Heldinnenbrieven in De Kosmopoliet:

De Kosmopoliet verscheen in 1776 en 1777 in 105 wekelijkse
afleveringen onder redactie van Otto Christiaan Frederik Hoffham.

aflevering 16:
        Julia aan Florindor (1)
        Florindor aan Julia (1)
        Julia aan Florindor (2)
        Florindor aan Julia (2)
        Julia aan Florindor (3)
        Florindor aan Julia (3)

aflevering 21:
        Reinhart aan Karel (door P.J. Uylenbroek)

aflevering 43:
        Antigonus, koning van Macedonieën aan Zeno, den philosooph.
        Eelhart aan Julia.
aflevering 68:
        Sabina van Beieren, gravin van Egmond, aan koning Philips, den Tweeden. (books.google)
        Sabinus aan Eponina. (books.google)
Continue
[p. 121]

DE

KOSMOPOLIET.
______________________________________________________

No. 16.
Den 15den April, 1776.
______________________________________________________

Pugnando vinci, se tamen illa volet.
OVIDIUS.

Ik zal mynen leezeren heden een zestal brieven mededeelen, die voor korten tyd geschreven, en, door zeker toeval, oorspronglyk my ter hand gekomen zyn. Ik vlei my dat zy in ’t algemeen niet geheel mishaagen zullen. Het is een briefwissel tusschen twee gelieven, nadat de minnaar, met de wreedste koelzinnigheid van zyne minnaares behandeld, van haar gescheiden, en verpligt was zyne maagschap in eene nabuurige provintie te bezoeken. Onnoodig acht ik het eene verdere inleiding vooraf te plaatsen; alzo ik vertrouw dat de schoone schryfster, dat dartel en levendig meisje, zichzelve, en de looze grilligheid haarer kunne, genoegzaam zal doen kennen. Alleen zal ik aanmerken, dat, naardien haare brieven wel het hoofdonderwerp van dit blad uitmaaken, die van haare minnaar meerendeels tot schaduw aan dezelven kunnen dienen; en ’er voornaamlyk bygevoegd zyn om een onderling verband te vormen. Dit is ook de reden, dat ik den eersten brief, die de kwynende Florindor aan zyne geliefde Julia schreef, geheel achterwege gelaaten heb. Maar hooren wy de loosvermomde minnaareszelve spreeken:

MYN HEER!

Gy schryft my, niettegenstaande ik u zulks, toen [p. 122]
gy van my scheidde, uitdruklyk verboden heb? — Immers was myne laatste betuiging, u te zullen vergeeten; en ook beval ik u, niet meer aan my te gedenken. — Deeze uwe ongehoorzaamheid moet my billyk tergen; en ik zoude uwen onbescheidenen brief gewis niet beantwoorden, indien ik zulks niet deed, om u myne gevoeligheid over uw gedrag te kennen te geeven. — Ik schryf u dan deezen, en om het laatste woord te willen hebben, en om u nogmaals te gebieden, nooit weder aan my te schryven, maar my te vergeeten; gelyk myn oprecht voorneemen omtrent u is! Ook was ik, geduurende uw afzyn van vyf dagen, hierin reeds zowel geslaagd, dat ik, toen ik uw’ brief ontving en met den naam Florindor onderschreven zag, allereerst my zoras niet kon herinneren wie de schryver daarvan zyn mogt: doch deszelfs laffe inhoud bragt my allengs uit myne aangenaame vergeetelheid, en deed my bloozende weder aan u denken. — Hoe het zy, ik herhaal het met nadruk, vergeet my, en schryf my nooit weder. — Hebt gy tot hiertoe gelukkig en gezond gereisd? — doch ik bedenk niet dat ik geen antwoord van u afwachten wil. — Gy moet deeze vraag dus slechts als een nietsbeduidend kompliment aanmerken. — Ik sluit met u te bezweeren (ik kan niets krachtiger bestaan) van my nimmer weêr te schryven; dewyl ik anderszins verpligt zoude zyn, zulks aan u ook weder te doen: naardien ik voorgenomen heb het laatste woord van u te willen behouden. En gy weet, daar gy my zulks by uw vertrek zocht te betwisten, dat ik u, toen gy byna reeds uit myn gezigt waart, nog nariep, gelyk ik thans voor het laatst doe — vaarwel!

JULIA.
Den 14den Febr., 1776.

MYNE GELIEFDE!

Het laatste woord kan ik u niet laaten; en indien gy zulks poogt te verkrygen zie ik my nog met eenen reeks levendige brieven van uwe lieve hand [p. 123] vereerd, en in ’t einde mynen wensch vervuld. — Althans ik laat u het laatste woord niet, ten zy, en alvorens dat bestaa in een teder Ja. — Het is waar, uw wreed bevel aan my was, u niet te schryven, u te vergeeten; doch bedenk, myne waarde! of het myn blaakend hart mooglyk zyn kon, zich aan zulk een’ strengen eisch te onderwerpen, en tot dien trap gehoorzaam te zyn? — Hoe weinig kent gy my, indien gy dit hebt kunnen verwachten! — Ongelukkig kon ik toch slechts éénmaal worden: en wierd ik zulks niet eerst door myne wederspannigheid, ik was het reeds in myne onderwerping. — Ik verklaar, ondanks uwe bezweeringen, dus volmondig, u in eeuwigheid niet te zullen vergeeten! — Ach! mogt gy uw yslyk voorneemen, om my te vergeeten, door uw eigen hart verydeld zien! Ten minste wilde gy zo goed zyn, om my van tyd tot tyd te berichten wat vorderingen gy in uwe vergeetelkunst maakt. — De zege van het laatste woord zal daardoor telkens aan uwe zyde blyven. — Vergeef deezen kleinen scherts, myne geliefde! — Maar reeds te veel nuttelooze taal gebruikt. — Ik bid u, myne Julia! houd aan met my het laatste woord te betwisten; of veelliever bekroon mynen wensch met een toestemmend Ja: zo besterve Liefde! als het laatste woord in uwen beminlyken mond! — Ik steun op uwe waarheid, die my verzekert eerlang weder eenen lieve brief van u te zullen bekomen. Myne hoop en verlangen zullen onderwyl vuurig blaaken. Nimmer, myne geliefde Julia, zegge ik u — vaarwel! — Dit alleen zeg ik, dat ik met de zuiverste hoogachting onophoudelyk ben

Uw tedere minnaar
FLORINDOR.
Den 19den Febr., 1776.

MYN HEER!

Ik zal u het laatste woord zolang betwisten als ik kan; doch ik had u nooit voor zo weêrspannig [p. 124] gehouden, en my gevleid dat gy my, wanneer ik u iets gebood, beter zoud gehoorzaamen. Maar, in waarheid, de minnaars zyn gelyk de kinderen, welken men slechts eene zaak behoeft te verbieden, om hen daartoe aantespooren. — Gy wilt dan het schryven niet nalaaten, noch my vergeeten? — slecht genoeg! — Het lust my echter niet, om tot myn einde toe my met u schriftlyk te onderhouden: en om derhalve langs den kortsten weg van uwe onbescheidenheid ontslagen te worden, en het laatste woord te behouden, wil ik u, ten gevalle, in deezen brief wel een JA met groote letteren plaatsen: indien gy nu deszelfs tederheid naar zyne grootte afmeet, zult gy, hoop ik, voldaan zyn, en my nu voor ’t minst nooit weder schryven. — Welke grillen, dat het laatste woord huist in een Ja: moet bestaan! — Ik zal op onderscheidene zotheden, die gy in uw kort schryven mengt, niets antwoorden; dewyl het alsdan schynen zoude, alsof ik behaagen schepte my met u intelaaten. — Maar waartoe dient die geheele brief dan om met niets ter zaak doende woorden, myn wettig recht te bestryden? — Juist het hoofdzaaklykste, waarover gy kwanswys met eengen schyn aan my had kunnen schryven, is daarin niet te vinden. — Gy moet wel bot of onoplettend zyn. — Vergeef my dit, mynheer! — Zeer onbezonnen vroeg ik u in mynen brief, of gy tot dusverre gelukkig en gezond gereisd had; en die wezendlyke vraag, welke ik , uit verlegenheid, u nog deed opmerken, gaat gy stilzwygend voorby. Ik heb dus reden u te bedanken voor het geloof dat gy in myn zeggen stelt, om die vraag slechts voor een kompliment aanteneemen; maar een ander minnaar zou zich daarvan beter bediend, en my wys gemaakt hebben dat — doch het is myne zaak niet om u in deezen opzigte lessen te geeven. — Ook moet gy niet waanen dat ik hierop staan blyve, omdat my iets aan uw welzyn gelegen ligt, of dat ik deswege bezorgd ben: ik toon u slechts hoe weinig gy uw spel verstaat. — Maar daarentegen, welke ge- [p. 125] meenzaamheid! — my uwe geliefde, uwe Julia te noemen! — Immers noemde ik u nooit myn geliefde, myn Florindor. — Wanneer gy by my waart, gaf uwe zedigheid, die ik prees, my nooit zulke troetelnaamen; en nog in uwen voorigen noemde gy my billyker, mejuffer. — Of ben ik thans uwe juffer niet meer? — Het schynt hoe verder gy van my verwyderd raakt, hoe meerder moeds gy krygt. — Gelukkig dat uwe reize alle gevaar voor my doet verdwynen! — Doch — kortom ik heb in deezen brief nu een onverschillig Ja geplaatst: en dewyl ik daardoor volgens uwe eigen uitspraak het laatste woord bekome, zo verwacht ik, met reden, na deezen nimmer eenige letteren meer van u. — Vergeet my van goeder harten. — Of, zo gy kwaadwillig zyt, dat de hemel uw geheugen verzwakke! — Ontfang alles wat gy ooit van my nog te wachten hebt, met dit laatst — vaarwel!

JULIA.
Den 24sten Febr. 1776.

MYNE TEDERBEMINDE!

Dit opschrift bewyst dat gy wezendlyk nog myne juffer, ja het leven van myn leven blyft. — En wat myn’ laatsten brief betreft, schoon ik beken dat myne verwarring daarin niets zaaklyks heeft uitgedrukt, dezelve had echter het edele doel om u van myne standvastige liefde te verzekeren. — Over deeze twee punten oordeele ik my verpligt u te antwoorden; naardien gy daarby wel uitdruklyk vraagtekens geplaatst hebt — maar behalve dit, is uw onverschilig Ja, hoe groot het zy, van geene kracht om u daardoor het laatste woord toetestaan. — Ook moet ik billyk nog op uwe voorige vraagen u bericht geeven; ’t welk ik by mynen laatsten verzuimd heb. Ik heb tot hiertoe, den hemel zy dank! vry gelukkig gereisd; doch het hartzeer en de smart hebben my recht krank gemaakt: en dit is de oorzaak dat myne voorige brieven, en ook de tegenwoordige, zozeer verward, koud en slaaperig geschreven zyn. — Maar dit [p. 126] alles acht ik niet, en vertroost my met de hoop, dat gy, myne tederbeminde! nog een volmaakt welzyn genieten zult; ’t welk ik met reden uit uwe levendige gedachten durf besluiten. — En dit is my de grootste vreugde! — Op dit oogenblik heb ik nog het laatste woord, myne Julia; en meer behoef ik u niet te zeggen. Ach! dat uw volgende my een gewenschter Ja meldde! — Het is niet noodig dat het groot zy, indien het slechts teder is — ô myne geliefde! om onbetwist steeds aan het woord te blyven, schryf alleenlyk: Myn Florindor, ja, ik bemin u, en wil de uwe worden, zo heeft myn smart een einde ;en ik zal my op vleugelen der liefde weder tot u spoeden, om my op de tederste wyze mondeling te noemen, ’t geen ik thans nog schriftlyk doe

Uw blaakende minnaar
FLORINDOR.
Den 29sten Febr., 1776.

MYN FLORINDOR!

Ja, ik bemin u, en wil de uwe worden! — Ziedaar dan, om een eind van zaaken te maaken, alles wat gy eischt u ingewilligd. Zelfs deed ik meer dan gy van my vorderde; dewyl ik by de verlangde woorden nog twee uitroeptekens geplaatst heb, die gy vergeeten had. — Voorwaar, zesmaal meer zoude ik willen schryven, om eindelyk het laatste woord te behouden, en u een eeuwig stilzwygen en vergeetelheid optedringen. — Nu zult gy toch voldaan zyn en de pen nederleggen; want ik merk wel, het is u slechts te doen om u te konnen beroemen, dat een jong meisje aan u geschreven heeft, gelyk ik nu reeds deed: Myn Florindor! ja, ik bemin u, en wil de uwe worden! — en naardien ik volstrekt op geene andere wyze van uwen lastigen briefwissel kan ontslagen worden, schryf ik zulks met vermaak. — Hiermede is dan nu alles afgedaan, en gy staat my het laatste woord toe. — Alzo — Gy reisde vry gelukkig, doch hebt hartzeer en smart gevoeld? — ’t Spyt my; maar ik zal my wel wachten u te vraagen, of uw hartzeer misschien door een’ dronken voerman, en uwe smart mooglyk door een’ hollen kies veroorzaakt zy: dewyl, nu ik de zaaken op zulk een’ goeden voet heb, dit de onvergeeflykste onvoorzigtigheid in my zyn zoude; te meer, daar gy zo naauwkeurig op de vraagtekens let. — Maar naardien gy meent dat de woorden: Myn Florindor! ja, ik bemin u, en wil de uwe worden! uwe smart (het zy die kies- of oorpyn is) [p. 127] zullen geneezen, twyfel ik niet of gy zyt onder het leezen van deezen brief, daarvan reeds ten eenemaal bevryd: doch nooit had ik aan uwen naam, in dien samenhang van klanken bevat, zodaanig eene toverkracht toegeschreven. — En ik zoude wel wenschen te verneemen, of dat heksengebed inderdaad, voor uwe kies-maag- of andere pyn, van goed gevolg geweest zy; indien zulks, zonder bericht van u te ontfangen, kon geschieden. — Zoude het misschien, als ik eenige smart gevoelde, my ook kunnen geneezen, wanneer ik uitriep: Myn Florindor! ja, ik bemin u, en wil de uwe worden? — Ik ben somtyds wel met hartkloppingen geplaagd, en wanneer my die weder overvallen, zal ik de proef neemen, en uitboezemen: Myn Florindor! ja, ik bemin u, en wil de uwe worden! — maar zagt — ik vrees die woorden my zo eigen te maaken, dat ik ze veellicht als ik droome wel eens zoude kunnen uitgillen. — En wat zou myn moeder dan niet wel denken? Kwalyk zoude ik haar kunnen beduiden, dat dit zeggen een hulpmiddel voor myn hartkloppen ware. — Voorts zie ik dat gy koud en slaaperig zyt. — Myn raad hiertegen is, dat gy u maar warmpjes moet kleeden: en zo gy by het ontfangen van deeze letteren nog slaaperig zyt; zo onder het leezen derzelven u de oogen toevallen; gaa dan straks te bed, leg deezen brief onder uw hoofdkussen, en wie weet wat aangenaame droomen gy dan licht krygen zult! — Ik dank u voor het deel dat gy in myn welzyn neemt. — Ik ben zeer gezond; en kan het wel anders zyn, daar ik volkomen vernoegd ben, en geheel geen kwelling of verdriet heb? — Ja, het schynt dat ik fleuriger en vrolyker worde, naarmate dat gy u verder van my verwydert. — Toen gy by my waart kwynde ik over de dood van myn hondje. — Nu heb ik den rouw afgelegd, en gy zoud my niet kennen. — Maar laat ik toch sluiten. — Want ik moet my schaamen steeds langer brieven aan u, dan gy aan my, te schryven. — Gy hebt uw’ wensch, en alles is ten einde gebragt: ook hebben wy elkander reeds genoeg moeite en briefgeld veroorzaakt; en omtrent wezendlyke zaaken zyn korte mondgesprekken steeds voldoender dan langwylige briefwisselingen doch — hemel! wat schryf ik? — Dit onvoorzigtig zeggen is het rechte middel, om eindelyk my u nog wel geheel op den hals te laaden. — En zeker, indien dees brief niet reeds zoverre gevorderd was, zoude ik dien geheel verschryven, en die onbedachtzaame uitdrukkingen ’er uit laaten. Maar de post staat te vertrekken. —
[p. 128]
    Nogmaals dan, vaarwel, en vergeet my! — Ik beloof oprechtelyk uwer niet meer te zullen gedenken; en schoon ik door hartkloppingen genoodzaakt worde uitteroepen: Myn Florindor! ja, ik bemin u, en wil de uwe worden! de geduurige herhaaling deezer woorden zal dezelven in mynen mond zo onverschillig maaken, dat ik daarby even zo weinig om u zal denken, als myne moeder om haaren parfumeur denkt, wanneer zy zich blanket. — Voor ’t allerlaatst, vaarwel! — Uit overmaat van toegeevendheid sluite ik, gelyk ik begon met uwe verlangde tovertaal — Myn Florindor! ja, ik bemin u, en wil de uwe worden!

JULIA.
Den 6den Maart, 1776.

BEMINNELYKSTE JULIA!

Hoe verrukt wierd ik by het leezen van den aanvang van uw laatste lieve toeschrift! maar hoe dra wierd ik uwe loosheid en myne dwaaling ontwaar! — doch, hoe het zy, myn smart, die nergens dan in ’t harte plaats heeft, is door de lieve tovertaal, die uit uwe pen vloeide, grootelyks verminderd. En schoon my, in waarheid, onder het leezen van uwen bekoorlyken brief alle vaak ontvlood, ik heb echter, uit een soort van dartelheid, denzelven onder myn hoofdkussen gelegd, en my zyn daardoor zulke zoete droomen in ’t brein gekomen, dat ik binnen weinig dagen weder by u hoop te zyn, om u die te verhaalen, en om u het wezendlyke waarop ik aantedringen heb, niet meer in koel geschrift, maar met tedere lippen voortestellen. — En schoon gy my myn verward en kort schryven billyk verwyt, zal ik, op het aanstaande blyde mondgesprek reeds staarende, thans korter zyn dan ooit; en my met den zuiversten eerbied slechts zolang tekenen

Uw aanhoudende vierige minnaar

FLORINDOR.
Den 11den Maart, 1776.

Florindor verscheen; en als Julia hem zag naderen kreeg zy hartkloppingen, en riep uit: Florindor! ja, ik bemin u, en wil de uwe worden! — Zy zwichtte voor zyn hevig verlangen; haare dartelontveinsde tederheid borst uit in vollen gloed; en het paar gelieven staat thans het genot van een’ blyden echt te smaaken.



[p. 161]

DE KOSMOPOLIET.
______________________________________________________
No. 21.
Den 20sten May, 1776.

In amore haec omnia insunt.
TERENTIUS.




REINHART
AAN
KAREL.

Schoon ik uit Zeeland u reeds vruchteloos heb geschreven,
    ô Vader, sints ge in toorne u doof hield voor myn klagt,
Ik schryf u echter weêr, door hoogen nood gedreven,
    Nu ’t lot my voor een jaar alreede in Vrankryk bragt.
(5) Ik moet u eindelyk myn droeve reis verhalen;
    Ik moet de rampen van een zwervend huisgezin,
Eer ge onbevredigd sterft, u in geschrifte malen,
    Opdat ik, naar myn hoop, uw streng gemoed verwinn’
Zo Reinharts ongeluk uw’ toorn niet kan verzagten;
    (10) Zo ’t Karel niet beweegt tot deernis met myn smart;
Ik schep ten minste lucht door ’t uiten myner klagten:
    En wie ontzegt dien troost aan een wanhopig hart?
Gun my slechts tot de bron van myn te felle elende
    Noch eens terug te gaan, ten ende gy moogt zien,
[p. 162]
(15) Hoe ongegrond uw haat... Wat zeg ik? neen; ten ende
    Ikzelf veeleer ontdek of ik dien haat verdien.
’k Was jong; natuur had my een teder hart geschonken;
    Ik zag Lucinde; ik wierd weldra van min doorgloeid:
Geene ongeschikte drift kon my tot haar ontvonken;
    (20) Geen wulpsche neiging hield myn kwynend hart geboeid.
Zy was bevallig; zy was deugdzaam; maar, ô smarte!
    Het waardig voorwerp van myn liefde was niet ryk.
Ik minde een kunstloos schoon, ik minde een deugdzaam harte.
    Was hier een misdaad in? was zelfs daarvan een blyk?
(25) En was ’t een wonder dat myn hart de deugd beminde?
    ’k Was immers Karels zoon! Ik, door myn drift geleid,
Verklaarde, voor de vuist, myn neiging aan Lucinde,
    En zwoer haar liefde en trouw voor tyd en eeuwigheid.
Myn schuldelooze ziel kon in het minst niet vreezen,
    (30) Dat gy, dien ’s Hemels gunst op ’t mildst gezegend had,
De deugd, de schoone deugd niet zoud genegen wezen,
    Als zy geen’ overvloed van tydlyk goed bezat.
’k Beleed u, zonder schroom, myne ongeveinsde liefde;
    ’k Beleed dat my Lucinde in oog en hart beviel.
(35) Gy schold, gy vloekte straks myn neiging, en doorgriefde
    Metéén, op ’t oogenblik, myn teêrverliefde ziel.
Ik was oprecht: myn’ eed, de schoonheid toegezworen,
    Wilde ik niet schenden. ’k Dacht weldra, door goed beleid,
Uw’ afkeer voor myn liefde in uwe borst te smooren,
    (40) En vleide zelfs my reeds met uw genegenheid.
Ik dacht, wanneer ge eens lette op de inspraak van uw reden,
    Dat ge in een ander licht de deugd beschouwen zoud.
Gy had meer schatten dan gy voegzaam kost besteden,
    Meer dan vereischt wierd tot een vorstlyk onderhoud.
[p. 163]
(45) ’k Dacht dat ik my met recht uw gramschap waardig maakte,
    Als ik myn’eed verbrak en trouwloos minnaar wierd.
Dit alles, wél gewikt, daar ik van liefde blaakte,
    Was oorzaak dat myn drift de teugel wierd gevierd.
’k Volbragt dan myn belofte; ik trad in d’echt; maar tevens
    (50) Voltooide ik ook myn ramp: daar ik, na bange smart,
De deugd in de armen viel in ’t hagchelykst uur myns levens,
    Verstiet myn vader me uit zyn’ arm, zyn oog, zyn hart.
Ziedaar den waren grond van al myn leed en plagen.
    Het weinig geld dat ik in eigendom bezat,
(55) Was in myn’ echtenstaat verteerd in weinig dagen,
    Zodat ik anders niets dan ramp voor oogen had.
Wat zoude ik thans bestaan? ’k poogde u noch eens te spreken;
    Vergeefs! gy wilde my niet voor uwe oogen zien.
Toen ben ik hopeloos uit Amsteldam geweken;
    (60) ’k Besloot niet slechts die stad, maar Neêrland zelfs te ontvliên.
’k ben met myne echtgenoot’ naar Middelburg getogen:
    Haar maagschap woonde daar, een braaf maar arm geslacht:
’k Vond daar, schoon al geen hulp, ten minste mededoogen;
    ’k Heb op myn bede uw gunst daar ook vergeefs gewacht.
(65) Ik smeedde toen ’t ontwerp in myn verwarde zinnen,
    Om naar Amerika te trekken met myn vrouw.
’k Hoopte op een Duitsch kantoor daar ’t brood te zullen winnen;
    ’k Dacht dat myn vlyt my voor gebrek behoeden zou.
’k Ben met een’ zeekaptein straks overééngekomen.
    (70) Wy gingen eerlang scheep. De vlotte kiel lag reê.
Het was in wintermaand; doch weêr, en wind, en stroomen,
    ’t Begunstigde alles ons. Wy staken dra in zee.
’t Gelukte ons met veel spoeds de hoofden door te streven,
    Daar zich de kust allengs aan ons gezigt onttoog;
[p. 164]
(75) Zelfs zagen wy welhaast, al vliegend voortgedreven,
    Het einde van ’t kanaal verdrwynen uit ons oog.
Nu hoopten we ook eerlang de streek te zullen vinden,
    Die ons, tot verdre reis, volstrekt noodzaaklyk was;
Doch mist, en donkre lucht, en omloop van de winden,
    (80) Verydlende onze hoop, misleidden ons welras:
Wy zworven, dagen lang, op ’t vreeslyk ruim der baren,
    Met nevelachtig weêr, in bange onzekerheid.
Maar eindlyk klaart het op; de wind raakt aan ’t bedaren;
    Waaruit de stuurman ons een’ zwaren storm voorzeit.
(85) ’t Gebeurde ook. Een orkaan, in ’t westen opgestoken,
    Barst woedend los. De lucht word zwart; de zon gaat schuil;
De bliksem licht; de donder loeit; de golven koken;
    De winden gieren langs den vloed met naar gehuil.
Nu word ons slingrend schip ten hemel opgesmeten;
    (90) Dan ploft het yllings in der watren afgrond neêr;
De bliksem heeft de mast geheel vanééngespleten.
    ’t Maalt alles ons de dood in zulk een woedend weêr.
In ’t eind’, van roer en mast beroofd, ten prooi der golven,
    Daar wind, daar vloed ons naar Bretagnes kusten dringt,
(95) Geraken we op een bank, waar ’t schip, byna bedolven,
    Zich vastzet, kraakt, en scheurt, en ras aan stukken springt.
Ik, midden in dien nood, min voor myzelv’ verlegen,
    Dan voor myn tedre gaê, toen in myn’ arm beklemd,
Bereik met haar, ’k weet niet door wat byzondren zegen,
    (100) Een zwaar stuk houts, naar ’t welk ons scheepsvolk vruchtloos zwemt.
De wind, tot ons geluk, bleef uit den westen waaijen.
    Wy, dryvende op ons wrak in ’t akligst oogenblik,
Nu overstelpt door ’t nat, dan in het schokkend zwaaijen,
    Geslingerd naar de lucht, en styf van koude en schrik,
[p. 165]
(105) Geraken, eindlyk, door de branding van de baren,
    En by de Loire aan strand. De wind schynt afgewoed;
De donder zwygt; de lucht begint weêr op te klaren.
    In die gesteltenis ontkwamen wy den vloed.
Bedenk in welk een’ staat wy Vrankryks grond betraden:
    (110) Beroofd van hulp en troost; geperst, in onzen rouw,
Ons brood te beedlen, daar we in zilte tranen baadden.
    Wat toestand voor uw’ zoon! en... voor een zwangre vrouw!
Wy zyn den landstroom langs naar Nantes heengetogen.
    Daar zocht ik myn bestaan; maar ach! ik vond het niet.
(115) Een beedlend protestant vind zeldzaam mededoogen
    In ’t land waar ’t Roomsch geloof en vorst en volk gebied.
Wy vonden echter best in Vrankryk ons te onthouden:
    Myn gaê dacht bevende aan ’t ontworsteld zeegevaar.
Wy hoopten dat we in ’t eind’ licht zoveel winnen zouden,
    (120) Als voor ons beiden om te leven noodig waar’.
Wy, weder uit de stad naar ’t eenzaam veld geweken,
    Verwachtten nu ons heil by ’t nedrig volk op ’t land.
Een gastvry akkerman, bewogen met ons smeeken,
    Ontfangt ons in zyn’ dienst, en bied ons onderstand.
(125) Hier wierd my binnen kort een tedre zoon geboren;
    Hier werk ik, zwoegend, voor een armlyk onderhoud;
En ’t is van hier dat ik myn klagten u doe hooren,
    Van hier dat myne pen u myne elende ontvouwt.
De zoon des braven, die, in de angsten die my kwellen,
    (130) Myn troost is, heeft, daar hy naar Amsteldam moest gaan,
My vast beloofd deez’ brief u zelf ter hand te stellen,
    En mondling van naby myn’ staat te doen verstaan.
ô Vader, kan het zyn, laat ik uw gunst herwinnen;
    Heb deernis met myn leed en bittre droefenis:
[p. 166]
(135) Och! stel, op myn gesmeek, u, met bedaarde zinnen,
    Een’ zoon voor, die gemaal en hulploos vader is;
Stel u hem voor, doorgriefd van de angstige gedachten
    Dat hem zyn’ vaders vloek zal volgen tot de dood;
Dat hy, door ’t deugdzaam zyn, door ’t eed- en pligtbetrachten,
    (140) Den ramp veroorzaakt heeft der minzaamste echtgenoot’;
Dat hy die tedre vrouw haar schoon de schuld hoort geven
    Van ’t leed dat op haar’ gaê, haarzelve, en zoontje woed
Dat hy die panden licht van honger zal zien sneven,
    Of na zal laten in den zwaarsten tegenspoed.
(145) Ik voel myn bevend harte op die gedachten breken:
    Door drift op drift verscheurd, ben ik myzelf niet meer:
De tranen die dit blad bezoedlen en doorweeken,
    Vertoonen u op ’t klaarst hoe ik van rouw verteer.
Eén troost verzagt de smart van my en van Lucinde:
    (150) Dit is, dat in al ’t wee, ’t geen ons te fel bestryd,
’t Geweten ons niet wroegt; dat ik, dat myn beminde,
    In ’t hart geen foltring ducht van doodlyk zelfverwyt.
Wy hebben, in den drang van onze tegenspoeden,
    Tot onze lichtnis, niets oneerelyks verricht;
(155) Wy hebben, hoe we op ons den ramp ook voelden woeden,
    Van onrechtvaardigheid den Hemel nooit beticht.
Een Leibnitz, Pope, of Wolf, dien gy my leerde minnen,
    Heeft my te veel verlicht, myn hart te wel bestierd,
Dan dat myn deerlyk lot, zo yslyk voor de zinnen,
    (160) Door my, te roekeloos, aan God verweten wierd.
Wy noemen ons de bron van alle onze ongelukken:
    Lucinde erkent zichzelve als de oorzaak onzer smart;
Terwyl ik al de schuld der rampen die ons drukken,
    Alleenelyk verwyt aan myn te driftig hart:
[p. 167]
(165) Dus, niet gefolterd door een doodelyke wroeging,
    Schenkt deze zoete twist, dees tedre en eedle stryd,
Ons afgepynigd hart een treurige vernoeging;
    En zo verslyten wy somtyds den tragen tyd.
Zou u myn leed in ’t eind’ niet weêr doen vader wezen?
    (170) Wie t’onrecht gramschap voed smaakt nimmer ware rust:
Uit dit besef alleen verwachtte ik lang voordezen,
    En wacht ik noch, dat eens uw toorn zal zyn gebluscht.
Bedrieg ik echter my, en zyn myn droeve rampen
    Noch niet genoeg in top, dreigt my noch zwarer pyn,
(175) Moet ik op de aarde met het bitterst lyden kampen,
    Zult gy, myn vader, nooit met my bewogen zyn;
Wilt gy volstrekt het spoor der Godheid niet betreden,
    Die medelyden heeft met elk wien hulp ontbreekt;
Moge ik uw’ zegen, in myne nare omstandigheden,
    (180) Niet smaken, schoon uw zoon u daar op ’t sterkst om smeekt;
Zo zal ik nochtans, tot myn dood, in die elende,
    Berustende in den wil en ’t wys bestier van God,
Die voor den mensch het ergste altyd ten beste wendde,
    My onderwerpen aan ’t my opgelegde lot.
(185) ’k Zal zelfs voor u en my God smeeken om genade;
    En, opdat wroeging ’t hart myns vaders niet verscheur’,
Hem smeeken, dat hy nooit myn’ zoon u, vroeg noch spade,
    Doe kennen, als hy ooit u bedelt aan uw deur.
Zo smeekend zal ik God myn ziel in handen geven,
    (190) Vol hoop van u hierna, by de Oppermajesteit,
Verzoend te ontmoeten in het onvergangklyk leven,
    Waar tyd, noch ramp, noch dood, de zielen immer scheid. --
Maar ik ga licht te verr’; ’k heb licht myn’ gryzen vader
    Reeds al te zeer bedroefd door ’t schetsen van myn leed;
[p. 168]
(195) Licht was hy, aangespoord door liefde en trouw te gader,
    Op ’t zien van dezen brief, reeds tot myn hulp gereed;
Licht bied hy my die aan; licht nadren de oogenblikken
    Waarin ik, boven hoop, gered worde uit myn’ druk;
Licht zal hy spoedig my, myn gade en zoon verkwikken;
    (200) Ja, licht bewerkt hy reeds ons aller waar geluk.
ô Streelende gedachte! ô blyde heilvoorspelling!
    Och! dat dit waarheid zy! My dunkt, de Hemel zegt
My, dat ik ras een eind’ zal zien aan myne kwelling,
    En dat my ’t heugchlykst lot op aarde is weggelegd.
(205) Hierop ontvloeit myn oog een stroom van vreugdetranen,
    Hierop sluit ik myn brief; bewust dat God gewis,
Om ’t menschelyk geslacht den weg tot heil te banen,
    In ’t geen zyn magt verricht gantsch onbegryplyk is.

P.J.U.
1776.

___________________________________________

Deeze vertoogen worden alle maandagen uitgegeeven
in Amsteldam, in den boekwinkel van de weduwe
David Klippink, in de Nes; als mede te Dord-
recht by P. van Braam en A. Blussé en Zoon,
Haarlem bij J. Bosch, Delft by E. v.d.
Smout,
’s Gravenhage by J. Gaillart, Lei-
den C. van Hoogeveen en F. de Does. P.Z.
Rotterdam by Hofhout en Wolfsbergen
en D. Vis, Utrecht by J. van Schoon-
hoven en Comp.
en G.T. van Pad-
denburg,
Harlingen by F. van
der Plaats,
enz.

[p. 337]
DE KOSMOPOLIET.
______________________________________________________
No. 43.
Den 21sten October, 1776.
______________________________________________________

Omne tulit punctum, qui miscuit utile dulci,
Lectorem delectando, pariterque monendo.

HORATIUS.

Ik zal myne leezeren heden op een paar dichtkundige brieven onthaalen, die, hoe verschillend van inhoud, echter, in een mengelwerk als het myne, niet ongeschikt te samen één blaadje kunnen uitmaaken. Wat het zedelyk oogwit deezer beide brieven betreft, het is, naar myne gedachten, niet noodzakelyk dat hetzelve in soortgelyke poëtische werkjes, nu en dan in den Kosmopoliet voorkomende, den leezer als met den vinger aangewezen worde: want, schoon deeze dichtstukjes niet rechtstreeks een hoofdzedeles verhandelen, loopt derzelver nut, echter, den opmerkenden van zelf genoeg in de oogen. Een zedekundige brief behoeft niet altyd rechtstreeks, gelyk eene fabel, ten gevalle van eene hoofdzedeles saamgesteld te zyn, maar somtyds slechts zulk eenen toestand te behelzen, waaruit de zedeleer van zelve voortvloeit. De menschen houden zich ook lichtelyk beleedigd, wanneer men hen te dom vooronderstelt; maar zy achten, integnedeel, zich vereerd, wanneer men hen eene grooter kunde toevertrouwt, dan ten minste veele onder hen waarlyk bezitten.



EELHART
AAN
JULIA.

Volschoone Julia! versterk dit uur uw teder,
Uw minnend harte, opdat u Eelharts schrift niet griev’
Ik vliede uit Amsteldam; gij ziet my nimmer weder;
En eerst na myn vertrek ontvangt gy dezen brief.
(5) ’k Wilde u de tranen van een treurig afscheid sparen.
Dat niemant wete waar ik zwerve in al myn leed!
Uw vloek moet echter my, uw’ minnaar, niet bezwaren;
’k Wensch slechts beklaagd te zyn, en... dat ge my vergeet!
’t Is om die reên dat ik, ten prooije aan bittre smarte,
(10) U meld waarom ik vlugt. Gy hebt daaraan geen schuld;
Ik min u; ’k bid u aan; gy leeft steeds in myn harte,
Dat hart, thans meer dan ooit met min tot u vervuld.
Geliefde Julia, ik ben op ’t hoogst elendig;
’k Weet in myne angsten niet waar ik my wenden zal:
(15) ’t Vooruitzigt van myn wee is schriklyk, is onendig;
Ja, in myn’ jammerstaat benaauwt my zelfs ’t heelal.
Indien ik u niet minde, ik ware in myne rampen
Misschien gelukkiger; uw Eelhart kon gewis,
Dewyl hy met de liefde alsdan niet had te kampen,
(20) Dees waereldstad ontvliên, met minder droefenis.
Hoor hem, indien gy kunt; hoor wat hem ’t hart doet bloeden.
Wat valt het pynelyk, in ’t hevigst ongeluk,
Wanneer men, door ’t verhaal van zyne tegenspoeden,
’t Beminde voorwerp moet doen deelen in zyn’ druk!
[p. 342]
(25) De billyke eisch der liefde is echter niet te doemen.
Ik had een moeder; dit was u niet onbewust.
Ik schrik haar woonplaats, myn geboorteplaats, te noemen;
Waar’ ze eeuwig onbekend, ligt smaakte ik meerder rust.
Die moeder woonde op ’t land; zy leefde van de vruchten
(30) Die haar de landbouw schonk. ’t Geluk ging haar te keer:
De veepest, die sints lang al ’t landvolk had doen zuchten,
Tastte ook haar stallen aan, sloeg al haar vee ter neêr;
Terwyl die zelfde pest, naar ’t godlyk welbehagen,
In haar gevreesde vaart, de naaste stallen ras
(35) Voorbysnelde, en, hoe wreed, geen vee heeft neêrgeslagen
Van hem, die te onrecht ligt myn moeders vyand was.
Dit, dit deed de afgunst in haar wraakziek hart ontbranden.
ô Vreesselyke drift, hoe is uw magt zo groot!
Wat brouwt ge al ramp op ramp! wat eischt ge al offerhanden!
(40) Wee onzer, stellen we ooit ons aan uw woede bloot!
Het gruwzaam monster zwaaide in ’t harte van myn moeder
Zyn doodelyke toorts, door wier vergiften damp
Haar ’t brein zo wierd bedwelmd, dat zy, allengs verwoeder,
Het yslykst feit ontwierp, tot veler bittren ramp:
(45) Zy wilde door de vlam haar’ naastens huis verslinden;
En heeft,... ik gruw! by nacht haar schriklyk doel geraakt:
Haar vyand moest, helaas! in ’t vuur zyn grafsteê vinden.
Dus heeft ze een einde aan hem en al zyn volk gemaakt.
Afgryslyke euveldaad!... ô Droeve huisgenooten,
(50) Door de afgunst eener vrouw in gloeijend puin versmoord!
Hier baatte geene hulp, te spade toegeschoten:
Het alverslindend vuur sloeg veel te woedend voort.
Hoe zal ik de yslykheid van dezen brand u malen?
Hoe word de elende in kracht u voor den geest geschetst?...
[p. 343]
(55) ’t Is best den voorhang voor dit schouwspel neêr te halen:
Genoeg word buitendien uw tedre ziel gekwetst.
Na ’t einde van den brand vermoedde elkeen met reden,
Dat de ondeugd de oorzaak was van al die wreede elend’.
En, om maar kort te zyn in u myn’ ramp te ontleden,
(60) Myn moeder wierd betigt, gevat,... en heeft bekend.
Straks is haar door ’t gerecht haar vonnis voorgeschreven:
Zy wierd veroordeeld om, ter straf van ’t snoodst bestaan,
Al de aard’ ten schrik, door ’t vuur op ’t schandtooneel te sneven;
En, ach! dit vonnis heeft ze op gistren ondergaan. —
(65) Gy siddert! Ik bezwym. — ’t Verhaal kunt gy vertrouwen,
Hoe onvolledig ’t zy. Ik kan, in myn verdriet,
Aan u de omstandigheên naauwkeurig niet ontvouwen;
Myn hart is veel te vol, myn droefheid duld het niet.
’k Heb ’t all’ van tyd tot tyd uit eenen vrind vernomen.
(70) Myns ondanks heelde ik ’t u; ik volgde een hard besluit,
In hope of alles ligt in ’t eind’ te recht mogt komen;
Maar nu, nu is ’t gedaan, nu heeft het zwygen uit.
Nu is het all’ voor my in eeuwigheid verloren:
’k Ben langer u niet waard’: u voegt geenszins den zoon
(75) Van eene moeder, die... Och! laat my ’t ovrig smooren;
Zy leed de strengste straf, hare euveldaad ten loon.
Ik kan nu te Amsteldam onmooglyk langer duren;
’k Ben daar te veel bekend in ’t wee dat my bekneld:
My dunkt, ’t is all’ bezield, dit huis, de vloeren, muren,...
(80) ’t Benaauwt my alles met het doodelykst geweld!
Och! dat ik in myn’ angst kon uit de waereld vlugten!
Maar ach! myn droeve ziel ontvlood zichzelf toch niet.
De rouw, die ’t harte nypt, doet overal ons zuchten.
De schuld der oudren volgt hun kroost, waarheen ’t ook vlied’.
[p. 344]
(85) All’ wat ik in het einde u ernstig af durf smeeken,
All’ ’t geen waarin ik wensch voldaan te worden, is,
Dat ge Eelhart, dien u ’t lot niet meer vergunt te spreken,
Voortaan geheel verbant uit uw gedachtenis.
Mogt ge in een’ andren arm al ’t streelende echtheil smaken
(90) Waarmede ik my voorheen met reden heb gevleid!
Gy kunt,... gy móet een’ gade eenmaal gelukkig maken. —
Maar ’t hart breekt my vaneen... vaarwel in eeuwigheid!
1776.                                                                U.

        1776.

___________________________________________

Deeze vertoogen worden alle maandagen uitgegeeven
in Amsteldam, in den boekwinkel van de weduwe
David Klippink, in de Nes; als mede te Dord-
recht by P. van Braam en A. Blussé en Zoon,
Haarlem bij J. Bosch, Delft by E. v.d.
Smout,
’s Gravenhage by J. Gaillart, Lei-
den C. van Hoogeveen en F. de Does. P.Z.
Rotterdam by Hofhout en Wolfsbergen
en D. Vis, Utrecht by J. van Schoon-
hoven en Comp.
en G.T. van Pad-
denburg,
Harlingen by F. van
der Plaats,
enz.

Continue

Uit Brussel, thans met angst en bangen schrik vervuld, Komt u dees droeve brief, eedle vorst ! in handen; Daar ge, in het grootsch Madrid, misschien niet denken zult Aan 't deerniswaardig lot van uwe Nederlanden. Uw trouwste dienaar, myn grootmoedige gemaal, Met zoveel eer en gunst door u voorheen beschonken, Die alles siddren deed voor zyn verwinnend staal, Is thans, doodlyk wee! in ketenen geklonken. Lafhartige Alba, die, misbruikende uwe magt, Met recht van ieder voor een dwingland word gehoun, Die dapperheid, noch trouw, noch ren, noch wetten acht t Heeft ons, uit dolle wraak, dit droevig leed gebrouwen. Zo dan medoogendheid, die vorstelyke deugd, Nooit naar waardy geroemd ! uw zinnen kan bekooren; Zo gy, ryksmonarch ! in 't weldoen u verheugt, Leen dan de klagten van een droeve vrouw uwe ooren: Het is Sabina die u om genade smeekt; Die telg uit Beiersch bloed, uit vorsten voortgesproten, Die 't aan geen adeldom, maar aan geluk ontbreekt; Daar zy van elk, smart! elendig word verstooten. Ik leefde in stille rust met mynen echtgenoot; Een vierentwintigtal van jaaren scheenen dagen; [p. ] Ik zag elf telgen reeds uit mynen vruchtbren schoot, En vond in myn gemaal myn eenigste behaagen.' Hoe groot was toen ons heil! hoe teder onze min ! Wy deelden zoet en zuur; en, wars van huiskrakeelen, Bevonden we ons altoos in alles ns van zin. Ach! waarom mogt die vreugd ons hart niet langer streelen! Waarom moest Alba, die verwoede ! die barbaar! Die geesselroede voor uw droevige onderdaanen! Dit heil verbreeken en ons rukken van elkar ? Is hy dan zo verhit op menschenbloed en traanen? Is 't niet genoeg dat hy, onheil ! dag aan dag, De martelvuuren stookt, om werloos volk te dwingen Zich stil te voegen naar het Trentisch kerkgezag, En duizend nieuwhen die men elk hier op wil dringen ? Maar neen! zyn yver voor de kerk is enkel schyn: 't Is zyn belang alleen dat hem dus uit doet spatten; Om welke reden zou hy Egmonds vyand zyn, Zo hy geen lust had naar zyn goederen en schatten ? Wat heeft myn Lamoraal, groote vorst ! misdaan ? Wie is in staat een vlek in zyn gedrag te toonen? Heeft hy niet altoos uw belangen voorgestaan, En u verdedigd waar men uw gezag dorst hoonen? Getuige zy de slag by sint Quintyn, daar hy 't Vermetel Vrankryk voor zyn dappre kling deed beeven. Ach! zo de braave held u nog iets waardig zy, Doorluchtige monarch ! red dan zyn dierbaar leven. Geloof geen vyand, die, om zyn belang alleen, U stout misleiden durft en myn gemaal betichten. De Zon der waarheid breekt door alle nevels heen: Sla dan geene acht op all' 't geen Alba durft verdichten. [p. ] Hy noemt myn echtgenoot een snoode landverrar, Een muiter, die zyn vorst durft in 't gezigt braveeren, Een beeldenstormer, die, ontziende geen gevaar, De nieuwe leer beschermt in plaats van die te weeren. Wie Egmond waarlyk kent spreekt beter van zyn deugd. Het snoode landverraad kon nooit zyn ziel behaagen; Zyn vorst getrouw te zyn was steeds zyn grootste vreugd; De beeldenstormers wist hy telkens te verjaagen. Wel verre dat zyn ziel de nieuwe leer belyd, Zou hy veeleer zyn hoofd, dan d'ouden Godsdienst, derven: Schoon hy gewetensdwang als een gedrocht bestryd, Zou hy voor 't Roomsch geloof blymoedig kunnen sterven. 't Is waar, 's lands vryheid ligt hem na aan 't zuiver hart; Hy kan geen dwingland noch uitheemsch geweld gedoogen: Die eedle zucht heeft hy, hoe zeer 't ook Alba smart', Reeds met de moedermelk van jongs af ingezogen. Denk, 't is een Batavier, in Holland opgevoed, De vrind uws vaders, mede in Nederland geboren; Myn Lamoraal sproot, als gy weet, uit Radbouds bloed, Waaruit de vrye Fries zyn vorsten heeft verkoren. Laat dan, geduchte vorst ! laat dan dien braaven held, Dien grooten steunpilaar van uw gezag en staaten, Tog langer niet ten prooije aan 't woedende geweld; Wil mynen Egmond in zyn onheil niet verlaaten: Beteugel Albaas won. Men zegt, bitter leed! Zou 't mooglyk zyn?... men zegt, myn Egmond is verwezen; De beulen maaken reeds het straftooneel gereed!... Verlos me, groote vorst! uit myn angstvallig vreezen. Waar zoude ik, droeve weuw ! daar ieder my verlaat, Waar zoudeik troost of heu! ... waar zoude ik uitkomst vinden ?
S A B I N U S A A N Spaar, Eponina ! spaar uw tedre liefdetraanen; Betreur niet meer 't verlies van uwen echtgenoot: Hy leeft, en hoopt zich 't spoor nog tot zyn heil te baanen: Uw zuivre huwlyksmin ontrukte hem den dood. Indien hem van uw trouw was minder blyk gegeeven; Indien gy uw gemaal niet yvrig had bemind; Sabinus lot ware u steeds onbekend gebleven, En nimmer wist gy in wat oord hy zich bevind. Doch daar uw teder hart my nog mogt overblyven, Schoon my myn grootsch ontwerp zo deerlyk is mislukt, Besluit ik eindelyk aan u deez' brief te schryven, Die u het onheil schetst, waardoor ik word verdrukt. Lees, Eponina, lees 't verhaal der bittre rampen, Die ik door de oorlogskans heb moeten ondergaan; II. DE EL Bb Be- Beschouw al 't leed, waarme myn moed heeft moeten kampen: En oordeel wat myn liefde om u heeft doorgestaan. Ik ken de bronwel van myn al te wreede plaagen: Der Gallen heldenmoed, het bloed waaruit ik sproot, De zucht voor 't vaderland, voor 't heil van myne maagen, Men sprak: ,, Elk waar Romein moet voor Sabinus leeven: ,, Het ryksbewint voegt hem die geen gevaar ontziet. Ons bondgenootschap had reeds 't Roomsche heir verslaagen; 'k Moest op den Sequanees, die 't nog met Rome hield, Eene ongelyke kans, de laatste krygskans, waagen: 'k Viel stout zyn leger aan, door glorizucht bezield. Maar ach ! wat ommekeer, wat smart, wat yslykheden, Heeft die gevloekte stryd uw ega toegebragt! 'k Wierd door dat dapper volk, gelyk een leeuw, bestreden; Myn leger wierd geveld: 'k bezweek voor hunne magt! Ben ik, Hemel ! dan uit Cesars bloed gesproten, En heeft uw arm myn moed alleen eerst onderschraagd, Opdat een slaafsche magt my in 't bederf zou stooten? Hoe smaadlyk wierd myn roem op eenen dag verlaagd! Met deeze nederlaag is al myn hoop verdwenen. Der Gaulen toeleg was van alle hulp ontbloot; Civilis zelfs kon my geen bystand meer verleenen, Daar hy een vreverdrag met Cerialis sloot. 'k Had veilig naar den kant van Duitschland kunnen vlugten, Myzelv' behoeden voor een magt die my verwon; Doch welk een treurig lot stond my dan niet te duchten, Daar ik myn dierbre vrouw niet derwaarts voeren kont Gy waart nog in de magt van 't overwinnend Romen; - Men deed u mooglyk daar myn ongeval verstaan; 't Waar stout myn hoofd gewaagd zo ik by u dorst komen: Want had men my ontdekt, dan waar 't met ons gedaan. Wat bitter zielwee voor het tederminnend harte, Content from Google Book Search, generated at 1479931126211639 Ja, zelfs de terste min; 't bragt me alles in den nood. 't Is noodig dat ik u al myne rampen melde: Zy zyn voorzeker u nog niet geheel bekend; Sints 't oogenblik dat gy niet langer my verzelde, Heeft my het weiflend lot den rug steeds toegewend. Ontaartte ik nooit van 't bloed waaruit ik ben gesproten; Zelfs gaf myn vroege jeugd reeds blyk van heldenmoed. Ik had niet hoopeloos als balling moeten leeven, En lyden grooter smart, dan d'allerwreedsten dood. Content from Google Book Search, generated at 1479931126218229 Toen twist of eigenbaat de Roomsche magt verteerde, En elk tiran het volk tot onderwerping dwong; Toen ieder, niet vernoegd met zich den weg te baanen Om 't Roomsche volk, als vorst, de wetten voorteslaan, De vryheid schenden dorst der Gallen en Germaanen, En op hunn' vryen hals het dwangjuk wilde lan: Toen kon Sabinus deugd dit onrecht niet gedoogen, Terwyl 't geboorterecht den moed ontstak in hem: 's Volks vryheid, 's lands gevaar, 't geknakte ryksvermogen; 't Riep me alles als om hulp met algemeene stem, 'k Dorst met myn magt alleen nogthans de kans niet waagen, Om stout naar 't hoog gebied van 't Roomsche ryk te staan: Nooit, dacht ik, zal 't ontwerp voorspoedig kunnen slaagen; Voorzigtigheid werhield me om verder voorttegaan. Maar toen Civilis, met twee Gallische opperheeren, Twee helden, Classikus en Tutor, myne zy' Versterkte, toen dorst ik de dwinglandy braveeren : Toen dong ik openlyk naar Romes heerschappy. Wy hadden nu den kryg van allen kant besloten: Ik hield in Galli de Roomsche magt bekneld; De zege volgde alom my en myn togtgenooten: 'k Verwierf een ryken buit in 't bloedig oorlogsveld. Die voorspoed deed myn hart de blyde hoop verwerven, Dat, als Vespasiaan eens t'onder waar gebragt, Myn ongekreukte moed nog eenmaal, voor myn sterven, Het ryk verkrygen zou voor my en myn geslacht. Myn volk had my alre dien hoogen rang gegeeven, Content from Google Book Search, generated at 1479931126222242 Wanneer 't het voorwerp mist van zyn genegenheid; Wan Content from Google Book Search, generated at 1479931126224975 Wanneer het noodlot ons, by 't groeijen onzer smarte, Den zegenryken troost der huwlyksliefde ontzeit! 't Was tyd met rypen ernst voor myn behoud te waaken; 'k Hoopte u nog wer te zien, tot loon van myne min : De liefde, die myn hart zo sterk voor u deed blaaken, Gaf myn beklemd gemoed een yslyk middel in. Ik deed terstond al 't volk uit mynen dienst vertrekken, En hield slechts Alberik en Sinorix by my: Ik dorst hen onbeschroomd myn vreemd besluit ontdekken: Hun langbeproefde trouw hield steeds hunn meesters zy'. Dan, toen ik hunne hulp naar myn ontwerp begeerde, Hetgeen my redden moest in deezen jongsten nood, Zag ik de bittre smart, die hunne ziel verteerde : Zy ysden van 't besluit, en baden om den dood. Maar myn bevel deed ras hunn' ydlen werstand staaken. Ikzelf stak, met hun hulp, myn landverblyf in brand; De vlam nam yllings toe: zy speelde door de daken, - En spreidde wyd en wyd zich uit, aan allen kant. Na deezen brand verborg ik my, met myne slaaven, In twee vertrekken, diep verholen in den grond: 'k Heb tot myn veiligheid my leevend' dus begraaven, Om 's vyands oog te ontgaan, die naar myn leven stond. Men spreidde op myn bevel 't gerucht aan alle zyden, Dat ik my, door vergif, zelf had van kant gemaakt. Dees maar, die Romes wrok ten hoogste kon verblyden, Heeft verder 't onderzoek naar myn verblyf gestaakt. Ik liet, door Alberik 't bericht myns doods u weeten. [p. ] Heeft, dacht ik, Eponine alreede my vergeeten, Of heeft zy myn verlies met bittren rouw betreurd? Vergeef aan myne min dat ik u dorst bedroeven: 'k Moest weeten of ik nog een tedre ga behield; 'k Moest Eponinaas trouw, schoon tot myn smart, beproeven; En zo uw ontrouw bleek, dan had ik my ontzield. Maar nu men my bericht hoe u myn dood doet zuchten, Hoe gy uw dagen slyt in eindeloos verdriet, De nachten doorbrengt in geween en ongenuchten, En 't beeld van uw gemaal gestadig voor u ziet; Nu ik een maare ontvang, die myne ziel doet beeven, Dat gy, op wie myn hoop in 't hoogst gevaar betrouwt, Besloten hebt om my niet langer te overleeven, En met dat oogmerk u van voedsel reeds onthoud: Nu dorst ik uwe min, door 't zwygen, niet meer tergen; Ge ontrukt my myn geheim, door uw beproefde trouw: 'k Mag langer voor myn ga myn schuilplaats niet verbergen: Vlieg by my, tot myn troost, wergalooze vrouw ! Myn Alberik, wiens moed u rustig zal beschermen, Voere u in 't oord, daar ik reikhalzende u verwacht: Werp u, zo spoedig als gy kunt, toch in myne armen: Kies slechts voor uwe reis het holste van den nacht. Smoor nogthans uwe vreugd; verberg al uw gepeinzen; Styf Rome in 't valsch gerucht zoveel gy immer kunt. Ligt word nog uw gemaal, volhard gy slechts in 't veinzen, Door hulp eens bondgenoots, een beter lot vergund.
Continue