Brieven van minnaars en minnaressen.
Bundel van 15 heldinnenbrieven door P. van Haps. Amsterdam 1705
Gebruikt exemplaar: UBL 1091 E 49 : 3. Ook bij books.google



[p. 1]

BRIEVEN
VAN
MINNAARS
EN
MINNARESSEN;
DOOR
P. VAN HAPS.

[Vignet: Paulatim ad Fastigium].

t’Amsteldam, by de Erfg: van J. LESCAILJE, op den
Middeldam, op de hoek van de Vischmarkt, 1705.



[p. 2: blanco]
[p. 3]

VOORREDEN.

TErwyl de Geesten, tot bezigheden genegen, nooit stil konnen weezen, zo heb ik wederom myn gedachten laaten gaan om een Stoffe uit te denken, die mede aan het jonge Jufferschap niet onaangenaam zoude zyn, en dierhalven goed gedacht, eenige Brieven van Minnaars en Minnaressen op te stellen, en in vaerzen te brengen; waar toe ik den grondslag heb ontleend uit vryerijen, die in myn tyd zyn voorgevallen: De Perzoonen, die zulks hebben ondernomen, heb ik met bedekte naamen ingevoerd.
    Een inhoud van ieder Brief te schryven, acht ik geheel onnodig, wyl daar in geen duisterheden plaats hebben, maar een ieder zich in ’t leezen genoegzaam komt te verklaaren.
[p. 4]
    Ook zyn dezelve niet te lang van styl, om dat ze in ’t leezen te aangenaamer zoude voorkomen: niet te min, elke Brief vermeld in zyne weinige vaerzen, het geheel geval van ieders vrijery.
    De laatste drie Brieven, heb ik onbeantwoord gelaaten, door dien zy geen antwoorden verëischen, als zynde van Minnaressen, die, trouwloozelyk door hunne Minnaars verlaten zyn geworden, en die ook niet wederom tot hunne pligten zyn gekeerd.

                                                            P. VAN HAPS.

Continue

[p. 5]

BRIEVEN
VAN
MINNAARS
EN
MINNARESSEN.
_____________________

I. BRIEF.
FREDRIK AAN IZABELLE.

ZAl dan ’t verstaalde hart uw’s Vaders, nooit verzachten?
Waar vind ik dan het eind van myn bedroefde klagten?
Heb ik niet lang genoeg zyn wars gemoed bezuurd?
Heeft zyn verkeerden wil niet lang genoeg geduurd?
    (5) ’k Zal nooit vergeeten, hoe hy laast, in toorn ontsteeken,
My aansprak, als ik u, myn Waarde, zocht te spreeken.
Gy, Fredrik, zo sprak hy: ’t is vrucht’loos wat gy doet,
Ik zeg u, dat gy nooit zult paaren met myn bloed.
Gy zoekt, ’t is my ontdekt, haar uit myn huis te rooven,
(10) ’t Geen my uw snood bedryf gewillig doet gelooven;
Maar zyt verzekerd, dat ik zulks beletten zal,
En dat ge u zelf bewerkt een deerlyk ongeval.
Laat, laat uw Vader vry in ’t kwaad uw helper weezen,
Ik heb geen reên, om voor zyn loozen vond te vreezen;
[p. 6]
(15) Hy heeft my jaaren lang veracht, gehoond, gehaat,
Ja zelfs bestreeden met een uitgestrooide smaad.
Hoe! zou ik dan aan u getroost myn Dochtger geeven?
Neen, zulks zal niet geschiên zo lang ik blyf in ’t leeven.
    O Izabel! ik zweer, dat ik, op dezen tyd,
(20) Meêr smart gevoel, als wel zo lang ik heb gevryd.
Ik moet noch, by myn ramp, de schuld myn’s Vaders draagen,
En waar die in bestaat, zulks voegt my niet te vraagen:
Myn pligt verëischt dien last, maar, tot myn tegenspoed,
Zo is ’t een voorwerp, waar door ik u missen moet.
(25) Wat zeg ik, missen? neen, ’k wil steeds op uitkomet hoopen;
Wat ziet men zaaken door den vluggen tyd verloopen!
    Maar waart gy midd’lerwyl slechts vry, en buiten dwang,
Foei, felle Vader, ach! uw wreedheid duurt te lang.
Schep moet, mijn Izabel, daar is een tyd van treuren,
(30) En weêr, om ’t zwaare hoofd, met blydschap op te beuren;
’k Zal al wat moog’lyk is gewillig onderstaan,
Op dat gy, in het kort, uw kerker moogt ontgaan.
Ach! blyf my steeds getrouw, dan zult gy lof behaalen,
Em over Vaders dwang volkomen zegepraalen:
(35) Dan zullen wy op nieuws liefkoozen, zy aan zy,
Met blydschap in ’t gezigt, door zulk een vrijery:
Dan zal uw Vader, die onze echt niet wil gehengen,
Zichzelf, door nood geparst, tot reden laaten brengen:
Ja, dan zal ieder my weêr kennen waar ik ben;
(40) Terwyl ik thans my zelf voor ’t spiegelglas naau ken,
Als ik, nieuwsgierig, ga myn aangezigt beschouwen;
Zo slyt het vlees van die, daar ’t leed zyn plaats komt houwen.
Doch, als myn oogen zien dien langgewenschten dag,
Waar in ik u, omarmd, in vryheid spreeken mag,
(45) Dan zal de blydschap my een ander wezen schenken,
[p. 7]
En doen my aan de spyt, noch hartzweer niet meêr denken,
Dus toond het leeven ons een merk’lyk onderscheid,
By die ’t in vreugd geniet, of in rampzaligheid.
Zulks zal de waereld klaar aan Fredrik konnen merken,
(50) Als hem zyn Izabel met vrolykheid zal sterken.
    Maar is ’t wel noodig, dat myn geest zich zo verheugd?
Is ’t noodig, dat ik hoop te dart’len met uw jeugd?
Want, wyl ik dezen Brief met rust tracht af te schruven,
Zo komt thans de achterdocht myn goed geloof verdryven;
(55) Ik beel my in, maar ach! hoe kan het moog’lyk zyn?
Dat gy veranderd zyt, en mind my slechts in schyn:
Dat gy uw Vaders wil gehoorzaamheid wilt toonen,
En Fredriks trouwe min met wars onthaal beloonen.
O Izabelle! doet my anders denken, wyt
(60) Myn stoute hand den schuld, die dit, door minnenyd,
Met inkt heeft uitgedrukt; wilt my uw straf erlangen;
’k Zal die, voor myn misdryf, getroost van u ontfangen.
Indien ik nooit misdoe, zo blykt u goedheid niet,
Maar wel, als gy myn val gantsch door de vingers ziet:
(65) Denk ook; een minnaar werd bestormd met veel gedachten,
En moet zich zelf, met vlyt, voor ’t allerminste wachten.
Laat, kan het zyn, hier meê myn schryven zyn verschoond,
In ’t geen waar in gy denkt, met recht te zyn gehoond.
Al die in deugd, verstand en schoonheid werd gepreezen,
(70) Moet ook goedaardig, teêr en medelydend weezen.
Ik leef in vreeze en hoop, in droefheid en in smart;
Geen de allerminste vreugd speeld om myn treurig hart;
Noch ’k vind geen plaats, om my gerust ter neêr te zetten,
Myn ongeruste geest komt my die rust beletten.
    (75) Niet lang geleên, wierd my door vrienden afgevraagd,
Of my ’t Salet niet meêr, noch ’t Jufferschap behaagd;
En voorts verzocht, dat ik my daar zou laaten vinden,
Om, voor een tyd, myn geest van haaren last te ontbinden.
[p. 8]
Maar, ’k heb hen, volgens pligt, bedankt, en doen verstaan,
(80) Dat ik geen krachten had om na ’t vermaak te gaan.
Zou Fredrik, na zyn lust, de dart’le vreugd genieten,
Ter plaats, daar de oogen steeds verliefde straalen schieten?
Ter plaats, daar hy voorheen zyn Minnaresse vond,
En kuste blydelyk de tippen van haar mond?
(85) Neen, Izabelle, neen, geen vreugd zal my bestraalen,
Voor dat ik u, door konst, ter kerker uit zal haalen,
Waar toe ik,nacht en dag, myn zinnen arbeid geef.
Wie weet waar ik in ’t kort, onvreezende, na streef!
    O Izabelle! Liefd, wees noch een wyl geduldig,
(90) En blyf, dat bid ik u, myn Brief geen antwoord schuldig.
’k Zal midd’lerwyl, door rouw, staâg zeggen, onbeschroomd,
’t Zy dat ik ben in huis, of onder ’t groen geboomt:
’k Wensch, die vermaak schept, om ons zonder eind te plaagen,
Gebrek’lyke ouderdom, en lange winterdagen.

Continue

[p. 9]

II. BRIEF.
IZABELLE AAN FREDRIK.

’k WEnsch Fredrik meêr vermaak, als Izabel geniet,
En dat hem nooit geen leet, door ’s Vaders dwang, geschied.
Myn noodlot is te zwaar voor tweemaal dertien jaaren
Hoe fel de Noordewind komt stormen op de baaren,
(5) Zyn strenge heerschappy duurd slechts een korten tyd;
Maar zeg my eens, wanneer raak ik myn onweêr kwyt?
’k Ben, als een roerloos schip, dat afzeild van de stranden,
En weet niet aan wat kust het weder aan zal landen:
Want als ik, met geweld, myn kerker wil ontgaan,
(10) Dan denk ik, ’t waar te stout, en tegens pligt gedaan:
Wil ik, gantsch onbevreest, myn Vader tegenspreeken,
Dan denk ik, neen, hy mogt te fel in toorn ontsteeken:
En wil ik, door de min, doen wat de min my zeid,
Dan denk ik weêr, ô neen! ’t stryd tegens de eerbaarheid.
(15) In die gedachten, en een yverig verlangen
Na uitkomst met beleid, kwam ik uw Brief te ontfangen;
Terwyl Aletta, die ons blyk van trouwheid geeft,
Haar vlyt, in ’t brengen, weêr op nieuws geoeffend heeft.
    Om dan in uw verzoek niet achteloos te blyven,
(20) Zo zal ik dezen Brief aan u tot antwoord schryven;
En zeggen, dat ik nooit van Fredrik had verwacht,
Dat hy zyn Izabel van ontrouw hield verdacht.
Heb ik myn min tot y niet klaar genoeg doen blyken?
Of hebt gy lust, om my, onschuldig, door te stryken?
(25) Waar uit bespeurd gy, dat ik heb myn naam besmet
Van trouwe Minnares, en u ten spot gezet?
Gy moogt u, wel te recht, driemaal gelukkig noemen,
En op myn trouwe min, by alle minnaars, roemen;
[p. 10]
Maar die ’t geluk geniet in weeld’rige overvloed,
(30) Vergeet, door de overdaad, daarvan het rechte zoet.
’t Is waar, dat Vader my een minnaar op komt draagen,
Die hem, door vleijery, volkomen kan behaagen;
Maar ’k heb my, buiten pligt, daar tegen aan gekant,
Zo fel, dat ik daar door zyn gramschap stak in brand,
(35) En nu toch, brandende, my doet dien gloed gevoelen.
Dus zie ik gramschap, haat en onrust om my woelen.
Dit is myn ontrouw nu, die gy my stout verwyt;
Dit zyn myn misdaân, daar gy zo bevreesd om zyt.
De vrouwen, zegt men, zyn veranderlyk gebooren;
(40) Maar, ’k zweer, de mannen is dat lot met haar beschooren.
Daarom is’t wel gedaan, dat gy u hebt verschoond,
Na dat ik, zonder schuld, was in uw Brief gehoond.
Heeft de achterdocht en vreeze uw goed gemoed verdreeven,
Gelyk gy hebt bekend? ’t is wel, ’k zal ’t u vergeeven;
(45) Maar zondigd niet te veel, zet uw misdryf een maat;
Myn goedheid mogt zich eens herscheppen in een haat;
En als in ’t minnend hart de wraaklust is gekomen,
Wat donderbui heeft dan een minnaar niet te schroomen!
Hy mist in eenen dag meêr liefde, vreugd en gonst,
(50) Als hy in jaaren won met weldoen, vlyt en konst.
Ik hoop niet, dat gy ooit zulk ongeval zult vinden,
Maar wel, dat wy den band der liefde vaster binden.
    Gy zegt, dat u ’t Sallet nu geen vermaak verwekt,
En de oorzaak heeft uw pen vervolgens mede ontdekt;
(55) Ik wil ’t gelooven; want nooit heb ik konnen merken,
Dat gy u, onbedacht, met loogens zocht te sterken:
Maar, wilt gy my voldoen, zo gaat met lust daar heen.
’t Verdriet neemt toe in kracht by die zich houd alleen.
Als gy een blyde rei van Juffers komt beschouwen,
(60) En kunt u dan, met ernst, verheugd en zuiver houwen,
[p. 11]
En toonen, ongeveinsd, dat gy geen ander mind
Als haar, die gy volmaakt in vaste trouw bevind;
Dat zal my dan een blyk van rechte liefde weezen,
En nooit zal ik verstoord om Fredriks afzyn vreezen.
(65) Veel minnaars zyn getrouw, zo lang als hen de tyd
Een nieuwe minnares, die hen behaagd, benyd.
Doch ’k wil u Fredrik, niet by zulke vergelyken,
Gy hebt nooit, dat ik weet, daar iets van laaten blyken.
    Daarom verlang ik nu, onrust’lyk, nacht en dag,
(70) Dat ons de zoete vreugd, in ’t kort, gebeuren mag,
Om, ongeveinsd verliefd, elkand’ren te begroeten;
Een blydschap, die ons leet in alles zal verzoeten.
Ik spreek rond uit, en zulks verstrekt my tot geen schand;
Een fiere maagd ontbind geen zuiv’re minneband :
(75) Het dun papier en inkt heeft ons reeds vast gebonden,
Dies spreeken wy oprecht, met onvervalschte monden.
    Nu wil ik, als vriendin, u bidden, dat gy toch,
Zo veel als ’t moog’lyk is, vermyd het kwaad bedrog,
In ’t geen gy tot myn vreugd en vryheid uit wilt werken;
(80) Een zuiv’re handeling voeld zich met voordeel sterken;
Ook kan myn Vader dan my niet verwyten, dat
Ik heb myn eerbaarheid met lastering beklad;
En elk zal ons bedryf niet laaken, maar steeds pryzen,
En, als ’t de nood verëischt, getrouwe hulp bewyzen.
(85) Hier toon ik, schryvende, hoe teêr ik u bemin.
Verdryf nu, onbevreesd, al de argwaan uit uw zin;
En ’k zal voldaan zyn, als gy by u zelf zult zeggen:
’k Zocht Izabel een schuld, onschuldig, op te leggen.
Haatdraagend ben ik niet, ’t vergeeten is myn lust,
(90) Door bitse vyandschap word my de ziel ontrust.
    Vaar wel, en lees myn Brief driemaal met vergenoegen,
En wilt u, ongekreukt, na myne bede voegen.
Weest niet te driftig in uw onderneming, steld
De zaak een wyl te rug, als u de wraak verzeld;
(95) Dan zal ik, als versterkt met lydzaamheid, verwachten,
Wat gy, na recht en reên, voorzichtig zult betrachten.
[p. 12]
En wilt gy weeten, hoe ik onderwyl den tyd
Zal slyten, eer dat gy myn kerker meester zyt?
Ik zal myn geest het zoet der liefde leeren kennen,
(100) En ongeveinsd daar van de werking doen gewennen;
Om dat gy meêr als eens zult zeggen: ik beken,
Dat ik uw wedermin en trouwheid schuldig ben:
Het pak der zorgen, dat ik heb om u gedraagen,
Daar van, geloof myn woord, zal ik my nooit beklaagen.
    (105) Vaar wel ten tweedemaal, ’k heb uw verzoek voldaan,
Uw brief beantwoord, en myn zin u doen verstaan.

Continue

[p. 13]

III. BRIEF.
KAREL AAN LEONORA.

ZO lang gy, Leonoor, het leeven zult genieten,
Zal my geen werk, hoe zwaar, om uwe gunst, verdrieten.
Ik bid u, laat myn Brief verstrekken voor ’t begin,
Aanbiddelyke Maagd, van een standvaste min
(5) Een al te onlyd’lyk vuur is my in ’t hart geslagen,
Toen u, voor de eerstemaal, myn brandende oogen zagen;
Nu roep ik, tyd op tyd, in wanhoop en in druk:
Zal dit gezigt my zyn tot hartzweer of geluk?
Zal ik dien dag, in’t eind, beschreyen, die myn leeven,
(10) Een onbegryp’lykheid van blydschap heeft gegeeven?
Bedrukte minnaar, hoe zal ’t u noch gaan in ’t end?
Wie maakt myn noodlot, in myn onrust nu bekend?
O Schoone Leonoor! zo twisten myn gedachten,
Niet weetende, wat ik heb van uw gunst te wachten.
(15) Daarom verstout ik my, aan u te schryven, steld
Myn geest gerust, eer ik al kwynende versmelt.
Ei! toond u innerlyk met Karels min bewoogen,
En schryf my slechts alleen, dat ik zal hoopen moogen,
En rekt den tyd zo lang als ’t u behaagen zal,
(20) Dan vry ik in vermaak, ontlast van ongeval.
    Hebt gy reeds, dat ik vrees, een minnaar? Wat gebreeken.
Heb ik, dat ik u niet zou zien, noch moogen spreken,
Zo wel als hy? Gy weet, hoe dat, in dezen tyd,
De schoone Juffers steeds door veelen zyn gevryd,
(25) Terwyl zy zeggen, dat zo lang zy zyn in’t leeven,
Haar geen vermaak, zo zoet, als ’t vrijen, is gegeeven.
Daarom gedoogen zy veel minnaars, dag op dag.
En stellen ’t huw’lyk uit zo lang als ’t lyden mag.
[p. 14]
    Laat my dan, mag’t geschiên, mede een van veelen weezen,
(30) Als toch uw schoonheid werd door meerd’ren hoog gepreezen;
Ik zal my, wel getroost, meêvoegen na de wet,
Die gy op hun bedryf in ’t vrijen, hebt gezet;
En kiest dan uit de ry, die’t meest u kan behaagen,
Met wien ’t u lusten zal te slyten uwe dagen;
(35) Dan zal ik op het minst noch hoopen, dat gy my
Daar toe verheffen zult, en zetten aan uw zy:
Want al wat eenigsins, onaangezien wat zaaken,
Kan strekken om uw geest gestaâg verblyd te maaken,
Dat zal ik in der haast doen komen in het licht,
(40) En zeggen: Leonoor dit ’s ’t minst noch van myn pligt.
Schept gy vermaak in pracht van kleed’ren, in welspreeken,
In ’t vleijen na de kunst, in nette minnestreeken,
Of wel een and’re gaaf, die Karel noch niet heeft?
Zo zeg my, wat het is, dat u vernoeging geeft,
(45) Ik zal my, onvermoeid, die konsten doen gewennen,
Waardoor gy my, door gunst, wilt voor uw slaaf erkennen.
    Rampzalig ben ik nooit van kindsheid af geweest,
’k Heb nooit de krachten van de Minnegod gevreesd;
Ik kon geen liefde, noch ik wist die af te maalen,
(50) Voor ik een krachtig licht zag uit uw oogen straalen,
Dat in myn borst ontstak een vreemd en driftig vuur,
’t Geen my deê denken aan de werking der natuur,
En op een middel, om my zelven te bevrijen
Van een verdrietig, en een ongewoonlyk lijen.
    (55) Hebt gy nu een gemoed zo hard, zo wars en wreed,
Dat gy, voor de eerstemaal, my in een dood’lyk leet
Wilt brengen, en my dan in zulk een staat beschouwen?
Neen, Leonora, neen, ik wil dit niet vertrouwen;
’k Hoop anders van uw aard en groote goedigheid,
(60) Men heeft my altyd lof van uwe deugd gezeid;
[p. 15]
Ook kon ik, ben ik niet door myn gezigt bedroogen,
Een rechte vriend’lykheid beschouwen in uw oogen?
Een medelydendheid met die in liefde blaakt,
’t Geen uw pryswaardig schoon, geheel aanbid’lyk maakt:
(65) Een stille nedrigheid by zo veel deftigheden,
En een stantvaste ziel, de praal van nette leden.
Om nu my zelf te doen verzeek’ren, dat de kracht
Van het gezigt myn ziel geen waan heeft voortgebragt,
Zo ga ik, heel verblyd, na uw volmaaktheid vraagen,
(70) By uw Vriendinnen, die u zyn een welbehagen;
En ieder spreekt van u als van iets ongemeen,
En voert u in den top van alle prys’lykheên:
Ook zegt men, dat hy nooit kan zyn geluk bedenken,
Die gy, door zuiv’re min, uw jeugdig hart wilt schenken.
(75) Maar dwaaze minnaar, hoe! kent gy uw zelven niet?
Gy brengt, onnozel, u in doodelyk verdriet;
Gy vraagt, nieuwsgierig, hoe die Schoone werd gepreezen,
En weet niet, of gy ooit haar zult behaag’lyk weezen.
Wat hangt u naberouw en kwelling boven ’t hoofd!
(80) Wie heeft, wie heeft u toch die fiere Maagd beloofd?
Hoe zult ge u houden, als gy haar niet kunt verwinnen,
Daar gy haar gaaven reeds geprent hebt in uw zinnen?
Dan zult gy duizendmaal uitroepen, in uw leet:
Ik wenschte, dat my nooit was ken’lyk, ’t geen ik weet!
    (85) Dit spreek ik, met den mond geslooten, in gedachten,
Onkundig, of gy my zult minnen, of verachten;
Verachten, zeg ik wel, maar dat waar buiten reên,
Uw wysheid zorgt steeds voor uw edelmoedigheên:
Gy zoud een zachter taal, in vriend’lykheid, doen hooren,
(90) Als ik een deerlyk lot, dat gy my had beschooren,
[p. 16]
Moest uit uw mond verstaan: hy is genoeg gedrukt,
Zo zoud gy denken, nu hem werd zyn hoop ontrukt.
Ja wel genoeg gedrukt, als zulks my zou gebeuren;
Doch ’k hoop niet, dat ik ben gebooren om te treuren;
(95) Myn hoop versterkt myn moed; en uw befaamde deugd
Voorzeid myn ziel den tyd van een gewenschte vreugd.
Maar ’t is u ’t best bekend wat my zal wedervaaren;
Ik kan wel denken, maar myn lot geensins verklaaren.
    Nu bid, nu smeek ik u in ’t eind, en schei hier af;
(100) Breng my, ô Leonoor! niet voor myn tyd in’t graf.
Uw schoonheid, en ’t geluk heeft in uw hand gegeeven
’t Bestier van al myn heil, van ramp, van dood, en leeven.
Weêrhoud myn welvaart niet, al is uw magt zo groot,
Zy zal noch grooter zyn, als gy my red uit nood.
(105) Ik wenschte noch wel meêr te schryven, maar myn vreezen
Is, dat u dan myn Brief licht mogt verdrietig weezen;
Gy zult genoeg verstaan, schoon ik niet meerder schryf,
Dat ik u heus bemin, en trouwen dienaar blyf;
Uw dienaar! dat ’s te veel, uw slaaf wil ik my noemen,
(110) En noch op zulk een naam, by al de waereld, roemen.
    En gy, myn Brief, vaar wel, ’k heb u, door minnelust,
Driemaal, voor uw vertrek, gegrepen en gekust:
Driemaal heb ik, met ernst, u toegewenscht veel zegen,
’t Is myn behoudenis, als gy die hebt verkreegen.
(115) Ga heen, ach! mogt ik zelf de bode weezen, want,
Ten minsten zal zy u eens drukken met de hand.
Ten minsten zal zy u, gantsch vergenoegt, ontfangen,
En na uw boodschap, naar eerst onbekend, verlangen.
Vaar wel, volbreng den dienst, die gy my schuldig zyt,
(120) En maak uw meesters ziel, nu treurig, haast verblyd.

Continue

[p. 17]

IV. BRIEF.
LEONORA AAN KAREL.

STout zyn de Minnaars; zulks heb ik steeds hooren zeggen,
En nu bevonden, dus is ’t niet te wederleggen.
’k Zocht nooit het vryers hart te trekken na myn zy,
Door uitterlyk sieraad, door list, of vleijery;
(5) En, niet te min, ik werd door hen met kracht bestreeden,
Door zuchten, minneklagt, door vleijen en gebeden:
Maar ’k weet nu hoe zulks komt, ik heb te laat bedocht,
Dat die zich ’t minst vertoond, die werd het meest gezocht.
    Ik weet naau, hoe ik my in ’t leeven zal gedraagen:
(10) Hou ik my schuuw en stil, dan hoor ik minnaars klaagen;
En zo ik, onbeschroomd, my by ’t vermaak vertoon,
Dan kryg ik straks de klank van klappery tot loon:
De een zegt: zy laat zich zien, om haar berucht te maaken:
Een ander zegt: ’t is om de minnaars te doen blaaken
(15) In liefde, die zy dan, tot haar vermaak, veracht,
En met hun lyden spot, en met hun klagten lacht:
Een derde strooid, door haat, om dat ik werd gepreezen,
Dat ik genegen ben, om in ’t Salet te weezen;
En niets ter waereld weet van ’t geen ik weeten moet,
(20) Wyl ik myn tyd verkwist in weelde, en al haar zoet.
Wat hier van zy wil ik aan ’t oordeel laaten blyven
Van die my kennen in myn omgang en bedryven:
Want ’k wil nu, op uw Brief, die ik zo onverwacht
Ontfing, voorts zeggen ’t geen ik nut en dienstig acht.
    (25) Ik wenschte, Karel, dat gy ’t licht nooit van myn oogen
Gezien had, wyl ’t uw kracht bespot heeft, en bedroogen;
[p. 18]
Dan zoud gy, tot myn vreugd, noch gantsch onslagen zyn
Van een ontrusten geest, en wreede minnepyn,
Die gy my, door uw pen, stout durft te kennen geeven,
(30) Ver van te denken, door wat geest ik wierd gedreeven;
Of ik uw stouten Brief, door een verdienden haat,
Niet zou verbranden tot uw hartzweer, straf en smaad;
Of wel verzwygen, dat ik die wel had ontfangen,
En laaten u, door spyt, al zuchtende verlangen.
(35) Maar ’t heeft u wel gelukt, myn al te zachten aard,
Heeft u voor gramschap en afkeerigheid bewaard:
Ook is ’t myn goedheid, die myn pen met u doet spreeken,
Tot troost in uw verdriet, my uit uw Brief gebleeken.
    Gy toond, door uw geschrift, te zyn geheel bekwaam
(40) Tot vrijen, ja verdiend daar door een grooten naam;
En als gy u voortaan in zulk een styl laat hooren,
Geloof my, dat gy haast veel Juffers zult bekooren,
Die met een sneegen geest, en vleitaal zyn voldaan,
Niet denkende aan ’t bedrog, dat steeds volgt achter aan.
(45) Voor my, ik ben niet licht geloovig, kunstig vleijen
Van minnaars, zal my nooit verwinnen noch verleijen;
Ik meen, die met den mond steeds spreeken teer en breed,
Waar aan het hart niet denkt, wyl ’t van de tong niet weet.
Veel minnaars vrijen slechts tot voedsel voor hun lusten,
(50) En gunnen, om ’t vermaak, hun driften nooit het rusten:
Een minnares alleen te smeeken om de min,
Dat schynt voor hen een straf, daar steekt geen wellust in.
De een zegt tot de ander: ik heb weêr wat nieuws vernoomen,
Een and’re schoonheid is my in ’t gezigt gekomen;
(55) Ik weet haar woonplaats, kom, vertoef niet, volg uw lust,
De dart’le vrijery moet nooit zyn uitgeblust.
[p. 19]
Laat ons de vryheid, die ons toekomt, wel gebruiken;
Wy minnen wie ’t ons lust, wy hoeven niet te sluiken.
Straks gaat myn loshoofd heen: o hoe vernoegd en bly,
(60) Verlaat hy om een nieuwe een oude vrijery!
En ’t blyft hier noch niet by, men vind ’er, die hun eeden,
Wel dier gezwooren, gantsch niet achten en vertreeden,
En geeven hunne drift den ruimen toom, en ’t kwaad,
Hier door ontstaan, dat is voor hen een braave daad:
(65) Geen schand, zo zeggen zy, geen straf noch strenge wetten,
Kan nooit een minnaar in zyn minnery beletten.
    Wat dunkt u, Karel, ben ik kwaalyk onderrecht?
Heb ik tot ’s minnaars last wel iets te veel gezegt?
Waarom, ei! zeg my toch, zou ik u dan gelooven?
(70) Gy gaat, in deugd en trouw alle and’ren niet te boven;
Doch zulks kon waar zyn, en ook waarheid dat gy zyt
Den valsten minnaar die ’er leefd in dezen tyd;
Want hoe ge uw leeven slyt, kan ik onmoog’lyk weeten:
Ik ken u niet, ’k heb nooit myn tyd by u gesleeten,
(75) Noch nooit uw spraak gehoord: heb ik, gelyk gy my,
U meêr als eens gezien van verre of dichte by?
Zulks toond geen blyk om my op ’t minst te doen bemerken,
Wat ge in uw leevensloop gewoon zyt uit te werken.
Verschoon my zo myn pen, onweetende, u misdoet,
(80) Ze ontdekt, in ronde taal, den grond van myn gemoed:
Ik weet hoe dat de min heeft kunsten en vermoogen,
En die te licht geloofd, die werd ook licht bedroogen.
Maar, niet te min, ik wil nu anders spreeken, ’k blyf
Dezelfde die ik ben, schoon ik wat zachter schryf;
(85) Ook moogt gy, door uw smart, my voor een wreede schelden,
En gaan, wanhoopende, elk ten kwaadste uw noodlot melden.
    Indien ge inwendig voeld een zuiv’ren minnebrand,
[p. 20]
En dat uw ziel oprecht gemeend heeft, ’t geen uw hand
Met zulk een heusheid, zo ’t my voorkomt, heeft geschreeven,
(90) En zo uw faam alom is onbevlekt gebleeven;
Zo zeg ik, Karel, dat gy dan voor het begin,
Gerust’lyk hoopen moogt op Leonoraas min.
Zo gy iets meer begeerd, zo moet ge laaten spreeken,
Dat is ter tyd als my uw omgang is gebleeken:
(95) ’t Is noodig dat met ernst de vrytyd werd gerekt;
Terwyl ’t inwendig kwaad dan klaarlyk werd ontdekt,
’t Welk in een minnares of minnaar is beslooten,
Waar van in ’t huw’lyk werd een zuure vrucht genooten.
    Gy kunt u midd’lerwyl verzek’ren, dat ge alleen
(100) Komt smeeken om myn gunst met uw gedienstigheen’
Want ’k heb tot dezen tyd geen minnaars aangehouden,
Vermits ik nooit geloof hun woorden toevertouden.
Hier mee geef ik u klaar te kennen dat uw geest
Voor medevrijers is vergeefs ontrust geweest.
(105) En nu, het is myn lust, wil ik u zien en hooren,
’k Heb u daar toe alleen voor and’ren uitgekooren;
En vraagt men my, waarom? zo zeg ik: ’k weet zulks niet,
Niets is zo vreemd als ’t geen dat door de min geschied.
    In ’t kort, ’k zal u voortaan met vriendschap heus ontmoeten,
(110) Als gy, ter rechten tyd, my komt welmeenend groeten:
Maar zie voorzichtig toe, gedraagd u zo ’t behoord,
Maak my in ’t vrijen niet, voorweetende, verstoord:
Maar prent, tot uw behoud, gestaag in uw gedachten,
Dat ik u, voor myn gunst te schenken, kan verachten.
(115) Vaar wel, ik sluit myn brief; bevorderd uw geluk;
Behoed u, wyl ge kunt, voor dubb’le ramp en druk.

Continue

[p. 21]

V. BRIEF.
HENDRIK AAN ELIZABET.

KEer weêr, Elizabet, keer weêr myn lust en leeven,
Allang genoeg van my, in ’s Gravenhage gebleeven:
De tyd die gy van my zoud blyven, waarde schat,
Die heeft reeds, tot myn leet, driemaal zyn eind gehad.
(5) Nu dwingt myn ongeduld, in ’t eind, myn hand tot schryven,
Om de argwaan uit myn hart, is ’t moog’lyk, weg te dryven;
Want gy gedenkt niet meêr aan ’t geen gy hebt beloofd,
Maar brengt my een gety van rampen boven ’t hoofd.
Een uur schynt my een dag, zulks kan ’t verlangen baaren,
(10) Den dag een maand, en voorts de maanden zyn myn Jaaren.
Dit had ik nooit gedacht, Elizabet: maar ’k merk,
Nu dat de liefde my te magtig is en sterk,
Dat gy, tot uw vermaak, my poogd een tyd te plaagen,
En doen myn Jongheid zien, voor blyde, donk’re daagen:
(15) En zo zulks waarheid is, dat zal noch ’t beste zyn,
Wie weet of my niet naakt een wreeder minnepyn!
Wie weet of gy alreeds geen ander hebt gekooren,
Die hooger schynt van staat, als Hendrik, is gebooren;
En daarom wout gy niet gedoogen, o wat spyt!
(20) Dat ik met u zou gaan ter plaats daar gy nu zyt.
En ook verboden dat ik u niet af zou haalen;
Dus komt gy, door uw dwang, myn goeden wil bepaalen.
    Verheugd u in ’t gezigt der Haagsche minnaars vry,
Maar denk slechts eens dat ik niet minder ben, als zy:
(25) Leerd my, dat bid ik u, hun yd’len waan niet kennen,
’t Zal wonder zyn als gy hun omgang kunt gewennen:
[p. 22]
Zy zyn gesleepen op vervalste minnetaal,
En toonen, uiterlyk, door al hun pracht en praal,
En hof’lyk leeven dat zy meêr als goed waarderen,
(30) Schoon dat zy van hun winst heel sober moeten teeren:
En zo ’er een bezit een redelyken schat,
Die meend dat hem ’t geluk voor eeuwig heeft omvat;
Hy ’s onverdraaglyk groots, en leefd gantsch onbedwongen,
En kend geen mind’ren meêr, ja doet verwaande sprongen.
(35) Die nu geen hoofdsom heeft die haat kwansuis het geld,
En acht zich in den top van ’t groots geluk gesteld;
Terwyl zyn adeldom, waar op hy dan zal roemen,
Voor hem zo heerlyk is als yder op kan noemen.
    Elizabet, het kon gebeuren, hoe uw hart
(40) Op Haagsche zwieren is verslingerd en verward,
Dat gy uw tweede keur heel deerlyk kond beklaagen,
En vloeken op ’t getal der uitgebleeven daagen,
Die gy versleeten hebt in eige lust en zin,
En spottende vermoeyt met Hendriks trouwe min.
(45)     Is dit myn loon? is dit het geen ik had te wachten,
Voor zo veel trouwen dienst en uitgedrukte klagten?
Zyn dan beloften nu gantsch geen beloften meêr?
O neen! de trouw vertrekt en keerd hier nimmer weêr.
Hoe klaar beschouw ik nu de losse drift der Vrouwen,
(50) Waar op ik, onbedacht, weleer myn hoop ging bouwen!
En streê met pen en ink voor haar en haar gevry,
En bragt haar lof ten top op yders Jaargety.
Nu zal ik, door myn spyt, in scherpe vaerzen schryven
Der vrouwen loosheid in haar omgang en bedryven,
(55) En melden ’t meest van u, doch op een and’ren naam,
Op dat uw daad alleen blyft leeven door de Faam,
’k Haat uw persoon niet, neen, maar uwe trouwloosheden,
Die wil ik, door myn dicht, de minnaars klaar ontleden,
Op dat zy, nevens my, niet steunen op de trouw
(60) Der Vrysters, want de vrucht is dood’lyk naberouw.
[p. 23]
    Gy weet, maar ’t is u licht, door nieuwe vreugd, vergeeten,
Hoe wy voorheen den tyd in zoet gevry versleeten;
Hoe wy steeds dachten dat het streê met onzen pligt,
Als de een den ander eens was buiten het gezigt.
(65) Toen kon ik u alleen, zo als gy sprak, behaagen:
Toen was ik, ’k zeg ’t rond uit, de vreugd van uwe daagen:
Toen kon ik nooit misdoen, schoon ik u al misdeê;
In ’t hart lag goeden grond, in ’t hart lag Hendrik meê.
Nu zet gy my te rug, en meêr, want gy gaat vlugten,
(70) En laat my in een vloed van klagten, schreyen, zuchten,
Van spyt, van achterdocht en dolle raazerny,
Die door myn innig leet komt al te veel by my.
    Hoe mogt het u van ’t hart, om my noch te bedriegen?
Past het een jonge maagd, haar minnaar voor te liegen?
(75) Want om uw vriendens wil vertrokt gy niet, o neen!
Maar gy verlangden na veel dart’le nieuwigheên;
Na and’re minnaars, die zich hoffelyk versieren,
Met wild gewaad, en met belachelyke zwieren;
En die hun tong doen slaan na een fluweele taal,
(80) Waar van ’t gehoor betaald de vruchten altemaal.
Kan dan gemaakte spraak, en valsche minnestreeken,
Uw lust voldoen? ’t is wel, dat zal u nooit ontbreeken;
Gy zyt ter rechter plaats, daar zulks staâg werd geleerd,
Daar ’t vrijen, zonder eens te meenen, triomfeerd.
(85) Gehaate veinzery, of reden zonder gronden,
Hebt gy, ’t zy vroeg of laat, in Hendrik nooit gevonden;
’t Was al welmeenend wat myn tong u heeft gezeid.
Verdien ik dan het loon van smaad en trouwloosheid?
Verdien ik dat gy my zo schand’lyk hebt bedroogen?
(90) O neen! maar wel dat gy waard in uw ziel bewoogen,
Om myn stantvaste min, die ik u heb betoond,
En die, geloofd het vry, noch in myn boezem woond.
[p. 24]
Maar ’t is nu te vergeefs, u in myn hart te draagen;
Zo lang ik u bemin, zo lange moet ik klaagen.
(95) Het nuts, Elizabet, voor my, is dat uw beeld
Voortaan niet meêr in myn gedachten zweefd en speeld;
En dat ik u vergeet, als of ik nooit voor dezen
Uw schoonheid had gezien, noch duizendmaal gepreezen.
Maar wie, wie maakt myn geest van die verbeelding vry?
(100) De magt tot zulk een werk, blyft onbekend by my.
Vergeefs is ’t, om uw glans te ontwyken, te verlangen,
Terwyl myn ziel zelf zou aan uwe schaduuw hangen.
    Ik mag dan treurende beschouwen wat de tyd,
Die vreugd en rouw gestaâg doet groeijen en verslyt,
(105) My weder op een nieuw in zynen loop zal baaren,
Is ’t niet in een, het zy in meerder tal van jaaren.

Continue

[p. 25]

VI. BRIEF.
ELIZABET AAN HENDRIK.

IK dank in ’t eind myn list, terwyl die heeft vertoond
Het haat’lyk misgeloof dat in uw boezem woond,
Bevreesden Minnaar; had gy my slechts eens voor dezen
Myn ontrouw in het minst rechtvaardig aangeweezen,
(5) Dan zou ik denken, dat gy waard met recht beducht,
Dat ik verand’ren mogt in aangenaamer lucht;
Maar, wyl gy nooit myn hart hebt wankelbaar bevonden,
Zo hebt gy, door uw Brief, my op het felst geschonden.
’t Is waar, ’k beken het nu, myn uitreis is geschied
(10) Om u te toetzen; en stantvastig zyt gy niet.
    Hoe durft gy my den naam van een ontrouwe geeven?
Tienmaal moest gy uw Brief, die gy my hebt geschreeven,
Geleezen hebben, eer (voordat) gy die, gantsch onbedagt,
In argwaan zonder grond, de bode had gebragt:
(15) Gy had uw dolle drift daar door licht ingebonden,
En nooit tot uw bederf uw Brief my toegezonden.
Wat zal uw loon nu zyn voor zulk een heldendaad?
Myn weêrwraak, myn verwyt, myn afkeer en myn haat;
Want gy hebt nu voortaan niet op myn gunst te hoopen,
(20) ’t Hart is geslooten, dat wel eer stond voor u open;
Gy hebt den tyd beleefd, dat ik u heb bemind,
Nu ben ik, en met recht, voortaan zo niet gezind.
    Zou ik beminnen een, die, zonder zich te schaamen,
In buitenspoorigheid gaat buiten het betaamen;
(25) En schryft my, door den geest van een verkeerd geloof,
Dat ik de straalen van myn blinkende eer verdoof,
Door dien my zou ’t gevlei van vreemde minnaars lusten,
En gunnen, om die vreugd, myn zinnen nooit het rusten?
[p. 26]
Neen, Hendrik, gy hebt uit. den hoôn my aangedaan,
(30) Die zal nooit, tot uw straf, uit myn gedachten gaan.
Gy moet gevoelen, dat gy vrucht’loos hebt geschreeven,
Wat Haagsche minnaars zyn, en hoe zy daag’lyks leeven,
Om dat ik nooit met hen iets heb te doen gehad,
En niet te min hebt gy ’t heel anders opgevat.
(35) O! had ik eens voorheen uw ergwaan recht geweeten,
’k Had van myn tyd geen uur by u met lust versleeten!
Maar ’t strekt my tot een troost, dat zulks alleen de vreugd
Zal weezen die gy hebt genooten van myn jeugd.
Roem vry op zulk genot, ’t is groot, maar klein in waarden,
(40) De beste vrucht die is ’t, die ik zorgvuldig spaarden,
En die my nu den toom van volle vryheid schenkt,
Om u te missen, en dat zulks myn roem niet krenkt.
    Ja, Hendrik ’k ben verblyd, dat ik u kan verlaaten,
En, tot myn weêrwraak, u gerust en veilig haaten;
(45) Want gy hebt wel verdiend myn allerfelsten haat,
Hoewel een bitze wraak my altyd tegenslaat;
’k Zal my vernoegen, als gy binnen ’s monds zult zeggen:
Foei my! dat ik een ramp my op den hals ga leggen,
En dryf, door minnenyd, de min gantsch van my af,
(50) Die my wel eer vernoegt een weeldrig voedsel gaf.
O onbedachte hand! waarom zo stout geschreeven?
Myn brein heeft zich te ver in uwen dienst begeeven:
Myn wankelbaar geloof heeft u steeds aangezet,
En ’k vond geen tegenstant waar door zulks wierd belet.
    (55) Zo dunkt my, dat ik u, reeds meêr als eens, hoor spreeken,
Zodra als de achterdocht is van u af geweeken:
Zodra uw oogen zien, hoe gy hebt misgetast,
Myn faam gekrenkt, en myn onnozelheid belast.
Maar ik zal my niet eens bekreunen om uw klaagen,
(60) Gy zult uw leet alleen geduldig moeten draagen.
Ik zal my onderwyl vermaaken daar ik ben,
En doen steeds blyken dat ik Hendrik niet meêr ken.
[p. 27]
Ja ’k zal nu haast myn hart gaan aan een ander geeven,
Dan zult gy zien het geen gy hebt te vroeg geschreeven.
    (65) Vaar wel; zoek uw geluk, en leerd ter deege uw pligt;
Doet aan and’ren, ’t geen gy hebt aan my verricht:
Laat u een misslag voor de tweede leeren wachten;
Toond die gy mind ontzag, en schuuwd haar te verachten.
Ik ben, om dit u noch te zeggen, heel gezind,
(70) Omdat ik u weleer gantsch teder heb bemind.
    Wat zeg ik, ’k heb bemind! ik zeg, noch niet te weeten,
Of ik u wel getroost wil haaten en vergeeten.
Ik voel iets, dat my houd aan daar ik af wil gaan;
Ik wil u haaten, maar myn haat die blyft niet staan:
(75) ’k Wil u uit myn gezigt verbannen, maar myn oogen
Getuigen, dat zy zyn met Hendriks leet bewoogen.
Myn mond die spreekt wel uit; vaar wel, komt nimmer weêr,
Maar ’t hart roept u weêrom, wyl ’t is tot wraak te teêr.
Ik schaam my dat ik schryf het geen ik kom te schryven:
(80) De min is hier omtrent zo vreemd in zyn bedryven,
Dat al myn gramschap staat verbaasd en roerloos stil,
Waar door ’k de heerschappy moet missen van myn wil.
    In ’t kort, ’k gevoel my meêr genegen om te minnen,
Als u te haaten, en te bannen uit myn zinnen.
(85) O Hendrik! keerd dan weêr tot uw voorgaanden pligt,
En komt, zo dra gy wilt, weêr onder myn gezigt:
’k Zal ’t u vergeeven, mits dat gy met eigen handen
Uw Brief, in myn gezigt, veracht’lyk zult verbranden,
Om te betuigen dat gy groot’lyk hebt misdaan,
(90) En dat u ’t naberouw komt aan het hart te gaan;
Dan zal ik my, terstond, gantsch vergenoegt bereiden,
Om met u heen te gaan, waar gy my zult geleiden.
Ik ben den Haag al moê, ’k verlang na ’t scheepryk Y,
Daar gy het eerst uw dienst opoff’ren kwaamt aan my:
[p. 28]
(95) Hoewel ’k beken, dat hier, zelfs van den vroegen morgen,
Tot aan den avond, niets blyft voor myn lust verborgen;
En ik ontfang ’t vermaak, wanneer ’t den tyd gebied,
Alleen by vrienden, want by vreemden kom ik niet.
Zo ik de vreugd genoot, die my werd aangeboden
(100) Door veele Minnaars, ’k had geen maagden hier van nooden.
Zodra het Jufferschap zich heeft by een vergaard,
Dan word ’er vlyt noch moeite om myn gezigt gespaard;
Een drang van Minnaars komt straks na myn huis toe streeven,
En bidden, dat ik my zou in ’t Salet begeeven,
(105) Om daar met diep ontzag van hen gediend te zyn,
Met alle oprechtigheid, niet in een valschen schyn.
Maar ik heb hun verzoek, zo heus, steeds afgeslagen,
En zei, dat ik gestaâg wou blyven by myn Maagen.
    Zie hier, ô Hendrik! myn getrouwheid, waar ik ben;
(110) Wyl ik geen minnaar, die ik min, als u, erken:
Als u, wien ik in ’t kort met blydschap meen te aanschouwen,
Om, als voorheen, elkaâr in liefde te onderhouwen.

Continue

[p. 29]

VII. BRIEF.
JOANNES AAN JACOBA.

’t WAs avond, maar de Maan gaf zyn volwassen licht,
Wanneer de liefde my aanporde, en mynen pligt,
Om aan uw schoonheid,ach, wie kan die niet behaagen!
Myn diensten, als ik plag, gehoorzaam op de draagen:
(5) Aan u, Jakoba, die, door uw verlicht verstand,
Myn ziel, al speelende, heoid met een minneband.
Maar welk een droefheid kwam myn geest gantsch overstroomen,
Toen gy, in ’t schemerlicht, my tegen zyt gekomen,
Met een veel waarder vriend, als ik u heden ben,
(10) Gevoegd aan uwe zy, een minnaar die ’k niet ken.
Ik bleef onroerloos staan, vol spyt, en zwaar verlegen;
’k Wou schroomloos nad’ren, maar de vrees die hield my tegen.
’k Was stout, en ook bevreesd; ’k was gram, en weder goed:
Ik vond myn vreugd die ’k zocht, myn vreugd wierd tegenspoed.
(15) Wat stond my daar te doen? u klaagende aan te spreeken?
Of toornig zeggen, dat gy waart uw pligt ontweeken?
Neen, geen van beide vond ik raadzaam, ’k zweeg myn leet,
Den tyd werd menig maal met zwygen wel besteed.
In ’t eind, ’k besloot om u van verre na te volgen,
(20) Inwendig vol verdriet, inwendig heel verbolgen.
Maar, ach! myn hartzweer en myn ramp kwam felder aan,
Toen gy die minnaar liet mede in uw kamer gaan.
[p. 30]
’t Was toen onmoog’lyk, om my langer te bedwingen;
Ik zag op eenen tyd te veel veranderingen:
(25) Ik brak de ketens los vna myn gestrengen pligt,
Wyl ik myn vyand trots wou treden in ’t gezigt.
Doch ’t was vergeefs, gy hebt myn wil om ver gesmeeten,
Ik moet het zeggen, schoon gy ’t allerbest zult weeten,
En spraakt my heftig toe: wat zal dit zyn? waar heen?
(30) Hoe maakt gy u zo stout, om in myn huis te treên?
Wel dat is onbeleefd! of hebt gy recht en reden,
Om, als het u gevalt, met my in huis te treeden?
Vertrek, ik ken u niet, ik raade u dat ge gaat;
Ik merk, dat gy niet wel met uwe zinnen staat.
(35) Dus spraakt gy, en als ik uw handel af wou vraagen,
Toen hebt gy straks uw deur my voor het hooft geslaagen.
Daar bleef ik, vol van spyt en wanhoop, eenzaam staan;
Ik moest, gelyk ik deê, maar treurig, heenen gaan:
Want om iets met meêr kracht te doen, was niet geraaden;
(40) Ik dacht noch om myn pligt, en om uw ongenaden.
    Om dat gy my dan niet wilt kennen, hooren, zien
Noch spreeken, maar hoe kan my zulks door u geschiên!
Zo heb ik dezen Brief geschreeven, geen meêr krachten
Heb ik, Joannes, van myn brein en hand te wachten.
(45) En ’t is geen wonder! uw bedryf maakt my ontzind;
Ik ben al hoorend doof, al ziende ben ik blind:
Want wat ik heb gezien, mistrouw ik aan myn oogen,
En myn gehoor, zeg ik, dat heeft my licht bedroogen.
    Wat hebt gy met myn voor, Jakoba? heeft de min
(50) Een and’ren minnaar vast gedukt un uwen zin,
En afgeschilderd met een ry gewaande gaaven;
Terwyl zyn zwak verstand, al leevend, legt begraven;
En aangedaan met eengemaakt gelaat en stem,
Zo bid ik, zeg my eens, in uw gezigt, by hem,
[p. 31]
(55) Ik zal u dan doen zien, hoe de edele eigenschappen
Gemaakte gesten ver, in lof, voorby gaan stappen.
    Maar wat verzoek ik? my te ontbieden? ’k heb gedaan,
Myn held’re zon verzinkt, die bly plag op te gaan.
Gy hebt my uit uw hart gebannen, zonder reden,
(60) Gehaat, gehoond, veracht, ja zelf myn eer vertreeden;
Terwyl ge, in ’t byzyn van myn medeminnaar, my
Gedaan hebt, dat geleek na dolle raazerny.
    ;k Zal ’t nooit vergeeten, dat gy zegt my niet te kennen;
Kan zich een schoone maagd tot zulks te doen gewennen?
(65) Hoe kan ’t geschieden? dat aan my nuy is geschied?
Hoe val ik, uit myn vreugd, zo plots’ling in ’t verdriet!
Wat zal, wat kan ik doen? hoe zal ik my gedraagen?
Ik voel myn ziel geparst met de allerwreedste plaagen.
Zyt gy Jakoba, en ben ik Joannes wel?
(70) ’k Ben buiten myn begrip in dit verwarde spel.
Stantvaste en trouwe Min, gy hebt uw naam verlooren;
Gy heet veranderlyk, dus staat uw val beschooren.
Gy zyt geen grondslag meêr, waar op een minnaar zweerd;
Uw kracht is krachteloos, vervalsd en omgekeerd.
    (75) Hoe plag myn ziel zich om uw vriendschap te verblyden!
Nu komt gy, onverwacht, my met uw haat bestryden:
En vraagt men my, waarom? ’k moet zeggen: ’k weet het niet;
Ik ben onschuldig in het leet dat my geschied.
’k Heb niets misdaan als u een groot ontzag te toonen,
(80) En, niet te min, gy komt my smaadelyk beloonen.
    Vaar wel dan, fiere Maagd, vaar wel Jakoba, doet
Myn leevensteesten nu versterven, acht gy ’t goed;
Want gy hebt in uw magt my, leevend te doen sterven,
[p. 32]
En ik kan toch geen vreugd voortaan van u verwerven.
    (85) Ik sluit myn Brief, wyl ’k moet; myn krachten die vergaan.
Ik bid u, doet my toch uw recht besluit verstaan:
’k Zal ondertusschen my, zo vroeg niet dood’lyk kwellen,
Maar, op de hoop van vreugd, myn ziel gerust gaan stellen.
Ik wacht noch voor myn eind een uitkomst in myn nood,
(90) Terwyl Joannes blyft uw Dienaar tot zyn dood.

Continue

[p. 33]

VIII. BRIEF.
JACOBA AAN JOANNES.

’t WAs middag, en de zon liet zyn vergulde straalen
Van ’s hemels transsen, bly en klaar, op ’t aardryk daalen,
Als ik belust was om te leezen, want myn geest
Was van haar vroolykheid een wyl verplaast geweest.
(5) Maar ’k had niet lang ’t genot van dat vermaak genooten,
Of ’k zag myn kamermaagd de zaaldeur openstooten;
Dus wierd ik dan gestoord in myn gezochte rust,
Waar van de onnooz’le maagd het minst niet was bewust,
Terwylze, al lachende, kwam na myn zitplaats streeven,
(10) Om my een Brief, die zy ontfangen had, te geeven:
Den brenger kon zy niet, ook eischte hy geen loon,
Gelyk een bode van een minnaar is gewoon.
Ik brak hem open, en ik heb terstont vernomen,
Dat gy, Joannes, my die lett’ren toe liet komen;
(15) Die ik opmerkend heb geleezen en verstaan,
Waarom ik dezen Brief, tot antwoord, af laat gaan;
Hoewel ’t u vry staat om my zelf te komen spreeken;
Maar ’t schynt gy zyt ontsteld en fel in toorn ontsteeken.
    Hoe waand Joannes dat het met de reden stryd,
(20) Dat ik in zoet vermaak leef in myn jongen tyd?
Dat ik, schoon gy my mind, gewillig wil gedoogen,
Als my een ander komt eerbiedig onder de oogen?
Neen, onberispelyk staat my dien handel vry:
Ik leef gelyk ’t betaamd, ik leef verheugd en bly.
(25) ’k Heb reeds twee minnaars, maar zyt daarom buiten vreezen;
Gy kund, wanneer gy wilt, myn derden minnaar weezen.
Nu spreek ik ongeveinsd, om dat gy u daar na
[p. 34]
Kund voegen, wacht gy lang, zo komt ge licht te spâ.
Ik kan myn zinnen niet gelyk ik wil regeeren,
(30) Maar hebt gy moed genoeg, stryd om te triompheeren.
Veel vrijers voor ’t gezigt te hebben is niet vreemd;
Terwyl men uit hun doen vermaak en voordeel neemt.
Voor my, ik ben gezind met meêr als een te spreeken;
Zo wel voor myn vermaak als mede om de gebreeken
(35) Van ieder kort en klaar te leeren kennen, want
Op zulk een wys zo barst hun drift aan de eene kant
Of de and’re lichter uit, waar door ze zyn gevangen;
Het rechte wit waar naar de vrysters sterk verlangen:
Dan zien zy wie dat wrokt, wie haastig is, verwoed,
(40) Verdraagzaam, buiten toorn, en van een zacht gemoed:
Maar komt een minnaar zich gestaâg alleen te vinden
By zyn meest’res, ’t valt licht zyn driften in te binden,
Wyl hy, tot zyn vermaak, geen medeminnaars vind,
Waar door hy nydig word, vergramd en als ontzind.
(45) Uit deze rede kund gy nu genoeg bemerken,
Wat ik van meening ben gestadig uit te werken.
Nu hoop ik dat uw geest wat meerder rusten zal,
Want myn verklaaring baard u gantsch geen ongeval;
Ten zy ge u niet vernoegt met myn geschreeven woorden,
(50) En, door uw minnenyd, u zelf noch meêr verstoorden.
Doch wilt gy wel doen, zo omarmd een sterk geduld,
Gy brengt u zelf in ’t leet, Jakoba draagd geen schuld.
    Maar ’k acht het tyd te zyn om u, oprecht, te zeggen,
’t Geen my dus lang bleef in het diepst van ’t harte leggen:
(55) Gy zult hier door myn Brief voort leezen met meêr lust,
Ik wil uw woelend hart doen voelen zachte rust.
Gy zegt, dat gy van my, voor dienst, hebt smaad genooten,
Om dat ik u myn deur voor ’t hoofd heb toegeslooten.
’k Wil u myn huisdeur nu ontsluiten en myn hert,
(60) Waar in nooit slim bedrog of haat gevonden werd.
    Wel, is het mog’lyk dat gy noch zo dom kund weezen!
[p. 35]
Hoe meenigmaal heb ik aan u gezegt voor dezen,
Dat ik, uit inzigt, steeds ontveinsden wie dat my
Een zoet gezelschap was, en sprak van vrijery?
(65) En dat, zo u, door my, iets vreemds mogt overkomen,
Gy ’t allerminste niet voor ongeval zoud schroomen?
Ook dat myn handel ons zou nut en dienstig zyn,
Schoon die van ’t meenen niets verbeelde als slechts den schyn?
Zyn dan myn woorden u zo ras door ’t hoofd gevloogen?
(70) Uw brein is immers niet met duisternis omtoogen,
Gelyk gy, schryvend, van uw medeminnaar spreekt,
Van wien ge u te vergeefs, en al te onnozel wreekt.
Docht ’t zy daar meê zo’t wil, ’k zal ’t daar by laaten blyven;
Myn goedheid vergt myn pen om tot uw vreugd te schryven.
    (75) Na dat ik dan myn zin aan u had doen verstaan,
Kwam my Wilhelm, vol vreugd, ontmoeten, bied my aan
Zyn diensten, en verzocht dat ik toch zou gehengen,
Dat hy my, wandelend, weêr naar myn huis mogt brengen.
Ik, om geen achterdocht te voeden, stond het toe,
(80) En dacht, dit wil ik doen op dat ik niet misdoe.
Wat deê hy moeiten om met list van my te hooren,
Wie ik tot minnaar en myn vriend had uitgekooren!
Maar alles was vergeefs, zyn aanzoek deê geen vrucht;
Ik was voor het geheim van onze min beducht.
(85) Hoe kon ik veinzen en een fier gelaat vertoonen!
Joannes, dacht ik, zal myn dienst met vriendschap loonen.
Maar ’t was verkeerd gehoopt; gy volgde ons gantsch ontsteld,
En woud, met hem, myn huis indringen met geweld.
Wat stond my toen te doen? moest ik my niet gedraagen
(90) Gelyk ik heb gedaan? en durft gy dan noch klaagen
Dat ik u onrecht doe? had Wilhelm u gekend,
Myn veinzery was dan gekomen tot aan’t end:
Maar wyl ik, tot uw dienst, uw opzet kwam te stuiten,
[p. 36]
Met u, kwansuis vergramd, myn deur voor’t hoofd te sluiten,
(95) Zo steld hy vast dat gy myn Minnaar niet kund zyn,
Maar wel een vreemdeling, vervoerd door minnepyn.
    Heb ik u nu misdaan? wat dunkt u, hebt gy reden,
Dat gy myn zuiv’re min belast met trouw’loosheden?
Dat gy, eer dat ge weet den grondslag van de zaak,
(100) My schryft, dat ik u wil vervolgen met myn wraak?
Hoe krygt gy zulks in’t hoofd? waar ’s uw verstand gebleeven?
Waar is uw vlugge geest, waar door gy word verheven?
’k Heb medelyden met uw rechte onnozelheid.
Gy zyt, gelyk een kind, dat brakke traanen schreid,
(105) Zo dra ’t slechts word gedreigd met kleine beuzelingen,
Ver van te denken om het wicht door straf te dwingen.
    In’t kort, bedank my vry, wyl ik u doe verstaan,
In zachte rede, welk een dienst ik heb gedaan:
Want ik had dubbeld recht myn gramschap te doen blyken,
(110) En u, om uwen Brief, op’t felste door te stryken.
Maar wyl de drift der min u yv’rig heeft gemaakt,
Waar door ge in ’t eind geheel zyt buiten ’t spoor geraakt,
Zo zal ik uw misdryf vergeeten en vergeeven,
En weêr, gelyk voorheen, met u in vriendschap leeven.
(115) Doch zyt omzichtiger wanneer ge u iets verbeeld,
Zo breekt het kwaad niet op dat naauw’lyks is geheeld.
    Ik schei van’t schryven af: gy wacht vast, met verlangen,
Om antwoord op uw Brief, naar uw verzoek, te ontfangen.
Maar’k raade u, dat gy niet komt onder myn gezigt,
Als met bekentenis van misdaad, naar uw pligt.

Continue

[p. 37]

IX. BRIEF.
ADRIAAN AAN BARTA.

DE zuiv’re blaauwe lucht, het graan en puik van bloemen;
Ja, alles daar de Jeugd van Zeeland op kan roemen,
Kan my in ’t minste niet vermaaken, en waarom?
Om dat ik myn verdriet beween waar dat ik kom.
(5) Geen landstreek, wyd en zyd berucht door veel sieraaden,
Kan nooit het minnaars oog, veel min den geest verzaaden,
Indien hy dat betreed in weêrwil en verdriet,
Neen ’t ongezocht vermaak voldoet zyn lusten niet.
Zo gaat het nu met my, gantsch Zeeland staat my tegen;
(10) Waar dat ik ga of sta, ’k ben met my zelf verlegen.
    Onnoz’le Vader, meend gy uit myn hart en zin
Te bannan haar, die my behaagd, die ik bemin,
Zo krachtig, dat my niet van haar zal konnen scheijen
Als ’t noodlot van myn dood, ’t welk my in ’t graf zal leijen?
(15) Vergeefs is ’t dat gy my in vreemde lucht doet zyn,
Want ik gevoel nu ’t meest de kracht der minnepyn.
Hoe zyt gy zo verkeerd? hoe zo bedwelmt van zinnen>
Al voerd gy my aan ’t eind des Waerelds, ’k zal beminnen.
Ik wil stantvastig zyn, schoon dat u zulks verveeld;
(20) Ik ben van trouwloosheid volkomen misgedeeld.
    Zo spreek ik meenigmaal, al wand’lend langs de stranden
Der Zeeuwsche havens, als ’t verdriet my aan komt randen.
O Barta! ’k heb geen magt om u te schryven ’t leet,
Dat my bestryd, en steeds als op de hielen treed;
(25) Want ’k zie my nooit alleen, myn Vader en myn Vrinden
[p. 38]
Zyn by en om my heef, waar dat ik my laat vinden;
Waarom ik dan myn ramp beklaag door zucht op zucht,
’t Geen my, met reden maakt voor zwaarder smart beducht.
    Kom ik omtrent de zee, en zie haar wilde baaren,
(30) Dan komt my straks in ’t hoofd myn haat’lyk wedervaaren;
Want in myn boezem gaat een ongeruste zee,
En ik ben zelf een schip, dat geen gewenschte reê
Kan vinden, maar met kracht, moet sling’ren en beweegen,
Tot dat de golven zyn in stilheid neêrgezegen.
    (35) Zodra als hier een schip afzeild naa ’t scheepryk Y,
Dan tracht ik, heimelyk, te ontkomen aan ’s Vaders zy;
En als ik in myn hoop en mening word bedroogen,
Zo zie ik ’t zeiltuig na met klaare en minnende oogen.
Zo lang ik kan in zee de witte zeilen zien;
(40) Maar ’t is een bitter zoet waar van ik my bedien:
Want als my, door de tyd, het aanzien word benomen,
Dan voel ik in myn hart een zwaarder droefheid komen:
Dan haal ik uit het diep veel zuchten, wyl myn mond,
Het zwygen noodig acht op deze onvrijen grond.
    (45) O! schoone Barta, ach! deez’ brief, door my, geschreeven,
Zal u een vaste blyk vna myn getrouwheid geeven:
De bulderende zee, die ons gescheiden houd,
Veroorzaakt niet het minst dat onze min verkoud;
Verlangend hoop ik zulks in ’t kort van u te hooren;
(50) Waar hebt gy iets van uw volmaaktheid ooit velooren?
Gy bind u zelf, met lust aan alle deugden vast,
Een eerkrans die uw hoofd en schoonheid sierd en past.
Boeid, bid ik u, my meê met goude en zilv’re banden,
Die ’t vuur der zuiv’re min in snelheid doen verbranden:
(55) Want goude boeijens toond me uw glans en vriend’lykheid,
En ’t binden is den grond, waar op de liefde leid.
[p. 39]
    Maar heb ik reden om uw wedermin te smeeken?
Mag ik met grondslag met myn pen dusdanig spreeken?
Ja, weêrgalooze Maagd; ja, Barta, ’k ben voldaan,
(60) Uw liefde is nooit verstoord van my te rug gegaan.
Spreek ik wantrouwend? ’t is my licht’lyk te vergeeven,
Myn leet heeft my, van ’t spoor der ken’lykheid, gedreeven;
Dock ’k zal in ’t kort verblyd en gantsch ontslaagen zyn,
Van droefheid, dwang, verwyt, van haat en wreede pyn.
    (65) Om nu te melden wat ik vast heb voorgenomen,
Om weêr eerlang by u met dubb’le vreugd te komen,
Zo diend dit. ’t Is bekend dat Vader licht geloofd,
En nu vast waand dat meest myn min is uitgedoofd;
’k Zal hem, doch veinzende, verklaaren, met veel reden,
(70) Dat ik met lust ben van myn opzet afgetreeden;
Dat hy my vry beschik myn eerst beloofde maagd,
Die my voorheen gantsch niet, maar nu geheel bahaagd:
Dat hy nu onbeschroomd het speeljacht laat bereiden,
Om my, tot zyn vermaak, in ’t zelve te geleiden;
(75) En zeggen andermaal: myn eerste min is uit,
Geef, Vader, geef my nu myn eerst beloofde bruid:
Haar schat behaagd myn geest, ook ’t stil en effen wezen;
’k Min haar, wyl gy haar mind, gy hebt my ze aangepreezen.
En vraagd hy waar uit die verand’ring komt te ontstaan,
(80) ’k Zal zeggen, door een smaad, door u, my aangedaan,
’t Geen my een waarde Vriend, vergrouwend, heeft geschreeven,
En al den omtek klaar te kennen heeft gegeeven:
Als hoe gy, gantsch vergramd, my haat’lyk hebt veracht,
En om myn diep ontzach, tot Vader, hebt gelacht:
(85) Dat myn onnoz’le ziel en blooheid steeds deê blyken,
Hoe dat de kindsheid zelf van my niet af wil wyken:
En, eind’lyk, hoe u speet dat ik u had gevryd,
En dat ik eens voor al beleefd had zulk een tyd.
Hier op zal hy, met my, straks van de Zeeuwsche stranden
[p. 40]
(90) Afzeilen, om weêrom in Holland aan te landen;
En merkt hy dan in ’t eind, dat ik hemheb misleid;
O! zal hy zigeen, ’t is vergeefs myn hoop gevleid:
Oud ben ik, mat en traag, ’k heb weinig tyd te leeven,
Ik laat de Jeugd begaan, my krenkt het tegenstreven;
(95) ’t Is vrucht’loos wat ik doe, die banden zyn al vast;
My diend de zachte rust, geen aangezochte last.
Ik voel aan myn gemoed, dat my dit zal gelukken,
En triompheerende daar van de vruchten plukken.
    Nu bid en smeek ik u, dat gy u niet verstoord,
(100) Als gy, op zulk een wys, myn onderneeming hoord.
Wilt in myn handeling steeds op myn liefde denken,
Dan zult gy vinden dat myn doen u niets kan krenken.
Noch eens, ei! keurt het goed het geen ik wil bestaan,
De nood die perst me ’er toe, het word om ’t best gedaan.
(105) Maar ’k wil gehoorzama zyn, en stip myn pligt betrachten,
En eerst op dezen Brief een Brief van u afwachten.
    Vaar wel, uw Adriaan blyft steeds aan u verschuld,
Uw dienaar, en een ziel die smart lyd met geduld.

Continue

[p. 41]

X. BRIEF.
BARTA AAN ADRIAAN.

AL wat men ’t minst verwacht dat ziet men ’t eerste komen;
En vreesd men voor iets kwaads, die schrik word weg genomen;
En, schoon ’t niet vast gaat, ’t is my meenigmaal gebeurd,
’k Heb, als ik vreugde zocht, wel meêr als eens getreurd.
(5) Nu wederom op nieuws had ik gantsch geen gedachten,
Dat ik van u een Brief uit Zeeland had te wachten,
Gelyk my die ter hand gesteld is, op een tyd,
Waar in ik overdacht de werking van de nyd:
Waar in ik overdacht stormende onweers vlaagen,
(10) Die elk in ’t vrijen moet ten doel staan en verdraagen:
Waar in ik overdacht den staat waar in ik ben,
’t Welk is in onrust, om dat ik u hoor en ken;
Waarom uw Vader, die geen oordeel heeft, noch reden
Gebruikt, my heeft gehoond en met veel kwaad bestreden.
(15) Maar ’k wil zulks zwygen, want het rusten diend myn geest,
Ik weet die zaaken zyn u leet genoeg geweest.
’t Is onrechtvaardig zich in toornigheid te wreeken
Op die, waar van nooit schuld aan ’t kwaad doen is gebleeken.
    Nu ben ik voorts gezind te melden wat ik dacht,
(20) Toen my uw waarden brief vernoegend wierd gebragt:
O wel gelukkige! gy zyt dan ’s vyands handen
Ontkomen, zo het blykt, en komt hier aan te landen.
Wat hebt gy al gevaar, in de afreis, uitgestaan!
Wat heeft men, onvermoeid, u heim’lyk nagegaan!
(25) Wat heeft men weer gedaan, eer dat gy waard gebooren,
Om ’t werk, gedaan tot uw volmaaktheid, steeds te stooren!
[p. 42]
Uw meester heeft niet eens, maar tienmaal omgezien,
Want al zyn handel moest, met leet, ter sluik geschiên,
Na stille plaatzen, om u haastig af te schryven,
(30) Wyl ’t hem verboden was om lang alleen te blyven.
Licht heeft hy over u gezucht, en licht geklaagd,
Dat hem het missen van zyn vryheid dood’lyk plaagd;
Of licht in toornigheid gesprooken, en de dagen
Verwenscht, waar in dat wy elkand’ren eerstmaal zagen:
(35) Want dat is de oorzaak van zyn uitreis en verdriet,
Hoewel ’k onschuldig ben aan ’t leet dat hem geschied.
Dus sprak ik met uw Brief, al bleef ik zonder spreeken,
En zag hem vriend’lyk aan eer ik hem op ging breeken:
En, als ik had zyn slot ontslooten, zag ik klaar,
(40) Dat u, o Adriaan! het hartzweer viel te zwaar:
Dat u, al wat natuur in Zeeland kan vertoonen,
Veracht’lyk was, en elk kan u daar in verschoonen,
Wyl gy tot over ’t hoofd gedompeld zyt in rouw,
Om dat u word belet uw zuiv’re liefde en trouw
(45) Te schenken, aan die gy bemind en blyft beminnen,
En die u, waar gy zyt, gedrukt staat in de zinnen.
    Moet ik nu zeggen, dat ik my daar voor erken?
En dat ik ’t voorwerp van uw vaste liefde ben?
Zo wil ik ook met een betuigen, dat geen zorgen
(50) Voor uw getrouwe min zyn in myn hart verborgen:
Dat ik steeds heb geloofd al wat gy hebt gezegt:
Dat gy my nooit een stroo hebt in den weeg gelegt;
En in my goed geloof ben ik noch niet bedroogen;
De werking van uw pligt komt my op nieuws voor de oogen,
(55) Als ik uw Brief beschouw, dat meenigmaal gebeurd,
Waar in ge uw deugd betoond, en om myn afzyn treurd.
My te beminnen, en uit myn gezigt te weezen,
En om myn wedermin geen dood’lyk leet te vreezen,
Dat is my van uw trouw zo vaste en rechte proef,
(60) Dat ik, o Adriaan! geen andere behoef.
    Wat staat my nu te doen? wat zal ik verder zeggen?
[p. 43]
Op welk een wys kom ik u nutste voor te leggen?
Hoe troost ik u het best? hoe redde ik u uit nood?
Dat weet ik niet; ’t is of ik worstel met de dood.
(65) Wel aan, al lang genoeg verdriet in ’t hart gedraagen,
Maak, bid ik, Adriaan, u zelf van my ontslaagen.
Bedwing uw drift en volg die van uw Vader in;
Denk, zo voldoet gy hem, niet meêr aan onze min.
’k Ontsla u van uw pligt; ja, ’k zal uw doen vergeeven;
(70) ’k Ben in myn ziel geraakt om uw onrust’lyk leeven.
    Wat steunt gy langer op de kracht van uw verstand,
Rampzal’ge Minnaar! ’t is vergeefs getracht de band
Van de onverzetb’re wil uw’s Vaders los te breeken;
Gy zult geen licht zien door de hulp van sneêge streeken:
(75) De Vos is veel te loos, hy is meê jong geweest,
Hy kend de liften van een vastgebonden geest.
Doch, niet te min, ik wil uw drift niet wederhouwen,
Gy moogt vry op den grond die gy gelegt hebt bouwen;
Ja alles onderstaan het geen me uw Brief verklaard,
(80) Maar houd voor al de pligt en red’lykheid gepaard.
Wie weet of ik u niet als winnaar zal ontfangen
Van duizend rampen, met verdiende lof omhangen!
Dit is myn antwoord nu op ’t geen gy wilt bestaan;
Ik wensch u wat gy hoopt, uw bede is nu voldaan.
(85) Maar eer dat ik myn pen ter rust wil nederleggen,
Zo moet ik, om geen smaad te lyden, noch iets zeggen.
    Indien gy, naar uw vlyt die ge aanwend, noch niets wind,
En dat uw Vader blyft gelyk als nu gezind,
Zo moet gy, Barta, en ik Adriaan verlaaten;
(90) My diend niet, op de tong, te wand’len langs de straaten,
Gelyk my zekerlyk te beurt zou vallen; want
Het vrijen zonder vrucht baard een verkeerd verstand.
    Wat waand uw Vader dat wy minder zyn in krachten,
Als hy? hy voed verkeerd en spoorloos die gedachten;
(95) Myn Vader is vergramd, en zeid my steeds verstoord:
’k Wou dat gy hem nooit had gezien, veel min gehoord.
[p. 44]
Wilt gy gehoorzaam zyn? zo band hem uit uw zinnen,
En laat hem nooit het minst meêr op uw gunst verwinnen.
Myn Vader te voldoen vereischte wel myn pligt;
(100) Maar u, gantsch zonder schuld, te ontrekken myn gezigt,
Dat zou onred’lyk zyn, en niet in myn vermogen;
Nooit hebt gy iets gedaan ’t geen ik niet kon gedoogen.
    Hiermeê zo zeg ik u, vaar wel, en kort uw druk.
Die onder rampspoed zucht geniet ook wel geluk.
(105) En ik verzeker u, dat ik niets uit wil werken,
Als dat uw vaste hoop, tot uitkomst, zal versterken.
Al de verandering der zaaken baard de tyd.
Verwin u zelf, verwin uw Vader, en de nyd.
    Ga heen, myn Brief, men wacht u met een sterk verlangen,
(110) Myn Vriend die weet de plaats waar hy u zal ontfangen.

Continue

[p. 45]

XI. BRIEF.
THEODOOR AAN AGNETA.

MOet dan ten derdemaal myn pen uw groote pyn
Beklaagen? en moet ik noch lang in wanhoop zyn?
Waarom verbied gy my, om uw zo bleeke wangen
Te drukken met myn mond, myn dagelyks verlangen?
(5) Hoe kond gy ’t uitten, ach! hoe kan ’t, hoe kan ’t geschiên,
Dat gy my weigerd om u eens te komen zien,
Daar gy op ’t krankbed legt, en voeld u aangegreepen
Met koortzen, die u wel ten graave konde sleepen?
Want als ik de arts, met schrik, na uw’ gezontheid vraag,
(10) Trekt hy zyn schoud’ren op, en antwoord my heel traag,
Dat uwe ziekte geen verand’ring komt te geeven,
En dat de dood, recht uit, u nader is als ’t leeven.
Zie daar een antwoord dat myn droeve ziel doorsnyd,
En my met beevingen, door al myn leên, bestryd:
(15) Een antwoord, welkers klank my ’t licht breekt van myn oogen,
En doet my meenen dat ik word in de aard getoogen.
Hoe treft my het verdriet! hoe sleept my ’t ongeval!
Wie zegt my op wat wys myn hartzweer einden zal?
Denk eens, zo uw verstand noch kracht heeft om te denken,
(20) Hoe my uw strenge wet op ’t doodelykst moet krenken;
Want gy kend myne min, myn hart en trouw gemoed;
Uw leet dat is myn leet, uw ramp myn tegenspoed.
Indien gy sterven moest, hoe zou ik leeven konnen?
Wie zou aan Theodoor, als ’t graf, een rustplaats gonnen?
[p. 46]
(25) En noch, o hemel! trapt de mingod my op ’t hart;
Ik ben, door ongeduld, in al myn doen verward.
Ik, trouwe Minnaar, mag die ’k min niet zien, noch spreeken,
’t Geen ik aan vrijers, vals van aard, nooit zag ontbreeken.
Hoe word oprechte trouw dus averechts beloond!
(30) Wiens min word dan voortaan, met wedermin, bekroond!
    Agneta, heugd het u, maar, ach! wat mag ik schryven!
Wie weet of gy ’t niet weet, en wilt onweetend blyven,
Toen ik, onschuldig, door een staal, wierd fel gewond,
En dat niet als de dood voor my te wachten stond:
(35) Ach! sprakt gy, treurende, moet Theodoor dan sterven?
En ik, door zulk een slag, myn hoop en wellust derven?
Hoe is dien Minnaar zo rampzalig in zyn jeugd!
Wat bitze nyd verdoofd de vlam van myne vreugd!
Met wien, met wien zal ik voortaan myn praatlust boeten?
(40) Wie zal my, zo als hy, steeds vriend’lyk komen groeten?
O! stervende vriend, hoe treft me uw pyn en smart!
Uw uitterlyke wond gevoel ik in myn hart.
    Vergeef het, lieve ziel, ten krankbed neêrgeslaagen,
Aan hem, die uwe smart, kon ’t zyn, zou willig draagen,
(45) Dat hy, in droefheid, spreekt rond uit het geen hy weet,
Daar steekt niets in waar door dat hy zyn pligt vergeet;
Neen, maar ik wil hier door betuigen hoe voor dezen
De vriendschap tussen ons onscheidlyk plag te weezen.
Hoe komt het, vraag ik nu, dat ik verstooten blyf?
(50) Ik deê Agneta nooit te kort in myn bedryf:
Hoe komt het, vraag ik nu, dat ik niet kan verwerven,
Om u, wiens gunst ik had, te spreeken voor uw sterven?
Hoe komt het, vraag ik nu, dat liefde in haat verkeerd,
Waar van ik de oorzaak steeds heb van my afgeweerd?
(55) Of is ’er, zonder schuld, dan straf voor my beschooren?
[p. 47]
Draag dan, myn ziel, het leet, waar toe gy zyt gebooren.
Scheen slechts het minste licht in deze donk’re nacht,
Dan zou ik zien wat nyd my had in rouw gebragt.
    Met welk een hoop zal ik nu dezen Brief verkorten?
(60) Waar op ik meêr als eens zag myne traanen storten:
Met welk een hoop, zeg ik; rust pen, gy hebt gedaan;
’k Zie, spreekend, reeds de geest van myn gedachten staan?
Met welk een hoop, zeg ik; ga, Brief, word wel ontfangen?
O! dit, dit woord is recht myn hoop en zielsverlangen;
(65) Dit woord dat is de hoop waar op myn leeven rust;
En mist my dat, zo is myn leevenslicht geblust.
    Vaar wel dan, zwakke Maagd, gy weet wat my zal naaken;
Gy kunt my treurig, of geheel blygeestig maaken:
Vaar wel, uw trouwe vriend, uw Theodoor die zal
(70) Zich voegen naar den storm van ’t haat’lyk ongeval;
En, heb ik u misdaan, zo bid ik, laat my weeten,
Waar in ik myn ontzach aan u ooit heb vergeeten:
Zo ik zulks weet, zo tref my ’t onheil op het hoofd,
En neemt my al ’t geluk dat my ooit is beloofd.
(75) Vaar wel, ik durf, schoon ’k wil, myn Brief niet langer rekken,
Wie weet hoe uw gezigt met doodelyke trekken
Omtoogen is! en hoe het rood van uwen mond
Verbleekt is, dat weleer gantsch bly en bloozend stond!
    Ik mag dan, zuchtende, myn ongeluk beklaagen,
(80) Zo lang tot dat ik zie veel aangenaamer dagen,
Die ’k van uw goedheid heb te wachten, want myn hart
Getuigd my dat ik haast ontlast zal zyn van smart.
En gy, o kranke Maagd! gy kund verzekerd weezen,
Schoon dat uw gramschap was, tot my, in top gereezen,
(85) Dat al myn wenschen, die ik doen zal, zullen zyn,
[p. 48]
Dat gy verwinnen moogt uw innerlyke pyn;
En dat gy, als voorheen, met lust en volle krachten,
Verschynende, my weêr voor uwen vriend moogt achten.
    Nu sluit ik mynen Brief, en bid u, zo uw hand
(90) Noch kracht heeft, en gy niet te zwak zyt van verstand,
Dat ge uw verpynen wilt een antwoord af te zenden,
Of my te ontbieden om te korten myn elenden:
Want word ik niet bewust waar in gy zyt misdaan,
Zo zal de wanhoop my doen struik’len en vergaan.
(95) Nu ziet gy hoe ik tot het uitterst ben gekomen,
En hoe al ’s waerelds lust is van my weggenomen.
    Ga heen, myn derde Brief, ’k bedank my dat myn geest,
Om u dus te eindigen noch magtig is geweest.

Continue

[p. 49]

XII. BRIEF.
AGNETA AAN THEODOOR.

’t ZOu wel onred’lyk zyn u niet verpligt te blyven,
O Theodoor! voor uw zo onvermoeij’lyk schryven.
Driemaal heeft uwe pen verklaard uw zielsverdriet,
En nu is ’t de eerstemaal dat gy daar vrucht van ziet:
(5) ’k Vond niet geraaden u noch langer tyd te ontrekken
Een red’lyk antwoord, om weêr vreugd in u te wekken,
Die tenemaal, zo ’k heb uit uwen Brief verstaan,
In ’t binnenst van uw hart, al zuchtend, is vergaan.
Om nu te komen tot het wit vn uw verlangen,
(10) ’t Welk is een antwoord op uw Brief, die ’k heb ontfangen,
Zo zal ik, ongeveinsd, verklaaren, door myn pen,
Dat ik, schoon gy zulks waand, op u niet haatig ben.
    ’k Was krank, maar niet zo krank, of ’k kon u zien en spreeken,
Doch ’k heb bezorgd dat zulks aan u nooit is gebleeken,
(15) Maar wel, in tegendeel, hoe dat myn leevenskracht,
Schoon ’t anders was, by na aan ’t einde was gebragt.
Dus heb ik Theodoor, terwyl ik moest, bedroogen,
En hoor wat reden my tot zlks te doen bewoogen.
    Nooit heb ik blyk gehad dat gy my recht bemind:
(20) Nooit was my ken’lyk hoe ge in alles waart gezind:
Nooit kon ik door ’t gezigt en myn verstand beschouwen,
Of uw gezelschap my voldoen zou of berouwen.
Wat stond my nu te doen? ik haakte vast naar ’t end
Van myn gedachten, maar my was noch niets bekend.
(25) Dus nam ik tot myn hulp het geen ik heb bedreeven,
Om aan myn geest de rust en vast geloof te geeven.
[p. 50]
En vraagd my iemand nu hoe zulks my is vergaan,
Zo zal ik zeggen: ’k ben door Theodoor voldaan.
Ik zeg ook tegens u; ja, ’k heb u trouw bevonden,
(30) Een minneband heeft u aan my al vast gebonden,
Waar van gy in myn magt drie zegels hebt gesteld,
Dat zyn uw brieven daar ge uw liefde in hebt gemeld.
Dat ik u weêr bemin, dat moogt gy vast gelooven;
Ik minde u eer ik eens was myn gevaar te boven;
(35) Gelyk gy zelfs verhaald, hoe dat het ongeluk,
Dat u eens schielyk trof, my bragt in bitt’ren druk.
    Maar zeg, o dwaaze Maagd! wat mogt gy toch beginnen?
Wat weg verkoor de drift van uw ontstelde zinnen?
Kost gy niet zwygen dat gy minde? moest uw tong
(40) Verklaaren hoe de min uw aan het harte gong?
O duive zonder gal! gy zoud, gelyk de blinden,
Iets vinden, by geval, dat gy nooit dacht te vinden.
Doch ’t heeft my, tot deze uur, geen hartzweer toegebragt,
Want die ’t my zoude doen heeft nooit aan kwaad gedacht.
(45) Ja, Theodoor, die lof zal niemand u onthouwen,
En ik mag my, vooral, op u gerust vertrouwen.
Gy meld wel in uw Brief al wat ik heb geeid,
Doch ’t strekte slechts tot blyk van uw rampzaligheid:
Maar had ons eens geplaagt ’t lot van veranderingen,
(50) Hoe* zou myn ruim gesprek my tegen ’t voorhoofd springen!
Want in het vrijen komt verand’ring eer men ’t denkt,
En woeld tot een van ’t paar geraakt word en gekrenkt;
Maar als stantvastigheid zich vest in hart en zinnen,
Dan kan verandering geen web van ramspoed spinnen;
(55) Gelyk een vaste min ons beide heeft geraakt,
En in het vrijen steeds gelukkig heeft gemaakt.
    Aangaande nu de smart en pyn by u geleden,
Door ’t waanen dat ik was van u terug getreeden,
Daar op zo wil ik u in dezen doen verstaan;
[p. 51]
(60) Dat my ’t gezeide leet aan ’t harte kwam te gaan.
Ik was bedroefd toen gy steeds loosde ontelb’re zuchten,
En dacht, zie daar myn Vriend in duizend ongenuchten
Gevallen zonder schuld, om dat het my zo lust,
Maar, ach! het moest zo zyn indien dat my bewust
(65) Zou werden, hoe zyn hart gesteld mogt zyn van binnen,
Of ’t is om my in schyn, of ongeveinsd te minnen.
Denk als men iemand toest, en zo hy zuiver is,
Hy drukt zich met meêr lof in elks geheugenis.
Gy moogt ook van deze uur, met recht verzekerd weezen,
(70) Dat gy door ’t hart gevoel van al uw angstig vreezen,
In my een sterker min gevest hebt, en zo groot,
Dat niets ter waereld die kan breeken als de dood.
Die groote liefde en zucht ein die genegentheden,
Zal ik steeds wederom met lust aan u besteeden;
(75) Want zuks te doen vereischt en vergt nu mynen pligt,
Zo lang tot ik geniet de glans van ’s hemels licht:
Ja. ’k wil u, dit ’s de tyd, naar uw zo sterk verlangen,
Weêr geeve, ’t geen ik heb in overvloed ontfangen;
Hoe meerder ik u schenk hoe meerder dat ik win;
(80) Dit, zegt men, is de proef van een oprechte min;
Want als de liefde word van ziel aan ziel geschonken,
Zy zal nooit mind’ren, maar in grooter vur ontfonken.
    Zie daar nu, Theodoor, uw druk in vreugd verkeerd,
Want in uw vrijery hebt gy getriompheerd.
(85) Ik weet geen deugden meêr te vinden noch te noemen,
En ’k wil ook, tot uw lof, op al dezelve roemen,
Die gy voor my niet hebt doen blyken, in een tyd,
Waar in ge wierd bestreên door rampspoed, angst en spyt.
Ik zeg, dat zich de deugd niet schoonder kan berkoonen,
(90) Als daar ze in tegenspoed zich heerlyk komt vertoonen,
Dan geeft ze blyken hoe ze door het ongeluk
Geslaagen heeft, ten trots van hoon en bitt’ren druk.
[p. 52]
    Gy denkt licht, wat wil ’t zyn, dat ik zo werd gepreezen,
Geëerd, gemind, gekroond door die ik plag te vreezen?
(95) Maar wilt vertrouwen, dat ik u verhef, geschied
Tot troost en zalf voor u te onrecht gevoeld verdriet:
En ’k hoop niet dat uw brein zo ver van ’t spoor zal dwaalen,
Dat gy daar door verwaand by elk zoud willen praalen,
Tot nadeel van myn deugd, myn naam, myn heus gemoed,
(100) En myn genegentheid, die u geheel voldoet;
Want weest verzekerd, dat ik uw pryswaardigheden
Zou drukken, haaten, en u met veel felle reden
Bestryden, want wiens lof en deugd niet blyft bestaan,
Verdiend dat zyn meestres hem dwingd te rug te gaan,
(105) En streng verbied van nooit in haar gezigt te komen,
Wyl wispeltuurigheid zyn hart heeft ingenomen.
    Ik zeg dit, maar ik weet dat zulks u gantsch niet raakt;
’k Weet welk een deugd dat u by my beminlyk maakt,
En daarom wil ik u ontfangen en beschenken
(110) Met dat gy waardig zyt, schoon gy ’t eerst niet dorst denken.
    Zie daar myn antwoord, myn gedachten, wil en zin:
’k Zal u verwachten, en betoonen myne min.

Continue

[p. 53]

XIII. BRIEF.
ANTONIA AAN LUDOWYK.

GY had licht niet gedacht dat ik zo dwaas zou weezen,
Terwyl myn gramschap is ten hoogsten top gereezen,
Dat ik u, door myn pen, zou spreeken, en myn hart
Ontlasten van een wraak waar toe ik ben gesart.
(5) Het is voor my het best te spreeken niet te zwygen
Die ’t bitter leet inkropt zal daar van hinder krygen.
Ik schryf u wel een Brief, maar prent in uw verstand,
Dat gy die ook ontfangt van een gevreesde hand;
Waar van u, zo ik ’t leef, veel onheil staat te wachten,
(10) Het zy met eigen, of met hulp van and’re krachten.
Denk niet dat gy, vernoegt, myn goedheid, liefde en jeugd,
Myn naam, myn blinkende eer, en onbevlekte deugd
Verachten zult, o neen! gy moogt met duizend oogen
Vry omzien waar ge ook zyt, of ’t is in uw vermogen
(15) Te spreeken zonder dat gy schielyk word ontdekt,
Door haar, o Schelm! die gy tot vyandschap verwekt.
    Ga roem nu op uw kracht en prysselyke daaden,
Waar meê zo ge u verbeeld te zyn als overlaaden,
Wyl gy een fiere maagd gevryd hebt om haar gunst,
(20) En die verwinnende door arbeid, taal en kunst,
Gaat gy zo grooten winst nu spottende, verlaaten,
Ver van te denken, dat die mind weêr fel kan haaten.
’k Heb u gelieft, ’t is waar, en veel om u bestaan;
Nu roept myn dwaasheid uit, ach! had ik ’t niet gedaan!
(25) Myn Jongheid was, ’k bekend, te kracht’loos om te weeten,
Of ook uw hart met trouw of ontrouw was bezeten.
[p. 54]
Nu vind ik ’t geen ik niet kon vinden op zyn tyd:
Nu vind ik dat my geeft een doodelyke spyt.
Men kan den valschen aard eens minnaars niet bemerken,
(30) Voordat hun schelmery begind in ’t licht te werken:
En daar by kwam dat ik te goed was van geloof,
Nooit was ik voor uw klagt en zuchten hoorend doof.
Geen argwaan, valsch gevlei, noch stuursheid in het spreeken,
Is, in myn leevens tyd, aan niemand ooit gebleeken;
(35) En, niet te min, ik word dus averechts beloond,
En, voor een roozekrans, met spot en smaad bekroond.
    Ontrouwe! tot myn straf zyt gy by my gekomen,
En hebt, eer ik het wist, myn liefde weggenomen;
Terwyl myn jongheid op uw vleitaal was belust,
(40) En op uw zuiv’re trouw, al speelende, gerust.
    Dit voorwerp wekt my op, en drukt in myn gedachten,
Met welk een zorg ik my in ’t vrijen heb te wachten:
Hoe ik, al zwygende, moet leeren of den grond
Van ’s minnaars hart is als ’t gevlei uit zynen mond:
(45) Hoe ik, niet al te vroeg myn minnaar moet ontfangen,
Met vriendelyke taal en blydschap op myn wangen,
Op dat die goedheid niet veranderd in verdriet,
Waar van men nu in my de waare blyken ziet.
Dus, zweere ik, zal ik my gedraagen in myn leeven,
(50) Als my het nootlot komt een tweede minnaar geeven.
O ja! ik wil zulks doen, het staat in myne magt;
’t Schynt wel te laat, maar ’t is noch niet te laat bedacht;
Ik heb geen achterklap, verwyt noch schand te vreezen,
Myn eer is onbevlekt, gelyk ze was voor dezen:
(55) Niets is ’er dat my krenkt noch zwaar valt, als de spyt,
Dat dus myn teêre jeugd onmeenende is gevryd.
    Maar gy, die niet bedenkt myn drukkende ongenuchten,
Hebt meerder nabreouw en smart als ik te duchten:
Want waar zult gy uw hoofd op steeken, daar men niet
(60) U met den vinger wyst als men uw handel ziet?
[p. 55]
In welk een voorval zal, of kan men u ooit pryzen?
Wie zal u, Valsaard, nu, uit heusheid, eer bewyzen?
Geen minnaar, die verstand gebruikt en deugd bemind,
Zal zich ooit laaten zien daar gy u steeds bevind.
(65) O! ’k zie wel haast den tyd, tot myn vermaak, gebooren,
Dat elk uw droef gezucht, door naberouw, zal hooren;
Want door uw kwaade tong, die my verstrekt tot hoon,
Zoekt gy, onweetend, reeds, voor uw bedryf, het loon;
Een loon, dat Ludowyk te dood’lyk zal beklaagen,
(70) En daar van in ’t gezigt de klaare tekens draagen.
    Zal ik dan langer my verkwynen? neen, myn ziel
Verbreekt het snoer, dat my, met vrees, gebonden hiel.
Ik wil de zoete vreugd, by my zo lang verstooten,
Op nieuws omhelzen, en myn blyde speelgenooten
(75) Begroeten waar ze zyn, op dat ik al myn leet,
Door die verandering, niet acht en gantsch vergeet.
En als ik dan, van ver, hoor tot uw schanden spreeken,
Dat zal een dubb’le vreugd in myne ziel ontsteeken.
Ja ’k twyffel niet dat ik, en in een korten tyd,
(80) Zal lachchen als gy zucht en daag’lyks treurig zyt.
    Dat zyn myn wenschen, die gy waardig zyt te ontfangen,
En daar ik uur op uur, met drift, naar zal verlangen:
Dat zal de vrucht zyn van uw handel, die een kroon
Van schande u drukt op ’t hoofd en zet voor elk ten toon;
(85) Dat is de straf voor die de onnozele bedriegen,
En schenden, zonder schuld, door boos en haat’lyk liegen.
    Myn schryflust is voldaan, en ’k zeg, het scheeld my niet,
Of u myn Brief verwekt tot gramschap of verdriet.
Gy kund, indien ’t u lust, na ’t leezen, hem verbranden,
(90) En doen aan uwe wraak en spyt deze offerhanden.

Continue

[p. 56]

XIV. BRIEF.
KONSTANCIA AAN LEONARD.

MYn ongeduld, myn haat en gramschap, dwingd myn hand
Tot schryven, schoon myn geest ontroerd is en ’t verstand:
’t Was beter kon ik my van zulk een last bevryden;
Maar welk een kwelling had ik van myn drift te lyden!
(5) Myn wil en onwil staan in ’t harnas tegens een;
Maar naar die ’t sterkste trekt en aanpord, schreef ik heen,
Om aan myn brein, vernoegt, de zachte rust te geeven,
Waar door ik hoop voortaan met minder spyt te leeven.
    Gy zyt dan, zo ik heb vernomen, met uw schip
(10) In Spanjen aangeland, bevryd voor strand en klip,
Dat my onmog’lyk schynt: maar ’k merk dat om de vroomen,
Die by u zyn geweest, gy ’t onheil zyt ontkomen.
Doch schoon gy ’t zeegevaar ontvlugt zyt, ’k weet de straf,
Die u vervolgd, kleerd gy nooit vna u leden af:
(15) Word ge om uw misdaad neit terstond bezocht met plaagen,
Gy zult ze in laater tyd gewis’lyk zwaarder draagen.
Al zyt ge uit myn gezigt, en op een vreemde kust,
Gy zult steeds zyn ontbloot van de eerstgenoote rust;
Want uw geweeten zal ontwaaken en u kwellen,
(20) En uw bedryf, by dag en nacht, voor oogen stellen.
    Denk aan uwe eeden, o ontmenschte! woord en trouw,
En trouwbeloften, die ik noch in waarden houw,
In weerwil van myn haat; maar die zal my verstrekken
Tot hulp, om elk, met blyk, uw schelmery te ontdekken;
(25) En mede om u de magt te ontrukken, dat gy niet
In ’t Trouverbond zult treên, maar leeven met verdriet,
En dood’lyk naberouw om uw gehaate daaden,
[p. 57]
Waar voor gy uw bederf hebt op den hals gelaaden.
Niet dat ik u hier door wil trekken tot uw pligt,
(30) O neen! Trouwlooze, want gy zult in myn gezigt,
Schoon gy te rugge komt, nooit weêr, als eerst, verschynen;
Maar ’k wil u plaagen tot gy eind’lyk slaat aan ’t kwynen.
Dan zult by zuchten en uw valsche vrijery
Vervloeken, die gy steeds geoeffend hebt aan my;
(35) En denken duizendmaal aan zo veel blyde daagen,
Die gy genoot, toen gy de weelden noch kond draagen:
Aan myn oprecht gemoed, trouw, deugd en ronde taal,
Myn vrolyk aangezicht en vriendelyk onthaal;
Aan myn onnozelheid, die niet te rug kon denken:
(40) Of my uw sterk gevry ook naamaals zoude krenken.
Die nagedachten zult gy krygen tyd op tyd,
Het zy dat ge op het land of op de baaren zyt.
    Maar ’k moet heir mede aan u, in ’t kort, te kennen geeven,
Op dat het blykt dat my uw handel en uw leeven
(45) Volkomen kenbaar is, hoe gy een jonge maagd,
Reeds aanbid, vleid en streeld, en na haar drift behaagd;
Met wien gy, zo zy wil, in ’t huuw’lyk meend te treeden,
Niet denkende aan de straf des hemels, door uw eeden
Van onverbreekb’re trouw voor myn gezigt gedaan,
(50) En die op perkement zo klaar geschreeven staan.
    Nu breekt het vaste slot van uwe schelmerijen:
Nu kund gy de opspraak van ontel’bre niet vermijen:
Nu blykt het dat ge zyt een loogenaar, wyl gy,
Met droefheid in ’t gezigt, u zettende aan myn zy,
(55) En liet u hooren: ach! myn vader heeft beslooten
Dat ik, voor ’k myne vreugd door ’t huuw’lyk voel vergrooten,
Moet na een and’re lucht vertrekken, om ’t verstand
Meêr te oeff’nen in een vreemd, als in myn vaderland,
Om, als ik heb geleerd den loop van veele dingen
(60) Des waerelds, en gezien al haar veranderingen,
Met meerder kennis al myn zaaken, tot ons nut,
[p. 58]
Te redden, om te zyn van ’t huis een sterke stut;
En leeven zo, met heil, ontelb’re goede daagen,
Met lieve vruchten tot ons beider welbehaagen.
(65) Maar had gy eens gezien hoe zeer ik was ontsteld,
Zo dra myn vaders mond die reden had gemeld.
’k Ben in myn ziel geraakt, en noch niet zonder beeven.
Wat staat my nu te doen? waar word myn brein gedreeven!
Ik wil myn vaders last verwerpen, en myn pligt
(70) Verbreeken, onbeschroomd, in zyn vergramd gezigt.
Maar neen, wat ongeval had ik dan niet te wachten!
Myn ongehoorzaamheid zou nooit zyn haat verzachten.
Wat weg betreede ik dan? wie geef, wie geef my raad,
In myn onkundigheid en kommerlyken staat?
(75) Schoon ik, zo de Oude wil, wou gaan naar vreemde landen,
Hoe zoude ik konnen? want de goude minnebanden,
Die binden my, met kracht, aan uwe schoonheid vast,
En aan veel deugden daar uw geest door is vermast.
    Dus kon uw hart het werk van dit bedrog besluiten,
(80) En uwe valsche tong daar van de woorden uiten.
Ik trooste u noch, en zei: voldoe uw vaders zin,
’t Is voor een korten tyd; het zal aan onze min
Geen hiunder konnen doen; wy zyn te vast verbonden,
En draagen in het hart daar van reeds diepe wonden.
    (85) Gy, Schelm, gingt van my af, en koos de woeste zee,
En ik gaf, noch verblind, u duizend zuchten meê:
Een gy zyt niet zo ras uit zee op ’t land gekomen,
Of heb een nieuwe maagd in uwen arm genomen.
    Zie daar de blyken van uw zeer ontstelde geest
(90) Hoe was, om ’s vaders last, dien minnaar toch bevreesd!
Hy kon niet scheiden, neen, hy wou zyn pligt verbreeken,
En zich, om mynent wil, in haat en gramschap steeken.
    Is ’t mog’lyk! kund gy zo vol bitt’re valsheid zyn,
En my bedriegen in een aangenomen schyn
(95) Van deugden, trouw en eer, en alle uitsteekendheden,
Waar meê gy dag op dag heb om myn gunst gebeden?
[p. 59]
Het zal u anders gaan als by u zelf verbeeld;
Gy zult van myne wraak niet lang zyn misgedeeld:
Ik zal volbrengen ’t geen ik ernst’lyk heb gezwooren;
(100) En komt uw nieuwe bruid uw hels bedryf te hooren,
Dan zal zy, zo ze een hart in haaren boezen draagd
Dat medelydend is, en is ze een eerb’re maagd,
U, zeer verbaasd, terstond ontwyken en verlaaten,
En, voor beminnen, fel en onophoud’lyk haaten.
    (105) Op die verwachting steld myn ziel zich gantsch gerust,
Die reeds verand’ring voeld door kracht en nieuwe lust.
Het kwaad word wel een tyd den ruimen toom gegeeven,
Maar ’t is, door de Oppermagt, nooit ongestarft gebleeven.
    ’t Is tyt vertrek, myn Brief, het kan hier meê bestaan,
(0) Spreek met dien schelm, voor my, als ’k heb met u gedaan.

Continue

[p. 60]

XV. BRIEF.
WILHELMINA AAN RUDOLPH.

IK schryf u, en voor ’t laatst, met wit besturve wangen,
Door dien myn hart verwacht een diepe wond te ontfangen.
Myn rechterhand beklemd de pen, de linker ’t staal,
Waar mede ik dreig myn dood te omhelzen meenigmaal.
(5) In die gesteltenis word dezen Brief geschreeven
Door Wilhelmina, die het graf wenscht voor het leeven:
Want als ik ’t leeven houw, zo ben ik anders niet
Als leevend dood door spyt en eindeloos verdriet;
Gelyk dit blad getuigd, bevochtigd door myn traanen,
(10) Die nu niet als een weg voor uwe gramschap baanen.
Terwyl ge een ander streeld en bied uw trouw haar aan,
Met liefde en zoet gesprek als gy my hebt gedaan.
Maar ’t zyn gedachten, want ik kan noch niet recht weeten,
Of reeds een vreemde bruid is op uw schoot gezeten;
(15) Hoewel het Vrankryk nooit aan zulk een stof ontbreekt,
Waarop een ieder roemd op yv’rig breed van spreekt.
Doch zyt gy niet op nieuws, gelyk ik meen, verbonden,
En zo meedogentheid, word in uw hart gevonden,
Zo, bid ik, komt te rugge, en red myn ziel uit nood;
(20) Draag toch de naam niet dat gy schuld hebt aan myn dood;
Want dan zal elk u mêer, als my, in’t leven schenden,
En, die u ziet, het hoofd veracht’lyk van u wenden.
    Ik ben door u onteerd, maar ’k hoop ook, dat uw hand
My zal herstellen in myn roem en eersten stant:
(25) Zulks staat in uwe magt, doet my die vreugd bekomen,
Ik bid u geef my weêr dat gy my hebt ontnomen.
    Denk aan de zoete vreugd van onze vrijery,
Aan duizend klagten die gy hebt gedaan aan my,
Waar door gy eind’lyk hebt uw volle lust genooten,
[p. 61]
(30) Voor onzen trouwdag eens bestgemd was en besloogen:
Want wie zou denken dat gy in uw deugd en trouw
Zoud wank’len, en dat ik al leevend sterven zou!
Daar gy zo meenigmaal en heilig hebt gezwooren,
Dat ik, door ’s hemels raad, was tot uw vrouw gebooren;
(35) En dat het daarom was onmog’lyk, dat’er iet
Kon komen ’t geen ons zou verstrekken tot verdriet.
Hier op was ik gerust en dacht: het kan niet scheelen,
Of twee verbond’nen met elkaâr, vol liefde, speelen
Voordat den rechten tyd daar toe gekomen is,
(40) Hier geeft welmeenentheid aan ons geen hindernis.
Gy kwamt me omhelzen, zeer verblyd, en raakte aan ’t mallen:
Ik gaf u vryheid, en ben in ’t verderf gevallen,
En heb geen krachten om ooit weder op te staan,
Want wie herroept de tyd als ze is voorby gegaan!
(45) Maar gy alleen hebt magt om my weêr op te beuren,
En stellen my in staat van blyschap, was van treuren.
    Doch zo ik u niet kan beweegen door myn klag
En smeekingen, by my al scheijende uitgebragt,
Zo doet het om de vrucht door onze vreugde ontfangen;
(50) Die vrucht, die eertyds was uw lust en zielsverlangen;
En zoud gy die nu wars ontwyken, daar uw beeld
In al den omtrek gansch volmaakt in zweefd en speeld?
Dat keerd den hemel, die reeds is met my bewogen;
Dien wreeden handel zal niet zyn in uw vermogen,
(55) O neen! gy zult niet als tot deugd zyn aangepord,
En doen niet ongehoord, zelf de natuur te kort.
    ’k Heb meenigmaal, op hoop dat gy te rug zoud keeren,
Met kracht gebeden, dat u mogt geen onheil deeren,
En ’t schreijend Jongsken op myn schoot, met vlyt gesust,
(60) En duizendmaal, vernoegd, in uwen naam gekust.
Dan sprak ik ’t lieve wicht dus aan, in myn gedachten:
Schrei niet, uw vader zal uw leet en ’t myn verzachten;
Hy zal zyn ziel nooit niet bezwaaren met een daad,
Die na zich sleept den naam en ’t werk van ’t grootste kwaad,
[p. 62]
(65) Zo hy den hemel vreesd, die zegen geeft en plaagen,
En den verdrukte helpt uit droeve en donk’re dagen.
Hy spoed zich om tot my te komen, want zyn hart
Is gantsch verzacht en draagt meê deel van myne smart.
Hoe zal hy u, zyn zoon, dan kussen met verblijen,
(70) En uwe moeder doen het eind zien van haar lijen?
En zeggen: denk neit meêr aan uw geleden pyn,
’k Zal u herstellen, en een trouw beshermer zyn.
’k Ben wel gevallen, maar ook weder op gereezen,
En nu zal myne min tot u te grooter weezen;
(75) Daarom, zo bid ik u, verwyt myn misdaad niet,
Maar dat gy, met uw wil, die door de ving’ren ziet.
    Op hoop van zulk een heil te aanschouwen en te ontfangen,
Droog ik, zo menigmaal, de tranen van myn wangen.
Maar ’k zwem slechts in een zee van ingebeelde vruegd,
(80) En hoop vergeefs op uw medogendheid en deugd:
Gy zult wel daar gy zyt den tyd uw’s leevens blyven.
’t Is dan niet nut dat ik u klaagend kom te schryven:
Want als gy niet besluit weêr tot uw pligt te gaan,
Zo zie ik ’t, om myn smart en smeeken, nooit gedaan;
(85) En zo gy my, vol drift, uw liefde weêr wilt geeven,
Zult gy ’t niet laaten schoon ’k u heb te scherp geschreeven.
    Ik heb dan niet te ontzien dat ik u fel verwyt,
Dat gy geen deugd bezit, en een bedrieger zyt:
Dat gy den hemel riept zo ernstig tot getuigen,
(90) Waar voor de vroomen zich gewillig nederbuigen,
Dat gy me oprecht getrouw zoud zyn tot ’s leevens end,
En hebt nu, reukeloos, uw eed en trouw geschend;
En u verklaard te zyn een vyand van myn leeven,
Nu gy ontfangen hebt al wat ik had te geeven.
(95)     ’t Is wel, ontmenschte, leef zo god’loos naar uw lust,
Ter plaats daar ge ongestoord een and’re schoonheid kust;
Gy zult uw dagen met uw dart’le byzit enden,
In eenen jammerpoel van plaagen en elenden.
Dan zult gy zuchten en vervloeken uw bedryf,
[p. 63]
(100) En vesten nergens, door benautheid, uw verblyf.
    Dus ver heb ik noch kracht gehad om u te schryven,
Nu dwingd de zwakheid my om in de rust te blyven.
’k Voel, dat een felle koorts myn leden zet in brnd,
En roofd my, met geweld, de geesten van ’t verstand;
(105) En die, zo ’k hoop, indien ’t den hemel wil gehengen,
My ook in ’t korte zal van hier ten grave brengen.
    Vaar wel... maar zacht; myn pen streefd buiten zyn gebied,
De wenschen van vaar wel, o Schlem! verdiend gy niet,
Maar, zo ik heb gemeld, een vloed van ongelukken,
(110) Die onophoudelyk uw ziel in doodangst drukken.
    Leef en omhelsd dan in dien staat uw mingenoot,
En hoord verblyd, ’t gerucht van Wilhelminaas dood.

EINDE.


Continue

[p. 64]

                BLADWYZER.

Fredrik aan Izabella,Blad 5
Izabella aan Fredrik,9
Karel aan Leonora,13
Leonora aan Karel,17
Hendrik aan Elizabet,21
Elizabet aan Hendrik,25
Joannes aan Jacoba,29
Jacoba aan Joannes,33
Adriaan aan Barta,37
Barta aan Adriaan,41
Theodoor aan Agneta,45
Agneta aan Theodoor,49
Antonia aan Ludowyk,53
Konstancia aan Leonard,56
Wilhelmina aan Rudolph,60

Continue

Tekstkritiek

p. 50, vs. 50: Hoe er staat: hou