede hoop in kommerlijke vrees. Dit moeit mij ook, dat de tegen wint u schepen ’t uitlopen belet, en gij egter tegen weer en wint voort wilt. Wie sou bij weerbarstig weder na sijn vaderlant wille keeren? gij vliet tegen de golf in van u vaderlant. Self Neptuin baant u geen weg na sijn stat (Troje) waar wilt gij dus brusk heen? keer ijder weer na huis. Waar heen dus onbesuist Grieken? gehoorsaamt de tegenwinden: dit marren is geen schielijk geval, maar een bestier van den hemel. Wat ’s d’oorsaak van soo swaren oorlog anders als een overspeelster? keer Grieken met de vloot, terwijl ’t nog tijt is. Maar wat weerroep ik haar? wijk quaat weerroepens voorspook. ’K wens dat een voorspoedige koelte de vloot over de kabbelende zee drijve. ’K benij de Trojaanse vrouwen, die, als sij de lijken van haar mans sullen sien, den vijant digt onder de oogen sullen hebben. Daar kan een nieugehoude haar strijdbare man selfs den stormhoet opsetten, en ’t harnas aanschieten. Wapens toereiken, en midlerwijl kusjens knippen. Die slag van dienst sal ’t paar wedersijts soet vallen. Sij sal hem uitgelei doen, boekstaven, en seggen: maakt dat hij die wapenen Jupijn haast toeheiligt. Hij, die nog vers de les van sijn wijf onthout, sal voorsigtig plukhairen, en op sijn huis denken. Sij sal hem wederom gekome ’t schilt afligten, ’t helmet af nemen, en sijn vermoeide leden in haar schoot ontfangen. Wij sijn onseker: wij door bange vrees geperst geloven geschiet te sijn, al wat gebeuren kan. Dog so lang gij krijger op een vremden bodem wilt oorlogen, troost ik mij met u wassebeelt. Dat toon ik mijn gevlei, en lief- [p. 70] taal van ons trou, dat omhelse ik als u selve. Gelooft mij ’t beelt heeft meer in, als het schijnt. Sloeg ’t maar geluit, het was Protesilaus selfs. Dit aanschou ik, dit hou ik, in plaats van mijn man, op schoot sitten, dit doe ik mijn beklag, als of ’t mij troosten kost. Ik sweer u bij u wederkomst en lighaam, mijn Godheit, bij ’t vuir dat onse harten en bruilofts ligt gelijk onstak: en bij u hooft (og mogt ik dat slegs grijs wedersien!) ’t geen gij selfs in u magt hebt om te konnen wederbrengen: dat ik u volgen sal, waar gij ook vervaart: ’t sij dat gij og: ’t geen ik vrees: of behoude blijft. ’K besluit mijn brief met een klein vermaninkje: draagt gij voor mij, draagt ook voor u selve sorg.


Continue


VEERTHIENDE BRIEF.

INHOUD.

Uit verscheidene vrouwen had Danaüs, soon van Belus de Oude, by verloop van jaaren, 50 dochteren gewonnen; gelijk Egiptus, sijn broeder, door veelvoudig herhuwen, vader was van 50 soonen. Deese versocht die dochteren voor sijne kinderen ten huwelijk: maar Danaüs, uit seekere godspraak weetende, dat hy, door de hand van een schoonsoon, ter eeniger tijd sou sneuvelen, sloeg dit versoek af, en begaf sich uit Egypten, over zee trekkende, naar Peloponnesus, en het landschap der Argiven. Doch Egiptus sond sijne soonen, met een geweldige krijgsmagt, derwaarts om hunnen oom sijne dochters met het staal af te dwingen. Deese bewilligd daar op de huwlijken; doch geeft, op de bruiloftsnacht aan iedere dochter een pook, om haare bruidegoms daar mede in den slaap om te brengen. Sy volbrengen sijn last, uitgenoomen [p. 71] eene Hipermnestra, die haaren Linceus opwekt, en uit het of dêê vluchten. Doch Danaüs liet haar deswegen aanstonds in den kerker smijten. Uitwelke sy deesen brief afsend aan haaren bruidegom; versoekende, zo ’t mogelijk was, ontset, of ten minsten (indiense komt te overlijden) een eerlijke begraavenis.



HIPERMNESTRA AAN LINSEUS.

Hypermnestra wenst u mitsdesen heil, die van so veel gebroeders overbleef. De rest legt door ’t moord geweer van haar nieuwe bruits in ’t bloet versmoort. Ik sit hier gekluistert en swaar geboeit, tot straf van medogentheit. Om dat mijn hand ontsag u de stroot af te steken, ben ik schultpligtig. Had ik ’t durven bestaan, ik had lof getrokken. ’T is best dees schult onderworpen, dan vader soo behaagt te hebben. Mij rout niet dat mijn hand met geen moord bemorst is. Schoon mij vader met vuir verbrande, ’t geen ik niet gehoont heb, en mij de fakkels van ons bruiloft in ’tgesigt dreef, of keelde met ’t staal, dat hij mij godloos tot u moordpriem gaf, en ik de dood besuren most, die u bereit was: hij sal mijn dootse mond noit doen seggen: ’k heb berou. Ik ben geen mens om leetwesen van medoge te hebben. Laat Danäus en mijn wreede susters wroegen over haar schelms misdrijf: dit ’s gemeenlijk de vrugt van een vervloekte daat. Mijn hart beeft, als ik om die moord-nagt denk, en een schielijke rilling doet mijn vingeren stil staan m ’t schrijven. De hand, die gij kost geloven bequaam te wesen tot mans moord, schrikt te schrijven de moord die sij niet gedaan heeft. ’K sal egter een proef nemen. ’T was pas schemer avont, tussen ligt en donker: als wanneer wij Inachus kroos gebragt wierden in ’t hof van Vorst Pelasgus, alwaar ons schoonvader Egyptus soo gewapent wij waren verwelkomde. Men sag de gulde lampen allenthalve branden; d’autaren, tegen dank, met heilloos reukwerk stoken. ’T volk riep vast Hymen Hymenëe; maar hij vloot, hoe schel sij riepen: selfs Juno vlugte uit haar stad. Als wanneer de Bruigoms, van ’t geselschap geluk toegejuigt, door sterken drank klontervoetig met verse bloemkranssen op de gesalfde hoofden, [p. 72] vrolijk traden na ’s bruits kamers, haar lijksteden, en ijder op ’t bed, sijn graf, neer viel. Als haar nu de spijs en wijn in slaap gewiegt had, en geheel Argos sorgloos in rust lag, dogt mij, dat ik ontrent mij ’t zieltogent kermen hoorde: en ’k hoorden ’t degelijk, en ’t was soo als mij dogt. Mijn bloet ontschifte mij, mijn geest en lighaam rilde van kou, en ik lag stijf verkilt in ’t nieuwe bruilofts bed. Gelijk de magere koornairen door een flaau lugje, als ’t populier lommer door een labberkoeltje rilt; soo ’ trilde ik, of nog meer. Gij lagt en ronkte, en de wijn die ik u geschonken had, was enkel slaap-vugt. Het vinnig bevel van vader verjoeg mij de vrees: ’k rees op, en greep het staal met een bevende hant. ’K sal u geen leugens wijs maken. ’K heb ’t rappier al driewerf opgeheven, driewerf flaau weer late vallen. Dan sette ik (laat mij de waarheit bekennen) doen sette ik ’t moord-geweer weer op u strot. Maar vrees en minlijk medoge weerstont dit wreet bestaan; en mijn kuisse hand was schu ’t belaste werk te verrigten. Ik scheurde mijn purper gewaat, rukte ’t hair uit mijn hoofd, en sprak dus bij mijn selve: og Hypermnestra gij hebt een streng vader: volbreng sijn wil: dat dese ’.pad van sijn broederen tree. Ik ben een vrou en maagd, sagtsinnig van aart, en blo om mijn jonkheid. Mijn teere hant dient tot geen felle moord. Wat rept u: volg, terwijl hij smoor-dronken legt, ’t voorbeeld van u kloekhartige susters: ’t is te geloven dat sij alle haar bruigoms reets vermoord hebben. Had dese hand eenige manslagt konnen begaan, sij had al met het bloed van haar meesteres geverft geweest. Waarom verdienden sij de doot, met ’t aanvaarden van haar ooms rijk, dat dog op vremde schoonsonen sou hebbc moeten vallen? Neemt die mans hadden de dood verdient: wat misdreven wij? waarom mag ik niet deugtsaam sijn? Wat heb ik met geweer te schaffen? waar toe deerns moord-geweer gegeven? mijn handen sijn bequamer tot wol en ’t spinnewiel. Dus sprak ik: en storte onder ’t klagen tranen die uit mijn oogen op u lighaam leekten. Doen gij mij omhelsen wout, en de lome armen in de slaap uitsloegt, hebt gij u handen schier aan mijn degen gequetst. Nu vreesde ik vast voor den dag, voor vader, en sijn knapen; als wanneer gij door dese mijn reden uit den slaap schoot: voort rijs op, Belus kroos, ’t eenigst overschot van nog flus so veel broeders; dese nagt, soo gij u niet en rept, sal u eewige nagt sijn. Gij schoot verbaast op: de teuterslaap schoot u wel haast uit d’oogen: gij sagt het vinnig staal in mijn beknelde hant. Gij vraagt mij d’oorsaak: voort pakt u voort, riep ik, terwijl ’t nog donker is. Terwijl ’t nog donker was vlugte gij, en bleef ik in de pekel. ’S morgens vroeg telde Danâus sijn swagers lijken, en bevont dat gij alleen de doot ontsnapt was. Hij nam ’t euvel op dat gij ’t uit de neven alleen ontsprongt, en klaagde dat met al ’t bloet vergieten nu niets was uitgeregt. Men rukt mij van vaders voeten bij ’t hair na de kerker: soo wert de deugt beloont. Gewis hielt Juno nog haar ouden wrok, van die tijt af, dat Iö in een vaars, en van vaars in een Godin verandert wiert. Maar’t is al strafs genoeg dat een teer meisjen loeide, en dat dat schone dier nu Jupiters oog niet meer bekoorde. Dees nieuwe vaars stont op den oever van vader Inachus stroom, en spiegelde haar vremt gehorent hooft in ’t water: als sij spreken wou, loeide sij, soo dat sij voor haar spiegel-beeld en eige stem verschrikte. Wat vlugt gij, rampsalig dier? wat verwondert gij u over u [p. 73] schadu? waarom telt gij u vier voeten onder u beeste lighaam? Gij, een boel van dien groten hemel-voogt, gevreest van Juno moet den scherpen honger boeten met loof en gras. Gij drinkt bronwater, spiegelt verbaast u wesen, en vreest van u eige hoornen gestoten te werden. En daar gij te vore so rijk waart, dat gij selfs daar door Jupiters oog bevielt, moet gij nu naakt op ’t blote velt leggen. Gij rent door zee, door lant en maagschap stromen, die u alle vrije pas geven. Waarom gevlugt Iö? Waarom over ’t ruime pekel gesworven? Gij kont dog u gestalte, noit ontvlugten. Waar vliegt gij, Inachus kroos? gij vliet en volgt al ’t selve: gij sijt u eige leitsvrou, en ’t geselschap van de lijder selfs. De Nijl, die sijn emer door seve strotten in zee giet, nam de dolle boel ’t vaars postuir af. Wat mag ik beschimmede geschichten ophalen? mijn jaren geven mij, siet hier, selfs stofs genoeg van klagten. Mijn vader en oom voeren oorlog; wij werden uit ons rijk en land op ’t eint van de wereldt verdreven. Dien wreedaard (Egyptus) heerst en sit alleen op den Throon. Wij swerven, arme troep, met d’arme grijsaart buitens lants. Van soo vee broeders sijt gij ’t enigste in ’t leve. ’K beschrei de doden, en die haar vermoorden. Want met soo veel broeders heb ik soo veel susters verloren, ijder troep ontfang mijn silte tranen. Siet hier, ik sit om u leven. gekluistert tot sware straf. Wat sal men schuldige leeren, als de lof der onschuldige verklaagt wert? Ik voor dese d’honderste van nigt en neven, sal deerlijk moete sneuvelen om ’t behout van eene broeder. Maar, Lynceus, soo gij nog sorg draagt voor u mewaardc nigt, en de weldaat die ik u bewees met een dankbaar hart wilt erkennen: soo biet mij hulp, of laat mij doden: en brant mijn lijk ter sluik op den lijk-stapel. Begraaft dan mijn gebeente met tranen van trouwe liefde bestort, en hout op mijn graf-steen dit klein gedigt:
            DE BALLING HYPERMNESTRE ONTFING VOOR LIEFDENS PLIGT
            QUAAT LOON: DE DOOT: DIE SY HAAR BROEDER HAD ONTWRIGT.
’K wou wel meer schrijven; maar mijn handen sijn te moe door de wigt des ketens, en de vrees beneemt mijn kragt.

[p. 74]

Continue


VYFTHIENDE BRIEF.

INHOUD.

PAris van Troas oversteekende naar Griekenland, om de schoone Helene, van Venus hem beloofd en toegesecht, te schaaken; en met sich te voeren, is te Sparta van koning Meneläus ontfangen en gehuisvest. Ondertusschen wierd Meneläus genoodsaakt, wegens erfenissen van gewicht, om naar het eiland Kreta te vertrekken. Des hy den Troiaanschen vreemdeling by sijn huysvrouw laatende, haar ook het onthaal van deesen gast heeft aanbevoolen. Doch Paris bediend sich van die gelegenheid, send deese brief, soekt haar trouweloos te maaken, en tot sijn liefde te verlokken.


PARIS AAN HELENA.

IK Paris, Priam’s soon, wens u Helene, mitsdesen heil, ’t welk mij alleen uit u hant te wagten staat. Seg ik ’t? of hoef ik geen baken te geven van een vuir, dat reets hoger is gesteigert als mij lief is? ’K had wel liever dat het verholen bleef, tot dat de tijt quam van sorgeloose vreugt: maar ik kan ’t swaarlijk dempen: want wie kan vuir bedekken, dat door sijn eige vlam altijt verraden wert. Hebt gij geduld om mijn biegt te horen, ’k beken dat ik brant. Daar hebt gij met woorden ’t blijk van mijn hart. Ei spaar dog, die ’t belijde, lees de rest van dese brief met geen stuirsheit maar met soo vrolijk gelaat als u wesen medebrengt. ’k Was seer verheugt doen ik lest verstont dat gij mijn brief had aangenomen, en schep moet om op gelijke wijse by u welkom te sulle werden. Den hemel geeft het: en dat mij de min-godin u persoon niet vergeefs belooft hebbe, die mij desen togt heeft aangeraden. Want weet dat ik (op dat gij u niet onwetende vergrijpt) door haar Godlijken raat en van hoger-hant hier aan quam. Ik eis wel groten prijs, maar die mij is verschult. Venus heeft mij u ten huwlijk belooft. Onder haar bestier ben ik met de vloot, die Fereklus timmerde, dit ver-stuk weegs van [p. 75] de Sigeese kust over de sporelose zee kome stuiven. Sij gaf mij lieflijk weder, en blanke voorwind. Magt heeft sij over zee om dat sij uit zee-schuim is geboren. Dat sij volharde, de vlam van mijn hart, als de berning der zee bestiere, en mijn wens in haar gewenste haven stier. Ik bragt, maar vont hier dese vlam niet. Dit ’s d’oorsaak van mijn lang zee swieren. Want nog onweer, nog koers-fail dreef ons hier: ik sette met voordagt met mijn vloot op Lakonie aan. Denkt niet dat ik dese zeetogt doe met koopmanschappen. God segen maar de midlen die ik heb. Ook kom ik niet om de Griekse steden te besigtigen: de steden van mijn rijk sijn pragtiger als die. Gij sijt het doelwit: die mij de gulde Venus heeft belooft tot egtgenoot: op u verliefd’ ik, eer ik u kende. ’K sag eer u aanschijn met mijn geest, als met d’oogen. De faam was d’eerste bode van u wel-gemaaktheit. ’T is evenwel geen wonder, dat ik, als ’t hoort, van verre met minneschigten getroffe, op u schoonheid ben verlieft. So wou ’t den hemel, ’t welk op dat gij niet poogt omver te stoten, aanhoor ’t geen ik u hier waaragtig sal verhalen. Ik was nog ongebore in moeders kool, die nu ter voller dragt op ’t uiterste swanger gink. Zij droomde in ’t baren dat sij een groote blakende fakkel ter werelt bragt. De schrik stoorde haar slaap, sij rees op, verhaalt haar ijselijken droom aan den ouden Priamus, die aan de droombedieders. Dese voorspelden, dat Troje door Paris vuir stont te verbranden. Dat was de brand, die nu mijn hart door blaakt. Mij schoonheidt en fieren moet, schoon ik een harder scheen, waren merken van verborgen adel. Daar is, wat van de weg, een plaats midden in de dalen van de lommerrijken Ida met hars en eike bomen digt bewassen: waar op nog vreedsaam schaap, noch rots lievende geitjens, nog trage runderen grasen. Hier stond ik tegen een boom leunende, en bestaarde de stad Troje, de verheve gebouwen, en zee. Als wanneer mij dogt dat door ’t stappen d’aardt onder mijn voeten dreunde: ’k sal waarheit spreken, schoon ’t schier niet gelooft sal werden. Met sag ik Merkurius, neef van den groten Atlas en Pleione, voor mijn oogen schigtig neerscheeren. ’K mogt hem sien, en met waarheit ook verhalen ’t geen ik sag. Hij had in sijn hant een goude roe. Nevens die quam Venus, Juno, en Pallas met de tengere voeten op ’t klavergras bij mij gestreken. Ik stont verstokt, en ’t hair rees mij door kille schrik te berge: als mij de vleugbode seide: sijt niet bevreest. Gij sijt nu schoonheitkeurder: schift ’t krakkeel van dese Godinnen: wie van drie schoonder is als d’andere twee. En ten einde ik ’t niet aflsaan mogt, beval hij ’t mij uit Jupiters naam: met schoor hij door de lugt ten hemel. Doen quam ik weer tot mijn selve, kreeg schielijk nieuwe moet, en schoomde niet ijder van onder tot bove te beneuselen. De prijs was elk wel waart, maar ’k schroomde dese trits als rigter even schoon te schouwen. Dog een van drie viel mij al van begin aan bevallijker in ’t oog: waar uit gij wel kont merken, dat het Venus is die mij dees min verwekt. Sij woelden so ijverig ijder om de prijs, dat sij mijn vonnis met gote schenkagien tragten te verbasteren. Juno loofde mij Koninkrijken, Minerva deugt, en manhaftigheid; [p. 76] ik twijffelde of ik magtig of kloek wesen woude. Venus lagte soet, en sprak: laat u, Paris, met die schenkagien d’oogen niet uitsteken; beide sijn sij onderhavig wankelige vrees. Ik sal u geven, dat gij lieven kont: en in u arme schenken de dogter van de schone Leda, vrij goelijker als haar moeder. Dus sprak sij, en als ik haar geschenk en schoonheit voor ’t best gekeurt had, schoor sij met de prijs weer ten hemel. Onderwijl wierd ik (’k geloof doe mij den hemel jonstig wiert) uit sekere merken erkent voor ’s Koninks kind. Ons hof was vol vreugde om ’t opstikken van haar lang verloren soon: en Troje beraamde desen dag tot een jaarlijkse feestdag. En gelijk gij mij bevalt, so beviel ik doen de jonge Prinsessen. Gij kont alleen de wens van soo veel juffren weg dragen. ’K had slegs geen Koninks en Vorsten dogters tot minnaressen: ik wierd ook ijverlijk van Nymfen gefeest. Maar ’k had van al dit tuig een walg, sedert ik kost hoop scheppen om met Helene te paren. ’K sag u daags met mijn oogen, ’s nagts met gedagten, als mijn oogen door lieflijke slaap geloke leggen. Wat sult gij ’t bij-wesen doen, die mij nog noit gesien deedt blaken? ’K ontvonkte, schoon het vuir nog ver van mij was. En langer kost ik mij ’t genot van die hoop niet schuldig blijven, of ’k sogt mijn wens over de blauwe zee te bejagen. De Frigiaanse bijl doorkerft de Troise pijn-bomen, en al wat hout bequaam tot vaartuig was. ’T hoge Gargara wiert ontbloot van hoge bomen: de langen Ida verschafte mij ontelbare balken. D’eiken boog men vast tot kielen; ’t kromme vaartuig rogt vast in ’t geraamt. Men siet het met raaien en seilen om de masten, en schildert Goden agter op ’t gekrulde paveljoen. Maar ’t schip, waar op ik vaar, is beschildert met Venus, die mij dees bruit beloofde, en haar soon Kupido, nevens een. Als de vloot seilree was, wierd ik aanstonts [p. 77] gelast na d’Egeese zee te steken. Vader en moeder weerstonden mijn heiloffer en vertrek met smeken, en stutten mijn voorgenomen togt met beweegreden soo veel sij kosten. Ook riep suster Kassandra, als ik op ’t afvaren stont, met hangende vlegten, gelijk sij was: waar druist gij heen? gij sult brant weer brengen. Gij weet niet hoe groten vuir gij over dees baren halen sult: waar sprak de Profeters: ’k ben ’t gespelde vuir wel gewaar geworden: nu in mijn teere borst een felle minvlam blaakt. ’K steek uit de have: seil met een blanke voorwint, en raak, Ebalus kroos, op uwe kust ten anker. U man onthaalt mij als gast. Dit ’s ook niet sonder bestier van den hemel geschiet. Hij toonde mij wel al wat in de stadt Lacedemon waardig en heerlijk te sien was; maar mijn oog was nergens om belust als te stare op u volprese schoonheit. ’K stont verbaast, als ik u sag: mijn hart en ingewant voelde ik op nieus doorgrieft door den bliksem van u gesigt. So schonen troonje, had, na mijn onthout,* Venus, doen sij voor mij ten oordeel stont. Indien gij doen met haar gekomen waart tot keur, ’t had met Venus prijs kampel afgelopen. De faam heeft wel veel groots van u schoonheid getrompet, en de geheele weerelt over gegalmt: daar is ook geen dier in Frigie nog van den opgank der sonne, die bij u in welgemaaktheid hantwater heeft. Kont gij dit ook wel geloven? u schoonheid verbluft dien roem, en de faam schiet vrij te kort in ’t melden van u braaf postuir. ’K vind hier meer als Venus mij beloofde; u glorie is van haar stoffe verbluft. Soo brande Theseus wel te regt, die dit alles wist, en u ontschaking scheen soo roemruchtigen heldt wel waardig: als hij u moeder naakt, na ’s lants wijse, van d’olij grommende, in ’t worstelperk sag spelen, onder ’t naakt manvolk. Dat hij u weg roofde prijs ik: maar ben verwonderd dat hij u oit weder gaf. Soo kost’lijken buit hoorde in taje klauwen gehouden te werden. ’K liet mij eer dit hooft van den romp houwen, als u uit mijn koets en armen te late rukken. Neemt dat ik u oit weer uit de hant wilde laten gaan: neemt dat ik u bij mijn leven van de schoot liet halen? most ik u geven, ’k sou egter iets bij provisie voor afgenomen, en getoont hebben dat mijn Venus niet t’eenemaal duf was. ’K sou of u maagde blom geplukt hebben, of ten minsten iets, dat sonder quetsing van u maagdom kon ontdieft werden. Neemt slegs een proef daar van: dan sult gij Paris stantvastigheit leere kennen. Mijn liefde sal beswijken als ’t lijk op de stapel tot as verbrandt. Ik heb u meer geschat als al de grote Koninkrijken, die mij Juno beloofde: als ik u swanen hals slegs mogt omarmen, versmade ik de kloekheit, die mij Pallas aanboodt. Mijn keur rout mij ook niet, en sal mij noit dwaas schijnen: dien wens staat mij vast in de ziel geprent. ’K bid maar o Prinses, so grote moeiten waart, dat gij niet gehengen* wilt, dat mij dese hoop ontschiet. ’K ben geen oned’le vink, die vlamt te huw’lijken met een edele Prinses. Bij Paris sult gij, gelooft mij, niet schand’lijk sijn gepaart. Doorsiet gij ons stamboek, gij sult daar in Electra en Jupiter tot stam wortelen vinden: van middel-groot-va- [p. 78] ders wil ik niet eens reppen. Mijn vader swaait den Scepter van Asie, ’t rijkste, weeligste, en grootste rijk des werelts. Daar sult gij ontallijke steden, gulde palaisen, en tempelen vinden, wel waart dat ’er Goden in wonen. Daar sult gij Ilion aanschouwen, en de sterk getoornde wallen onder ’t lier-geluit van Apollo gebout. Wat wil ik brallen van ’t gekrioel van ontelbare mannen? dat land kan sijn inwoonders naulijks bergen. U sal een digte swarm van Trojaanse Dames komen inhalen, waar toe ons hof ver te klein sal wesen. Og hoe dikwijl wilt gij nog seggen: hoe arm is ons Grieken! ’k Wed gij ijder huis tegen een van u steden schat. ’T sta mij nogtans niet toe u Sparta te versmaden. ’T lant daar gij sijt gekipt, is mij een heilig lant. Maar Sparta valt te deun, u praal vereist pragtiger swier. Die plaats valt vrij te slegt tot soo schonen juweel. Dit pronk-beelt hoorde maat nog einde in rijve rusting te houden, en overdadig in nieuwe vermaaklijkheden te wentelen Als gij sierlijken toi van ons manvolk siet: hoe dunkt u dat dan ’t vrouvolk moet gedost sijn? toont u maar rekkelijk, Prinses in ’t lant van Terapne gequeekt, en versmaat geen Frigiaan ten huwlijk. ’T was een Frigiaan uit onsen bloede (Ganymedes) die nu der Goden schenker is. Een Frigiaan was Titon, egtgenoot en ten hemel opgevoert van Aurora, die dag en nagt schift. Van gelijke Anchises, met wien de minodin sig verheugde op den berg Ida in de klaver te worstelen. Ik denk ook niet dat gij Menelaus soo in schoon als dapperheit boven mij sout konnen verheffen. ’K sal u wis geen schoonvader bij-setten, die ’t heldere son ge-span van sijn gruwel-dis deedt te rug wenden. Ook heest Priamus geen vader, die schoonvaders vermoorde, of na sijn schelmstuk ’t water op ’t verdrinken van Myrtilus, de Myrtese zee doopte. Mijn overgrootvader hapt inde jammer-poel na geen ooft, en dorst niet tot de kin in ’t water staande. Maar wat raakt dai? soo gij haar na saat hout ten huwlijk; en Jupiter tegen wil en dank nootlaakt tot schoonvader. Ha schendig werk! dien jool hout u gantse nagten in d’armen, en geniet volle vreugde in u bouten geklist. Maar ik mag u pas sien op ’t lest als den dis gedekt is: welke [p. 79] tijt ook veel in heeft dat mij misnoegen geeft. ’K gun mijn vijanden sulke gastmalen, als ik dikwijl onder glaasjen aan tafel sien moet. Het spijt mij gast te sijn, als ik sie dat dien boer d’armen om uwen hals wringt. Ik swel en barst van spijt (wat hoef ik alles te ontledigen) als hij u poesle leden onder sijn gewaat koestert. Als gij met hem soet trekbekte hield’ ik terstont de nap voor mijn gesigt. Ik sloeg d’oogen in mijn schoot, en vergat mijn spijs te kauwen, als hij u minlijk drukte. Ik sugte vaak, en mcrkte, o weelig dier, dat gij in mijn sugte u van laghen niet onthouden kost. Dikwijl meende ik mijn vlam met wijn te blussen; maar sij verwakkerde, en ’k goot olij in ’t vuir. Om veel andere dingen niet te sien draaide ik ’t hooft om, maar wenden ’t fluks weer op u schoon gesigt. ’K weet niet wat ik doen wil. ’T is mij een priem in ’t hart dat leet te sien, maar nog groter smert u aanschijn te missen. Ik strijde soo ik best kan, en mag, mijn dolle min te helen, maar ’t ontveinsde vuir borst egter uit. Dit sijn geen praatjens. Gij gevoelt mijn brand en wonde. Og of sij u alleen maar bekent waren! og hoe dikwijl heb ik, als mij de tranen op den dam schoten, ’t hoofd omgekeert, om hem geen hand-vat te geven van vragen waarom ik schreide! Hoe dikwijl vertrok ik u met een roes dees ot gene vrijagie, daar in ik elk woord op u te pas bragt! en gaf een leus van mij onder een bedekten naam: ik was, wilt gij ’t weten, die regte minnaar. Dat meer is, heb ik meer als eens mij selve dronke geveinst, om des te vrijer dartele taal te moge vuilbekken. Eens was, dit heugt mij nog, u boesem voor open, die mij u naakte borsjens te bespiegelen gaf: een boesem die ’t witste sneeu, en melk ver overtrof, ja blanker als de swanendons, waar in Jupijn verschole u moeder Leda omhelsde. Verbaast door dit gesigt liet ik ’t glas, dat ik doen juist bij de gedraide greep in de vuist had, ter neder vallen. Gaft gij u dogter kusjens, ik plukte die fluks met lust van Hermiones mont. Dan queelde ik agter over leunende oude vrijagien: dan gaf ik u met wenken en knikken stomme minneleusen. Ik dorst Clymene, en Ethra, u voornaamste staatjuffers, mijn voornemen eerst met lieflijke woorden te kennen geven: die mij geen ander antwoord gaven, als dat het een haglijke laak was, en pas half lieten uitsmeken. Gaf den hemel, dat om u eens heftig most gekampt werden, en die boven lag tot prijs u ten huwlijk kreeg! Gelijk Hippomenes Atalanta, Pelops Hippodamia tot prijs in d’armen kreeg: gelijk de woede Herkules, om Deianira te moge kussen, Achelous hoorn afwreekte: soo sou mijn stoute dapperheid, op de selve voorwaarde gewel- [p. 80] dig doorsteken, en gij verstaan dat gij ’t loon van mijnen arbeid waart. Nu rest mij niet, o schoone, als u t’ aanbidden, en, soo gij ’t dult, u voeten te omhelsen. O pronk, o praal van twee gebroeders, selfs waard’ Jupijn, ten sij gij sijn dogter waart! ’k sal of met u na de Zigeesse zee keeren, ot buiten ’s lants hier in Lakonie begraven werden. Mijn borst is niet pas beschamscheut van een schigt, maar tot ’t gebeent en merg getroffen. Dit heeft mij suster Kassandre met waarhelt voorspelt, dat de tijt aanstaande was, dat ik met een hemels spits sou getroffen werden. Ontsegt, Heleen, geen min, die mij den hemel toe stierde; soo wens ik dat u wenssen van de Goden wert ingewilligt. Mij komt wel veel voor, maar om mont aan mont nader te spreken, waart dienstig, dat gij mij in de stille nagt in u koets liet sluipen. Hoe! schaamt gij u? of vreest gij u egte bed te schenden, en u man tegens trouregt hoorens op te setten? og al te slegte Helene (’k sei schier boerse) meent gij dat soo schoone dieren sonder sluiken konnen sijn? Gij moet, of u postuir vervormen, of niet straf sijn. Tussen schoon en eerbaarheit is groot geschil. Selfs Jupiter, en de gulde (geelhairige) Venus groejen spek in sulke sluikerijtjes: dees steelmin maakte u kint bij vader Jupijn gewonnen. Gij kont, indien de kragt van liefde blijft in ’t saat, Jupiter en Leda’s dogter sijnde niet wel kuis blijven. Maar weest dan eerbaar, als gij in mijn Troje sult gekomen sijn: laat mij d’eenigste sijn die u tot onkuisheid vergt. Laat ons nu die misdaat doen, die ’t huwelijk beteren sal: indien mij Venus anders geen rook beloofde. Maar dit raat u selfs u man, niet met woorden, maar metter daad, en hout sig van kant om sijn gast in ’t sluiken niet te verhinderen. Hij hadt quanshuis geen tijt bequamer om ’t rijk van Krete te gaan besien: o wonderloose man! Hij vertrok, en sprak op ’t scheiden: mijn vrou, ’k beveel u dees Trojaanse gast gelijk als mijn selve te onthalen, als ik heb gedaan. ’K sal nu getuigen, dat gij ’t gebot van u man in de wind slaat: gij draagt met al geen sorg voor u Trojaanse gast. Meent gij, Heleen, dat die lompe kinkel de gaven van u schoonheid na waarde ondertast heeft? Dat ’s mis: hij kentse niet. Hielt hijse in grooter waarde, hij hadt sijn schat geen vremde vink vertrout. Maar aangesien nog smeeken, nog mijn gloed u bekoren kan, soo is ’t nootsaaklijk dat ik mij van sijn goetheid dien. Of wij sullen gek sijn, en smalsinniger als hij, indien wij soo veilige snoeptijt vrugt’loos laten glippen. Hij bragt mij als gallant schier met de hant bij u. Diendt u met d’eenvoudigheid van u vaatse loer. Gij legt soo lange nagt alleen op ’t eensaam bed: ik slaap ook sonder ga in ’t doots ledekant. Laat ik met u, en gij met mij eens woelen. Dien nagt sal klaarder sijn, als oit de sonneschijn. Dan sal ik u bij al de Goden sweeren, die gij wilt, en met onverbreeklijke eeden aan u trou verknogten. Dan sal ik, soo mij mijns selfs vertrouwe niet bedriegt, dan sal ik maken dat gij aanstonts sult jagten na mijn rijk. Soo gij u schaamt, en vreest dat gij mij mogt schijnen aan de hant gekomen te sijn; al die schult sal ik op mij nemen. Want dan sal ik volgen ’t voorbeeld van Theseus en u broeders; nader stalen konnen u tot jeen medooge bekoxen. Theseus roofde u, sij de twee dogters van Leucippus: ik sal de vierde op dese rol staan. ’K heb hier mijn Troise vloot wel versien van geweer en volk. De wint en riem sal ons haast over rukken. Gij sult, als een trotse Koningin door de Frigiaanse steden treden, en ’t volk doen gelooven dat gij een vremde Godin sijt. Waar gij u heen went sal kanneel geur smooken, en ’t snikkend slagtvee in sijn bloed spartelen. Mijn vader, moeder, broeders, susters, al de juffers, en geheel Troje sal u geschenken vereeren. O bloet ik kan ’t minste deel van u pragt, niet spellen! Gij sult meer heerlijkheit genieten als ik schrijven kan. Als gij ontschaakt sijt, hoeft gij voor geen wraak oorlog te schromen, of dat groot Grieken al sijn kragt sal bij een rukken. Wiert van soo veel ontschaakte wel oit een met de wapenen weder gevordert? Weer vorderen? dat ’s maar wind en ijdele vrees. De Traciers roofden uit de naam van Boreas wel eer Erechteus dogter: maar Tracie leedt daarom geen u overlast van krijg. Jason [p. 81] vervoerde Medea met sijn nieu schip: daarom wiert Thessalie van geen Kolchers gekrenkt. Theseus, die u roofde, roofde ook Ariadne, nochtans heeft Minos noit sijn Kretensers ten oorlog vergadert. De schrik is hier gemeenlijk meer als ’t gevaar: en ’t geen men vreesen mag, soo ’t euvel wert gevreest, verwekt namaals schaamte. Maar neemt eens, soo gij wilt, dat daar een swaren oorlog uit rees: ik heb ook wapenkragt, en geweer dat treffen kan. Asie swigt in magt voor u lant niet: daar grimmelt het van mannen en paarden. En Menelaus sal geen Paris in moet en wapenen verbluffen. Nog pas een jonge, ontjoeg ik de vijanden ’t geroofde vee, en haktense in de pan, waar van ik nog de naam van Alexander draag. Pas een jonge versloeg ik in verscheide schermutselingen manbare borsten: waar onder waren Ilionëus en Dëifobus. En denkt niet dat ik niet als van digte bij vervaarlijk ben; ik tref met een schigt het doel dat ik begeer. Dees fikse wapenkonst kont gij Menelaus jeugt niet toepassen, en geen lompen met mijn spitsvindige dapperheit kroonen. Al gaft gij ’t alles. Kont gij een man uitleveren, als mijn broeder Hector? Hij sal alleen voor een geheel leger staan. Mijn kragten kent gij niet; gij weet niet aan wat dapper man gij sult komen te trouwen. Of gij sult dan door geen krijg wederom gevordert werden, of ’t Griekse leger sal verstuiven voor mijn staal. En ’k agten ’t ook degelijk de pijne waart, voor soo grooten Prinses ’t swaard op te nemen. Soo deftigen prijs lokt selfs tot strijd’. Soo schoon de gantse werelt om u in ’t harnas quam, wat sult gij anders, als na u doot een eeuwige naam be-erven? Treedt gij maar on-beschroomt onder Godts segen van hier, en eist dan met volkome vertrouwe de heerlijkheid, die ik u beloofde.

[p. 82]

Continue


SESTHIENDE BRIEF.

INHOUD.

VEele sijn van gedachten, dat deese sendbrief is van eenen Aulus Sabinus, en geensins van Ovidius; vast stellende het selve uit sijn eigene weken genoegsam te konnen beweesen worden. Doch andere gevoelen wederom het tegendeel, by welke wy ons ook voor deese tijd sullen voegen.
    Het is Helenes antwoord op de voorige brief; in haaren aanvang vol yver, gramschap en hevigheid; doch die, in deese tochten allengstkes flaauwer werdende, eindelijk met liefde en tederheid besluit.


HELENA AAN PARIS.*

AAngesien nu u brief mijn gesigt dorst onteeren, dogt mij ’t niet beantwoorden kleinen roem. Gij vremdling dorst de Gastvrije Godheden honen, en aan de wet-lijke trou van een gehuwde vrou tornen. Sijt gij daarom over de stormsieke zee kome stuiven, en te Lakonie op veile ree ontfangen: en, schoon gij uit een vremt gewest hier over stakt, in ons Palais als vrient onthaalt, om onse gedienstigheit met schandaal te lonen? Waart gij, dus aankomende, gast of vijant? ’K en twijffel niet, of gij sult dees mijn klagt, hoe billik sij is, op u manier nog boers noemen. Laat ik vrij boers sijn, als ik anders gedenk kuis te blijven, en mijn leve wet geen schantvlek bemorse. Schoon ik mottig nog nors van wesen ben: ik sta ter goeder naam. ’k heb tot nog toe met eere gequinkeleert, en geen overspeelder kan sig van mijn oneer-baarheid beroemen. Weshalven ik te meer verwondert sta; hoe gij dit stuk dorst aanvangen, en wat rede u bewoog om op mijn huwlijk te vlammen. Is ’t om dat Theseus mij met geweld weg-roofde? en schijn ik, eens ontschaakt, u waard’ een tweden roof? Het was spels loon geweest, was ik daar toe van hem bekoort. Maar nu ik ben gerooft, wat kan mij anders toegeschreve werden als on-willigheid. Hij kost egter geen gewenste vrugt van dien arbeit plukken: ik gink weer t’huis, en leedt pas enkele vrees. In ’t worst’len knipte dien baldadige slegts weinige kusjens: anders heeft hij van mij niet te bed gehadt. Maar, na ik sie, [p. 83] soud u boosheid wille verder gaan. God segen ons! hij was soo geil niet als gij. Hij gaf mij suiver weder: sijn heusheid verschoonde sijn misdrijf, en ’t is klaar dat de jongeling leetwesen van sijn daat hadt. Roude het Theseus, om dat Paris in sijn schoenen treden, en mijn naam over al op de tong raken sou? Dog ’k stoor mij egter niet: want wie stoort sig aan een vrijer! Soo maar de liefde, die gij voorgeeft, niet geveinst werd. Want hier aan twijffel ik ook: niet dat ik u mistrou, of dat ik niet en weet op een aas hoe schoon ik ben: maar om dat ligtgelovigheid menig vroumens in ’t verdriet hielp, en dat, gelijk men segt, op vrijers woorden geen staat te maken is. Maar ’t vrou-volk heeft mee haar gebreken: Selde vrou vast in trou; maar wie kan mij beletten onder dat schaars getal te sijn. Want dat mijn moeder u bequaam scheen, om mij na haar voorbeeld te konnen ten val brengen: mijn moeder is onverhoets misleidt door een over-speler in swane pluimen verborgen. Soo ik misdoe, ’k misdoe met voordagt, en kan geen vijgeblat vinden om mijn schande te bedekken. Sij doolde wel, en veegde haar swart uit door de grootheid van haar sluiker. Maar met wat Jupiter kan ik ’t onschuldig doen? Gij stuft op stam, en huis, en koninklijk geslagt. Ons huis is doorlugtig genoeg door sijn alouden adel. ’K wil nu niet ophalen dat Jupiter overgrootvaar van mijn mans vader is; veel min hoe mij Pelops, Tantalus soon, of Tyndarus veradelt. Vrou Leda schonk mij tot vader Jupiter, die sij in swanendons verschole onwetend in haar schoot koesterde. Gaat nu en haal vrij op u Frigiaans geslagt, en vader Priamus met grootvaar Laomedon. Die ik wel voor doorlugtig erken; maar Jupiters, u wortelstam, die gij in ’t vijfde lid rekent, is d’eerste die ik optellen moet. Schoon ik wel kan denken dat ’t rijk van u Troje groot van vermogen is: ’k meen egter niet dat dit voor ’t uwe hoeft te swigten. Kan dit gewest in pragt en volk niet bij ’t uwe halen: denkt dan dat u lant ook een barbaar oort is. U brief belooft soo rijke gaven, dat die selfs Godinnen sou bekoren. Maar soo ik nu de palen van eerbaarheid wilde te buiten gaen: gij gaaft tot mijn schult met u persoon de diepste spoor. Of ik sal eeuwig kuis en onbevlekt blijven, of eer van u, als door u geschenk vervoert werden. En gelijk ik dat niet laak, soo is ook de gift altijt aangenamer na advenant de waardigheid des schenkers. Ik schat u liefde meer: dat gij om mijnent wil op sterke hoop soo verren weg over zee komt sukkelen. Ik versta ook, stoutert, leer wel u quikgrillen over tafel, schoon ik die sal soeken te ontveinsen. Dan staat gij, Geil-aart, met die dartle Ionkers soo kragtig in mijn gesigt, dat ik ’t flikkeren schier niet verdragen kan. Dan sugt gij: dan neemt gij ’t glas voor mij weg, en lerkt aan den rant daar ik geleppert heb. Og hoe dikwijl sag ik u vinger-grepen, en leusen met de wijnbraan die schier spraken. Ik vreesde dikwijl dat mijn man de vonken mogt merken, en schoot een hoge blos, als ’t guiglen buiten de tas gink. ’K heb dikmaal, of binnens monts, of overluit geseit: de karel heeft geen schaamt. En ’k loog de helft niet. Ook las ik somtijts op ’t tafelblat mijn naam met wijn getrokken, en daar onder: IK MIN. Ik wees u evenwel met een dwarsse oogwenk, dat ik ’t niet geloofde. Ha! nu heb ik u die stomme taal al af-geleert. Door dit geestig pluimstrijken, soo ik tot sonden most vervallen, was ik verleit, en kost mijn hart bekoort werden. Gij sijt ook, ik bekent, schoon van leest, waar op wel een dier sou konne verlieven Maar ’k heb liever dat een ander sig met u tot haar geluk vergrijpt, als dat mijn eerbaarheid door een uitheems vrijer een krak krijgt. Leert van mij schoone te konnen missen. Hoe veel snuggere jongelingen meent gij wel dat begeeren ’t geen gij begeert? Hoe na meent Paris dat hij alleen keurlijke oogen heeft? Gij siet niet meer als d’andere, maar durft losser toebijten. Gij hebt geen sppitser geest, maar minder schaamt in ’t lijf. ’K wou dat gij doen met u vloot had komen aanstooten, als duisent vrijers om mijn maagdom dongen. Had ik u doen gesien, uit duisent had ik u gekoren: dese keur kost selfs mijn man niet vuil gekeurt hebben. Nu dingt gij te laat verkogt vlees, een blom die reets geplukt is. U hoop quam veel te traag: want ’t geen gij soekt, heeft reets een ander weg. En schoon ik nu wenste u Troise vrou te werden: nog is mij Menelaus soo met ontsint. Laat af, mijn teere [p. 84] borst met vleien te doorgrieven, en quetst het hart niet van die gij segt te beminnen. Laat mij mijns levens lot, soo ’t viel, met eere dragen, en soekt geen swarten roem van mijn geschonde kuisheid. Maar dit heeft u Venus belooft: en in de dalen van den hoogen Ida monsterden voor u drie naakte Godinnen. Als d’een u rijken, d’ander lof van kloekheid wou schenken, soo sprak de derde: ’k sal u Helena tot een bruit vereeren. Waaragtig ik kan niet wel gelooven, dat die Godinnen ’t oordeel over haar schoonheid aan u souden hebben verbleven. En neemt dit was al waar: gewis is het derde gelogen, dat ik u tot prijs van de keur sou wesen toegeleid. ’K ben noit soo waardig in mijn oog geweest, dat ik mij, na Venus getuigenis, sou schatten voor ’t grootst geschenk ter wereld. Mijn schoonheid is vernoegt als sij slegs ’t oog van de menssen behaagt: Venus ondermijnt deselve met prijsen. Maar ’k spreek ’er niets tegen: ’k groei spek in die loftuiting. Waarom soud’ ik lognen te sijn ’t geen ik gaarn was? Hout u niet qualijk dat ik u soo swaar geloofde: Mirakelen werden gemeenlijk traag gelooft. Dus is mijn eerste vreugt, dat ik schoon in Venus oog viel: de tweede dat gij mij voor u grootste prijs hielt, en de persoon van Helena, waar van gij slegts gehoort hadt, koost voor de aangebode heerlijkheid van Pallas en Juno. Soo ben ik u dan dapperheid? ik u doorlugt Koninkrijk? ’K was staal, soo mij dat hart niet tot wedermin bekoorde. ’K ben, gelooft mij, niet verstaalt ; maar weer mij om niet te minnen een Prins die ’k meen dat schier mijn man niet werden kan. Waar toe ’t wellent strant beploegt, en een hoop gevoet, die geen vrugt kan genieten? Ik ben in geen sluikerij bedreven; ’k neem den hemel tot getuige, dat ik met mijn trou man noit gekaidrait heb. Ja dat ik nu mijn sin in schrift aan u overbrief, is een werk dat ik noit voorheen gedaan heb. Gelukkig sijn sij die snoo in [p. 85] dit werk sijn. Ik slegte duif ben bedugt dat de weg tot ondeugt gevaarlijk is. Mijn vrees is mij selfs tot een plaag. Van nu af ben ik al ontset van wesen, en beeld mij in dat al de werelt ’t oog op mij slaat. En ’t is geen ijdel meenen: ’k heb ’t grauws quaat gemompel reets gehoort, en Ethra wist mee al ’t een en ’t ander praatje mee te deelen. Ont-veinst gij ’t maar alles: ten waar gij ’t werk liever wout staken. Maar waarom staken? daar gij ’t ont-veinsen kont. Speel: maar bedekt. Dat Menelaus van huis is geeft ons wel groote, maar geen volslage vrijheid. Hij is wel ver van hier, na den eis der sake, vertrokken: en d’oorsaak van sijn spoedige reis was wigtig en bescheide: of immers ’t leek mij soo. Als hij stont en dutte of hij gaan sou, of niet, sei ik: gaat, maar komt spoedig weer. Dus kuste hij mij blij[moedig op dit voorteeken, en sprak: slaat dog ons goet, huis, en Trojaanse gast wel ga. Nau kost ik mijn laghen inkroppen: ’t welk terwijl ik tragt te verswelgen kost ik met anders antwoorden, als, ’t is wel. Hij is wel met een voorwint na Krete geseilt; maar denkt met dat u daarom alles vrij staat. Mijn man is soo van huis, dat hij mij in sijn afwesen egter ga slaat. Weet gij niet dat Koningen lange armen hebben? Mijn faam hindert mij ook. Want, hoe gij mij meer volhart te loven, hoe hij meer reden van vrees heeft. Desen lof, die mij nu soo wel gevalt, strekt mij tot schade, en ’t was mij nutter geweest dat mijn faam gefeilt hadt. Laat u niet vremd dunken, dat hij mij op sijn vertrek bij u liet: hij heeft sig op mijn deugt en eerbaarheid verlaten. Voor mijn schoonheid was hij bekommert, maar steunde op mijn kuis leven. Mijn deugtsaamheid maakte hem gerust: mijn aansigt bevreest. Gij last mij, dat ik waar nemen soude gelege tijt die hij ons uit sig selve jonde, en ’t goet van sijn eenvoudigheid gebruiken. Dit lust mij wel, maar ’k vrees, ik kan geen keurwil vormen: en hang in ballans van doen of laten. Mijn man is vast van huis, en gij slaapt sonder wijf. En mijn gedaante lokt u, en u gedaante mij De nagten vallen lang, nu voegde ons ’t kouten mont aan mont: en gij (o bloet!) fleemt soet, en sijt bij mij in een huis. En ik wi1 sterven, soo mij al dees dingen niet tot schande lokken. ’K weet niet wat mij nog ophout, als alleen de vrees. Og kost gij wel aandwingen, ’t geen gij mij quaat aanraat! Met dwang most mijn boersheid uitgedreven werden. ’T gewelt was dikwijl nut voor die ’t leedt. Soo gelukkig wou ik wis ook wel gedwongen sijn. Wat laat ons die min, terwijl sij nog vers is, liever dempen: een nieuwe vlam wert door een lepel water geblust. Bij gasten is geen vaste min: sij swerft, als gasten, en vervliegt, als gij meent dat ’er torens op te bouwen waren. Tot getuige dien Hypsipyle, en Ariadne: die beide klaagden dat sij niet getrout wierdcn. Ook segt men, dat gij, ontrouwe, u Enone, die gij veel jaren hebt bemint, de schop gegeven hebt. Dog dit ontkent gij niet: en, of gij ’t weten wilt, ik ondervraag uwen t’halve al wat ik kan of mag. Hier nevens, schoon gij wout stantvastig in min volharden; gij kont niet: wan u volk maakt eerstdaags de vloot seilree. Terwijl gij met mij praat, terwijl wij ’t gewenste nagje beramen, sal ’t u wint sijn om na ’t vaderlant te keeren. In ’t heetst van u geweld sult gij u nieu vermaak afbreken: daar raakt ons liefde dan met de wint in ’t wilt. Sal ik dan mee varen, gelijk gij mij raadt, u volprese Troje komen besigrigen, en agter-snaar werden van de grooten Laomedon? ’K agt de trompet van de faam soo gering niet, en wil liever mijden, dat sij mijn schandaal niet en galmt door al ons steden. Wat sal Sparta, wat heel Grieken-land, wat Troje, wat Asie van mij niet al [p. 86] weten te seggen? Wat gedagten sal Priamus, sijn vrou Hecuba, al u broeders, en Dardaanse juffers van mij hebben? En op wat gront kont gij u selve versekeren van mijn vaste trou, en niet bekommert sijn door u eigen voorbeelt? Wat vremdeling in Trojaanse havens komt in loopen, die sal u oorsaak sijn van onrustige kommer. Hoe dikwijl sult gij mij nog verstoort uitschelden voor een overspeelster, niet eens gedagtig dat die misdaat ons even na raakt! Gij sult selfs doender en doemer van ’t schennis sijn. Eer, bid ik, dat mij d’aard’ verswelge. maar ik sal Trojaanse rijkdommen, Koninklijke pragt, en grooter schatten in de schoot krijgen als mij nog belooft is: buiten twijffel purperen dos, kostlijk borduir en blom-stof, en soo veel gout van alle kanten als ik slepen kan. Vergeeft mij dat ik ’t seg: u gift agt ik soo groot niet. Ik weet schier niet; dat lokt mij wonder na sig. Werd ik beledigt, wie sal mij in Frigie bij springen? Waar kan ik vaders, waar broeders hooft en troost soeken? De valse Jason beloofde Medea alles: evenwel wierd sij nog uit Esons hof verschupt. Daar vont sij geen Eetes nog moeder Ipsea, nog suster Chalciope, om bij deselve dus gehoont haar toevlugt te nemen. Diergelijk vrees ik niet. Medea vreesden ’t ook niet. Goede hoop bedriegt dikwijl* sijn wikker. Gij sult bevinden, dat alle schepen, die nu in zee slingeren, uit de have gestoken vaarbaar weder hadden. Die bloedige fakkel verstelt mij ook, die u moeder Hekuba voor den dag van u geboorte droomde gebaart te hebben. En ’k vrees voor ’t vermaan der Wighelaars, die men segt geprofeteert te hebben, dat Troje door Grieks vuir nog aan kolen soud geset werden. En gelijk u Venus begunstigt, om ’t winnen van dc prijs, en, door u keur, twee zegeteekens; soo vrees ik ook voor die twee, die, soo ’t waar is, dat gij roemt, volgens u vonnis te leur vielen. Ik twijffel niet eens, soo ik u volg, of den oorlog sit ons op de hielen. Og ons min sal door swaarden moete danssen! was Hippodamia, Atrax dogter, d’oorsaak dat de Thessalier helden ’t mudder mens-paarden fel op ’t lijf vielen: en meent gij dat Menelaus in soo getergden toorn, mijn beide broeders, en Tyndarus, soo met de hant in ’t hair sullen blijven sitten? Dat gij euvel snorkt, en op u dappere daden stoft, mag wat wesen, maar dat krielig postuir lijkt na geen oorlogs roem. U lighaam is dienstiger tot een ledekants als velt-batalie. Laat hartvogtige mannen oorlogen, en Paris altijt minnen. Segt Hector, die gij roemt, dat hij voor u vegt: u krijgs-manschap dient best in bloedeloose krijg. Was ik niet te boers, en wat vrijpostiger, hier van sou ik mij dienen; ’t geen ijder meisjen, soo ’t wijs wil sijn ook beproeven sal. Of ik sal ’t nog misschien doen, en trekken honts schoenen aan, als ik metter tijt overwonner d’ handen saam sal leggen. Dat gij versoekt, om ter sluik mondeling nader hier over te spreken; ik merk wel wat gij soekt, en met ’t woort saamspraak bewimpelt. Maar gij sijt te voorbarig: u koorn is nog maar gras. Dit toeven kan misschien u wens bevoorspoedigen. Laat ons nu ’t schrijven afbreken, dewijl de vingers moe sijn, en de brief die onse sluikmin behelst hier mede sluiten: de rest door mijn staatjuffers Klymene en Ethra spreken, die mijn geselschap en raat en daat sijn.

[p. 87]

Continue


SEVENTHIENDE BRIEF.

INHOUD.

LEander, een jongeling van Abidus, in Asie, seker gewoonlyk jaarfeest te Sestos, in Europe, bywoonende, wierd aldaar op eenen Hero verliefd. Ontdekt daar op sijn genegenheid. Word wel ontfangen, en sijn liefde met wederliefde beloond. Ondertusschen was hy gewoon, by nacht van Abidus af te steeken, den Hellepont over te swemmen, op die wijse sijn Hero te besoeken, en met het aanbreken van den dag vol genoegen weder naar Abidus te keeren. Maar eindelijk heeft het onweer en de zee deesen overtogt belet en tegengehouden, en hem vervolgens deesen brief doen schrijven: waar in hy wegens het onweer sich seer beklaagd, en besluit, veel liever sich midden in het gevaar te willen werpen, als van haar aangenaam gesicht en ommegang langer te sijn versteeken.


LEANDER AAN HERO.

Den Abydener sent u mitsdesen, Suster lief, sijn groet, die hij, soo d’onstuime zee bedaarde, liever selfs brengen sou. Soo mij de Goden genadig in mijn min bevoorspoedigen, sult gij desen brief tegen de borst lesen. Maar sij sijn mij niet genadig. Want waarom slepen sij mijn wens, en beletten mij ’t swemmen over zee, [p. 88*] die ’k meer als eens heb leere kennen. Selfs siet gij wel, dat den hemel swarter als pek, en de zee door storm soo onstuimig is, dat sij schier door geen schepen bevaarbaar is. Een schipper, en die vrij stout, brenger deses, dorst alleen uit d’haven steken. Ik had mee scheep getreden, ten waar op ’t los maaken van ’t meer tou geheel Abydus quam uitkijken. Bij al dit volk kost ik mijn liefde, als voorheen, niet voor mij ouders heelen, maar wel ons gaarn bedekte min ontdekken. ’K schreef straks, en sei: gelukkige brief, nu sal sij die schoone hand haast na u uitsteken. Misschien raakt gij ook haar lipjens, als sij de versegelde briefdraat met d’eivore tanden sal willen af bijten. Dit binnens monts geneurt hebbende, sprak ik de rest met de hant op ’t papier. Og hoe liever had ik, dat sij swom als schreef, en mij dienst-vlijtig, als sij gewent is, door de golven rolde. Wel isse bequamer in ’t stil water te plonssen, maar ook een dienstige bode van mijn harts togt. ’T sijn nu seven nagten, een tijt mij langer als een jaer, dat d’onstuime zee met heesse golven brult. Soo mij, in al die tijt, eenige sagte slaap bekroop: moet ’t water nog lang in dolheid volharden. ’K sit treurig op een klip en staat op uwe strant, vliegende met hart en sin, daar ik met ’t lighaam moet van daan blijven. Ja ’k sie ook boven op de toren u* vuirbake vlammen, of beeld mij in dat ik ’t sie. Driewerf heb ik mij op ’t drooge strant ontkleet: driewerf naakt getragt door ’t hol water te swemmen. Maar de holbollige zee weerstont mijn fier voornemen, en kletste mij reis op reis in ’t swemmen de mont vol waters. Maar gij, baldadigste der woeste winden, wat krijgt gij tegens mij met soo vasten opset? Gij woet hier, soo gij ’t weet, Boreas, niet op de zee, maar tegens mij. Wat sout gij dan doen, was u de liefde niet bekent? hoe kout gij sijt, wreed-aart, gij kont niet ontkennen dat u ’t Atheens vuir eens ontkleumde. Soo iemant u ’s lugt doortogt wilde sluiten, als gij op ’t spoor waart om minnevreugt te smaken, hoe sout gij u leet niet tot wraak doen uit-borsten? Verschoon dog wat, blaast dien adem wat matiger: soo bid ik dat u Eool niet droevig oplegt. Maar ’k bid vergeefs, hij brult en tiert tegen mijn smeeken in, en schaaft geen zee, die hij in ’t rou helpt. Og gaf mij nu de stoute Dedalus sijn wieken: schoon d’Icarise kust hier niet ver van daan is, om mij af te schrikken! ’K lijden watter viel, mogt ik mijn lighaam maar in de lugt op-geven, dat dikwijl in zee op Godts genade dreef. Maar terwijl en wint en zee, mij tegen is, herkau ik ons snoepvreugd van ’t begin af. ’T was in de voornagt (want dit geheugen schaft mij verheugen) als ik, verhit van min, mijn vaders deur uittrat. Fluks schoot ik met mijn kleet de vees uit, en sweepte met de swakke armen in zee. De maan schonk mij op de reis haar schemer-flikkering, als een gedienstige versel-ster van mijn spoet. Ik keekse aan, en sprak: verleen u gunst, blanke Godin, en gedenk ’t Latmis gebergt. Endymion dult niet dat gij een min- [p. 89] naar straf valt. Buig goetgunsig u helder aanschijn na mijn steelmin. Denkt hoe gij om een mens Godin ter aarden daalde. Mag ik de waarheid seggen, ’t is ook een Godin die ’k soek. Om nu haar hemelse deugtsaamheid niet op te halen: sulke schoonheid viel noit als in ware Godinnen. Geen dier ter werelt sweemt nader aen u, en Venus schoonheid, als dese: dit siet gij selfs, en hoeft geen woorden te gelooven. Soo ver gij, bij helder weeder, met u silvere glants al ’t andere gestarnte* verbluft; soo ver overtreft dit dier al ’t puik van schoone maagden. Twijffelt gij daer aan, Luna, soo sijt gij seker blint. Sulke of diergelijcke taal voerende, swom ik ’s nagts voor tij over zee. ’T water flikkerde door de weerschijn van de maan, en ’t was ’s middernagts soo ligt als bij klaar dag. Geen stem van mens of vee quam mij ter ooren, als ’t geswalp van ’t water dat ik weg-roeide. Alleen dogt mij dat d’ Alcyones (ijsvogels) nog gedagtig aan de liefde tot Ceyx, iets of wat soets queelden. Als mij d’armen begosten lam te werden, schoot ik met fiere moet lugt boven ’t water op, en van varre ’t ligt siende, seid’ ik: in dat ligt is mijn vuir, op die strant is mijn ligt. Strak voelde ik weer sterkte in d’armen: en ’t water scheen mij bet beswembaer als te voren. De min die vuirig in mijn grage borst gloeide maakt dat ik geen kou in ’t kille peekel voel. Hoe meer ik toeschiet, en de strant nadere, hoe korter ’t water krimpt: hoe ik heftiger roei. Als ik in ’t sigt raak, moedigt gij mij nog meer door u aanschouwen, en geeft mij nieuwe kragt. Dan tragt ik mijn matres ook met swemmen te behagen, en slinger d’armen op na u gesicht. U voedster wederhoud u nau van in zee te springen: want dat heb ik klaar gesien, en ’t was geen mal geveins. Sij wrogt nogtans niet uit, hoe seer sij u mogt wederhouden, dat gij in de berning geen natte voeten haalde. Gij greept mij in u armen, gij knipte soete kusjens, kusjens (o groote Goden!) wel waart over zee te halen. Gij schoot u tabbaart uit, trokse mij aan, en droogde ’t hair dat vol zee-dau sat. De rest kan de nagt, en wij , den toren , en mijn vuirbake tuigen. De vreugde van dien nagt kan niet ligter werden getelt, als al ’t wier van de Hellespont. Hoe korter tijt ons gelaten wiert tot snoepen, hoe meer wij sorg droegen, dat die niet onnut voorbij schoot. Als nu Auroor gereet stont om de nagt van de lugt te vagen, en Lucifer (de dag-star) haar voor-bode vast verschenen was, plakten wij steels-wijse kus op kus op neus en ooren, en beklaagden ons dat de nagten soo kort vielen. Als eindlijk ’t bitter woort van de voedster mij waerschoude te scheiden, trad ik den toren af weer na de koude strant. Wij scheiden schreiende: ik tij weer [p. 90] na d’Hellespont (na de maagt Helles gedoopt) omsiende na mijn matres, soo lang ik kost. Soo waarheid gelt, seg ik voor wis, dat ik in ’t overkomen een swemmer, in ’t wederkomen een drenkeling schijn te wesen. Geloof dit ook vrij, dat mij de weg t’uwaart aan schijnt meer te hellen, en weer te rug swemmende een logge en steile soutplas te wesen. Tegen de borst keer ik, die sou ’t konnen gelooven, na mijn vader-lant. T’ondank toef ik nu gewis hier in mijn stad. Og waarom scheidt de zee twee verknogte harten? en waarom een ziel in twee lighamen in twee bijsondere landen? Laat of mij u Sestus, of u mijn Abydus innemen: want ’k woon soo gaarn in u, als gij in mijn land. Waarom moet ik ont-roeren, soo haast de zee ont-roert? Waarom kan mij de wind, soo ligten vijand, hinderen? De krol Dolfijnen en andere zeevis heeft nu reets mijn vrijagie leeren kennen. Nu staat het strantwed van mijn ordinair veer soo vereelt begrapt, als een weg die veel bereden wert. ’K plagt voor desen te klagen dat ik bij u geen andere toegank vont, als dese: nu klaag ik dat mij die door de wind gesloten wert. d’Hellespont schuimbekt soo verwoet, dat schier de schepen in de havens niet veilig leggen. ’K geloof dat dees zee even soo onstuimig was, doen sij, na ’t verdrenken van de maagt Helles, Hellespont gedoopt wiert. Dit rak is vuil genoeg berugt door ’t omkomen van Helles: en schoon ’t mij spaart, ’t heeft brant-merks genoeg aan de naam. ’K benij Frixus, die van sijn gulden ram veilig over d’holle zee gevoert wiert. Ik wil egter geen dienst van ram of schip: als ik maar beswembaar water mag hebben. ’K hoef niemants hulp: laat ik gelegenheid vinden om te swemmen: ’k sal selfs schip, schipper, en vragt wesen. ’K sal op geen kleine of groote beer gestarnt houden, waar na de Tyriers seilen: ons liefde past op geen gemeen gestarnt. Laat andere op Andromeda, de heldere kroon, en glinsterende noorder beer t’seil gaan: de vodden die Perseus, Jupiter en Bacchus [p. 91] minden, behagen mij voor geen seil-starren. Ik heb een andere star veel wisser als die, met wiens gelei mijn min noit dolen sal. Als ik die in ’t sigt heb, kan ik doorstuiven tot Kolchi, ’t eint van de Pont Euxin, ja de geheele koers die Jasons Argo seilde. ’K wil de jongeling Palemon, en Glaukus, die schielijk door kragtig kruit knauwen een zeegod wiert, in ’t swemmen verbluffen. Dikwijl hangen mij d’armen door gestadig bewegen mat, ik sleepse naulijks mee door de ruime peekel-plas; maar als ik tot haar seg: ’k sal u aanstonts tot trefijk arbeitsloon den hals van u matres t’omarmen geven: straks sijn sij sterk, en spoejen naar haar swem-prijs, als een vlug Elees kamp-ros uit sijn ren-baan-stal. ’K neem dan mijn eige minne-vuir waar, dat mij doet branden, en seil op u, mijn waarde lief, wis en williger als op eenig teken van den hemel, waar aan gij waardiger sout mogen glinsteren. Daar te flikkeren sijt gij wel waart: maar blijft nog wat op d’aarde: of wijst mij ook de koers om ten hemel op te snorren. Gij sijt hier, en kont u minnaar, helaas! pas een oogenblik bij sijn, en met mijn sinnen wert de zee mede ontroert. Wat baat het mij, dat ons geen breede plas verschift? dit smalle watertjen hout ons evenwel van malkander. Ik weet niet, of ik niet liever op ’t eind van de wereld wou treuren, en van hoop en matres even ver verschoven sijn. Hoe gij nu nader sijt, hoe mij u vuir nader braat; u heb ik niet altijt, altijt een wisse hoop. ’T geen ik min, is soo na bij, dat ik ’t schier met de hant kan grijpen, maar dat schier kost mij, og arm, menigen traan. Wat is dit anders, als na wijkendt ooft te willen happen, en neer sinkent water met de drooge lippen te volgen? Kan ik u dan noit in d’armen krijgen, als met velieve van ’t water? en mijn lief noit omhelsen bij on-weer? Moet ik altijt op gena van de wind en water leven, waar op gants geen staat te maken is? Dog ’t stormt en roest nu nog: wat sal ’t dan worden, als de zee, door ’t regement van ’t seven-star, de beerwagter [p. 92] (Arcto Philax) en d’Oleense geit aan ’t hollen raakt. Of ik ken mijn eigen onbesuistheid niet, of ik sal mij dan ook door sterke min te water begeven. En om niet te denken, dat ik de toekomende stormen misschien meen te laten overwajen, sijt versekert, gij sult mij om die belofte niet lang hoeven te manen. Wil de zee nog weinige nagten hollen, ’k sal tegen ’t weerbarstig nat soeken in te swemmen. Dan sal, soo ik heelhuits overkom, mijn stoutheid of met geluk gekroont werden; of de doot een einde maken van dees kommerlike min. ’K sal egter wenssen op u strant aan te spoelen, en dat mijn verdronke lighaam in u haven drijft. Want daar sult gij mij beweenen, mijn lijk verwaardigen te handelen, en seggen: ik was d’oorsaak van sijn dood. Wis stoot gij u aan dit voor-bedietsel van mijn omkomen, en keurt mijn brief in dien deele voor onaangenaam. Maar, klaagt niet, ’k staak die taal; bid slegts met mij een-parig dat de zee bedaar. ’K heb maar een korte stilte van noode om over te swemmen: als ik de voet op u strant geset heb, laat het weer wajen dat het krijt. Daar is een bequame (werf) have vor mijn schip, in geen have ter werelt kan het beter leggen. Daar mag mij Boreas besluiten, daar ’t soet is, mooi weer te verwagten. Dan sal ik traag in ’t swemmen, en voorsigtig sijn eer ik begin. Dan sal ik de dove zee niet meer schelden, nog klagen dat sij de swemmer weerbarstig is. Laat mij dan de wint en mijn afgematte armen weerhouden, en door twee oorsaken ’t wederkeeren beletten. Als ’t de storm eenigsints toelaat sal ik mijn arm-riemen weer te werk stellen: hout gij u vuirbake maar altijt op mijn gesigt. Laat ondertusse dese brief, in plaats van mij, in u boesem slapen: die ik bid, dat ik in ’t kort mag op de hakken sijn.

[p. 93]

Continue


ACHTTHIENDE BRIEF.

INHOUD.

HEt is niet al te wel bekend, of eigentlijk Ovidius de waare opstelder en maaker van deesen sendbrief is geweest, ja self ofse wel van Aulus Sabinus ooit is uitgevonden. Doch laatenwe ons tot den inhoud keeren.
    Hero, de brief van Leander hebbende ontfangen, send hem deesen tot antwoord; hem versoekende (aangesien eenige vreemde droomen en nachtgesichten haar iets quaats schijnen voor te spellen) dat hy acht op sijn welvaaren gelieve te neemen, en niet, als met stil weder begunstigd over te koomen.


HERO AAN LEANDER.

LEander, op dat ik de groet, laatst in u brief vermelt, mondeling mag genieten: kom selfs. Alle uitstel, dat ons geneugte verwijdert, valt mij lang. Vergeef mij dat ik ’t seg: ik min onverduldig. ’T vuir dat ons braat is even heet: maar ’k swigt voor u in kragten. ’K geloof dat de mans van sterker stof sijn opgeleit. De meisjes sijn, gelijk van lighaam, teer van sinnen. Ik beswijk, soo gij nog weinig tijts agter blijft. Gij manvolk kort de langen tijt met jagen, in ’t opschikken van u hoeven, en verscheide andere uitspanningen. Of ’t pleithof hout u op, of de palm van beolijde worstelaars, of [p. 94] gy* bereidt de snel dravende rossen. Dan vogelt gij met de strik, dan vist gij met den hoek: den avont spoelt gij met een glaasjen door. Maar ik, van dit alles versteken, schoon ik wat flauwer brande, vind geen ander tijt-verdrijf als minnen. Dus doe ik ’t geen ik kan, en min u, o mijn eenig vermaak, meer als mij iemant kan meer minnen. Of ik prevel van u met mijn waarde voedster, en verwonder mij wat u soo lang mag ophouden: of over zee siende, die nu over-eind staat door boosen storm, scheld ik ’t water schier met u woorden: of als de barre zee haar verbolgentheit wat bedaart soo klaag ik, dat* gy wel kont, maar niet wilt over komen. Dus klagende rollen mij de tranen vast over de wangen, die d’oude vrou, den handel kundig met de bevenden duim afwist. Ik ga dikwijls kijken, of ik op strand u voetstappen vind, als of het sand d’eens ingedrukte vormen immer hielt: en, om na u te vernemen, en antwoort te schrijven, of ’er iemant van Abydos aangekomen is, of na Abydos vaart. Wat sal ik ophalen, hoe dikwijl ik u kleet kus, dat gij op ’t afswemmen uit-schiet op de strand van d’Hellespont. Als met dit geprevel den dag door-gebragt is, en de lieflijke nagt, na ’t verkragten van ’t ligt, den hemel met heldere starren borduirt: plant ik aanstont op den top des torens ’t vuirbaken, een ordinaire seil-star voor u schip. Midlerwijl passeer ik de lange nagt met spinnen en webwerk. Wilt gij weten wat ik in die lange tijt al praat? niet anders, als dat Leanders naam in mijn mont besturven is. Dunkt u niet, voedster, dat mijn ziel nu al uit ten huis gegaan is? Of soud ’t nog alles wakker sijn, en hij sijn volk in huis ontsien? Meent gij wel dat hij nu ’t kleet vast uit-schiet, en ’t lighaam vast met olij smeert? Sij knikt staag ja: niet dat haar mijn [p.95] kusjens moejen: maar klaas vaak verknikt het bessen-hooft. En na een korte wijl seg ik, nu komt hij wis aanroejen, en met de swakke armen door de golven majen. Een slag vijf ses gewerkt hebbende, vraag ik, of gij nu niet wel half wege wesen kost. Dan oog ik eens: dan bid ik met angstvalligheid, dat u een voorwint gemaklijk overblaast. Wij steken dikwijl ’t oor in de wint, en meenen dat ijder geruis u landing melden moet. ’T meeste gedeelte van de nagt soo doorgebragt hebbende, besluipt de slaap allengs mijn loddere oogen. Gij linkert moet misschien niet gaarn bij mij slapen, en segt dat gij komt, schoon gij ’t niet eens in ’t sin hebt. Want dan droom ik eens, dat gij digt aan strand sijt; dan dat gij de natte armen om mijn hals slaat; dan dat ik u na gewoonte den rok om ’t natte lijf schiet; dan weder dat wij borst tegen boesem koesteren, en veel andere dingen die een kuisse tong moet swijgen, en beter gedaen, als verpraat werden. Helaas! dat ’s korte en ijdele vreugde; want met de slaap verdwijnt gij gemeenlijk ook. Laat ons, grage lievelingen, laat ons eens met vaster kragt vergaren, en daat voor droom gevoelen. Waarom most ik dus koel en eensaam soo veel nagten doorbrengen? Waarom sijt gij, seg trage swemmer, soo dikwijl van mij? ’k beken ’t wel, de zee gaat nu te hol om te swemmen: maar gistere nagt woeit soo hart niet. Waarom liet gij die voorbij slippen? waarom geen harder weder gevreest? waarom soo schoonen kans verkeken, en niet gevat? quam u weder aanstonts soo schoonen gelegentheit voor om te swemmen, die hoorde gij de eerste voor de beste waar te nemen. Maar d’onstuimigheid bestak de zee weer haast. Gij roeit, als gij haast hebt, dikwijl in korter tijt bij mij. ’K meen laagt gij hier verwaait, gij vont geen klagens reden: geen storm zou my ligt uit u armen wajen. Voorwaar ik hoorde dan de storm met blijtschap brullen, en sou bidden dat ’t water immer onstuimig was. Maar wat mag u overkomen sijn, dat gij nu meer schrikt voor ’t water, en de zee, die gij eerst veragte, nu ontsiet? Want ’t heugt mij wel, dat ze op u overkomst niet te min, of immers niet veel minder plagt te woeden. Als ik u toeriep: soo, komt gij soo ’t leven wagen? siet toe dat ik u stoutheid niet eens met tranen moet beklagen. Van waar komt u die nieuwe vrees her? waar isie stoutheid nu vervlogen? waar is die kloeke swemmer, die zee nog golf ontsag? Weest egter liever soo, als ’t geen gij plagt te wesen, en swemt dog veilig als de zee aan ’t bedaren is. Soo gij slegts deselve sijt, soo gij mij soo lief hebt, als gij schrijft, en dat vuir in geen koude as versmoort is. Ik vrees soo seer niet voor de wint, die mijn verlange opschort, als wel dat uwe liefde mogt soo wispeltuerig werden als de wint selfs: dat ik u soo waard’ niet ben, om voor mij wat gevaars uit te staan, en slegter prijs schijn, als ’t werk dat gij onderneemt. Somtijts vrees ik, dat u mijn vaderlant mag mishagen, dat ik, een Sestus meisje, niet en pas by een Abydener jonkman. Dit en diergelijke kan ik egter geduldiger over komen, als dat gij bij d’een of d’andere snol verrukt u tijt verspilt: dat andere armen sig om huwen hals vlogten, en nieuwe min ons min verstikte. Og ’k wou liever stérven, als met dat vergift gewont te werden: en wens eer na de dood als u ontrou te sien. Dit seg ik niet, om dat gij mij sout voorteeken van droefheid getoont hebben, of om dat mij qua gerugte ontrusten; maar ik vrees alles (want wie heeft oit kommerloos gemint) en ’t afsijn dwingt twee lieven meer te vreesen. Gelukkig sijn andere deerns, die in haar bijwesen de ware misdaden an haar lief konenn kennen, en valse gerugten niet behoeven te vreesen. Maar ons treft d’ijdele smaat soo wel als de bedreve ons schent, en ’t misverstant van elk wondt ons even diep. Og quamt gij maar, en was ’t geen storm, geen vader, of nieuwe bijsit, die u ophout. Want soo ik’er van een hoor, sal ik van hart-seer sterven. Soekt gij mijn doot, soo hebt gij al over lang gesondigt. Maar gij sult niet misdoen; dit ’s mij maar een bulbak; ’t is ’t nijdig onweer, dat u met geweld wederhout. O bloet! hoe wert de strand bekletst met felle baren, en de son met donkere wolken betogen! Misschien dat Helles moeder met kinder-liefde bewogen aan zee gekomen is, en haar verdronke dogter beschreit: of dat de stief-moer Leucothëe, in een zee-godin verandert, dees baren op haar schoon-dogter, na wiens naam t water gedoopt is, verbolge toegolft. Dese plas, soo die nu is, gunt geen teere meisjens goet. Hier in is Helles verdronken: hier uit spruit mijn ongenugt. Maar waart gij, Neptuin, u geile min nog indagtig, gij sout ons liefde door geen wint hooren te verhinderen: soo anders [p. 66] u sluiken met Amymone en d’overschoone Tyro, met de glants-rijke Alcyone, Efimedia, dogter van Circe en Alymon, Medusa eerse nog een slangparuik op ’t hoofd had, de blonde Lâodice, de vergode Celeno, en andere dieren, eylaas, geen ijdele praatjens sijn. Dese en meer andere, Neptuin, singen de digters dat van u bekropen sijn. Waarom dan, die soo dikwijl de minnevlam voelde, ons door onweer de gewoone vryweg afgesneden? Bedaar, o vinnige, toon u kragt op de groote zee. Dit smalle rak scheit Asie van Europe. ’T past u, groote Koning, of groote schepen te verslingeren, of op gehele vloten te vergrimmen. Schande is ’t voor een zee-god, een jonkman in ’t swemmen te verschrikken, en minder roem, als de geringste poel-god kan bejagen. Leander is wel edel, en van een doorlugtig geslagt; maar is egter niet afkomstig van Ulysses die gij hate. Geef genade, en behout twee zielen. Hij swemt wel, maar op de genade van ’t selve water drijft Leanders lighaam en mijn hoop. Mijn vuirbaak kriste, (want ’k schrijf nu bij dat ligt) sij kriste, en geeft mij een goet voorteken. Siet, mijn voedster plengde wat wijns in de geluk duidende vlam, seggende: morgen sijn wij drie sterk; en dronk op ’t goet succes. Maakt ons soo sterk met ’t haspelen over zee, mijn lief die ’k heb in ’t binnenst van mijn hart geprent. Keer na u legerplaats, verlooper van u min-bannier. Waarom strek ik mijn leden in t midden van het bed? Gij hoeft niets te vreesen: schep moet, Venus sal u helpen, en selfs uit zee geteelt de zeebaan vlak maken. ’K schep selfs dikwijl mij vermaak in ’t water te baden: maar deze zee was van outs veiliger voor man-volk. Want doen Frixus met sijn suster Helles hier over gevoert wierden, waarom moest ’t meisjen alleen de woeste zee benamen? Misschien vreest gij, dat gij tot wederkeeren niet tijts genoeg sult hebben, en dat gij tot over en weer swemmen niet sterk genoeg sult sijn. Maar laat ons van weder-sijde ter halver zee bij een komen, en kusjens knippen met ’t hoofd over de plas. En laat ons dan ijder weer te rug keeren. Dit sal wel korte vreugde, maar beter, als niet, sijn. Og of dees schaamte, die ons nootsaakt ter sluik te minnen, of ons bevreesde lief- [p. 97] de de faam wat toe wilde geven! Nu strijt de schaamt en liefde, twee vijanden in ’t hart. Ik twijffel, wat ik kiesen wil: dit ’s eerlyk, dat ’s soet. Doen Jason de Pagasëer eens te Colchi quam, voerde hy Medea met sijn vlug schip ’t lant uit. D’overspelige Paris quam maar eens te Lacedemon, en keerde fluks weerom met sijn geroofde buit. Gij moet van die gij mint, en vaak besoekt, dikwijl scheiden, en swemmen als u de scheepvaart gevaarlyk schijnt. Dog maakt dat gij, die over houbollige baren weet te dobberen, ’t zeewater soo veragt, dat gij ’t ook vreest. De zee vernielt wel hegte schepen: meent gij, dat u armen sterker zyn als riemen? ’T swemmen, dat gij soekt, Leander, doet schippers sidderen: dees uitvlugt volgt gemeenlyk na ’t vergaan der schepen. Helaas! ’k wenste u wel niet te bewilligen tot ’t geen ik u aanstook, en bid dat gij moediger sijt als mijn aanmaning. Als gij maar over komt, en u armen, moe van ’t swemmen, op mijn schouderen laat rusten. Maar soo haast ik my keer na de blauwe zee, doorgrilt ik weet niet wat kou mijn lillent hart. Niet min ben ik ontstelt door mijn droom van gistere nagt, schoon ik om ’t quaat te voorkomen gesoen-offert heb. Want ontrent de dageraat, als mijn lamp in de pijp brande, op welke tijt ware droomen plegen gedroomt te werden, liet ik den draat, van slaap verwonnen, uit de hant, en ’t hooft in ’t kusse vallen. Daar droomde ik, dat ik een dolfijn door d’onstuimige zee, wel klaarlijk, sag swemmen; die, na dat hij door de baren op ’t strand geworpen was, droog en doot bleef leggen. Dit sij soo ’t wil, ik vrees: spot niet om mijn droomen, en begeeft u niet, als met stil water, ter zee. Wilt gij u selfs niet ontsien, spaar u uitverkore lief: dat nooit welvaren kan, als ’t u qualyk gaat. ’K sie egter hoop, dat sig de zee haast sal bedaren. Swemt dan veilig door ’t stille water. En terwijl de plas nog onbeswembaar is, sult gy u tijt-verdriet met dese brief versagten.


Continue


NEGENTHIENDE BRIEF.

INHOUD.

AKontius, een jongeling afkomstig van het eiland Cea (eene der Cykladen) was naar het gebuirige Delos vertrokken, om aldaar het jaarlijksche feestoffer by te woonen. Hier siet by Cydippe, een edele en [p. 98] welgebooren dochter. Doch haar in deese toestand van saaken niet dervende ten huwelijk versoeken, bediend sich van een list Hy snijd op een schoonen appel quansuis deesen eed:
                Ik sweer u by Diaan en haar verborgheên,
                Dat ik in ’t huwelijk alleen met u sal treên.
    Deesen werpt hy voor de voeten van het meisje. De nieuwsgierige raapt dien op, leest het geschrevene, en doet aldus onnosel en eenvoudig, in den tempel van Diane, een onverbreekelijken eed. Dit niet tegenstaande wilde haar vader haar aan een ander jongeling uithyliken. Doch hier uit rijst een schielijke schrik, en uit die schrik een koorts. Akontius, dit ongeval verstaande, soekt haar diets te maaken, dat deese siekte haar van Diana was toegesonden, wegens het aarselen in het nakomen en voltrekken van gemelden eed, in haaren tempel so vrywillig uitgesprooken.


AKONTIUS AAN CYDIPPE.

Vrees niet: gij sult hier niet weer iets voor u minnaar te sweren vinden; ’t is genoeg, dat gij eens aan mij verlooft sijt. Doorleest mijn brief: soo moet u de siekte, die, waarse u smert, mijn pijn is, van ’t lijf schieten. Hoe! wert gij schaamroot? want ik meen dat u eerbare wangen nu soo blosen, als voor desen in den Tempel van Diana. ’K versoek u egt en beloofde trou; geen vuile ranken. ’K vrij u als verbonde man, niet als overspeler. Herdenk vrij de woorden eens, die den appel, van mij geworpen, u kuisse handen toerolde. Op die vrugt sult gij vinden, dat gij u aan mij verloofde, waar aan ik wenste dat gij eer gedagt, als de Godinne. Nu vrees ik dit ook: ja die selve vrees wert heviger, als ook mijn vuir dat door u marren blaakt. Mijn liefde, die wel noit klein was, verheft sig meer door hoop die gij mij gaft, en lankwijlig uitstellen. Gij gaft mij hoop: en dees mijn vuirige liefde deed mijn trou-belofte gelooven. Dit kont gij niet ontkennen, dewijl ’t Diana selfs getuigen kan. Sij was ’er bij, drukte u woorden in haar geheugenis, en scheen met knikhoofden u eet voor bondig te keuren. Seg vrij, dat ik u met list bedroog, als maar mijn liefde d’oorsaak van die list genoemt wert. Wat sogt mijn arglist anders als met u allen te paren? Dees rede van u klagt maakt mij u weermin waart. Ik ben, geloof mij, meisjen, van natuire nog oeffenin soo behendig: maar gij sijt het die mij schrander maakt. Mijn schrandere min heeft u met klem van geestige woorden, soo ’k anders geestig schreef, aan mij verknogt. Ik grifte u trouwoorden, na sijn voorseggen, en was doortrapt op mijn stuk door ’t ingeven van sulken raatsman. Laat dan dit stuk bedrog, en ik bedrieglyk heeten, soo ’t anders bedrog is, te willen houden ’t geen men lief heeft. Nu schrijf ik weer, en send u dit smeekschrift. Dit ’s weer een tweede list, en geeft u weer klagens rede. Misdoe ik met minnen, ’k bekent soo sal ik immer misdoen, en op u tornen, hoe seer g’ u wagten moogt. Andere haalden haar liefjens door ’t swaart: en sal mij een voorsigtig schrift doemen? God geef, dat ik u met meer knoopen verstrikken mag, op dat gij u trou in genen deele vrij moogt hebben. ’K heb nog duisent soorten van strikken: dit ’s pas een eenige proef. Mijn min sal al sijn listen te werk stellen. Schoon ’t kampel is of ik u vange: ’k sal u wis grijpen. D’uitkomst staat aan den hemel. Maar ’k wed gij wert mijn gevange. Gij sult, met eens te ontgaan, niet al mijn netten ontslippen, die u de min meer gespannen heeft, als gij wel denkt. Komt mij geen list te sta, ’k grijp den degen in de vuist, en draag u weg gerooft op den schoot die na u snakt. Ik ben de man niet die Paris daat plat te straffen, nog iemant die sig dapper droeg om een man te konnen werden. Soo sal ik ook: maar ’k swijg. Schoon ik dien roof mee met de doot most besuiren, ’k agt die soo veel niet, als u te moeten missen. Waart gij soo schoon niet, men sou u matig vrijen. U braaf postuir dwingt mij om stout te sijn: gij doet dit, en u oogen die ’t starre-schitteren verdooven, en dese borst ontstaken. Dit doet u blonde bol, en elpenbeenen hals, u poesle handen die ik wens mijn hals te omgrijpen: u goelijkheid, u blos, waar in geen boersheid woont: u voeten, als ik meen dat Thetis naulijks heeft. Kost ik u vordere leden prijsen, ’k was gelukkiger; maar ik twijfel niet of ’t een lid is soo schoon als ’t ander. Dus is ’t geen wonder dat ik, door dese schoonheid ontsteken, sogt ’t ja-woort uit u mont te halen. In ’t kort, als gij bekennen moet, van mij gevangen te sijn, weest dan een hind gevangen in mijn net. ’K draag gaarn den haat, mag ik met lijden mijn prijs genieten. Waarom krijgt soo stouten stuk sijn regte loon niet? Telamon [p. 99] roofde Hesione, Achilles Brisëis: en ijder volgde haar schaker. Graut, en sijt soo gram als gij wilt, als ik u maar soo gram mag in de klauwe krijgen. Ik, die dien toorn verwek, salse ook versagten: vergun mij maar een kleine tijt om u te versoenen. Laat mij maar wenende voor u vergrimde troonij staan, ootmoedige taal slaan onder ’t schreien: en als de slaven, als sij sidderen voor de geessel, mijn handen met ootmoet neerbuigen na u knijen. Gij kent nog u recht niet. Roept mij voor ’t gerigt. Waarom werd ik ongehoort gedoemt? Ontbiet mij hoe eer hoe liever voor u vuirschaar. Schoon gij als magt hebbende mij ’t hair van ’t hooft rukte, en ’t aangesigt blau en bont beukte: ’k sou ’t alles lijden, en misschien niet anders vreesen, als dat die poesle hant sig op mijn vel mogt quetsen. Maar knel mij met boei nog ketens: ’k zal vast genoeg geboeit blijven met de keten van u min. Als dan u gramschap sig na wens sal hebben gequeten, sult gij bij u selve seggen: hoe verduldig mint hij! selfs sult gij seggen, als gij siet dat ik alles verdraag: die soo verduldig dient, is waardig dat hij mij dient. Nu werd ik, helaas, in mijn afwesen aangeklaagt, en mijn saak, hoe regtvaardig die is, van voorspraak versteken, verwaarloost. Dat ik schreef, ’t geen mij de min laste, is mijn misdaat: dit ’s ’t eenigst’ dat gij mij alleen kont te last leggen. Maar Diana verdiende voor al niet mede uitgestreken te werden. Wilt gij mij geen woort houden, hout het de Godin. Sij was ’er bij, sij sag ’t doen gij bedroge schaam-root wierdt, en nam u woorden met geheugsame ooren aan. ’K wil u geen wraak voorspellen. Maar daar is geen vinniger, als dese Godin, wanneer sij, ’t geen ik niet en hoop, haar eer verkort siet. Tot tuige kan sijn ’t Kalidonier everswijn. Want ’t is kenbaar, dat daar door moeder Althea wreeder op haar soon Meleager woede. Dit tuigt Acteon, die wel eer voor een hart wiert verscheurt van sijn honden, door welke hij te voren ’t wilt verscheuren liet. Ook die opgeblase moeder (Niobe) die nog ten hedigen dage, in een steene beelt verandert, in ’t land van Bithynie ten toon staat. Og, Cydippe! ’k schroom u de waarheit te melden, om niet te schijnen dat ik mijn saak op valse gronden bou. Dit moet ik egter seggen: dit ’s de rede, gelooft mij, dat gij dikwijl selfs op de tijt van u [p. 100] trouwen soo siek te bed legt. Sij soekt u nu: sij wil u voor meineed bevrijden, en wenst dat met u trou u ligchaam onbesmet blijft. Hier komt het van daan, dat, soo dikwijl gij poogt trouloos te sijn, sij u misdaat met straf te huis soekt. Wagt u de felle boog van die fiere maagt te sarren. Sij is nog versoenbaar, wilt gij maar rekkelyk werden. Hou op u teere leden met koortsen te verswakken. Bewaar dat braaf postuir tot mijn gebruik. Bewaar dat schoon aansigt, gevormt om mij te ontsteken, en die vrolijke blos op u sneeuwitte wangen. Mijn vijanden, en de mij u trou misgunnen, wens ik de smert, die mij u siekte veroorsaakt. ’K heb ’t even bang, of gij siek sijt; of op ’t trouwen staat: in ’k sou niet konnen seggen welk van beiden ik nooder sag. Dikwijl eet ik ’t hart op, dat ik u stof tot ellende gaf, en denk hoe ik u door mijn list in verdriet hielp. ’K bid, dat de meineed van mijn matres mij op ’t hooft druipe, en sij door mijn straf mag verschoont werden. Dog om te weten hoe ’t met u is, swerf ik dikwijl in ’t verborge gints en weder angstvallig om u huis. Heimlijk volg ik u dienstboden, als sij uitkomen, en vraag, of gij wel iets eet of slaapt. Ellendige, dat ik niet als Arts u handen betasten, en voor ’t bed sitten mag? Ellendige weer, dat terwijl ik ver van u ben, ligt een ander, dien ik ’t gants niet gun, u geselschap hout. Hij kneet die poesele handen, hij sit bij ’t siekbed, tot spijt der Goden en mij. Terwijl hij met den duim de slaande pols komt te tasten, bemokkelt hij, quansuis of ’t hoorde dikwijl die blanke bouten. Hij benippelt haar boesem, en knipt misschien kusjens: een werk dat verder gaat als ’t ampt der Artsen raakt. Wie gaf u verlof mijn oogst voorheen te plukken, en een anders thuin te berooven? Die boesem is mijn: gij steelt mijn kusjens als een roover. Hant af van ’t lighaam dat mij is verlooft. Hant af, schelm, ’t sal het mijne werden dat gij raakt. Soo gij ’t hier na doet, sult gij een overspeler sijn. Kiest uit de vrije een dier, daar niemant op heeft te pretenderen. Dese waar, of gij ’t niet en wist, heeft haar eigenaar. Wilt gij mij niet gelooven: leest ons contract, en laat ’t haar selfs lesen, soo gij meent dat het verdigt is. Voort, seg ik, voort uit een anders bruitkamer. Wat doet gij hier? voort uit: dit bed en is niet vrij. Want schoon gij een mensse-verbont met haar hebt aangegaan, daarom staat eger u saak soo schoon niet als mijn. Sij heeft sig aan mij verlooft: haar vader, d’eerste na dese, aan u; maar sij is sig selve nader als haar vader. De vader heeft u haar belooft: maar sij heeft haar aan mij versworen. Hij nam menssen, sij een Godin tot getuige. Dese vreest leugenagtig, sij meineedig tewerden. Kont gij twijfelen, welke vrees de grootste sij? In ’t kort, om beidts gevaar eens bij een af te meten, soo let op d’uitkomst. Dese leit siek, en hij is fris. Wij strijden hier ook met verscheide oogmerken. Onse hoop en vreese is niet van een natuir. Gij soekt haar aan, pas met gevaar van een blauwe scheen: stoot ik ’t hooft, ’k ben meer als een doot man. En ik min nu ’t geen gij misschien ook beminnen sult. Had gij na regt en rede willen te werk gaan, gij had voor mijn min van selfs hooren te swigten. Terwijl nu, Cydippe, dese geweldiger een onregtvaardige saak beweert: wat of u dese brief wil te verstaan geven? Hij maakt, dat gij in ’t siek-bed legt, en Diana’s haat op den hals haalt. Wilt gij wijs sijn, boent die karel ten huis uit. Hij is d’oorsaak dat gij in soo ellendigen levensgevaar raakt. Og! sturf hij vor u, die u dit kruis aandoet! wien soo gij voort helpt, en bemint dien Diana niet verwees: sult gij, en ik gewis terstont gesont werden. Staak u vrees, maagt, gij sult eens voor al gesontheit winnen, soo gij eerbiedigheid bewijst aan den tempel, die getuige is van ons verbont. De hemel-goden scheppen geen welbehage in slagtoffer; maar in trou, die selfs sonder eet moet voldaan werden. Vele lijden, om gesont te werden, vlijm, brant-ijser, en bittere dranken. Dit alles hoeft gij niet: wagt u maar voor meineedigheid, so sult gij te gelijk u selve, mij en u belofte bewaren. D’onkundigheid sal u begane schult bedekken: ons trouverbont was u slegts uit het hooft gewaait. Nu wert gij ’t indagtig door mijn brief, dan door de nijpstrikken, die u, soo dikwijl gij die tragt te ontslippen, plegen te drukken. Schoon gij die al ontsnapte, sult gij dog de Godin in ’t kramen moeten bidden, dat sij u gelukkig wil verlossen. Sij sal u hooren, en herkauwende ’t geen sij voor desen hoorde, vragen, bij wat man gij baren sout. Doet gij haar belofte: sij weet dat gij valse belofte doet. Sweert gij: sij weet dat gij Goden kont uitstrijken. Na mij vraag ik niet veel: ’k heb grooter swarigheid, en ben voor u leven bekommert. Waarom beweenden u lest, als gij sterven wout, u ouders, die gij geen kennis geeft van u al- [p. 101] taar-misdrijf? En waarom heelt gij ’t haar? Melt u moeder vrij alles, Cydippe, gij hoeft u dienthalve niet te schamen. Verhaalt moeder ordentelyk, hoe gij mij eerst leerde kennen, terwijl gij ’t feest van de geboogde jagt-godin vierde. Hoe ik u in ’t oog krijgende, (soo gij ’t gemerkt hebt) straks stont verstelt, en op u schoonheid staarde; en, terwijl ik u met te groote verwondering begaap, (een teeken van wisse dolheid) mijn mantel van de schouderen viel. Dat daar na, onseker waar van daan, een appel quam aanrollen, die u arge en slimme woorden te lesen bragt: welke, om dat gij die in tegenwoordigheid van de heilige Diana last, u trou aan mij door ’s Godheits naam-eet verbonden. En op dat sij ’t begrijp van ’t appel-schrift mag beseffen, soo leest haar deselve woorden voor, die gij in den tempel laast. Trout dog, sal sij seggen, dien de goede Goden u beschoren: die gij u trou swoert, laat die mijn schoonsoon werden, ’T behaagt mij, wie ’t ook sij, dewijl ’t Diana eerst behaagde, Soo sal u moeder sijn, soo sij u moeder is. Indien sij vraagt, wie, en van wat staat ik ben: siet wat gij antwoort: gij sult bevinden, dat de Godin uit was om ons te segenen. Het eilant Cea, van de Egeese zee omspoelt, wel eer vermaart door de Coycier Nymfen, is mijn vaderland; en soo gij eedele loten agt, soo is mijn stam niet slegt veradelt. Ook heb ik middelen, een goede naam en faam: en had ik anders niet, de min paart mij met u. Gij hoorde na sulken man, schoon onbeswore, te wenssen: en reets verswore, schoon hij soodanig niet en was, aan te nemen. Dit laste mij in den droom Diana de boog-schutteres, en wakende, de min, te schrijven. Van welke dese mij reets met sijn schigten heeft doorgrieft: wagt u, dat gene u met haar geweer niet treffe. Ons beider heil is een. Ontferm u over mij en u. Wat draalt gij met een middel twee sieken te genesen? ’T welk soo ’t gebeurt, als de slagbasuin sal gesteken werden, en d’aard van Delos voor ons slagtoffer sal root geverft sijn; sal ik die gelukkigen appel in ’t gout ophangen, en d’oorsaak van ons egt met dees twee vaarsjens uitdrukken:

                Akontius betuigt met ’t appelbeelt, de vont
                Volbragt te sijn, en ’t geen daar op geschreven stont


’K wil u swakke leden met geen langer teem vermoejen, maar, ’t gemeen brief-besluit doende, u wensen welvaart en gesontheit.

[p. 102]

Continue


TWINTIGSTE BRIEF.

INHOUD.

DEese sendbrief werd van alle Oversienders en Uitleggers, niet verder als twaalf regelen aangenoomen. Want, seggen sij, was de geheele brief van Ovidius gedicht en geschreven, hij sou in sijn andere werken daar af gewag gemaakt hebben. Maar misschien is sy, gelijk eenige voorige, van Aulus Sabinus? Men geloofd neen, terwijl sy, van de overaardige nettigheid van Ovidius versteeken sijnde, ook van de stijl van gemelde Sabinus geheellijk is beroofd.
    Niettemin oordeeld
Kabeljau, Puikdichter en Rechtsgeleerde, het wel de pijne waard deselve te vertaalen, en by den geheelen hoop te voegen, alleen om dit Briefje by de voorige geen monster te doen gelijken. Doch elk heb sijn oordeel vrij, en wy ullen deselve ook laaten, gelijkse ons van Valentyn is opgedischt.
    Het is dan quansuis een antwoord van de verliefde Cydippe, op het schrijven van den arglistigen Akontius.


CYDIPPE AAN AKONTIUS.

’K was hooftschou van u brief, en overlas die stilswijgende, om niet weer onverhoets soo snoo te sweeren. ’k Meen, gij sout mij weer verstrikt hebben: ten waar gij, na u eigen voorgeven, wel wist, genoeg te sijn, dat ik eens aan u verlooft was. ’K had se ook niet willen lesen; maar vreesde, soo ik u hart viel, dat misschien de toorn van de wreede Godin op mij mogt komen te groejen. Wat ik ook doe: al soen-offer ik: sij blijft u egter meer begunstigen als ’t hoort. Nu geloof ik eerst, dat sij u saak met haar gramschap hanthaaft. [p. 103] Soo goetgunstig was sij schier haaren Hippolytus niet. Maar beter had de maagt de jaren van een jonge maagt verschoont, die ik dugt dat sij mij in ’t kort sal willen af-snijden.


Continue


EENENTWINTIGSTE BRIEF.

INHOUD.

SAffo een Dichteresse, vermaard, wegens het uitvinden (volgens sommige) der Liergesangen; was afkomstig van Mitilene, een welbekende stad by de ouden op het eiland Lesbos. Ontstak in hevige liefde op eene Faon; een jongeling van Venus, wegens seker geval, met een ongemeene schoonheid begiftigd. Doch vruchteloos. De jongeling vertrok uit Lesbos, en begaf sich naar Sicilien. Sy schrijft hem deese brief achter na, gevende haar brand, met een sonderlinge geilheid, te kennen. Maar ondertusschen, in deese liefde vol ongeduld en wanhoop, trekt sy naar Epirus, alwaar sy sich van de klip Leukas (om alsoo dat brandend minnevuur uitteblusschen) van boven neder heeft in zee gesmeeten.


SAFFO AAN FAON.

Kont gij, soo ras gij ’t schrift van mijn geleerde pen saagt, bevroeden dat se van mij quam? of, soo gij de naam van Saffo niet en gelesen had, niet sien van wie dese korte brief quam? Ligt vraagt gij waarom ik kreupel-digt gebruik, daar ik bequaamer ben tot lier-digt. Mijn min is treurig, en hoort met treur-dight bejammert. Geen lier-toon dient om mijn geklag te galmen. Ik brand gelijk een weldragenden akker, wiens oegstvuir door vinnige wint aan ’t blaken raakt. Faon onthout sig nu over zee in Sicilie bij den Etna, waar uit Tifeus sijn vuirigen adem blaast: en ik blaak niet min als Etna’s sulfer-gloet. Ik kan geen digten meer op mijn gestelde snaaren uit-vinden. Digt vereist een onbeknelden geest. Geen juffers van Pyrrhe en Methymne, nog ander in Les- [p. 105] bos* goetje smaakt mij meer. ’K veragt nu Amythone, en de blanke Gydno: geen Atthis bekoort mijn oog als voor desen: en hondert andere, die ik niet sonder vuil misdrijf minde. ’T geen ik eerst vele gaf, steelt gij mij, linker, alleen. Gij sijt seer schoon van leest, en regt in u speeljaren. O trooni, die mijn gesigt soo wis betoovert! Neemt lier en boog, gij sult Apollo: seg horens op, gij sult een Bacchus gelijken. Febus vrijde Dafne, Bacchus Ariadne, daar geen van beide lieven sig op lier-toon verstonden. Maar ik suig lieflijke digtvogt uit de hengstebron: ik ben de wijde werelt over roem- [p. 106] rugtig. Selfs Alcëus, mijn lantsman en lier-verwant, schoon hij grover bas dreunt, bereikt geen grooter lof. Schoon mij de schrale natuir niet schoon gekneed heeft: ik veeg mijn leelijk uit met geestigheid. Ik ben een kort-gat: maar draag een naam die den aartkloot over klinkt, en ben soo groot als de maat van mijn roemrugtigheid. Ben ik niet blank: let hoe Perseus op Andromeda, een land-aardige bruinet, verliefde. Soo paren ook dikwijl witte met geverfde duiven; een swarte tortelduif met een groene papagai. Kan u niemant als door schoonheid na proportie bekoren, soo wert ’er geen u gaai. Maar doen gij mijn digt laast, scheen ik u schoon in ’t oog. Gij swoert, dat ik alleen eeuwig hoorde te galmen. Ik song, ’t gedenkt mij (want verliefde onthouden alles) en gij knipte mij onder ’t quelen kus op kus. Dit preest gij ook: ik viel u in allen deelen soet; maar dat insonderheid, als ’t liefde-werk aanging. Dan kost u mijn geile dartelheid meer als natuirlyk vermaken in ’t kitlig wippen en suiker soete praat; en als, na wedersijts los branden, ’t lighaam lag vermat als een vis op ’t droog. Nu vint gij een nieuwe bruit onder de Siciliaanse juffers. Wat gaat mij Lesbos aan? ’k wil een Siciliaan sijn. Past maar, Siciliaanse vrouwen en juffers, dat gij mijn swerveling niet in u lant aanhout; en dat sijn schijn-schoon valse tong u niet verstrik. Want ’t geen hij u seit, heeft hij mij ook voor desen geseit. En gij, Erycijnse Venus, die ’t Siciliaans gebergt bewoont, draag sorg voor u digteres, want ’k ben u troetelint. Wil dan de snoo fortuin mijn quaat begin voltoojen, en even bitter in haar loop volharden? ’K was pas ses jaren oud, als ik d’as van vaders gebeetn, die in de blom van sijn jaren sturf, met tranen heb genat. Mijn broeder, arm en [p. 107] kaal, verslonger sig met een hoer tot schande en schade. Nu roeit hij arm en berooit door de blauwe zee, en soekt nu qualijk ’t geen hij qualijk heeft verquist. Mij haat hij nog, om dat ik hem troulijk tot deugtsaamheid vermaande. Dit was den loon van mijn vrijheid en trouwe taal. En even of mij nog aan gedurige quellagie iets ont-brak, hoopt mijn dogtertjen nog staat mijn kommer op. Gij komt tot toegift mijn druk overladen. Mijn lukschip dobbert staag tegen weer en wind. Siet hier mijn tuiten los en woest over hals en schouders hangen, mijn vingers sonder steenringen. ’K ga slegt gekleet: ik heb in ’t hair geen goude doppen: mijn vlegten rieken na geen Myrre of Arabis Ladaan. Voor wie, of arm! sou ik mij opquikken? wien sou ik soeken te behagen? Hij, die d’eenigste oorsaak is van mijn siersel, is nu weg. Mijn weeger hart kan ligt door ligte schigten verwont werden, en ’k vin altijt oorsaken om altijt te minnen: ’t sij de Schik-godinnen mij op mijn geboorte daar tot nootsaakten, en mij soo strengen levensdraat sponnen: ’t sij dat de studien, waar in wij ons beijveren, seden en konsten vormen. Thalia maakte mij weegerhartig. Wat wonder is ’t, soo mij u levens lente, en jaren, waar op een man kan vlammen, verrukte? Dit puik, vreesde ik, Auroor, dat gij voor Cefalus sout gesnoept hebben: en ’t was geschiet, ten waar u d’eerste schaking weerhieldt. Kreeg hem Febe, die ’t al doorsiet, in ’t oog, sij wiegde Faon sonder eind in slaap. Venus voerde hem in haar eivoiren wagen weg, [p. 108] ten waar sij sag dat hij haren Mars bevallen kost. O nog geen jongeling, nog kint! bequame jaren! o pronk, en luister van u eeuw! keer herwaarts, mijn schoone, kom val weer op mijn schoot. ’K bid niet dat gij mint, maar dat gij laat beminnen. Terwijl ik schrijf, stort een tranen-dau over mijn wangen. Siet eens, hoe menige vlek op dese plaats gekladt is. Stond u reis soo vast, gij kost fatsoenlijker vertrokken, en ten minsten gesegt hebben: adieu Lesbis meisjen. Gij hebt nog tranen nog soet trekbekken mee genomen. In ’t kort, ik was niet bekommert dat ik om u sou treuren. Bij mij is niet van u, als ongelijk: en gij namt van mij geen gedenkgift tot onderpand van min. Ik gaf u geen les: en ’k sou u geen ander les gegeven hebben, als dat gij mij noit wout vergeten. ’K sweer u bij mijn liefde, die noit ver afswerve, en bij de negen Sang-goddinnen, dat, als mij van ’k weet niet wie wiert geseit, u vreugde heeft uit, ik lang nog schreien, nog spreken kost. Mijn tranen waren verdroogt, mijn tong aan ’t gehemelt gekleeft, mijn hart door felle kil bevrosen. Doe ’k smert gevoelen kost, schaamde ik mij niet op de borst te kloppen, ’t hair af te rukken, en te huilen, min nog meer als een mewaardige moeder die ’t zielloos lijk van haar soon ten brantstapel brenge. Om dese droefheid lagt mijn broer Charaxus in de vuist; sweeft dus spekgroejende heen en weder voor mijn gesigt; en segt, om d’oorsaak van mijn leet tot schande te wenden: waarom treurt dit wijf? haar dogter leeft immers nog. Schaamte en min versellen nergens malkander. Al ’t graau sag, hoe ik door ’t oprijten van den boesem de geheelen hutspot ontbloote. Ik pas op niemant, Faon, als op u: ’k vind u weder in mijn droomen; droomen bet beluistert als den helderen dag. Daar vind ik u, schoon gij ver van kant sijt. Maar die slaap verheugt mij niet lang genoeg. Dikwijl dunkt mij dat gij mij, dikwijl dat ik u in d’armen beladen heb. Ik voel die kusjens, die gij met tong-schermutsel soet plagt te geven en te krijgen. Vaak vlei ik u met onfeilbare schijn van woorden, en spreek door ziel-drift even of ik waakte. De rest schaam ik mij te verhalen: maar ’k voel alles, en ’t smaakt mij; en ik kan niet langer van Faon duren. Maar als de heldere son haar aanschijn en alle dingen vertoont, klaag ik dat mij de slaap soo haastig ontschiet. Ik loop in holen en bossen, even of ik daar als voor desen bij u nog vreugde vinden kost. Daar bies ik harssenloos met den hairbos over nek en schouder, even of ik door de tooveres Erichto aan ’t hollen was geraakt. Ik bekeek de spelonk, met ruwe tufsteen overwolft, die in mijn oogen blonk als Mygdonis marmer. Ik vondt bosschagie, die ons vaak tot rust-plaats strekte, en met digt loof overlommerde. Maar dien bos-geweldiger en mijn heer vind ik niet. Die plaats was slegte gront: hij was de vrugt van ’t wout. Ik kende nog de moet van ’t neergedrukte gras. De klaver was geknikt door de wigt van onse lighamen. Hier viel ik neer, en drukte de plaats die gij voor dese drukte. Die groente, wel eer mijn troetel-bed, moet nu mijn tranen drinken. De boomen selfs schijnen met ’t afschudden van haar loof te treuren. ’T gevogelt queelt geen lieflijke toon meer. Alleen het Daulis dier [Filomela of de nagtegaal] de droeve moeder [p. 109] die aan haar man [Thereus] godloose wraak pleegde, singt treur-liederen om ’t ombrengen van haar soon Itys. Sij neurt om Itys: Saffo om ’t opscheeren van haar minnaar, soo lang tot s’midder-nagts als alles legt in rust. Daar loopt een heldere beek, klaarder als kristalijn, een heilige bron, waar in vele seggen dat een Godheid woont: waar over de waterwelige Lotos sijn lommer spreiende een bosjen uit maakt: de kant is met fijne gras-sooden gesoomt. Als ik hier afgeslooft al wenende neer gehoken lag, schoot mij een vliet-maagt voor ’t gesigt. Sij stont en sprak: nadien een al te felle vlam u braat, soo moet gij na Ambracie trekken. Febus siet uit den hooge de geheele zee-plas, die ’t volk d’Acteese en Leukadier zee noemt. Hier in heeft sig Deukalion, op Pyrrha in liefde ontsteken, neer gestort, en is ongeschent in ’t water gevallen Terstont ontvonkte Pyrrha’s onverhitbare [p. 110] borst, en verkoelde Deukalions brand. Die kragt heeft dat rak. Spoeit u fluks na ’t klippige Leukadie, en schroomt niet van een rots te springen. Mit dat sij sprak, vervloog sij. Maar ik verrees vol schrikken, en mijn dik beswangerde oogen kosten sig van tranen niet onthouden. ’K sal gaan, o Nymfen, na de rots die gij mij aanweest: swigt vrees en schrik voor mijn dolle min. ’T gaat soo ’t wil, ’t sal beter gaan als nu. Kom wintje, vervangt mij: mijn lijf heeft kleine wigt, en gij, tengere Kupido, onderschept mij op u wieken, op dat ik verdrinkende ’t water met geen schandelijke naam doop. Dan sal ik, Febus ter eere, ons gemeene gift, de lier, ophangen, en daar onder schrijven dees twee vaarsen:
                        De dankb’re Digteres, die Saffo, schonk de lier
                        Aan u, Apol: dit ’s Febus snaar en Saffoos swier.

Maar waarom sendt gij mij ellendig dier na d’Acteese kust, daar gij ligt uit Sicilie kont weder-keeren? Gij kont mij beter verkoelen als ’t Leukadis water, en om u schoonheid mijn Febus sijn. Kont gij, die wreeder sijt als die klippen en zee, soo ik vedrink, den tijtel van mijn doot verdragen? Maar hoe veel beter wast mijn borst aan d’u te kleven, als van de rots gestooten te werden? Dit is die borst, Faon, die gij plagt te beloftuiten, en soo dikwijl in u oog vernuftig scheen. Nu wenste ik welsprekent te sijn: maar mijn droefheid verdooft mijn konst, en bedwelmt mijn geest. Ik kan mijn voorgaande digtkragt tot rijm niet meer toonen. Mijn kam is stom van rou, mijn lier door hartseer doof. Lesbiden, zeekroos, getroude en nog te trouwen: Lesbiden, die u naam krijgt van de Eoolse lier: Lesbiden, die mij tot mijn schande hebt doen minnen, komt nu noit meer met een stoet op mijn lier-toon aan. Al wat u wel eer behaagde, heeft nu Faon weg; o bloet, hoe na sei ik, mijn Faon! Maakt dat hij weder komt: soo wil u Sangster ook weder keeren. Hij geeft, en steelt mijn digt-kragt. Helpt ook mijn bidden iets? vermurwt sijn boers hert eenigsints/? of blijft hij even hart, en stuift de wind mijn woorden in ’t wilt? ’K wenste dat de wint, die u mijn woorden toewaait, u selfs wederom woei. Dit was een pligt, traag-aart, die gij, waart gij wijs, hoorde waar te nemen. ’T sij gij weer komt, en ’t reis-offer voor u vaartuig bereit, waarom scheurt gij mijn hart met lang sammelen? Ligt anker: Venus, een zee-telg, vlakt de zee voor de minnaars: de wint sal ’t voort blasen, ligt gij het anker maar. Kupido sal op ’t plegt selfs aan ’t roer staan. Hij sal met de tengere hant selfs de schoot vieren en aanhalen. Hebt gij enkel voorgenomen de Lesbier Saffo te ontvlugten: gij vint nogtans geen reden om mij te schuwen. Laat slegts u wreede brief mij in desen druk dit gebieden, dat ik mij in ’t Leukadier water verdrenk.

Continue