Continue

J.J.L. ten Kate: Heldinnenbrief van Agnes van der Sluis aan Floris V.
In: Id.: Mengel-poëzy. Leiden, A.W. Sijthoff, ca. 1850.
Een maetsuw (vs. 103) is een clava (MNW s.v. matsuwe).
Gebruikt exemplaar: UBL 1228 F 21
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.


AGNES VAN DER SLUIS AAN FLORIS V.
                (1280).

Wanneer dit schrift zich uitrolt voor uwe oogen,
    Mijn Floris, o, mijn Floris, (laat mij dus,
Ach, licht voor ’t laatst, nog éens u noemen mogen!)
    Dan strekke ’t u ten jongsten afscheidskus!
(5) Ik had gewenscht dien op uw mond te drukken,
    God wilde ’t niet! Toch zweeft hij van mijn mond,
En vliegt hierbij, op vleuglen van ’t verrukken,
    U in ’t gemoed van dees mijn stervensspond!
Mijn stervensspond? Ja, mocht ik ’t u verzwijgen,
    (10) Maar ’t hart bruischt op en onderwerpt den wil....
Deed ooit voorheen een zucht dat harte hijgen,
    Dien gij niet wist? ’t Zwijg’ dan ook nu niet stil!
Ja, weet in ’t eind wat ge eens zult weten moeten:
    Uwe Agnes wenscht u eeuwig goeden nacht;
(15) Maar laat het u den bittren kelk verzoeten:
    God heeft den wind ’t geschoren lam verzacht!
Mijn leven en — mijn lijden spoedt ten ende:
    Reeds overstraalt me een zachte hemelglans,
Elke ademtocht vermindert mijn ellende,
    (20) En morgen.... tooit mij de overwinningskrans!
En daarom, eer mijn dunne vingren sterven,
    (Het waslicht schijnt er bevende doorheen!)
Wil ik voor ’t minst dees laatste troost verwerven:
    ,,’k Ze hem vaarwel, eer ik van de aard verdween!’’

(25) En ’t is mij goed, zoo spoedig te vertrekken:
    Geknakte bloem, wat kwijnde ik in den hof?
Welzalig wien de zode toe mag dekken
    Ter lange rust in ’t zorgloos bed van stof!
Zie, ’t denkbeeld: ,,Ach, voor ù is hij verloren!’’
    (30) Vervolgde me als mijn schaduw, vroeg en laat;
’t Deed in mijn slaap zich als een spooksel hooren,
    Het wekte mij bij elken dageraad.
Dan zag ik u — die zieldoordringende oogen,
    De spiegels van een geest, zoo goed als groot,
(35) Die leeuwenborst, door englendrift bewogen,
    Die heldenarm, die siddrend mij omsloot!....
Dan hoorde ik weêr die toovertonen glippen,
    Waaraan mijn hart, neen, heel mijn wezen hing;
En ’k dronk den kus der ziele van uw lippen,
    (40) Waar tijd en aard en hemel bij verging;
Dan klonk mij weêr des Priesters Amen tegen,
    Dat plechtig ons vereenigde voor God,
Dan lag ik weêr voor ’t outer neêrgezegen,
    Ach, overstelpt, bezwijmend van genot!
(45) Dan zag ik weêr u aan mijn boezem vliegen,*
    Toen gij de Gâ tot Moeder had verhoogd!
’k Zag u het kind verrukt op de armen wiegen,
    ’t Kind... dat zoo vaak mijn tranen heeft gedroogd...
Dan droomde ik — al mijn blijde jonkheidsdroomen —
    (50) Maar midden in die zoete mijmerij
Voelde ik op eens een rilling me overstroomen,
    En ’t snerpte luid: ,,Dat alles is voorbij!’’

O, waarom moest uw vader u ontzinken,
    Eer nog voor u een tweede zon verrees,
(55) Eer een verraâr dien helschen boei mocht klinken,
    Die ’t heilig recht verkrachtte van een — wees!
Eer hij uw wieg in ijzren banden snoerde,
    Bezegeld door ’t almachtig Vatikaan,
Die onweêrswolk, wier doodsche bliksem loerde,
    (60) Om wie ze ooit brak verplettrend neêr te slaan....
O, momber, gij! hoe kunt gij vreedzaam slapen?
    Zeg, is de ellend die mij ten grave draagt,
Geen schrikgestalt’, wier vlammend cherubswapen
    U van de poort van ’t Paradijs verjaagt?
(65) Hoe zijt gij voor het aangezicht getreden
    Uws broeders, aan de gindsche zij van ’t graf,
Toen hij u vroeg, ,,Volbracht ge uw plicht beneden?
    Geef rekenschap: de Vader vergt ze u af!’’
Hoe zult gij straks mijn aanblik kunnen dragen,
    (70) Mijn oog, verdoofd in nevelen van pijn,
Wanneer ge u voor Gods rechterstoel hoort dagen,
    En Willems schim en mijne uw klagers zijn?....
Maar waarom mij de stonde te verbittren,
    Die u-alleen, mijn Floris! toebehoort?
(75) Zoo thands nog iets mij ’t bleek gelaat doe schittren,
    ’t Zij de avondzon der teêrheid die er gloort.
Ja, mag er soms een wilder vlam herleven,
    Ze is enkel schijn: zij flikkert en zij sneeft.
Zoo moog dan God de gruweldaad vergeven,
    (80) Gelijk mijn hart haar lang vergeven heeft!
Neen, ik was niet geboren om te haten,
    Wat haat voor mij ook de andren heeft vervuld!
Verdiende ik dien? — ’k Wil Gode ’t oordeel laten,
    Zoo ’k schuldig was, mijn l i e f d e was mijn schuld.
(85) Ja, Liefde! gij, o tooverzoete dwaling,
    Neen, waarheid, die een hemel op doet gaan!
Der vrouwe zijt ge en licht en ademhaling,
    En zon en ziel en doelwit van ’t bestaan.
De Man — is niet zijn borst met erts beslagen?
    (90) Zijn roeping heeft een andre, een ruwer stem:
Hij moet het al voor ’t algemeene wagen,
    De waereld heeft een ijzren recht op hem!
Zijn liefde is in zijn leven, maar óns leven
    Is in de liefde.... een droevig onderscheid,
(95) Door orde en lot, ’k beken het, voorgeschreven,
    Maar bitter vaak en jaren lang beschreid!....

Waan echter niet dat ik u wil verwijten,
    Dat gij ’t geweld geen ijdlen weêrstand boodt,
Dat ge onzen echt, mijn Floris! los kondt rijten,
    (100) En ’t offer dorst volbrengen dat — mij doodt:
’k Weet, kon het staal ooit de uwe mij doen worden,
    Uw heldenzwaard wierd vlammend uitgerukt,
En, maetsuw gonsde en dolle lansen snorden,
    Verwinnend hieldt ge uw gade aan ’t hart gedrukt!
(105) ’k Weet, ware u ooit de keuze vrijgebleven,
    Een koningskroon of mijn bezit-alleen,
Mij hieldt gij op uw arm omhoog geheven
    Voor,’t oog der aard: de kroon zoudt gij vertreên!
Maar — schoon mijn hart ook voor die waarheid sidder’ -
    (110) ’k Weet, liefde bukt, waar de ijskoude Eer genaakt.
En gij waart meer dan Gade, gij waart Ridder:
    Eer braakt ge uw hart eer gij uw plicht verbraakt!
Gij waart der Kerk gehoorzaamheid verschuldigd,
    Gij zwoert den eed op ’t heilig Ridderzwaard;
(115) En wierd door mij uw grootheid niet gehuldigd,
    ’k Verdiende niet dat ge eens mijn gade waart!

Neen, smaak in vreê wat u nog rest te smaken
    Na mijn vertrek! Beatrix, zij is schoon,
(Geen jaloezy kleurt bij dit woord mijn kaken:
    (120) Geen valsche schaamte ontsiere uw mannenkoon!)
Ze is zacht en teêr, en mooglijk liet heur luister
    (Denk aan ’t tornooi van dien Driekoningsdag!)
U niet geheel ontsnappen aan zijn kluister....
    Och, dat mijn beeld voor ’t hare wijken mag!
(125) Maar neen.... haar oog doe u aan ’t mijne denken!
    Dát schreide al lang om uwentwil zich blind....
Zij moge u ’t hoogst geluk des levens schenken, —
    Gij weet wie zóo en méer u had’ bemind!
Mij is ’t genoeg, de zoete zelfbewustheid,
    (130) Vaak wijden zij me een zoeten tranendrop:
Daar sterf ik op met zalige gerustheid....
    Gij beide, leeft, zijt daar gelukkig op!

Maar, zoo als ik geen spijt voel opgerezen,
    Zoo moge ook u — ik verg het uit mijn graf —
(135) Nooit daarom mijn gedachtnis minder wezen,
    Wijl ik mijn hand aan Jan van Haemsteê gaf!
Mijn hand.... mijn hart, had ik dát nog te geven?
    Mijn boezem was zijn grafzerk: ’t was vernield;
Neen, ’t was bij u, in ’t uwe voelde ik ’t leven,
    (140) Éen met het uwe en door éen gloed bezield....
Hoe schets ik u dien wilden storm daar binnen,
    Toen Haemsteê mij om wederliefde bad:
Mij, die zelf wist hoe een rampzalig minnen
    Een wonde slaat die nimmer heeling had!
(145) Hij kromde zich wanhopend voor mijn voeten —
    Ik schonk hem heel mijn innigst medelij’,
Maar liefde — neen! al had ik sterven moeten,
    Ik had ze niet: niets liet mijn Floris mij!
Neen! neen! daar kón geen aarzling zijn: verloren
    (150) Voor u, zou ’k nooit in deze rampwoestijn
Als echtgenoot een ander toebehooren,
    Zou ’t weduwkleed voor immer ’t mijne zijn.
In de eenzaamheid het wuft gewoel ontvloden,
    Dat ik — och nooit gezocht heb of bemind,
(155) Zou ’k treuren om den dierbren levend-dooden,
    En voorts — geheel mij wijden aan mijn kind!
Was hij in staat de waereld in te treden,
    Dan gaf ik die voor eeuwig mijn vaarwel,
En hemelbruid, in psalmen en gebeden
    (160) Beidde ik den dood in de enge kloostercel.
Zóo was mijn wil; maar wat wij menschen willen,
    Slechts God beschikt.... Nog lag van Haemsteê daar:
’k Zocht vruchtloos zijn onstuimigheid te stillen:
    Zijn liefde en rede, of vuur en ijs een paar?
(165) Toen liet hij zich in wilde teêrheid hooren,
    Half fluisterend met bleekbestorven mond:
,,’t Was hem bekend (zoo sprak hij) hoe te voren
    De liefdeband aan Floris mij verbond....
Hij wist.... een vrucht.... maar wee! die durfden smalen:
    (170) Hij was verwond in kampstrijd voor mijne eer,
Duur had zijn zwaard den hoon reeds doen betalen:
    Een schender viel zieltogende ter neêr...,
Ik stond ter prooi aan duizende gevaren,
    Haat, Nijd en Spot, ’t was al op mij gericht,
(175) Hij wilde mij beschutten en bewaren,
    Hij, vader zijn van ’t vaderloze wicht....’’
Toen brak op eens mijn hartstocht uit heur dammen,
    De duive werd een woedende leeuwin,
De fierheid blies mij ’t vrouwlijk bloed in vlammen,
    (180) Die hoon drong mij als vuur den boezem in:
Wat! Floris’ kind, ons huwlijkspand, een bastert!
    Een Van der Sluis geschandvlekt als een sloor!....
Bij God die leeft, dat heeft de hel gelasterd!
    Gerechte straf, driedubble wraak er voor!
(185) Wee! (voer ik voort) onridderlijke Riddren!
    Vertreedt ge aldus een weereloze vrouw?
Maar waant niet, dat uw boosheid mij doet siddren:
    Mijn eergevoel is sterker dan mijn rouw!
De waarheid zal de logen weg doen zinken,
    (190) Al rijst zij ook op Agnes’ grafgebloemt’,
En vreeslijk zal u eens het wraakzwaard blinken
    Van ’t Koningsbloed, dat gij een Bastert noemt!....’’
Ik kon niet meer; een bittre tranenregen
    Verving mijn drift, als hemelvocht d’orkaan;
(195) De Vrouw hernam heur rechten: neêrgezegen
    In machtloosheid, was ’t al voor mij vergaan.
Toen ’k mij hervond, omsloten Haemsteê’s handen
    Mij ’t kloppend hoofd, dat op zijn schouder boog;
Geen wanhoop deed zijn zachten blik meer branden,
    (200) Slechts teêrheid blonk uit zijn meêlijdend oog:
Een purpren blos bedekte mij de wangen,
    ’k Rees op: toen vloeide een tweede tranenvloed,
Thands niet ontperst door snerpend boezemprangen
    Maar lenigend en zalvend voor ’t gemoed.
(205) Een zacht gevoel doorstroomde mij het harte,
    Weemoedig als een najaarsavond is:
Een mengeling van bitterzoete smarte,
    Verlatenheid en stille erkentenis.
Hoe anders was van Haemsteê mij geworden:
    (210) Geen minnaar meer, met honig op den mond,
Maar broeder, die zich ’t harnas aan zou gorden,
    Wie ooit den naam der dierbre zuster schond’;
Maar held, die fier in ’t kampperk was getreden,
    Die heel een drom ter dood had uitgedaagd,
(215) Die voor de deugd der Moeder had gestreden,
    Voor de eer úws Zoons zijn leven had gewaagd!
Ik voelde ’t, hèm, hèm was mijn onschuld heilig:
    Hij minde mij, en had mij toch bemind
Zoo ’k schuldig waar’; — ’k was in zijn hoede veilig,
    (220) Hij kon een staf, een schild zijn voor mijn kind....
Mijn trotschheid sprak: ,,Hèm moet uw reinheid blijken,
    Voor de anderen kunt gij verachting voên,
En zou uw hart voor ’t offer ook bezwijken,
    Gij moet bij hém uw schuld te niete doen!’’

(225) Eer de avond viel, herhaalden woud en velden,
    Den hoefslag van drie kleppers: Haemsteê-zelf,
Uwe Agnes en een trouwe schildknaap, snelden
    Daarheen, als droeg ons ’t vliegend wolkgewelf.
Hem gold het, hem, den Priester, van wiens handen
    (230) De zegen op ons hoofd was neêrgedaald,
Die voor ’t altaar de reine huwlijksbanden
    Naar d’eisch der Kerk om ons had toegehaald.
Hij zou ’t bewijs in plettrend schrift verschaffen,
    Dat heilige echt, geen ongewijde vlam,
(235) Ons, Floris, bond: hij zóo den laster straffen,
    En storten in de hel, waaruit hij kwam.

Wij vonden hem.... niet ver van Brabants palen
    Bewoonde bij, om, warsch van ’t aardsch gedruisch,
In de eenzaamheid zijn beden te herhalen,
    (240) In ’t monnikskleed een stille steenrotskluis,
’k Verhaalde hem mijn lijden en begeeren....
    Maar — o, mijn vriend! hoe schets ik u de ellend,
De schaamte en schand’, waartoe ’k mij zag verneêren,
    Toen ’t antwoord klonk: ,,Ik heb u nooit gekend!’’
(245) Dát was het werk dier snoode Aleid! Verbolgen
    Nam zij dus wraak, de dolle tijgerin:
Zij had gewaand dat gij uw hart zoudt volgen,
    Dat gij uwe Eer zoudt offren aan uw Min.
Van dáar dat zij onze’ echt steeds tegenlachte!
    (250) De banvloek zou u bliksemen op ’t hoofd,
En gij (dt was de toekomst die zij wachtte)*
    Gij kwijndet weg, van kroon en staf beroofd.
’t Bekuipte leen zou tot haar kindren komen,
    Uw puinhoop zou de grond zijn van haar macht;
(255) ’t Zou om haar heen van weelde en schatten stroomen,
    En, na haar dood, om heel heur nageslacht!

Die hoop verdween: uw ridderlijk geweten
    Bleef in d’ orkaan der driften onverwrikt.
Haar droom had uit: dat kon zij niet vergeten!
    (260) Dat vergde wraak, of ’t harte waar’ gestikt!
En welk een wraak zou nu haar zoeter smaken,
    Dan als ze in ’t oog der lichtgeloovige aard
Uwe echtgenoot tot een boelin kon maken,
    Die u een zoon der zonde had gebaard!....
(265) En dáarom moest die outerdienaar zwijgen,
    Door zwart bedrog tot haar belang gebracht!
Maar hoe de waan der boosheid moge stijgen,
    Een Englendrom houdt over de Onschuld wacht.
God kneedde ’t hart des Priesters op mijn bede:
    (270) En toen ik weêr terugkeerde op mijn slot,
Droeg ik ’t bewijs dier onschuld met mij mede,
    Die, even rein, straks naadren zal tot God!

Och, of ge wist hoe Haemsteê heeft gestreden,
    Hoe hij voor mij de wereld heeft getart!
(275) Hoe hij voor mij in stilte heeft geleden,
    En álles voor mij veil had naast zijn hart!
Hoe hij niet rustte eer hij d’ oneedlen Eedlen
    Met woord en daad mijn vlek gereinigd had;
Totdat ze hem vergifnis kwamen beedlen
    (280) En eerbiedvol zich bogen op mijn pad!
Toen mocht mijn hart niet langer tegenstreven:
    Wat vroeger mij deed siddren, werd nu plicht.
De erkentnis dwong: ik heb mijn.... hand gegeven....
    ’k Werd Haemsteê’s gade.... Ik heb als gij gezwicht!

(285) Sints is een jaar onmerkbaar heengevlogen,
    Maar ach, wat was van Haemsteê’s liefde mij,
Mij, lelie door de stormen neêrgebogen,
    Mij, eenzaam lam in ’s levens woestenij?
Zijn trouwe min, zijn teêrheid kent geen grenzen,
    (290) Maar ach, zij drukt me, een looden last gelijk;
Tot éen alleen versmelten al mijn wenschen:
    Verlossing uit dit ondermaansche slijk!
Neen! wee dengeen die dus zich-zelv’ bedriegen:
    Geen Dankbaarheid en Liefde worden éen!
(295) Gevleide trots moge ons in sluimer wiegen,
    We ontwaken, en — ’t gedroomd geluk verdween!
O Floris! u omhelsde ik in zijne armen,
    U gold de kus, dien ik zijn lippen schonk,
Gij leefde in ’t hart, dat d’ egâ moest verwarmen,
    (300) Gij, in den traan, dien hij me uit de oogen dronk.
Helaas, ik wil mijn dubble schuld belijden:
    Ik kende ’t kwaad, en — kweekte ’t in de ziel....
Maar o, wat vrouw zou zúlk een worstling strijden,
    Waarin ze niet verwonnen nederviel?
(305) Ik — kwijnde er door, als sneeuw voor ’t zonneblaken....
    Dat ’s nu voorbij : ik voel geen lijden meer,
En bid alleen dat God het kort moog’ maken:
    ’t Gebroken riet bloeit hier toch nimmer weêr!
De Hemel moog’ mijn echtgenoot vergoeden
    (310) Voor ’t geen ik hem, helaas! niet geven mocht!
Hij moog’ mijn kind verzorgen en behoeden:
    ’k Heb voor mijn rust van hem die zorg gekocht.

Mijn kind?.... ons kind, uw zoon, uw bloed, uw leven!
    Neen, ’k vraag voor hem geen zorg van vreemden af:
(315) Zijn moeders schim zal zeegnend hem omzweven;
    Zijn vader leeft.... ik daal gerust in ’t graf!....
Wat woelt, wat bruischt, wat vonkelt mij door de aadren?
    Hoe! ziet mijn oog de toekomst zich ontplooid?
De Leeuw van keel, de koningsleeuw der Vaadren,
    (320) Versiert zijn schild, met Heusdens rad getooid!....
Wat vuurkomeet vlamt daar aan ’t hoofd der Riddren?
    ’t Is Witte’s zwaard: ’t schiet bliksems uit zijn hand!
’k Zie Vlaanderen in killen doodschrik siddren,
    ’t Galmt ,,Witte leev’, ’t behoud van ’t Vaderland!’’
(325) ’k Zie hem gekroond met eeuwge lauwerblâren!
    Zijn loftrompet dreunt ’s aardrijks omvang door!
De star des Roems omstraalt zijn blonde hairen,
    Zijn aanschijn blinkt van meer dan zonnegloor!
De trekken, ja! het zijn zijns vaders trekken:
    (330) Zóo beb ik hem als jongeling gekend!....
Maar.... eensklaps.... zie! wat wolken overdekken
    Dit heiltooneel.... Ach, werwaards mij gewend?....
Wat doodsch moeras! Luid knersende opgevlogen,
    Omfladderen de raven mij het hoofd....
(335) Wat reuzenvorm staat dwarrlend voor mijn oogen?
    Hoe doodsch zijn blik, door nevelen verdoofd!
Een vriezende angst doorvaart mij de ingewanden
    ’k M o e t naadren, al ontvliegt mij ’t bloed de wang...
Een bijbel ligt geopend in zijn handen:
    (340) Zijn vinger wenkt.... ’t is Davids Psalmgezang:
’k Lees: ,,Zelfs de man mijns vredes, wien ’k vertrouwde,
    Wien ’k van mijn brood deed eten, heft den voet
Verplettrend op’’... Maar — ’t blad wordt nat... wat dauwde
    Daar neêr?... het stroomt!... O gruwel! het is bloed!...
(345) Daar blinkt de dolk die d’ eersten Floris moorde!....
    Wie zijn die vier? Zijn ’t tijgers, wie de tred
Des jagers in hun eenzaam boschhol stoorde
    O mijn gemaal, mijn Floris, red u, red!
Ach, ’t is vergeefs! Daar ligt hij neêrgeslagen!
    (350) Daar vliedt, daar vlot, daar zweeft zijn heldengeest!
Daar wordt zijn lijk naar Alkmaer heengedragen!....
    Het is gedaan.... de duivlen vieren feest!....
Heb ik gedroomd? — Van ’t kille zweet bedropen,
    Hervind ik mij.... het schrikgezicht verdween.
(355) Ja, ’t was een droom.... Ik zie den hemel open,
    Het Heilige der Heilgen.... ’k vlieg er heen!
Dát is géen droom.... die Englen, die daar treden,
    Dat harpmuziek, lofbruischende aan den Heer!
Mijn ziel smelt weg in hemelszaligheden:
    (360) Mijn kind, mijn ga, mijn Floris, ’k heb u weer!