Continue

Jan Bara: Godvruchtige verklikker, vertoonende de losse en dwalende wegen der menschen, met de waare paden, om alle dartelheyd te mijden; Met andere Nijp-dichten, Kusjes en Minne-vaarzen, &c. Aan den E. Gestrenge, Wel-wijse, Grootachtbaren Heere, den Heere Cornelis Witsen, Burgermeester, Raad, ende Heere ter Admiraliteyt binnen de Stadt Amsteldam, opgedragen. Amsterdam, Jan van Duisbergh, 1656.

Geraadpleegd exemplaar: UBL 1200 F 11.
De heruitgave van 1657, ex. KBH 841 F 27 en UBA OK 65-757 : 3, is van hetzelfde zetsel. Bij de DBNL een pdf.

Continue
[p. 77]

De klagende

CELADON.

Begrijp:

DEn Harder Celadon, in trouwe min versteeken,
Beweent de valsheyd van sijn eertijds waarde lief,
Die hij, in sijn gevrij, tot aan de Starren hief,
Aan die vertoont hij nu, Godvrugtigh, haar gebreeken;
FLORINDE d’oorsaak is van dees sijn wrange KLACHT,
Haar trouweloosheyd heeft tot Rijmen hem gebracht.

Continue
[p. 95]

Brief van
CELADON
aan FLORINDE.

Van duysend mijlen verr, en verder noch, Marye,
Ontfangt gy desen Brief, die ik, geheel besweet,
En smachtig van de Son, dee uyt het westen glye’,
Juyst toen het eerste Schip tot zeylen was gereedt;
(5) Dus schrijft een Vryer aan sijn woelende beminde,
Uw’ valsche ondankbaarheyd dees Brief my dichten deê,
Ontfangt dit schrift van hem, haatgierige Florinde,
Die aan Kristoffel leydt, op een gewenschte reê.
Ik sweve tusschen lucht, en Zee, op grove golven;
(10) Een deugdelijker Maagd, dan gy, mijn sinnen boeit,
Nochtans de heuchenis van u, in my gedolven,
Een weynig haar vergeet, die in haar liefde gloeit,
[p. 96]
Mijn Dicht-mimf [sic] dwingt de hand van een besette Herder,
Die gy twee jaren hield voor uwen Celadon,
(15) Ik min een ander dier, mijn min strekt nimmer verder,
Gy lichten als de Maan, maar sy straalt als de Son;
Sy toont’er aangesicht niet als gy alle nachten,
Maar als Apollo gloort, s’en vreest geen duyst’re mist,
’t Doordringende gelaat kan nevelen verachten,
(20) Een liefde, in alls oprecht, verschrikt voor nyd noch list.
    Wanneer mijn nieusgier oog beschout de steyle klippen,
De Berge-toppen, die tot aan de starren gaan,
En staan gansch roereloos, dan denk ik op de knippen
Van u, die iet geleekt, en zijt tot niet vergaan;
(25) Wanneer ik voel aan strand, of binnensboord, de hette,
Die mij is aangenaam, maar moede maakt en mat,
Tirsinnes weygering kan dan mijn druk versette,
Soo’k in haar hette brand, ’t is om een meerder schat;
Wanneer de felle wind, en schorre donderslagen
(30) ’t Land treffen, en ons kil met haar ontstuyme kracht,
Dan suf ik als verstomt, en denk op al de vlagen,
Door welke ik, in me min, tot schipbreuk ben gebracht.
    Waar is het sacht onthaal? waar zijn de open armen,
Met welke gy uw’lief soo menigmaal omvingt?
(35) Waar zijn de tranen, en het overgevig karmen?
Waar is de vryicheyd, die ons had omgeringt?
Waar zijn de lachjes, en de suchtjes heen gevlogen?
Waar is de vlakke baan tot liefe trou-verbond?
Waar zijn uw’ vrolijke voor henen lonkende ogen?
(40) Waar is het gloeiend root van uw’ verliefde mond?
Waar zijn uw’ woorden heen? waar zijn de geyle nachten?
Waar is de leger-plaats, die voor my open bleef?
Heen lijf gemeenschap, ach! die ons tot min verkrachtten,
waar is die? en mits ik de reden plaatse geef,
(45) Waar zijn de uuren heen, op welke gy my kuste?
Waar is uw waardste pand? maar ik en seg niet meer,
Waar zijn de kneepjes, die gy gaaft, met volle lusten?
Eylaci! met een woord, waar is uw’ Maagden-eer?
[p. 97]
    Geen gunst voor Celadon, de trou is afgeweeken:
(50) Geen liefde, die mijn hoop in liefde voeden kan;
Geen kusjes, geen gevoel, geen soute tranen-beeken;
Gy schuwt de naam van Vrou, en ik de naam van Man.
Geen lonk, geen vingerspel, geen vrees voor wraak; de loosheyd
Geeft aan d’ontrouwigheyd een overlosse ren;
(55) Goôn! is ’t niet wonder dat de Godvergete boosheyd
Gedachtenis van tou in haar uytschrapen ken?
Geen vriendschap ’t gemoed van die was mijn vrindinne,
Geduurig een Erinn doorknaagt haar ingewand;
Gy, Goden, dan zy u, de trouwe Maagd Tirsinne,
(60) Genegen tot de min, my leent haar suyv’re hand.
    Twee jaren hebtge my tot uwen spot gehouwen,
Twee jaren hebtge my als om den tuyn geleydt,
Ter die tijd was het vreugd, die vreugd is in berouwen
Verandert, en mijn trou beloont met vasigheyd.

[....]