Balthazar Huydecoper: Horatius Hekeldichten, brieven en dichtkunst [in dichtvorm]. Amsterdam 1737.
Zie ook de prozavertaling (1726) en alle vertalingen van Horatius in het Nederlands tot 1800
Uitgegeven door drs. P. Koning en drs. G.C. van Uitert
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden
Gebruikte exemplaren: BL 11355 G 6; UBL 1204 A 8 en Ursicula.

Continue
[
fol. π1r]



[fol. π1v: blanco]
[fol. *1r]

HEKELDICHTEN

BRIEVEN

EN

DICHTKUNST

VAN

Q. HORATIUS FLACCUS

In Nederduitsche vaarzen overgebragt

DOOR

B. HUYDECOPER.

[Vignet: portretmedaillon van Horatius]

t’AMSTERDAM,

          By  {d’ERVEN J. RATELBAND en COMPAGNIE,
en HERMANUS UITWERF,
}  1737.         



[fol. *1v: blanco]
[fol. *2r]

DEN

ED. GROOT MOG. HEEREN

STAATEN

VAN

HOLLAND

ENDE

WESTVRIESLAND.

Zou ’t my, gezeten aan het uiterste Uwer paalen,
Geoorloofd zijn, het zeil zo hoog in top te haalen,
Dat my, in deeze laagte en kouden hoek, bescheen
Een weerlicht van den glans van Uw GROOTMOGENDHEEN?
    (5) En waarom zou het niet? Vergunt my dus te spreeken
O VADERS! daar aan elk zo dikwils is gebleeken,
Zo menigmaal getoond, dat onder Uw gebied
Noch vlek is noch persoon, op wien Uw oog niet ziet,
Naar wien Uw oor niet hoort, wanneer hy heeft van nooden
(10) Den stut van Uwen arm, en klem van Uw geboden.
[fol. *2v]
    En zouden wy, voor wie de deur van Uwen Raad,
Ten bijstand in den nood, geduurig open staat,
U nimmer nadren, dan met nieuwe zwaarigheden?,
Noit op een’ zachter toon, met lieffelijker reden,
(15) Uwe ooren streelen, tot een blijk dat ons gemoed
U, naast der goden God, alle eere en hulde doet?
Gy hebt van alle tijd, met drift van kloeke zinnen,
De weetenschappen en het werk der zanggodinnen
Gekoesterd en gekweekt; de wijsheid voorgestaan;
(20) Het pad, dat Ge andren weest, zelfs allereerst begaan,
En door Uw voorbeeld, dat van krachtiger vermogen
Dan alle wetten is, ’s volks hart ter deugd geboogen
En tot het goed gewend. Wie telt ons het getal,
Wie weegt ons het gewigt van al die vruchten, al
(25) Die schatten, meerder waard dan wandelbaare goedren,
Waarmede Gy zo mild, zo lieflijk, de gemoedren
Der onderdaanen hebt verzadigd en verkwikt
Uit Pallas vruchtbren tuin, zo wijsselijk geschikt
Aan de oevers van den Rijn, ten loon van bloed en leeven,
(30) Weleer ten besten van het vaderland gegeeven?
Maar mijne Zanggodin ontvonkt een nieuwe moed,
En zy vervolgt haar’ weg met eenen vaster voet,
[fol. *3r]
Wanneer zy overweegt, hoe Cats, der dichtren vader,
Wiens wijsheid vloeide als uit eene onuitputbaare ader,
(35) U, in ’t beleiden van de zaaken van ’t gemeen,
Verstrekt heeft tot een’ mond, een bron van wijze reen:
Wiens onbepaalde geest zo deftig wist te spreeken
Van vrede en oorlog, als van deugden en gebreken,
En aan wiens kloek begrip, in kracht meer dan in schijn,
(40) Geen kweeksel der natuur scheen onbekend te zijn:
Wiens pen, bevochtigd in de vloed der zuivre waarheid,
Al watze voor zich neemt, behandelt met een klaarheid,
Die ’t schranderste vernuft op alle wijs voldoet,
En tevens ingang vindt in ’t jeugdelijk gemoed.
    (45) En wien dan voegt het meer, het hoofd der Vredevadren
Te sieren met een kroon van groene pallembladren,
En eenen lofzang op te heffen t’hunner eer,
Dan de eedle Zanggodin? wier stil gemoed niet meer
Dan rust en vrede zoekt, dieze in voorleeden dagen,
(50) Veracht, versmaad, verschopt, te deerlijk moest beklaagen,
Maar nu begroeten mag met eenen blijden toon,
Door U, O VADEREN, gezet op haaren troon?
U, U, alleenig, weetze dank, dat zy, gezeten
In haaren eigen hof, de droefheid mag vergeeten,
[fol. *3v]
(55) En vrolijk zingen: Hoe de Landman, welvernoegd,
Voor zich zijn kudde weidt, voor zich zijn’ akker ploegt,
En zich met vreugd vermoeit en afmat onder ’t zaaien,
Omdat hy is gewoon zijn’ eigen oogst te maaien,
En naauwlijks meer gedenkt aan ’t al te bitter leed,
(60) Toen hy den ruiter moest zien teeren op zijn zweet;
Hoe ook de Koopman zijne goederen en waaren
In alle hoeken van de werreld, door de baaren
Der ongeslooten zee, verzendt en veilen laat,
En stijft zijne eigen beurs tot stijving van den Staat,
(65) Als ’t hem gebeuren mag, na sukkelen en dwaalen,
De kiel, met goede winst, te meeren aan de paalen
In ’t aanzien zijner stad: Hoe ’t mindere Gemeen
Geen ijzren harnas hoeft te gespen om zijn leen,
Noch ’t lieve leeven voor het vaderland te waagen,
(70) Zo ’t niet geneegen is de wapenen te draagen,
Maar elk een handwerk mag verkiezen naar zijn’ lust,
Waarin de dartelheid, die dochter van de rust,
Waarin de rijkdom der gezegende in dit leeven,
Hun middel van bestaan en werksgenoeg kan geeven:
(75) Hoe zy, die, gunstiger bescheenen van omhoog,
Als arendsjongen, met een onbeweeglijk oog,
[fol. *4r]
In ’t licht der zonne van Geleerdheid durven staaren,
Zich onbezorgd een’ schat van weetenschap vergaaren,
Door geenen moordkreet, door geen’ wapenklank gestoord,
(80) Waaruit zy, yder naar zijn maate en in zijn soort,
Een zee van wijsheid en van kennisse doen stroomen,
Die opgeeft, elk ten dienst, wat hem te pas mag komen
In zijn beroep en staat: Hoe Uw GROOTMOGENDHEEN
By dagen en by nacht haar tijd en vlijt besteen,
(85) Om’t beeld der Vrijheid, naast den Godsdienst hoogst te schatten,
Gekocht met zo veel bloed en traanen, waard te vatten
In ’t allerfijnste goud, te vesten op ’t altaar;
Niet, om te dienen met uitwendig kerkgebaar
In tempel of in koor, gebouwd van grof gesteente;
(90) Maar in de harten van de dankbaare gemeente,
Die zich geenszins bedriegt, wanneerze zich verbeeldt,
Datze in zo dierbren schat met haare Vorsten deelt;
Die zy voorheenen, in de hachelijkste tijden,
Zelfs, evenrustig, mee zag deelen in haar lijden;
(95) En aan wier trouwe zorg zy enkel is verpligt,
Dat yder hunner met een blij en vrij gezigt
Den hemel aan mag zien, en niet meer met geboogen
En krommen halze, noch met neergeslagene oogen,
[fol. *4v]
Rampzaalger dan een stom en onvernuftig beest,
(100) Daar heen druipt, en den staf des wreeden drijvers vreest;
Hoe Gy niet slechts den vrede in Uw gebied en staaten
Bewaart en onderhoudt, ten spijt van die ons haaten;
Maar ook geen moeite spaart, om d’eens ontsteeken gloed
Des oorlogs, die zo lang te bijster heeft gewoed,
(105) Te dempen, door behulp van vriendlijk tusschenspreeken,
Gebroken vriendschap te herstellen en te kweeken,
Verdeelde Koningen te brengen weer by een,
Te maaken Uwen vrede aan ’t gansch heelal gemeen,
En vriend en vyand dus te stellen als voor oogen,
(110) Dat kloeke harssens meer dan sterke handen mogen.
    O mogt mijn Zanggodin op diergelijk een’ toon
Ook zingen van ’t Gemeen! Wat stondt het Neerland schoon,
Zo deugdelijk, zo vroom te weezen in den vrede,
Als ’t was, toen tyranny zijn kindren sneeven deede!
(115) Een lighaam, vol van bloed en sappen, in het best
Van zijne kracht, dat zich ter keel toe voedt en mest,
Spat telkens uit in oude en nieuwgezochte lusten:
Maar wordt het, of door ziekte of anderszins, tot rusten
Gedwongen tegen dank, ’t bekomt allengs, leeft raad
(120) Met wijzer, en geeft acht op zijn’ bedorven staat.
[fol. **1r]
’t Volk is een lighaam, onderworpen aan veel kwaalen;
Nu doodlijk krank, dan eens wat beter, menigmaalen
In ’t volle bloeien van gezondheid en van vreugd.
Het heeft zijn’ ouderdom gelijk het heeft zijn jeugd.
(125) Uw ouderdom, o Volk, en doet u noch niet kwijnen.
Gy hinkt en krimpt nochtans aan veel verborgen pijnen;
En die u naauw beziet, veellicht bevinden zal,
Dat Rome, grijs en oud, en nijgende ten val,
Geen ziekte of ongemak voelde in zijn laatste dagen,
(130) Die u, in uwe jeugd, niet reeds ’t gebeente knaagen.
    Maar hiervan elders. Want schoon ik my vind gesteld
Aan d’ingang van een ruim en ongemeeten veld,
Het lust my echter niet, door mijn ontijdig speelen,
Grootachtbre VADEREN, Uwe ooren te verveelen,
(135) Noch, in een’ laagen stijl en ongesierde reên,
U te onderhouden met de dwaasheen van ’t gemeen:
Daar Uwe Toezigt, om door welgeschikte wetten
’t Voortkruipende bederf der zeden te beletten;
Daar Uwe Billijkheid, die yder, groot en slecht,
(140) Beschut voor ongelijk, en handhaaft by zijn recht;
Uw Waaksaamheid, om, zo van binnen als van buiten,
De schaapskooi voor den list des wreeden wolfs te sluiten;
[fol. **1v]
Uw Godsvrucht, tot deez’ dag gebleeven rein en kuisch,
Een toevlucht voor de geen die zuchten onder ’t kruis;
(145) Uw smettelooze Trouw in ’t houden van verbonden,
Door Koningen zo vaak om staatsbelang geschonden;
My ruime stof verschafte, om, op een’ hooger toon,
Te zingen het bedrijf van Hollands aardsche goôn:
Ten waare ik schroomde, door min voegelijke trekken,
(150) Hun deugd, in plaats van die te sieren, te bevlekken,
En ’t oog der Zanggodin, vol eerbied en ontzag,
Reeds schemerde door ’t zien in zulk een’ heldren dag
Gelijk een reiziger, die, voortgaande in het donker
En lettende op zijn pad, verrast wordt door ’t geflonker
(155) Van eenen bliksemstraal die hem in de oogen slaat:
Hy weet niet waar hy is, noch of hy valt of staat,
En tast, verlegen, in het rond gelijk de blinden.
Gelukkig, zo hy noch een’ boom of struik kan vinden
Met zijn verbaasde hand! dan houdt hy ’t geen hy heeft,
(160) En laat niet los, zolang hy twijffelt of hy leeft.
B. HUYDECOPER.

    Ter Burg op Texel,
        January 1737.




[fol. **2r]

AAN DEN

HOLLANDSCHEN

LEEZER.

’t Is waar, ik heb gezeid, dat Rome, nu reeds zwak
En nijgende ten val, geen ziekte of ongemak
Voelde in zijn’ ouderdom, die Neerland, in de dagen
Van zijne jonglingschap, niet reeds ’t gebeente knaagen.
(5) En wie, die dit ontkenne? of waantmen, dat de drift
En zucht om mijnen naam door eenig Hekelschrift
Beroemd te maaken, my verblind hebbe onder ’t schrijven?
Ei vrienden, past op ’t roer, en laat de kiel niet drijven
Zo haar de blinde stroom der menigt heenesleept.
(10) Men zoekt een goede ree wanneermen is gescheept;
En gaat de zee te hol door ’t bulderen der winden,
Zo eischt de zeemanschap een reefken in te binden:
Want die het door laat staan, en ’t alleruiterst waagt,
Keert, als een roekelooze; of blijft’er, onbeklaagd.
(15) Wat baat het ons, dat wy malkandren veel verhaalen
Van onze weetenschap en kennisse van taalen,
[fol. **2v]
Geleerdheid en verstand; zo lang wy niet verstaan
De kunst, om altijd recht langs ’t pad der deugd te gaan?
Van onze godsvrucht, onze trouw, ons mededoogen;
(20) Zo die niet woonen in ons hart, maar slechts in de oogen?
Van onzen rijken schat en vollen overvloed;
Zo wy geen’ armen vriend meedeelen van ons goed?
De deugd, de blanke deugd, waar de ydelste der zaaken,
Indien een lofgedicht my kon gelukkig maaken.
(25) Maar wijl ’t zulks niet en kan; zo eischt voorzigtigheid,
Dat ik my niet vergaape aan ’t geenmen van my zeit,
Maar dat ik mijn geluk, met welbedaarde zinnen,
Afmeete naar het geene ik doe, en voel van binnen.
Maar eigenliefde is ’t kwaad, dat u en my verblindt.
(30) Vindt iemand by zich zelf eens een gebrek; hy vindt
Daar straks een mantel by, waarmee hy ’t kan bekleeden.
Maar moeilijk is ’t, den aap zo sierlijk uit te reeden,
Dat men of hier of daar niet zie zijn’ eigen aard:
Maar, dan zijn ’t zwakheen, die een vriend in vrienden spaart
(35) En door de vingren ziet. Wat moeten in dees tijden
De Zanggodinnen niet al leeds en hoofdpijns lijden
Door ’t krassende geschrei van dichters zonder geest,
Wier werken niemand, dan de maaker, tweemaal leest!
[fol. **3r]
Dit leedenze ook van ouds. ’t is waar: is ’t daarom beter?
(40) Van ouds verkwisttem’ ook, om als een lekker eeter
Te leeven voor een tijd, zijn middlen; en men doet
Nu hier en elders noch het zelfde: is ’t daarom goed?
Indien gy naar wilt doen, wat andren voor u deeden,
Gaa heene, en volg ’t gedrag van loflijke overheden,
(45) Door wie de grondslag van uw welzijn is geleid.
Een vader in zijn huis is mede een overheid,
En kan, hoewel in ’t kleen, zich daar zo loflijk draagen,
Als vorsten op hun’ troon. Of, durreft gy ’t niet waagen,
Het oog zo hoog te slaan? wel, ziet dan op den moed
(50) Van uw voorvaderen, ô zuiver Hollandsch bloed!
Hoe zy het alles in de waagschaal dorsten zetten,
Om onze dienstbaarheid voor altijd te beletten;
Hoe zy hun kinderen, van d’ aanvang hunner jeugd,
Ontvonkten in een zucht tot ongeveinsde deugd,
(55) Daar zy die weetenschap en konsten mede paarden,
Die hen geduurig by die zelfde deugd bewaarden.
Het is een vast gevolg: die jong het spoor verliest,
Van duizenden niet een, die oud het wederkiest:
En daar der vadren oog geen acht geeft op de kindren,
(60) Daar moet ook ’t welzijn van het volk noodzaaklijk mindren.
[fol. **3v]
Wijze overheden zijn ook kinderen geweest.
Maar hadden zy niet vroeg hun oordeel en hun’ geest
Gesleepen en beschaafd; hoe haddenzy gekreegen
Die deugd en kennis, die den volke tot een’ zegen
(65) En duurzaam heil gedijt? Maar nu, nu is ’t genoeg,
Indien men zeggen kan: Ik rees voordeezen vroeg
Ten bedde uit, en mag nu daarom te langer slaapen.
Ik heb veel werks gedaan, om ’t geld by een te schraapen,
’t Is recht, dat ik het nu gebruike, zacht en stil.

(70) Mijn jongen werke zelve, indien hy leeven wil.
’k Beken, ’t is prijsselijk, ja loffelijk, te konnen
Bestaan, van ’t geenmen met zijn handen heeft gewonnen.
Maar, daar een jongen lui en lekker wordt gevoed,
En na zijns vaders dood eerst werken leeren moet,
(75) Het zal my wonder doen, indien hy kan bewaaren
Een ongekreukt gemoed tot aan zijn grijze hairen.
    Maar welk een uitgestrekt en dreigend aangezigt
Begraauwtme van ter zij? Dat elk zijn’ eigen pligt
Bezorgde, waar wel best. bemoei u met geen andren.

(80) Verander eerst u zelf, eer datge ons wilt verandren.
Ik u veranderen, mijn goede man! gansch niet.
Mijn oog speurt wel in ’t uwe een’ schijn van deugd; maar ziet
[fol. **4r]
Niet door tot in uw hart. ’k moest u al bet doorkijken,
Eer ik my wrijven zoude aan u of uws gelijken.
(85) Dat gy de beste waart, zoume echter verre ontgaan.
De goeden trekken zich ’t gemeene kwaad niet aan;
Ik zeg, ’t gemeene kwaad. en, loopt’er al wat onder
Dat gy u eignen moogt, ’t raakt u niet in ’t byzonder:
Daar zijn ’er meer dan gy. Maar twijffeltge, of ik licht
(90) Wat alte zeer ruimschoots gaa weiden in mijn dicht?
Kom, zet u op deez’ stoel, en laat ons t’saam eens rekenen,
Wat soort van ongemak, wat veege en doodsche tekenen
Horatius bespeurde in den Romeinschen staat,
Daar Neerland vrij van is. De prachtige Overdaad,
(95) Die voorboo van den val van allerleie staaten,
Heeft die ons Nederland ook onbezocht gelaaten?
Ik denk niet, datge my zult vraagen, waar zy is?
Gy zultze vinden waar gy zoekt; gy kunt niet mis.
Zo ik dees stoffe by hoofdstukken wou verhandlen,
(100) Gy zoudt van Medenblik eer naar den Haag toe wandlen,
Dan gy de tijtels laast. Nu gaat het voor den wind;
Zegt vader, die, na lang te sukkelen, begint
Een’ goeden aftrek te verkrijgen in zijn neering;
Maar arbeid zonder rust is de allerslimste teering,
[fol. **4v]
(105) Die geest en lichaam slijt. Een tuintje by de stad
Kost juist zo veel niet, en waar goed, om somtijds wat
Te rusten, en den geest by wylen uit te spannen.
Wat mensch zou dat gesleep van kruiken, vaten, kannen,
Dus heen en weder, niet verveelen in het eind?

(110) ’t Moet alles dubbel zijn. Maar moederlief, gy kent
Onz’ ouden buurman, die na ons eerst heeft begonnen,
En zich nu inbeeldt, dat hy meerder heeft gewonnen
Dan ik, dien hy nu twee of driemaal is voorby-
Gereeden; en me dacht hy lachte, omdat hy my

(115) (Het was een warme dag) bezweet te voet zag loopen.
En dat verveelt my mee. ’k denk ook een paard te koopen:
Een wagentje van zes: wat dunkt u? dat ’s niet Spaansch:
Daar konnenwe allen op. ’t is schier een half uur gaands,
Te reeknen van ons huis tot aan den tuin. voorleeden

(120) Heb ik het zelf op mijn orlogie afgetreeden.
Het groot gezelschap, ’t welk ons gisteren bezocht,
Dat heeft gemaakt, dat ’k by my zelven heb gedocht,
Ons tuintje in ’t najaar te verkoopen, en te kijken
Naar eene buitenplaats, die ons wel zou gelyken,

(125) En nu wel haast te koop zal zijn, wijl de eigenaar
De zelve langer niet kan houden dan dit jaar.

[fol. ***1r]
Daar wordt wat sterk getapt, en ’t vat loopt op het leste.
Die koop is klaar. Nu moet het alles zijn van ’t beste.
Wat aan een tuintje voegt, past aan geen buitenplaats.

(130) Dat spijtme, datwe laatst gezien zijn van de maats,
Terwijl ons paardje niet meer voort kon met den wagen
Door ’t gulle zand. ook moest ik ’t arme beest beklaagen:
Zes menschen, en dan noch pakkaadje; ’t is te veel.
Daar moet ’er noch een by. ook zal het op ’t geheel,

(135) Twee paarden of maar een, in ’t jaar zo veel niet scheelen.
Wy hebben toch den stal en ’t rijtuig. enwe speelen
Niet ongelukkig. laatst won ik op eenen nacht
Zeshonderd gulden, die my ook zijn t’huis gebragt.
En wil het goed geluk ons noch een poos verzellen

(140) Ik schaamme voor de buurt zelf aan te moeten bellen)
Zo zal ’er in het kort een lijfknecht noch op staan.
’t Staat deftig, door de stad met een’ lakkei te gaan;
Vooral als ’t regent, om den mantel na te draagen:
Of ook, als ’t pas geeft, om belet te loopen vraagen.

(145) By deez’ of geenen heer van aanzien en gezag.
Dan wordtmen eens zo wel ontvangen. en ik mag
Wel zeggen, datmen my naar maate meerder eerde,
Zo dikwils ik mijn’ staat verbeterde en vermeerde.

[fol. ***1v]
Aldus vermeerdert en verbetert men zijn’ staat,
(150) Tot datrnmen naakt en kaal ten duistren grave gaat,
En op zijn uiterste mogt zeggen, zo men wilde;
,, Veel was het dat ik won, meer was het dat ik spilde.
    Ik dank mijn’ vader, zegt een ander, die nu lang
Heeft zitten kijken in zijne uitgift en ontvang,
(155) En vindt, dat hy dit jaar zijn huis heeft konnen houden
Van de overwinst, die hy van vrienden en vertrouwden
Gesprokkeld heeft op maat en wigt en soort van goed:
Ik dank mijn’ vader, die my leerde, hoemen moet
Bespaaren ’t geenmen wint. die heeft my lang voordeezen

(160) De gouden zuinigheid als heilig aangepreezen,
En schaadlijke overdaad doen vlieden als de pest.
Waartoe dit lighaam als een varreken gemest?
Zo dooftmen ’t onderscheid, dat redenlijke geesten
Heeft afgezonderd van de redenlooze beesten.

(165) Het lighaam heeft niet veel van doen op eene reis.
Geef uwen honger steeds alleen zijn’ halven eisch;
Hy zelve zal zijn’ eisch wel haast de helft vermindren.
’t Is raar, dat ik dit niet kan leeren aan mijn kindren,
Noch aan onze oude meid, die gulzige harpy.

(170) ,, Zo ’k werken zal, zo moet ik eeten, zegt de pry:
[fol. ***2r]
En durft my zelven dan noch wel hoogzuinig heeten,
Als ’k zeg, dat werken veel gezonder is dan eeten.
Maar eveneens als ik de helleft minder eet
Dan anderen; zo draag ik wederom mijn kleed

(175) Wel zevenmaal zo lang. zoude ik dat straks versmijten,
Omdat het aan de mouw zo iets begint te slijten,
Een weinig kaal wordt, en een vlak heeft hier of daar?
Dat kan mijn lighaam wat verscheelen, is ’t niet waar?
Neen: ’k laat dat voor den geen’, die zich om zijne kleeren,

(180) Niet om zijn wijsheid of zijn vroomheid, wil doen eeren.
Ik blijf de zelfde, al is mijn kleed wat slecht gesteld.
De meesten kennen noch de waarde niet van ’t geld;
Noch overdenken, wat een’ mensche al kan ontmoeten
In zijnen ouden dag. Dit is het, daar wy moeten

(185) Voor zorgen. dat, wat ons in ’t eind moge overgaan,
Wy altoos hebben, daar wy konnen van bestaan.

Een koopman (laat u dit, ’t zal kort zijn, niet verveelen)
Hadt buiten ’s lands gekocht een menigte juweelen
Van onwaardeerbren prijs, die hy, om in den nood
(190) Het al op een schip niet te waagen, door de vloot
Verdeelde naar de kunst; vijf deelen op vijf schepen,
Zijn lichaam op het zesde: en ’t was heel wel begreepen
[fol. ***2v]
Schoon ’t schijnt dat eigenliefde een weinig hem bezat,
Zich zelf taxeerende op een vijfde van zijn’ schat.
(195) Met zo veel wijsheid gaat hy t’scheep: en was nu even
Het land kwijt uit het oog, als lucht en golven beeven
Van een’ geweldigen en vreeslijken orkaan,
Die hem met zijne kiel plots doet ten afgrond gaan.
Ach! riep hy, hadde ik toch mijn’ schat by my genomen!
(200) Hy wist niet, denk ik, wat hem noch kon overkomen.
    Dit kittelt uwe milt, ik zie ’t aan uw gelaat.
En wien toch doet het zeer, van andre luiden kwaad
Te hooren of te zien? vooral van deeze soorte,
Die iemand heeft uit keur, en geenszins van geboorte?
(205) Neem nu genoegen met dees dubble schildery.
Op eenen andren dag kom ik u licht weer by,
Om eens te zien, ofge u van lagchen wel kunt houwen,
Als gy u zelve in zulk een’ spiegel zult aanschouwen.



[fol. 2π1r: blanco]
[fol. 2π1v: portret van Huydecoper]

BALTHAZAR HUYDECOPER,
Texelae Praetor, aggerumque ibidem Praefectus, etc.

                HUYDECOPERUM simulac pinxisset Apelles,
                    Adseruere sibi Musa, Minerva, Themis.
                Mentor at ambiguam potuit componere litem,
                    Et tabulas caeli munere mille dedit.
                Nunc Dea quaeque sui cultoris imagine laeta
                    Hoofdiadas inter Vondeliosque locat.
Jac. PHIL. D’ORVILLE.
Continue
[
p. 1]

HEKELDICHTEN

VAN

Q. HORATIUS FLACCUS.

EERSTE BOEK.
_______________________________

EERSTE HEKELDICHT.

WAt mag de reden zijn, Mecenas, dat geen mensch
Vernoegd is met zijn’ staat; ’t zij hy dien naar zijn’ wensch
Heeft uitgekoozen, ’t zij toevallig aangeslagen?
Elk, dien van andren prijst? Nu hoortge een’ Krijgsman klaagen,
(5) Die, als hy, oud en zwak, ’t geleeden leed beseft,
’t Geluk des Koopmans tot den hemel toe verheft.
Dan roept een Koopman weer, als hem de holle baaren
Nu doen tot aan ’t gestarnte, en dan ten afgrond vaaren;
Gelukkige Soldaat! die, in den grootsten nood,
(10) Een blijde zege vindt, of eene korte dood!
Een Rechtsgeleerde, als hy door een’, die raad komt vraagen,
Ten bedde uit wordt geklopt, zo ras ’t begint te daagen,
[p. 2]
Denkt: Hoe gelukkig leeft een Boer op ’t eenzaam land!
De Boer, als hy zijn vee ter markt drijft; met zijn hand
(15) Den riem in ’t water ploft; of, op zijn kar gezeten,
Door dik en dun rijdt, en zijn beestjes vast ziet zweeten,
Roept: Hoe gelukkig leeft een Burger in de stad!
Zo scheelt’er, alsge ziet, aan yder altijd wat.
Zo ik u alles, watmen hieromtrent kan zeggen,
(20) In orde, en achtereen, doen zien, en uit wou leggen;
De dag viel my te kort. maar hoor; hier wilde ik heen.
    Zo een der goôn dit volk eens aansprak in dees reên:
Welaan! ik ben gereed, te doen, wat gy begeerde.
Soldaat, gy zult voortaan een Koopman; Rechtsgeleerde,

(25) Gy zult een Landman zijn. Valt u uw lot te kwaad,
Gaat, ruilt nu onderling, en wisselt uwen staat,
Zo als gy ’t goedvindt, naar uw eigen welbehaagen:
Maar wacht u, na dees tijd, my weer aan’t hoofd te klaagen.

Wat, denkt gy, zouden zy toch doen, na deezen raad?
(30) Net als te vooren; zich beklaagen van hunn’ staat.
Ondankbaaren! die steeds gelukkig wenscht te leeven;
En vaak de middelen, u aan de hand gegeeven,
Verwaarloost en verzuimt! wat klaagt, wat zuchtge toch?
Gy wet de gramschap van Jupijn door dit bedrog,
[p. 3]
(35) Die zijn getergd geduld in ’t einde moet verliezen,
En mooglijk u hierna niet weer zal laaten kiezen.
    Maar zienwe eens verder in het doen van deezen hoop:
(Opdat ik deeze stof niet lagchende doorloop,
Gelijk een beuzeling. nochtans, wat kan ons hindren,
(40) De waarheid lagchende te zeggen? ’k Zie, dat kinderen,
Wanneer hun meester hun wat zoets steekt in de hand,
Zich oefnen met meer vlijts: zo zal een rijp verstand
De nutste lessen eer aanneemen, meerder achten,
Indien een lagchend woord haar strengheid kan verzachten.
(45) Nu lust my ’t lagchen niet; maar, met meer ernst en vlijt,
Te zien, waar toch de mensch naar zoekt, en wat hy mijdt.)
    Matroos, gewoon op zee de werreld door te vliegen;
Een waard, die, zo hy kan, geen mensch niet zal bedriegen;
Een landman, die den ploeg al zweetend volgt, en stuurt;
(50) Een krijgsman, die in ’t veld en hitte en kou verduurt;
’t Spreekt al uit eenen mond: en elk zal u verhaalen,
Hoe hy dien arbeid, al die zorgen, al die kwaalen,
Verdraagt, alleen op hoop, van, in zijn’ ouden dag,
Te vinden eene rust, die hy noch nimmer zag.
(55) De Mier (zo spreeken zy, en al wie met my oordeelt,
Is ’t met hun eens, en neemt genoegen in dit voorbeeld)
[p. 4]
Hoe klein van lighaam, slaaft den ganschen zomer sterk,
Is onophoudelijk, en onvermoeid, in ’t werk,
Sleept, wat zy sleepen kan, naar heur verborgen holen,

(60) Daar zy den winter slijt voor ons gezigt verschoolen.
Dan leeft zy, schoon de sneeuw het aardrijk gansch bedekk’,
Van haaren arbeid, en lijdt geenes dings gebrek.

Een leerzaam voorbeeld, zo gy ’t wel wist toe te passen.
Dees Mier, die ’s zomers werkt, voelt naauwelijks de plassen
(65) Des regens in den herfst, des winters bode, of geeft
Zich in haar hol, daar zy van ’t eensvergaarde leeft,
En niet naar meerder zoekt. daar gy, hoe hoog van jaaren,
Hoe veel gy in uw jeugd reeds wist byeen te gaaren,
U noit tot rusten kunt begeeven, noit vernoegd;
(70) Altijd naar meerder tracht; geduurig slaaft, en zwoegt;
En water, vuur, noch staal ontziet, om, kon ’t geschieden,
Den allerrijksten zelf in rijkdom ’t hoofd te bieden.
Wat is u toch een schat van goud of zilver waard,
Dienge, als een dief, bevreesd verborgen hebt in de aard?
(75) Gebruiktge uw geld, zo vreestge uw’ rijkdom te verslinden:
Maar, zoge ’t niet gebruikt, wat kuntge ’er schoons in vinden?
Schoon ’t kooren, dat gy maait, het gansche land kan voên,
Wat heeft toch uwe maag meer dan de mijn van doen?
[p. 5]
Gy zijt den slaaf gelijk, die hijgen gaat en zweeten,
(80) En bukken onder ’t pak van brood, en ander eeten,
Waarvan hy evenwel, hoe hem die moeite plaagt,
Niet meer genots heeft, dan zijn makker, die niets draagt.
Maar ’k bid u, zeg my eens; wat kan het hun toch scheelen,
Die eeten, als ’t hun lust, en noit, met drooge keelen,
(85) Verlangen naar een’ dronk van water, of van wijn;
Of zy tien morgen lands, of duizend, meester zijn?
Ik weet het wel, het is vermaakelijk voor oogen
En handen, in het goud tot aan zijne elleboogen
Te tasten, schoonmen maar een’ stuiver heeft van doen.
(90) Maar wijl mijn middelmaat my al zo wel kan voên,
Als u uw overvloed; waarom is ’t aangenaamer,
Uit ruime schuuren, dan slechts uit eene enge kamer,
Of kelder, ’t noodige te haalen? Alsge in ’t veld,
Vermoeid door ’t gaan, van dorst en hitte wierdt gekweld,
(95) Zoudt gy een kleine beek voorbijgaan, en u pressen,
Om in een’ grooten stroom uw’ dorst te mogen lesschen?
Ja: dit is de oorzaak, dat zo menig, die begeert
Meer, dan hy noodig heeft, of zijn natuur ontbeert,
Met oever, land, en al, in eenen draaikolk zinken,
(100) En in den woênden stroom elendig moet verdrinken:
[p. 6]
Daar hy, die niet meer neemt, dan ’t geen hy noodig heeft,
Noch troebel water drinkt, noch in het water sneeft.
    Maar ’t grootst gedeelte van de menschen, ingenomen
Door een verleidende begeerte, en valsche droomen
(105) Van zwakke harssens, zegt: Niets is genoeg, nu elk
Geschat wordt, naar het geld dat hy bezit.
Met welk
Een rede zult gy toch dat volk tot reden brengen?
Laat, laatze loopen: wil u niet met hun vermengen.
Daar is geen helpen aan. dwaas zijnze, en willen ’t zijn.
(110) Hun hart is reeds te diep doorkankerd van ’t venijn.
Zy zijn gelijk die vrek, daar elk te Athene om lachte,
Doch die op deeze wijs den praat van ’t volk verachtte:
Dat my het volk belagche, en schimpe naar zijn’ lust.
Als ik mijn’ rijkdom zie, dan is mijn hart gerust.

(115) O! ’t geld, dat schoone geld! heeft wonderlijke gaaven.
Daaronder lag ik lang met hart en ziel begraaven.

    Zaagtge oit een schildery van Tantalus, die zucht,
En rekhalst naar het nat, dat zijne tong ontvlucht,
Hoewel ’t hem hals en kin bevochtigt? Wel te weeten:
(120) En ’t deedt my lagchen .... Och! hoe hebtge u zelf vergeeten!
Kan ’t zijn, datge u niet kent in deeze schildery?
De naam, is Tantalus: maar ’t onderwerp, zijt gy.
[p. 7]
Men ziet u, vol van vrees, ’t gestolen goed bewaaken,
Datge echter schroomt, gelijk iet heiligs, aan te raaken;
(125) En al de vrucht, en ’t nut, dat gy daarvan geniet,
Is, datge nu en dan dien dooden schat beziet.
Weet gy niet, wat gebruik men van het geld moet maaken?
Gaa; koop’ er olie, groente, en wijn voor: en die zaaken,
Die ons natuur niet kan ontbeeren zonder smart.
(130) Is ’t uw vermaak, altijd benaauwd, beklemd van hart,
Vol vrees, by nacht en dag, te zorgen en te passen,
Dat u geen brand verschrikk’, geen dieven u verrassen;
Dat u geen luie slaaf ontvluchte, of iets ontsteel?
Is dit de vrucht van ’t geld? zo wil ik van mijn deel
(135) Gewillig afstand doen; en u dien zegen schenken,
Zijt gy ’er op gesteld. Of, zoudtge licht wel denken,
Dat uwe vrienden, als een koorts, of ziekte, of pijn,
U ’t bed doet houden, veel gereeder zullen zijn,
Om u, een’ rijken vrek, dan om een’ armen vroomen,
(140) Terstond, met raad en daad, in nood, te hulp te komen?
Dat elk u, om het zeerst, zal koestren in dien staat,
En smeeken den Doktoor, dat hy u niet verlaat;
Dat hy u door zijn kunst als weder doe herleeven,
En u aan kinderen en vrienden weer wil geeven?
[p. 8]
(145) Maar, noch uw kinderen, noch uwe bedgenoot,
Verlangen meerder naar uw leeven, dan uw dood.
Uw buuren haaten u: bekenden, vreemden, maagen,
Mans, vrouwen; elk wenscht u naar ’t graf te helpen draagen.
Verwondertge u, die ’t geld stelt boven vrouw en vriend,
(150) Dat niemand u bemint? gy hebt het niet verdiend.
’t Is arbeid zonder vrucht, zo gy hen zoekt te winnen.
Noit zal een gierigaard, een vrek, zich doen beminnen.
In zulk een’ dienst te doen, is elk zo traag en loom,
Gelijk een ezel is in ’t luistren naar den toom.
    (155) Maak eens een einde van opstapelen en schraapen.
Hoe gy meer hebt, hoe gy geruster moogt gaan slaapen.
Gy hebt uw wit bereikt; nu hebtge geld en goed;
Denk, zoge oit rusten wilt, dat gy nu rusten moet,
Om niet de rol van dien Umidius te speelen,
(160) Die (laat u dit verhaal, ’t zal kort zijn, niet verveelen)
Zo rijk was, dat hy ’t geld met volle zakken mat;
Zo gierig, dat hy noit een beter kleed bezat,
Dan de alderminste slaaf; een, die zijn gansche leeven
Beducht was, eindlijk door gebrek te zullen sneeven:
(165) Maar eene vrijgemaakte, eene andere Heleen,
Verijdelde zijn vrees, toen zy hem kloofde in tweên.
[p. 9]
    Wat is dan uw besluit; zal ik mijn goed verteeren,
Gelijk ons Menius en Nomentanus leeren?

O dwaashoofd! alsmen u ’t eene uiterste verbiedt,
(170) Vervaltge in ’t andere. het is mijn meening niet,
Als ik de gierigheid in u niet wil gehengen,
Dat gy in overdaad uw goedren door zult brengen.
Gaa tusschen beide door, zo zultge veilig gaan.
De deugd kan niet, dan in de middelmaat, bestaan:
(175) En overschrijdt zy ’t perk, dat die heeft afgemeeten,
Zy zal geen deugd meer, maar eene ondeugd, moeten heeten.
    Ik keer weer, tot het geen ik voorstelde in ’t begin.
Wie leeft niet, als een vrek? of, opdat gy mijn’ zin
En meening recht begrijpt; wie zal van u, ô menschen,
(180) Zijn’ staat niet, om den staat van anderen, verwenschen?
Wie hoort ’er zonder smart, wie ziet ’er zonder pijn,
Dat ’s buurmans vee meer melk of wol geeft dan het zijn’?
’t Geluk van magtiger strekt yder tot een hinder:
Maar niemand slaat het oog op ’t lijden van zijn’ minder.
(185) Hy, die ’t gezwinde ros in ’t stuivend renperk ment,
Vest zijn gezigt op dien, die voor hem heene rent,
Om, zo het mooglijk is, hem ook voorby te streeven,
Niet zorgende voor hun, die achter zijn gebleeven.
[p. 10]
Zo gaat het ook met ons. een, die zich weet te spoên,
(190) Geeft ons alleen meer werks, dan duizend volgers doen.
En dit is de oorzaak, dat geen mensch zich zal beroemen
Van zijnen leevensloop, noch dien gelukkig noemen
Wanneer de dood hem wenkt, en dreigt met zijnen schicht:
Dat niemand zo vernoegd dit flaauwe leevenslicht
(195) Verlaat, gelijk een gast, die, vrolijk en te vrede,
Den disch verlaat, daar hy zijne uuren wel besteedde.
Doch ’t zij genoeg; opdatge mooglijk niet gelooft,
Dat ik Crispijn van al zijn wijsheid heb beroofd.



TWEEDE HEKELDICHT.

FLuitspeelsters, bedelaars, kwakzalvers, deugeniets,
En andren van die soort, gaan treuren vol verdriets
Om ’t overlijden van Tigellius, den zanger:
Want hy deedt hun veel goeds. Dees, daarentegen, banger
(5) Om als een kwistgoed by de werreld door te gaan,
Dan voor de koortse of jicht, zal spijs noch deksel aan
Een’ hongerigen of verkleumden vriend, meêdeelen.
Vraag deez’ eens, waarom hy met slempen en met speelen
Dat kostelijke goed, het welk met zo veel vlijt
(10) Zijn vader heeft vergaard, zich maakt zo schendig kwijt,
[
p. 11]
Terwijl hy om zyn’ disch op ’t prachtigst te doen praalen,
Den woekeraar verrijkt, by wien hy ’t geld moet haalen:
’k Wil, zegt hy, gierig noch kleinhartig zijn genoemd;
En wordt daarom, van deez’ gelaakt, van dien geroemd.
(15) Fufidius, zo rijk van landen, als van gelden
Op woeker uitgezet, vreest datmen hem zal schelden
Voor overdaadig: dies hy nimmer geld schiet, dan
Tot vijf ten honderd in de maand; en hoe zijn man
Meer raakt in ’t onderspit, hoe hy hem meer zal dringen:
(20) Ook geeft hy ’t wel het meest aan zulke jongelingen,
Die, moede van den dwang van vaders, streng en wreed,
En pas beschonken met het mannelijke kleed,
Om nu vryuit hun drift den toom te mogen vieren,
Hem, geeven wat hy eischt; zich, ten bederve stieren.
(25) Wie hoort, wie ziet dit aan, en roept niet; o Jupijn!
Maar mooglijk zal hy zich daarom te milder zijn,
En neemen ruim genot uit zulke ruime schatten.
Ja, mooglijk is misschien. ’t is kwaalijk te bevatten,
Hoe weinig vriends die man zelf aan zich zelven heeft.
(30) Hy is het die zich kwelt, benaauwd en droevig leeft
Meer dan de vader, dien Terentius, ten spele
En nutte van het volk, gevoert heeft ten tooneele;
[p. 12]
Die, nadat hem zijn zoon ontvlucht was, heet van bloed,
Al zijnen troost zocht in het kwellen van zijn’ moed.
(35) Vraagt iemand, waar dees reên toe dienen? tot een teken,
Dat dwaazen, alsze een kwaad gelukkig zijn ontweeken,
Het tegenstaande kwaad recht vliegen in den mond.
    Malchinus tabberd hangt byna tot op den grond:
Een ander lacht’er mede; en, om dit kwaad te myen
(40) Schort hy den zijnen op tot boven zijne dyen,
Zelf veel belachlijker. Rufillus, daar hy gaat,
Spreidt overal een’ geur van amber en muskaat;
Terwijl Gargonius gelijk een bok loopt stinken.
Men kent geen middelmaat. zo niet de vrouwen blinken
(45) In kleederen, gestikt met paarlen en rood goud,
Zijn zy den een’ niet waard dat hy haar eens aanschouwt:
Daar de ander, die natuur stelt boven pracht van kleedren,
Zich tot het vuilste soort gewillig zal vernedren.
De wijze Cato, ziende eertijds een’ jongman gaan
(50) Uit zeker dartel huis, sprak hem op dees wijze aan:
’t Is wel gedaan, mijn vriend: want beter hier zijn lusten
Te boeten, dan het bed van echte liên te ontrusten.

Maar weet, dat zulk een lof van my niet wordt begeerd,
Zegt Cupiennius, die ’t echte bed onteert.
[p. 13]
(55) ’t Is waard te hooren voor de geenen, die steeds bidden,
Dat de overspeeler toch gestoord werde in het midden
Van zijne vreugd; wat vrees hy lijden, welk een wraak
Hy dikwils uit moet staan, voor een zo kort vermaak.
Dees moet van ’t hooge dak met eenen sprong zich waagen:
(60) Die draagt de striemen meê van felle geesselslagen:
Hy, die den man ter nood ontsnapte ’t venster uit,
Vervalt op straat een’ troep van rooveren ten buit:
De een heeft, tot hoogen prijs, zijn leeven moeten koopen:
Een ander wordt met drek gesmeeten, onder ’t loopen,
(65) Door schuim van boevenjagt: ja zelfs gebeurt het wel,
Dat iemand niet geheel weer t’huis komt uit dit spel.
Elk, buiten Galba, zegt, dat zy naar waarde lijden.
Men kan met minder soort zich veiliger verblijden,
Met vrijgemaakten, daar Sallustius, niet min
(70) Dan andre in overspel, alte onbedacht van zin
Zich meê te buiten gaat. die, zo hy, naar de reden
En tijds gelegenheid, te met wat wou besteeden,
Zijn schande en oneer niet zou voegen by zijn schaa,
Maar geeven somtijds iets, en spaaren weer daarna.
(75) Doch dit alleen is zijn vermaak, dat hy kan zeggen,
Dat noit eens anders wijf aan zijne zij kwam leggen.
[p. 14]
Zo sprak Marséüs ook: Noit streele my een vrouw,
Die aan een’ andren is verbonden door den trouw!

Terwijl hy alles aan Origo, land en have
(80) Aan dees tooneelpop schonk. Schoon hy zich niet verslaave
Aan vrouwen, door den echt verbonden; zeg, wat is ’t
Zo lang hy met een hoer zijn geld en eer verkwist?
Wat kan ’t u baaten, deez’ of dien persoon te mijden,
Zo gy het kwaad niet mijdt, dat u vooral doet lijden?
(85) Die dus zijn geld verteert, zijn’ goeden naam versmaadt,
(Vraag niet, met wie? of waar?) doet kwaad, doet altijd kwaad.
Uw brand is altijd zonde; uw minne, onkuissche minne;
Het zij eens anders vrouw, een hoer, of een slaavinne
U koestere in haar’ schoot. Verliefde Villius,
(90) De schoonzoon, zo hy waant, van Sylla, door den kus
Van Fausta, Syllaas kroost, te jammerlijk bedroogen
Door zulk een’ ijdlen naam, moest pijnsgenoeg gedoogen,
Als hy, wel afgerost, met bonte en blaauwe leên
Ten huis wierdt uitgezet, terwijle Longareen,
(95) Na ’t sluiten van de deur, zijn’ lust met Fausta boette.
Zo iemand Villius in deezen staat ontmoette,
En vraagde, wat hy schoons in Fausta wierdt gewaar,
Dat hy by andren niet zou vinden als by haar?
[p. 15]
Wat zou zijn antwoord zijn; De dochter is gesprooten
(100) Uit Sylla, prins en hoofd van al de Roomsche grooten?
Maar beter lessen geeft Natuur ons, die, bepaald
In haaren eigen hof, geen spijs van buiten haalt.
Gebruik slechts uw verstand, en leer eens recht waardeeren,
Zo ’t geenmen vlieden moet, als ’t geenmen mag begeeren;
(105) En haast bemerkt gy, wat het scheelt, dat uw gemoed
Of door der dingen, of door eigen schuld, misdoet.
Derhalve, opdat het u hierna niet moog berouwen,
Zo vlied de omhelzingen van hooggeboren vrouwen,
Wier gunst meer nasleeps heeft van zorg, en angst, en pijn,
(110) Dan weezenlijk vermaak, hoe groot dat zij in schijn.
En schoon zy met gesteente en perlen zij omhangen
(Dees zijn de strikken toch, waarin gy zijt gevangen,
Cerinthus) denk ai denk daarom niet, zijtge wijs,
Dat lijf en tooisel zijn van eenen zelfden prijs,
(115) Of welgemaakter been schuile onder fraaier kleeden.
’t Geringste kleed bedekt veeltijds de schoonste leden.
Voeg hier noch by, dat dees zich voordoet zo alsze is.
Zy dekt geen’ misstal met blanketsel, of vernis
Van uiterlijk sieraad; noch zoekt met iets te pronken,
(120) Waarmede haar Natuur voor andren heeft beschonken.
[p. 16]
De grooten zijn gewoon, by ’t koopen van een paard,
Den hals en ’t gansche lijf, van ’t hoofd tot aan den staart,
Te dekken met een kleed; om, zo ’er aan de voeten
Gebrek af spat mogt zijn, zulks te eerder dus te ontmoeten
(125) Met een naauwkeurig oog; dat aan een’ rechten hals,
Rond gat, of korten kop, zich anders lichtlijk valsch
En jammerlijk vergaapt: zo wordtmen niet bedroogen.
Gy, die op ’t geen uw liefste aanminnig maakt, met de oogen
Van Lynceus staat en gluurt, zijt tienmaal blinder dan
(130) Hypséa, om te zien ’t geen niemand prijzen kan.
Gy prijst het blank yvoor van armen, borst en handen,
En merkt niet, datze zwart en morssig is van tanden:
Gy prijst de purpren roos der wangen, rijk van gloor;
En merkt niet, dat haar neus kijkt naar haar linker oor.
(135) Men kan het aangezigt alleen van eedle vrouwen,
Van al het ovrige des lighaams niets aanschouwen,
Tenzijze, als Catia, haar eer met voeten treedt.
Gy ondertusschen brandt te zien, wat onder ’t kleed
Voor u verborgen is. de stoet van haar vriendinnen,
(140) Staatjuffers, gaauw van oog, niet ongeleerd in ’t minnen,
Het deksel van den hals, de rok tot op den voet
Neerhangende; ’t belet u alles, watge ook doet,
[p. 17]
Te zien,’t geen gy nochtans wilt zien, hoe ’t ook mag weezen.
De mindre soort geeft u meer vrijheid, zonder vreezen
(145) Voor opspraak. ’t Cossisch kleed, daar ’t oog door heeneziet,
Vertoont u alles naakt. maar, als u niets verbiedt
Te zien, het geen gy zoekt daar gy het niet kunt vinden,
Dan schijnt gy van ’t gezigt beroofd, en slacht den blinden.
Wat is dit voor een drift? of wiltge met geweld
(150) Misleid zijn? en, voor ’t geen gy nimmer zaagt, uw geld
Uitgeeven? maar gy zingt als anderen: Veel graager
En driftiger vervolgt een edelmoedig jaager,
Door ’t dikste van den sneeuw, een’ haas, gezwind vooruit-
Gestooven; daar hy dien zou weigeren ten buit,

(155) Als hy op ’t leger hem betrapte zonder loopen.
Wie mint, die jaagt; en wil zijn’ buit met moeite koopen.
Ik vliede, wat my volgt; ik volge, wat my vliedt;
Het geen zich vangen laat voldoet mijn lusten niet.

Die zangtoon, ik beken ’t, wierdt hoog van my gepreezen,
(160) Kon hy de ontroeringen van uwe ziel geneezen.
Maar waar ’t niet nutter, te onderzoeken, welk een maat
Aan onze driften door Natuur geschreeven staat?
Wat zy gemakkelijk, wat zy niet kan ontbeeren?
En tusschen zijn en schijn het onderscheid te leeren?
[p. 18]
(165) Is ’t noodig, dat uw schaal van goud of zilver blinkt,
Als gy, tot laaving slechts van uwen dorst, eens drinkt?
En als gy rammelt van den honger, ’k wensch te weeten,
Of gy dan juist een’ paauw van nooden hebt om te eeten.
Waarom dan, als uw borst vast brandt en blaakt van min,
(170) De gunst geweigerd van eene aardige slaavin?
Voor my, ’k hou veel van ’t geene ik maklijk kan bekomen.
Die altijd uitstelt, en geduurig schijnt te schroomen,
Mijn man komt daadlijk t’huis: gy moet my zo veel meer
Betaalen: wacht noch wat: kom morregen eens weer:

(175) Is goed, zegt Philodeem, voor die zo lang kan wachten.
Hy zelf houdt meer van een, die hem op zijn gedachten
Ten dienst gereed staat, niet te keurig noch te wijs,
En die haar waar stelt op een’ redelijken prijs:
Ze zij slechts blank van vel, en welgemaakt van leden,
(180) En zinnelijk en net van boven tot beneden;
Mids zy niet blanker, of niet langer, schijnen wil,
Dan haar natuur deedt zijn. Als ik zulk eene stil
Mag drukken in mijn’ arm, versmaad ik, om haar minne,
En Remus moeder zelve, en Numaas gemaalinne,
(185) En noem haar, zo de min my ingeeft; niet bevreesd,
Wanneerze in eenzaamheid mijn minnekwaal geneest,
[p. 19]
Door haar’ gehoonden man op ’t mat te zijn bevonden,
Of licht verklikt te zijn door ’t bassen van de honden:
Ik vrees niet, dat ’er, met een schrikkelijk gedruis,
(190) Een oproer aangerecht zal worden in het huis;
Dat zy, die ik bemin, half dood van ’t bed af springe,
En ons vertrouwde maagd een droeve rouwklagt zinge.
Neen, dees hoeft voor haar’ rug, de vrouw voor ’t huwlijksgoed
Noch ik voor mijne huit te vreezen. daar het zoet
(195) Zo ras verkeert in zuur, daar moetmen zijne spillen
Fluks pakken, zo men kan, barvoets, met bloote billen,
Ten spot van ydereen, om lijf, en eer, en geld
Te redden uit den nood en ’t dreigende geweld.
Betrapt te zijn, valt hard. wie twijffelt aan mijn zeggen,
(200) Hy vraage ’t Fabius; die zal ’t my niet ontleggen.


DERDE HEKELDICHT.

’t IS een gemeen gebrek by zangers onzer dagen,
Dat zy noit zingen, als men ’t hun vooraf wil vraagen,
Steeds zingen ongevraagd. Ook deeze kuuren hadt
Tigellius. als hem Augustus smeekte en badt
(5) Om de oude vriendschap van zijn’ vader, en zijne eigen
(Want schoon hy zulks vermogt, hy dwong hem noit door dreigen)
[
p. 20]
Dan sloeg hy geen geluid. integendeel, als hem
Geen mensch verzocht, verhief hy stadig zijne stem,
En deedt, van dat hy kwam, tot dat hy gong, zich hooren.
(10) Zijn wedergade is noch tot heden niet geboren.
Nu vloog hy, of hy van zijn’ vyand wierdt gejaagd:
Dan tradt hy, of hy met lijkdoorens was geplaagd.
Nu hadt hy tien; niet lang daarna tweehonderd slaaven.
Nu scheen hy ’t al in pracht voorby te willen draaven,
(15) En prees den overvloed van een’ verheven staat:
Dan gong hy weiden in den lof der middelmaat,
En wenschte, dat de goôn hem niet meer wilden geeven,
Dan hy van nooden hadt om maatiglijk te leeven.
Hadt gy dien leeraar van de maat en zuinigheid,
(20) Op ’t zellefde oogenblik dat hy dus voor haar pleit,
Gegeeven een geschenk van vijftig duizend gulden;
Een week daarna hadt hy geen geld, en veele schulden.
Hy waakte doorgaands ’s nachts, en sliep den ganschen dag.
Niets zo veranderlijk, zo wispeltuurig, zag
(25) De zon oit. Maar misschien zegt hier een tegenspreeker:
En gy, hebt gy niet mede uw fouten? Ja voorzeker;
En noch meer andren, en misschien ook kleiner. Als
D’ afzijnden Novius door Menius eens valsch,

[p. 21]
Al wat verfoeilijk is, wierdt op den hals gesmeeten,
(30) Zeide iemand: Hebt gy dan u zelven gansch vergeeten?
En meentge, dat wy u niet kennen? ,, Maar ik zie
,, Mijn fouten over ’t hoofd, zegt Menius. Al wie
Der liefde tot zich zelf zo verre toe kan geeven,
Wordt by de slimste soort der dwaazen opgeschreeven.

(35) Daar gy uwe oogen sluit voor ’t geen u zelf misstaat,
Waarom toch ziet gy op eens anders vuil en kwaad,
Als een scherpziende slang, of arend klaar van blikken?
Doch weet, dat gy, die niets in andren in kunt schikken,
Op ’t allernaauwste ook weer van andren wordt gezift.

(40) Zy zeggen:,, Flaccus wordt wat licht door zijne drift
,, En haastigheid vervoerd: en zeker, ’t waar te wenschen,
,, Dat hy wat beter zich te voegen wist naar menschen
,, Van oordeel en van geest. ’k moet lagchen, als zijn rok
,, Hem hangt zo los om ’t lijf; als de ongekemde lok
(45),, Een wildernis gelijkt; of als wy hem ontmoeten
,, Met schoenen, veel te plomp, te groot voor zijne voeten.
,, ’t Is waar, hy ’s eerlijk, en doorvroom aan allen kant:
,, Hy is uw vriend: ook heeft hy oordeel en verstand,
,, Doch ’t is van buiten hem niet aan te zien. ” Zo spreeken
(50) De meesten wederom van u en uw gebreken.
[p. 22]
Gy, onderzoek uw hart, en zie eens hoe ’t daar staat:
Of, noch natuur, noch kwaa gewoonte, daar geen zaad
Van ondeugd heeft gestrooid, die somtijds op komt bortlen:
Want in verwaarloosd land wil ’t onkruid gaarne wortlen.

    (55) Een yder zegge wat hem lust: nu lust het my
De blinde liefde van de minnaars naar waardy
Te looven, wijl ik zie dat zy de vuile vlekken
Van hunne liefsten niet alleenlijk niet bedekken,
Maar noemen die zelfs schoon, en prijzen wat misstaat.
(60) Niets vindt Balbinus in zijn Hagnaas gansch gelaat
Zo schoon als haaren neus, die gloeiend van robijnen
En van karbonkels, ’s nachts, wanneer geen starren schijnen,
Kan dienen voor een kaars. Het waar te wenschen, dat
Die dwaaling haare plaats ook onder vrienden hadt:
(65) Ik gaf den naam van deugd gewillig aan zulk dwaalen.
Het voegt u niet, een’ vriend zijn fouten op te haalen,
Te houden voor het oog, zo dikwils gy hem ziet.
Een vader leeft aldus met zijne kindren niet.
Die haat zijn’ zoon niet, schoon hy vlekken heeft of rimplen,
(70) Maar zal den misstal met een’ zachten naam bewimplen.
Men zegt; het kind ziet scheel: maar vader zegt; het lonkt;
En door het lonken is ’er veel in liefde ontvonkt.
[p. 23]
Die klein is, zegtmen dat van ondeugd niet kan groeien:
De grootheid van den geest kan ’s lighaams schaa vergoeien,
(75) Zegt vader; ik verkoop mijn kinders niet by de el.
Is hy wat zwart; dat is de kleur van ’t mannenvel.
Indien hy lispt of brouwt; ’t zijn sierlijke gebreken
In ’t oor eens vaders, die te liever hem hoort spreeken.
Zo keert hy ’t al ten goede; en wilt gy zijn bemind,
(80) Zo volg dat voorbeeld in de fouten van uw’ vrind.
Leeft hy wat zuinig; zeg, dat hy op zijne zaaken
Wel acht geeft. wil hy u met zotten klap vermaaken,
En schijnen meer verstands te hebben, meer bekwaam
Te weezen, dan hy is; denk, dat hy aangenaam
(85) By vrienden zoekt te zijn. is hy wat onbehouwen
In ’t spreeken, stout en los van tong; wil hem aanschouwen
Als ongeveinsd, die geen vergif in ’t harte gaart.
Is hy wat haastig; zeg, hy ’s leevendig van aard.
Zo maaktmen vrienden, en zo kanmen die bewaaren.
(90) Maar wy, indien voor ons zich fouten openbaaren
In vrienden, noemen die niet fouten slechts alleen;
Maar weeten zelfs de deugd op ’t haatlijkst uit te reên,
Haar een afzienlijk kleed om ’t minzaam lijf te hangen,
En deeze simpele in een’ valschen strik te vangen.
[p. 24]
(95) De tong, die nimmer veinst, en geene netten spant,
Spreekt zonder oordeel, naar ons averechtsch verstand.
Die zich bezadigd toont, moet lui en vadzig heeten.
Een ander is steeds op zijn hoede, en schijnt te weeten,
Dat openhartigheid en waarheid, overal
(100) Gesproken, in dees tijd veel luiden brengt ten val;
In plaats van wijs en vroed, wordt hy voor yders oogen
Verbeeld als een geveinsde, een minnaar van de logen.
Hy, die eenvoudig is, en somtijds eenen vrind,
Dien hy, of leezende, of diep in gedachten, vindt,
(105) Ontijdig aanspreekt, en dus stoort door zijne rede
(Gelijk ik u misschien, Mecenas, wel eens deede)
Die man heeft, zegtmen straks, noch oordeel noch verstand.
Zo schrijven wy ons zelfs ondraagbre wetten. want
Waar is de man toch, die geen fouten heeft, te vinden?
(110) Gelijk nu de Een-oog wordt geroemd in ’t land der Blinden,
Als minst van allen blind; zo noemtmen hier volmaakt
Dien man, die minst misdoet, die minst de deugd miszaakt.
Een vriend moet, zo ’t hem lust mijn fouten op te tellen,
Daartegen in de schaal ook mijne deugden stellen.
(115) Zo nu de laatsten de balans doen overslaan
Aan haaren kant, wil ik voor goed en deugdsaam gaan,
[p. 25]
Voornaamelijk by hem; en ben niet ongeneegen
Om in de zelfde schaal zijn deugden ook te weegen.
Hy, die zelf vratten heeft, en daar niet graag van hoort,
(120) Die reppe ook van ’t gezwel van andren niet een woord.
Want die van noden heeft, dat vrinden hem vergeeven,
Vergeeve ook op zijn beurt; zo zal hy vreedsaam leeven.
Doch wijl ’t veelvuldig kwaad, daar men den dwaas aan kent,
Niet uit te rooien is; en, hoemen ’t snoeie, in ’t end
(125) Weer nieuwe loten schiet: waarom gebruikt de reden
Haar maat niet en gewigt, om al die spoorloosheden,
’t Zij meer of minder kwaad, door meer of minder straf
Te houden in bedwang? zo iemand order gaf,
Zijn’ ouden dienaar van het leeven te berooven,
(130) Wijl hy een kuiken, van de gasten half geklooven,
Een weinig sop, of ’t overblijffel van wat visch,
Gesnoept hadt, onder het afneemen van den disch;
Zoudt gy, en yder, niet met groote reden vreezen,
Dat zulk een man ontsteld van harssenen moest weezen,
(135) Of zinneloos? Maar hoe veel zinneloozer is’ t,
Zo by geval een vriend zich tegen u vergist,
En zo misdoet, dat gy ’t noodzaaklijk moet vergeeven
Ten zij gy buiten ’t oog van menschen wilde leeven,
[p. 26]
Zulk eenen vriend terstond te haaten, en te vliên,
(140) Gelijk een schuldenaar zijn’ maaner vreest te zien,
Den vrekken Ruzo, die, onbuigelyk van zinnen,
Op d’eersten dag der maand zijn interest loopt innen,
En prompt betaald wil zijn. maar stelt hem een van al
Zijn schuldenaaren uit, niet wel by kas, hy zal
(145) Dien droeven, tot zijn straf, vast trillende en vol vreezen,
Gebiên te luisteren, terwijl hy gaat aan ’t leezen,
Niet van plakaaten, of van wetten, tegen wan-
Betaaling en bankroet weleer gemaakt, maar van
Zijn vaarzen, die den hals, die zweette uit angst voor banden,
(150) In eenen oogenblik van kou doen klappertanden.
Mijn vriend, bevangen van den wijn, heeft een matras
Bespoogen, of een kom gebroken, of een glas,
Daar eertijds mijn Meer-bet-oud-over-groote-vader
Zelf uit te drinken plag; of neemt een hoen, dat nader
(155) En meer naar mijn’ kant in de schotel lag geplaatst;
Zal ik zo klein een zaak straks neemen op haar kwaadst,
En haaten deezen vriend? wat schoot my dan toch over
Te doen, indien hy my bestal gelijk een roover;
Of een vertrouwd geheim verklikte; of niet voldeedt
(160) Aan zijn gegeeven woord, en diergestaafden eed?
[p. 27]
Die tusschen kwaad en kwaad geen onderscheid en weeten,
En met de zelfde maat het groote en ’t kleine meeten,
Het zwaare en ’t lichte, staan verlegen en verstomd,
Wanneermen tot de bron der zuivre waarheid komt.
(165) Het strijdt volkomen met de zinnen en de zeden,
Ja met de nutheid zelf, de moeder van de reden
En billijkheid. Wanneer het menschelijk geslacht,
Een stom en plomp gedierte, eerst versch was voortgebragt
Uit ’s aardrijks vruchtbren schoot op eene nieuwe wijze,
(170) Beschermden zy hun hol, en de eikels, hunne spijze,
Terstond met nagels, voorts met vuisten, naderhand
Met stokken, eindelijk met wapens, die ’t verstand,
Door de ondervindinge gescherpt, hun leerde maaken:
Totdatmen woorden, om zo veelerhande zaaken
(175) Wel te onderscheiden, vondt; en leerde, door ’t penseel
Der tonge, het gedacht te schildren op ’t paneel
Van dunne lucht. toen nam dat woest gevecht een einde.
Men bouwde huizen, diemen eerst met loof omheinde,
En groene meien: uit die huizen werdt een stad
(180) Geboren, kort daarna met eenen muur omvat,
En ordelijk bestierd door regelen en wetten,
Die moord, en dievery; en overspel beletten.
[p. 28]
Want Paris schoone boel, de dartele Heleen,
Was geenszins de eerste vrouw, om wie de mannen streên.
(185) Daar waaren ’er voor haar, die, om den toom te vieren
Aan hunn’ onkuisschen brand, als wilde en woeste dieren
Zich mede in overspel verliepen; en daarom
Van een’ gehoonden man, of trouwen bruidegom,
Dien de eerzucht noopte, en die de kracht hadt zich te wreeken,
(190) Gestraft naar hun verdìenste, en wettig zijn doorsteeken.
Alleen de omstandigheen meldde ons de aloudheid niet.
Zoge echter de oudheid en historien doorziet,
Gy zult my toestaan, dat de wetten zijn gevonden
Uit vrees voor ongelijk. Natuur leert niet doorgronden
(195) Wat recht of onrecht zij; gelijk zy leert, wat goed
Of kwaad is, watmen vliên of watmen volgen moet.
Noch ook de Reden leert, dat hy, die ’s nachts mijn koolen,
En die, die ’t heilige uit den tempel heeft gestolen,
Eén straffe waardig zijn, als schuldig aan één kwaad.
(200) Daar zij dan eindelijk een regel en een maat,
Die zekre straffen stelle op zekre wanbedrijven:
Opdatmen iemand niet bloeddorstig gaa ontlijven,
Die slechts een geesseling verdiend heeft. want dat gy
Een’, die de dood verdient, met eene geesling vrij
[p. 29]
(205) Zoudt laaten, denk ik niet; dewijl gy moord en steelen
Zegt even kwaad te zijn, en min dan niet te scheelen,
En dreigt het minder kwaad, met eenen zelfden dolk
Als ’t allergrootste, te besnoeien; zo het volk
U koning maakte. Hoe? u koning? zo een Wijze
(210) Alleenig alles is, wat waard is datmen ’t prijze,
Alleenig rijk, alleen beminnelijk, alleen
Een koning, en een goed schoenmaaker; om wat reên
Wenscht gy naar ’t geen gy hebt? Maar ’k hoor u, dunkt my, zeggen:
Gy hebt geen kennis om Chrysippus uit te leggen.
(215) Een Wijs man maakte zich noit schoenen, datge’t vat,
En is nochtans een goed schoenmaaker.
En hoe dat?
Nooit heeft Hermogenes, al liet hy zich niet hooren,
Den naam van zanger of van muzikant verlooren:
En schoon de schrandre Alfeen zijn doeken smeet in ’t vier,

(220) En zijnen winkel sloot, hy was een goed barbier:
Zo is een Wijs man, schoon hy stil zitte in zijn wooning,
Een muzikant, barbier, schoenmaaker, ja een koning.

ls ’t zo? ik groet u dan als koning, gansch verblijd,
Dat gy tot zulk een’ trap van magt gesteegen zijt.
(225) De jongens midlerwijl, ô groote koning, loopen
Op straat u achter na, omsinglen u met hoopen,
[p. 30]
En weerde gy dien troep niet af met uwen stok,
Hy greep u by den baard of ouwerwetschen rok;
Terwyl gy, raazende en schuimbekkende van tooren,
(230) Een eislijk onweer van scheldwoorden hen doet hooren.
Om kort te gaan, daar gy, heer koning in den schijn,
Alleen verzeld van een’ belachlijken Crispijn,
Een oortje geeven zult, om in de onreine plassen
Van eenig beedlaarsbad uw magre leên te wasschen;
(235) Leef ik vernoegd en blij met vrienden, die onheusch
Mijn fouten daaglijks my niet vrijven in den neus,
Schoon ik al iets misdoe; terwijl ik van mijn zijde
Ook hun gebreken met geduld en zwijgend lijde;
Gelukkiger in mijn’ geringen staat, dan gy
(240) In uw wijduitgestrekte onzigtbre heerschappy.



VIERDE HEKELDICHT.

Cratinus, Eupolis, en Aristophanes,
En andre dichters van dien tijd, wier zangeres
Het Oude Blijspel op het Grieksch tooneel deedt treeden;
Bestraften voor elks oog, wie ergerlijk van zeden
(5) Of dief, of moorder was, of anderszins berucht,
Met veel vrijmoedigheid. Lucilius, bevrucht
[
p. 31]
Van diergelijk een’ geest, volgde op dit spoor, en mikte
En schoot op ’t zelfde wit; schoon hy zijn vaarzen schikte
Op andre maat en trant. Hy hadt een’ vluggen geest,
(10) En schrander oordeel. maar die zijn gedichten leest
Moet toestaan, dat hy van de uitbeeldinge der zaaken
Meer kennis heeft gehad, dan van het vaarzenmaaken.
Want hierin zekerlijk gaf hy ons sobre reên
Om hem te prijzen, als hy, hinkende op één been,
(15) Een gansch gedicht maakte; of, eer ’t uur noch was verloopen,
Tweehonderd vaarzen aan malkander wist te knoopen.
En echter, als men hem naauwkeuriglijk beschouwt,
Zo vindtmen in zijn drek noch wel een klompje goud.
De woorden vielen hem van zelfs in, onder ’t speelen;
(20) Maar die te schrijven kon hem schrikkelijk verveelen.
’k Zeg, wel te schrijven: want veel schrijven, acht ik niet.
Dat is een kunst, die zelf Crispijn wel kent. maar ziet,
Daar is hy zelf; hy wenktme, en daagt my uit: Gaa zitten,
Gy die de kunst verstaat van anderen te vitten,

(25) Schaf pennen en papier, vervaardig u ten strijd:
Of, zo ’t u nu niet lust, noem my slechts plaats en tijd,
En zienwe eens, wie van ons, ik wil ’t aan elk verblijven,
Kan in den minsten tijd de meeste vaarzen schrijven.

[p. 32]
De Goden gaven my een klein verstand, een’ geest
(30) Van weinig omslag, zeer omzigtig en bevreesd:
Dat’s de oorzaak, waarom ik zo spaarzaam ben in ’t spreeken.
Maar gy, volg uw gewoonte, en blijf niet in gebreken
Den blaasbalg, hol van buik, te slachten, die zich vindt,
Schoon hy geduurig blaast, geduurig weer vol wind,
(35) Die alles buiten zich kan matten en vermoeien,
Totdat het ijzer in het vuur begint te gloeien,
En buigsaam wordt en week. O hoe gelukkig is
De dichter Fannius, wiens werk en beeltenis
Alom te pronk staat in den boekschat der geleerden!
(40) Daar geenen my totnoch met dat geluk vereerden,
Noch leezen wat ik schrijf; en ik het hart niet heb,
Dat ik by ’t volk een woord van mijne vaarzen rep,
Omdat mijn vaarzen hen, en zy mijn vaarzen doemen:
Want yder scheelt toch wat. Wil my maar iemand noemen
(45) Uit al den hoop; hy wordt, of door zijn gierigheid,
Of door een blinde zucht naar eere of staat, misleid:
Hy zal den heilgen band des huwelijks ontknoopen;
Of zich in hoerenmin op ’t schandelijkst verloopen;
Of koesteren, ten spijt der vruchtbaare natuur,
(50) In zijne onreine borst een meer dan beestlijk vuur.
[p. 33]
Daar de een zijn geld verkwist aan bloemen en gewassen,
Leegt de ander, om een beeld of schildery, zijn kassen,
En rooft der holle maage en hongerige keel,
Tot wellust van den neus of ’t oog, haar wettig deel.
(55) De graage koopman ruilt zijne aan uitheemsche waaren,
En vliegt naar oost en west, ontziende klip noch baaren,
Gesold, geslingerd, als het zand, dat aan de zee
Gejaagd wordt door den wind; en heeft noch rust noch vreê,
Om tegen d’ouden dag zich schatten te vergaaren,
(60) Die hem niets geeven, dan de moeite van ’t bewaaren.
Al zulken zijn verschrikt op ’t zien van een’ Poëet.
Fluks aan een zijde, eer datge een’ kraauw krijgt of een’ beet.
Wanneer ’t hem overkomt, en hy niet weet te vinden
Een’ vreemden op zijn’ weg, dan schopt hy naar zijn vrinden.

(65) En schrijft hy iets op u, haast raakt gy, arm of rijk,
By oude wijven en by kinders in den kijk.

    Ziet dit op my? zo hoor, wat ik ’er tegen stelle.
Voor eerst, weet, dat ik my geenszins by die geen telle,
Die ik Poëeten noem. Men is straks geen Poëet,
(70) Omdatmen woord op woord kwansuis te rijmen weet;
Of vaarzen maakt, als ik, de welken t’eenenmaale
Gelijk zijn aan den trant der dagelijksche taale.
[p. 34]
Heeft iemand een verstand, dat nergens stil voor staat;
Bezit hy eenen geest, die zich van ’t aardsche ontslaat,
(75) En stout ten hemel vliegt in zijn bespiegelingen;
Spreekt hy van allerhande en de allergrootste dingen
Naar hunne waarde en eisch, in een verheven taal;
Zo houd hem voor Poëet. Hierom is menigmaal
Getwist, of ’t Blijspel, dat niet grootsch is noch verheven
(80) In zaaken noch in stijl, en juist zo wordt geschreeven
Gelijkmen daaglijks spreekt, behalve dat het woord
Op voetmaat is gesteld, tot Poëzy behoort.
Ik wil wel toestaan, dat een Vader, heet van tooren,
Zich ook in ’t Blijspel wel eens deftiger laat hooren;
(85) Als hy zijn’ Zoon bekijft, die, om een vuile slet,
Een Juffer, rijk en schoon, ontzegt te trouwen; met
Geweld te pleegen, en slampampen, en rinkinken,
Hoveeren, dag aan dag zich vol en zat te drinken,
Den vroomen grijsaard vast verkwijnen doet van rouw.
(90) Maar, is dit anders dan natuurelijk? wat zou
Pomponius, hadt hy zijne ouders niet verlooren,
Toch anders uit den mond van zijnen Vader hooren?
Daar wordt dan, om Poëet te heeten, meer vereischt,
Schoon iemand zuiver en verstaanlijk schrijft en peist,
[p. 35]
(95) Dan dat hy vaarzen maak’, waarinmen, na ’t ontbinden
Van voeten, maat, en trant, niets hooren zal noch vinden,
Dan ’t geen een Lichtmis in zijns Vaders reên beseft,
Als die eens ernstig kijft, en zijnen toon verheft.
Woudt gy eens deezen trant van vaarzen, die ik heden,
(100) En die Lucilius voorheene schreef, ontleeden;
De woorden zelfs wel niet verandrend, maar alleen,
’t Voorste achter, ’t achterst voor, verplaatsende; o ik meen,
Dat niemand immer zou gelooven van zijn leeven,
Dat, of Lucilius, of ik, in vaarzen schreeven.
(105) Maar hieromtrent zaagt gy een wonderlijk verschil,
Zoge ook dees vaarzen woudt verschikken naar uw’ wil:
Wie zal den Adelaar zyn taaie wieken fnuiken,
Nu Titus strijdbre bijl den Gotschen Leeuw doet duiken
Voor ’t heilig Capitool?
hier merk ik, hoe gy ’t kneedt,
(110) Straks ’t overschot van een’ mishandelden Poëet.
Doch nu genoeg hiervan. ’k Zal elders breeder spreeken
Van ’t Blijspel en zijn’ aard. Nu lust het my, ten teken
Van uw vooroordeel, eens te aanschouwen van naby,
Of wel dees schrijfwijs inderdaad zo haatlijk zij.
    (115) De heesche Sulcius en Caprius, verschrikken
Den stoutsten roover, door den opslag hunner blikken,
[p. 36]
Zo dikwils zy, met hun registers, door de stad
Omwandelen: daar hy, die zich niet heeft beklad
Met eenig schellemstuk, hun in ’t gezigt durft kijken.
(120) Schoonm’ u by Celius, den roover, mag gelijken,
Zolang ik Sulcius noch Caprius gelijk,
Waarom toch vreestge my? Zoek vry van wijk tot wijk
De gansche stad door, in geen boekverkooperswinkels
Vindt gy mijn vaarzen veil: zy worden van geen kinkels,
(125) Noch van Tigellius, gehandeld en bemorst:
Zy worden ook door my niet helder uit de borst
Op alle plaatsen, noch voor yder, opgeleezen;
Voor vrienden, slechts door dwang, als’t anders niet kan weezen.
Veel zijn ’er, die de hunne in ’t midden van de stad
(130) Opsnijden: anderen, die zich verbeelden, dat
De muuren en ’t gewelf van naauwbeslooten plaatsen
Veel lieflijker den galm der stem te rugge kaatsen,
Verkiezen ’t bad daartoe. dit ’s ’t ijdele vermaak
Van dichters zonder geest en van bedorven smaak,
(135) Zich niet bekommerende, in al hun overleggen,
Wat menschen van verstand en oordeel daar van zeggen.
Men zegt, dat ik met vreugd elk lastere, en zulks doe
Met voorbedachten raad. wat deed ik, dat daartoe
[p. 37]
Oit reden gaf? of wie, die van naby my kenden,
(140) Getuigen zulks van my? Die zijnen vriend durft schenden
En lastren achterbaks; die zelfs niet voor hem spreekt,
Wanneer een valsche tong hem naar de kroone steekt;
Die om een’ kwinkslag, die ’t gezelschap kan behaagen,
En luidskeels schaatren doet, de eer van zijn naaste maagen,
(145) Zijn beste vrienden, in het minste niet ontziet;
Die iets vertellen kan, dat nimmer is geschied;
Die niet kan zwijgen, wat hem iemand dorst vertrouwen:
Dees is de bullebak, dien elk behoort te schouwen.
Daar twalef gasten zijn gezeten aan den disch,
(150) Bevindtmen menigmaal, dat onder hen een is,
Die alles uitlapt, wat hem invalt; elk het zijne
In ’t aanzigt zeggen durft; niet dan met moeite en pijne
Ontziende alleen, wiens drank hy drinkt, wiens brood hy eet;
Totdat hy, door den wijn verhit, ook dit vergeet,
(155) En niemand meer ontziet. zulk een zal u behaagen,
U, die ’t kwaadspreeken niet kunt dulden noch verdraagen.
Behaagen? hy alleen, hy is de rechte man,
Die een gezelschap door zijn’ praat vermaaken kan.
En ik, omdat ik lachte, in een van mijn gedichten,
(160) Met uwen stinkenden Gargonius, en lichten
[p. 38]
Rufillus, die een’ geur van amber en muskaat
Rondom zich heene spreidt, waar dat hy zit of gaat,
Ben een kwaadspreeker en een nijdige in uwe oogen.
Wordt in uw byzijn iets gerept of aangetoogen,
(165) Het welk Petillius, en zijnen diefstal, raakt;
Straks hoortmen, op wat wijs gy voor uw vrienden waakt,
En hoe gy hen beschermt: Hy is van mijne vrinden,
Dorst zich op mijn verzoek veel zaaken onderwinden:
Ik heb hem al gekend in mijne vroege jeugd.

(170) Wy woonden lang te saam. ik ben geheel verheugd,
Dat hy gerust en stil in deeze stad mag woonen,
En in een eerelijk gezelschap zich vertoonen:
Schoon ik tot noch toe niet begrijpen kan, hoe hy
’t Gerecht toen, zonder schade of schande, ontkomen zij.

(175) Zie daar ’t kwaadspreeken afgeschilderd naar het leeven;
Dat monster, dat ’k beloof noit plaats te zullen geeven
Noch in mijn hart, noch in mijn schriften. Zoge een woord,
Dat wat te scherssend, of te vrij is, van my hoort,
Wilt gy ’t niet prijzen, ’k hoop, gy zult het echter lijden.
(180) Wanneer mijn Vader my vermaande, een kwaad te mijden
Zo noemde hy my deez’ of geenen, die daardoor
Zijn aanzien, zijne rust, of goeden naam verloor.
[p. 39]
Om my te leeren, my naar mijnen staat te voegen,
En, met het geene hy vergaard hadt, te genoegen;
(185) Ziet gy niet, sprak hy, hoe elendig dat de zoon
Van Albius thans leeft? hoe Barus? dit is ’t loon
Van kindren, die het goed, hun wettig nagelaaten,
Verkwisten.
Voorts om my, als ’t waare, uit ’t hoofd te praaten
De liefde van een hoer; Doe niet gelijk Scetaan.
(190) Als hy my leeren wou, dat ik niet om moest gaan
Met vrouwen, door den band des huwelijks verbonden;
Zei hy: Trebonius, in overspel bevonden,
Kan u verstrekken tot een’ spiegel, om te zien
Wat hun te wachten staa, die deeze klip niet vlien.

(195) Een wijzer man dan ik zal u de reden leeren,
Waarommen eene zaak moet mijden, of begeeren:
Het is voor my genoeg, de vaderlijke zeên
Te volgen, en het spoor der ouden naar te treên;
Uw leeven en uwe eer zorgvuldig te bewaaren,

(200) Zolangge een’ leidsman hebt van nooden. als uw jaaren
Toeneemen, uw verstand de zaaken bet doordringt,
Dan zultge uw’ eigen pols zelf meeten, eer gy springt.

In ’t kort, ’t zij hyme iets aan, ’t zij hyme iets af wou raaden,
Hy wees my iemand, die van diergelijke daaden
[p. 40]
(205) Zich loflijk hadt bedankt, of jammerlijk beklaagd.
Gelijk een kranke, die het veege leeven waagt,
En alles binnen slaat, om zijnen dorst te laaven,
Op de eerste tijding dat zijn buurman wordt begraaven,
Uit vreeze van de dood, zich maatigt, pijnt, en schikt:
(210) Zo wordt ook vaak de jeugd van ’t kwaaddoen afgeschrikt
Door schand van anderen. Hierdoor leerde ik te mijden
Al zulke fouten, die ons ’t uiterste doen lijden.
Geringer, diemen licht kan door de vingren zien,
Heb ik als anderen, ik weet het: en misschien
(215) Zal ik me ook, na verloop van Tijd, door Raad van vrinden,
En eigen Onderzoek, eens vrij van deezen vinden.
Want, ’t zij ik lig te bedde, of wandle langs de straat,
Ik denk steeds by my zelf: Dit, is my nut; dat, kwaad:
Zo doende, heb ik voor geen naberouw te vreezen;

(220) Dus, zal ik aangenaam by mijne vrienden weezen;
Dit ’s meer dan een’ niet wel geslaagd naar zijnen zin,
En daarom is het best, dat ik het niet begin.

Dit is ’t, waarmede mijn gedachten bezig blijven,
Of dat ik, zo de tijd zulks toelaat, zit te schrijven,
(225) En tot mijn dichtstof neem. en dit is eene van
Die fouten, diemen my zeer licht vergeeven kan.
[p. 41]
Maar, wiltge my dit recht niet toestaan, gy moet weeten,
Dat gy op staanden voet een’ ganschen zwerm poëeten
Zult krijgen op uw dak, tot mijne hulp gereed
(230) (Want wy zijn meerder in getal dan gy licht weet)
Die u den kop zo kroes, zo bijster zullen maaken,
Dat gy ten tweedenmaal zult vreezen my te raaken.



VIJFDE HEKELDICHT.

NAdat ik, met mijn’ vriend Heliodorus, Romen
Verlaaten had, zijn wy te Aricia gekomen,
Daar ons de tijd en plaats dien nacht te slaapen hieldt.
Vandaar tot aan de Markt van Appius, daar ’t krielt
(5) Van rouwe schippers, en bedriegelijke waarden.
Want wy, die door geen’ haast gedreeven wierden, spaarden
Ons krachten in’t begin, en trokken langsaam voort:
Zodat ons deeze weg, die oog en hart bekoort,
Twee dagen ophieldt; schoon men lichtelijk van Romen,
(10) Wanneermen haast heeft, hier in eenen dag kan komen.
Ik vond het water hier zo slecht, dat ik besloot,
Hoezeer ’t mijn holle maag en drooge keel verdroot,
Mijn reisbroers, die den disch vast plonderden, en lachten
Om mijne soberheid, al vastende te wachten.
[
p. 42]
(15) Nu dreef de zon haar kar met opgeheven zweep
Naar ’t westen, en verdween. men riep, scheep, mannen, scheep.
Elk haast zich. daar begon ’t eerst aan te gaan met woelen
En schreeuwen, even ofmen hooren kon noch voelen.
Leg hier aan. Ik moet meê. Ei vrindje, schik wat op.
(20) Waar wilje zitten, vent? zeg; boven op mijn’ kop?
De schuit is vol, kaptein, daar moet een andre weezen.

Eer onder deezen hoop een stilstand was gereezen,
De vracht in ’t rond betaald, en de ezel voor de schuit,
Verliep ’er ruim een uur. Toen was het weer verbruid,
(25) Dewijl ons ’t steeken van de muggen, en ’t gesnater
Der heesche kikkers, die ons groetten uit het water,
Den slaap uit de oogen hieldt. De jaager, vol en zat,
Die zijnen voorraad nu omtrent verorberd hadt,
Zong, dat het deerlijk was, tot lof van zijn beminden.
(30) Een reizer, die vermaak scheen in dien toon te vinden,
Antwoordt hem eveneens, en balkte dat het klonk,
Totdat hy, heesch en moede, in diepen slaap verzonk;
En de anderen met hem. De jaager, die dit merkte,
En met de leste teug zijn slappe leden sterkte,
(35) Bindt d’ezel aan een’ steen, en drijft hem in het gras,
En legt zich neer te rust, zo lang gelijk hy was,
[p. 43]
Toen ’t licht wierdt, zagmen, dat de schuit lag in de biezen.
Een, die door dit verzuim het meest scheen te verliezen,
Hadt naauwelijks den slaap gevreeven uit het oog,
(40) Of wekte ons allen door zijn schreeuwen op, en vloog
Te viervoet op het land, daar hy den jaager beukte
Met eenen wilgentak, dat hem de rug noch jeukte,
Toen wy, twee uuren voor den middag, zijn geland,
Daar ons Feronia zag wasschen mond en hand
(45) In zuiver nat. Nadat wy hier wat voedsel namen,
Deên wy op ons gemak drie mijlen af; en kwamen
Gelukkig te Anxur aan, gelegen op een hoog
Gebergt, dat zich vanver wit opdoet voor het oog.
Hier stondt Mecenas met Coccejus mee te komen.
(50) Zy hadden zaaken van belang op zich genomen
Ten dienste van ’t gemeen, en wisten menigmaal
Ontstelde vrienden te verzoenen door hun taal.
Hier bette ik mijn gezigt al wachtende. Coccejus
Komt midlerwijlen met Mecenas; ook Fontejus;
(55) Een man, wien niets gebreekt, en de allerbeste vriend,
Van wien Antonius zich immer heeft gediend.
Te Fundi lustte ’t ons, niet lang ons op te houwen,
Om vrij te zijn van Schout Aufidius te aanschouwen.
[p. 44]
Noch lachtenwe om dien gek, die, eertijds schrijver, thans
(60) Gesluierd en geboord daar heen treedt, en den glans
Van het geheiligd vuur laat voor zich heene draagen.
De dag was op zijn eind, wy moede, toenwe ons zagen
Te Formien, daar ons, van ’t reizen gansch versuisd,
Fontejus heeft gespijsd, Murena heeft gehuisd.
(65) De dag daar aan was een der lieffelijkste dagen,
Een dag van blijschap; want te Sinuesse zagen
Wy Maro, Plotius en Varius, een trits
Van eerelijke lien; aan wie de nijd, hoe bits,
Geen vatten heeft, en ik op ’t naauwste ben verbonden.
(70) O welke omhelzingen! ô wat genoegen! Vonden
Oit menschen hun vermaak in schatten; ik zeg, dat
Een degelijke vriend is de allerbeste schat.
Wy sliepen ’s nachts daaraan in ’t Posthuis, naast gelegen
By de Campaansche brug, daar wy gulhartig kreegen
(75) Al wat ons noodig was. Ons lastbaare ezels, na
Het rusten, bragten ons intijds te Capua;
Daar zich Mecenas in de kaatsbaan ging verlusten,
Virgilius en ik op ons gemak wat rusten:
Want wien het scheelt aan maage of ooge, als hem en my
(80) Dien dient het kaatsen niet. Vervolgens kwamen wy
[p. 45]
In ’t vruchtbaar landhuis van Coccejus, daar wy vonden
Al wat bekoorlijk is voor oogen en voor monden.
    Zing nu, ô Zanggodin, op eenen toon, niet droef,
Den strijd van Messius Cicirrus met den boef
(85) Sarmentus; en uit wie dees helden zijn gesprooten,
Zo dapper. Messius is eene van de looten
Der Osciers: De vrouw, wier slaaf Sarmentus was,
Die leeft noch. Zulk een paar, wiens glorie blinkt als glas,
Kwam hier met moed ten strijd. Sarmentus gaf het teken,
(90) En vong den krijg eerst aan, toen hy begon te spreeken:
’k Zeg datje ’er uitziet als een woudpaard. Zulk een groet
Deedt ons uitschateren. Maar Messius, wiens bloed
Van eedle gramschap, op dien laster, raakte aan ’t kooken,
Verheft zich, schudt het hoofd; en hadt byna gesproken.
(95) Och, voer Sarmentus voort, hoe goed is ’t, datmen u
Dien hoorn sloeg van den kop! wat deedt gy niet, die nu
Verminkt zo fel noch dreigt?
Cicirrus hadt ter zijden
Van ’t hoofd een teken, dat met hair van lange tijden
Begroeid, hem hadt gemaakt afschuwelijk van schijn.
(100) Maar de ander, noch al voort kortswijlende met zijn
Campaansche landziekte en gestalte, sprak: Ter eeren!
Tsa luchtig! dans ons eens een Cyclops. ’k wil u zweeren!

[p. 46]
Dat gy noch mom noch laars van doen hebt tot dien dans.
Hier zweeg hy eindelijk. Cicirrus, ziende kans
(105) Om zich, op zijne beurt, kloekmoedig te verdeedigen,
Vraagde: Of Sarmentus, om de Huisgoon te bevredigen,
Zijn slaafsche keten reeds aan hun hadt toegewijd?
’t Recht uwer Meesteresse, ofschoon gy schrijver zijt,
Is noch het zelfde op u, die stil zijt doorgedroopen.

(110) En om wat reden toch zijtge uit uw’ dienst geloopen?
Was ’t ook uit honger? neen: want zulk een hallif man
Heeft daags aan een pond brood meer dan hy bergen kan.

Aldus versleeten wy die maaltijd wel te vreden.
    Van hier zijnwe in ’t vervolg, den naasten weg, gereeden
(115) Naar Benevento; daar onze onvermoeide waard
Byna in brand vloog: want terwijl hy aan den haard
Wat magre lijsters briedt, en pastte op ’t ander eeten,
Vatte eene vonk in ’t roet, dat lang daar hadt gezeten,
En brandende de vlam ten schoorsteen uit deedt slaan.
(120) De graage gasten fluks en bange slaaven aan
Het bergen van de spijze, en ’t blusschen van de vonken.
Nadatmen deezen schrik weer van het hart gedronken,
En wel gegeeten hadt, ondekt zich voor ons oog
’t Appulische gebergt, dat door zijn’ Landwind, droog
[p. 47]
(125) En brandend, wordt verzengd, en ’t welk my boven allen
Bekend was; daar wy, van den donker overvallen,
Te blijven meenden, zo ’t geluk ons, voor den nacht,
Niet pas in ’t stedeken Trivicum hadt gebragt:
Daar ons de rook en smook de traanen perste uit de oogen,
(130) Door ’t groene hout, dat onze huiswaard, zonder droogen,
Op ’t vuur lei. Hier lag ik, wat grooter zottigheid!
Tot over middernacht te wachten naar de meid,
Die my haar woord niet hieldt; tot my de slaap verkrachtte,
En droomende deedt zien, het geen ik waakend wachtte.
(135) Des morgens onze reis voortzettende in der ijl
Volbragten wy een’ weg van vierentwintig mijl,
Om de eerstaanstaande nacht in eene stad te blijven,
Die zeer gemaklijk is door tekens te beschrijven:
Het water, dat geringe en kostlooze element,
(140) Verkooptmen daar voor geld: maar is’er ’t brood bekend
Voor goed en deugdsaam; des de reizers zich beraaden,
Een’ goeden voorraad op hun schouderen te laaden,
Als zy vandaar gaan naar Canusium, gebouwd
Van Diomedes, daar ook ’t water tegen goud
(145) Gewoogen wordt, en ’t brood veel slechter is en harder.
Hier scheidde Varius van ons. Wy kwamen verder
[p. 48]
Tot Rubi, moê door een’ zo langen weg, die dras
Door ’t stadig regenen en schier onbruikbaar was.
Des andren daags is ’t weêr ons wel wat toegevallen;
(150) Maar een veel slechter weg bragt ons tot voor de wallen
Van ’t vischrijk Barium: van waar ons Gnatia
Ontvong, een stad, zo ’t schijnt, gebouwd in de ongenaa
Der Brongodinnen; daar wy lachten om die dwaazen,
Die door vertelselen ons zochten te verbaazen,
(155) En wijs te maaken, dat het wierook, daar te land,
Op een’ gewijden steen van zelf vliegt in den brand.
Dat wonder mag de Jood Apella vrij gelooven,
Niet ik; die al voorlang geleerd heb, dat hier boven
De Goden leeven in een zorgelooze rust:
(160) En zo ’t der speelende natuur somwijlen lust
Iet ongewoons, iet vreemds voor ons begrip, te werken,
Dat zulks in ’t minste niet van ons is aan te merken
Als wondren door de Goon gewrocht in hun palleis.
Brundusium besluit ons dicht en lange reis.



[p. 49]

ZESDE HEKELDICHT.

SChoon gansch Toskaanen niet een’ Lydier kan geeven,
Die u in adeldom voorby zou mogen streeven:
Schoon gy van vaders en van moeders zijde sproot
Uit helden, die, aan ’t hoofd der krijgsmagt, nood en dood
(5) Trotseerden, en het land door kloek beleid behoedden:
Noit zagmen u, als veele onedele gemoeden,
Mecenas, met een trots gezigt en nors gelaat,
Aanschouwen iemand, die, als ik, van slechten staat
Of onbekend is. uw gewoonte strijdt daartegen.
(10) Daar is, was vaak uw woord, zeer weinig aan gelegen,
Van wien men ’t leeven heeft: maar, daar gy meer naar vraagt,
Is, of zich iemand vroom en eerelijk gedraagt.
Gy oordeelt wel te recht, datm’ eertijds, voor ’t bewind en
Onedele gebied van Tullius, kon vinden
(15) Geringe mannen, diem’ in ’t end verheven zag
Tot hooge eeramten, om hun deugdelijk gedrag,
Daar nu integendeel Levínus, een der loten,
Uit dien beroemden held Valerius gesprooten,
Door wien Tarquijn verloor zyn magt en heerschappy,
(20) Als een verachte en onbekende, wordt voorby-
[
p. 50]
Gegaan van ’t volk, wiens aard gy kent: dat zonder reden
De onwaardigsten veeltijds de eerste amten doet bekleeden,
Dat dikwils den persoon om zijnen naam bemint,
En door eertijtelen en beelden wordt verblind.
(25) Wat voegt ons dan te doen, ons, die zo veel verschillen
Van ’t schuim des volks? ’k Staa toe; het volk zou liever willen
Een amt opdraagen aan Levinus, dan wel aan
Een’ nieuwen Decius: en dorst ik onderstaan,
Ik, die geboren ben van eenen vrijgemaakten,
(30) Te dingen naar een amt, daar zulken noit toe raakten;
De Tuchtheer Appius zou my op staanden voet
Doen weeten, wie ik ben, en wie ik weezen moet.
Doch de Eerzucht voert niet min aan haar vergulde radren
In zegepraal, het kroost van onbekende vadren,
(35) Dan de edelsten van ’t land. Wat geeft het u voor baat,
Dat gy ten tweedenmaal moogt zitten in den Raad,
O Tillius; en tot een krijgsamt zijt verheven?
Dit: dat gy wordt benijd, daar gy hadt mogen leeven
Gerust en onbekend. want die zich kleeden wil
(40) Gelijk een Prins van ’t land of Raadsheer, hoort, niet stil,
Rondom zich momplen: Wie is dees? vanwaar gekomen?
Gelijk als iemand, die met Barrus, ingenomen
[p. 51]
Van eigenliefde, schoon wil schijnen, om die reên
De meisjes oorzaak geeft, om hem van top tot teen
(45) Naauwkeurig te bezien, te letten op zijn tanden,
Zijn kuiten en zijn hair, zijn voeten en zijn handen:
Zo ook die voorgeeft, dat hy stad, en burgery,
En tempelen der goôn, en rijk, en heerschappy,
En gansch Italie, met raad en met vermogen
(50) Wil dienen, waar hy kan; dwingt al de werreld, de oogen
Op hem alleen te slaan, en te onderzoeken, of
Hy wel zij opgeleid van eerelijke stof.
Durft gy, o trotse zoon van een’ verachten vader,
Een’ Roomschen burger, als een’ schelm, als een’ verrader,
(55) Ter rotse afwerpen, en veroordeelen ter dood?
Maar Novius, dien ik erken voor amtgenoot,
Moet zwijgen, als ik spreek; want hy is, ’t geen voor deezen
Mjn vader is geweest.
Dunktge u daarom te weezen
Zo goed als Paullus of Messala? ’t Zij hoe ’t zij;
(60) Schoon honderd wagens, drie lijkstaatsien daarby,
Krioelden langs de markt, en rommelden in ’t honderd,
Gy zoudt om zijne stem ten hoogsten zijn verwonderd;
Want die verdooft den klank van hooren en trompet,
Als hy wil schreeuwen: en daar zijn wy op gezet.

[p. 52]
(65) Maar nu, beschouwen wy ons zelfs ook eens wat nader.
Ik hoor my duizendmaal verwijten, dat mijn vader
Een vrijgemaakte was: nu, om dat gy, Meceen,
My aan uw tafel wilt gedoogen; maar voorheen,
Omdat ik in het veld als Hopman heb gebooden.
(70) Het eerste, zeker, is zeer makkelijk te dooden:
Want schoon my ’t Hopmanschap ten doel stelde aan den nijd;
Wat anders is ’t, dat gy mijn vrind geworden zijt:
Vooral, omdat gy in het kiezen uwer vrinden
Voorzigtig zijt, en door geen’ schijn u laat verblinden.
(75) Ik acht my hierom niet gelukkig, omdat gy
Mijn vriend wierdt by geval. o neen, ’t geval heeft my
Daar geenszins toe gebragt. Virgilius was de eerste,
De tweede, Varius, die my by u op ’t zeerste
Heeft aangepreezen, en, wie dat ik waar, gezeid.
(80) Gy deedt my komen in uw tegenwoordigheid:
’k Sprak weinig, en bleef schier in mijne woorden steeken;
Want vrees en bloode schaamt beletten my het spreeken.
Ik stofte op ouderen, op adel, noch op geld,
Maar zei u in het kort, hoe ’t met my was gesteld.
(85) Uw antwoord, naar gewoont’, was bondig. ’k Gaa. Na negen
Verloopen maanden, heb ik tijdinge gekreegen
[p. 53]
Dat gy my wederom woudt zien, en dat voortaan
Mijn naam zoude op de lijst van uwe vrienden staan.
Dit houd ik voor iet groots, dat ik u kon behaagen,
(90) U, die niet schandelijks kunt dulden noch verdraagen,
Niet om mijns vaders naam, niet om mijn aadlijk bloed,
Maar om mijn leevenswijze en deugdelijk gemoed.
Dat gy in mijn natuur geen fouten kost ondekken,
Dan weinige, en die klein (gelijk wel kleine vlekken,
(95) Gevonden worden in een lighaam, schoon van leên)
Dat niemand my met recht van vuile ontuchtigheên,
Van eenig schelmstuk, of van vrekheid kan beklaagen:
Dat ik (en daarop is ’t, dat ik mijn’ roem durf draagen)
Onnoozel leeve, en waard by mijne vrienden ben:
(100) Weet dat ik van dit al geene andere oorzaak ken
Dan mijnen vader; die wel sober, maar in vrede,
Zijn’ magren akker bouwde, en my niet school besteedde
By Flavius, daar toen de drang was van de zoons
Der eerste hoplui, om, gelijk iet braafs en schoons,
(105) Te leeren reeknen, en bytijds te zijn bedreeven,
Hoe veel het honderd ’s maands aan interest kan geeven:
Maar hy hadt hartsgenoeg, my, in mijne eerste tijd
Te brengen in persoon naar Rome, om my met vlijt
[p. 54]
Die weetenschappen en die konsten te doen leeren,
(110) Waarin de bloem des Raads en Ridderlijke heeren
Hun eigen zoons doen onderwijzen, dag aan dag.
Die mijne kleeding en gevolg van slaaven zag,
(Men gaat niet ongezien te Rome langs de straaten)
Moest denken, dat men my groot geld hadt nagelaaten,
(115) En ik gesprooten waar uit een aloud geslacht.
Wat meesters dat ik had, geen gaf ’er naauwer acht
Op al mijn doen, dan hy. Tot korting deezer reden;
Hy heeft my de Eerbaarheid, ’t sieraad van deugd en zeden,
Zo ingeprent, dat ’k my gewacht heb, niet alleen
(120) Van al wat schande was, maar zelfs wat schande scheen.
Ook was hy niet beducht dat iemand hem zou laaken,
Schoon ik niet verder, in ’t vervolg, had konnen raaken
Dan tot een Roepersamt; of, zo hy zelf voorheen,
Als Gadermeester met een kleine winst te vreên
(125) Had moeten weezen: en ik zou ’t my niet beklaagen.
Hierom moet ik hem nu te grooter achting draagen,
Te meerder lof en dank nageeven. ja ik schat
My zalig, dat ik zulk een’ vader heb gehad.
Daarom ook volg ik niet die geen, die menigmaalen
(130) Op hun geboortelot en op hun oudren smaalen,
[p. 55]
Hun veel te slecht van staat. de tusschenwijdte is groot
Van my tot deezen. Want zo eens Natuur geboodt
Eene eeuw te rug te treên, of simpelijk ons leeven
Van meet af aan weer te hervatten; daarbeneven
(135) Dat elk zich Ouderen mogt kiezen uit de rij
Van Burgermeestren en Raadsheeren: zeker my,
Gerust hoe andren zich in deeze keur gedroegen,
Om hunne grootsheid, om hun staatzucht te genoegen,
Behaagden geenen, die, gezeten in den Raad,
(140) Om bondelbijlen en yvooren stoel van staat
Geëerd zijn en gediend. dwaas zekerlijk, naar ’t oordeel
Des volks; maar mooglijk wijs, naar ’t uwe: als die met voordeel
Aldus een’ zwaaren last zou mijden en ontgaan,
Die in ’t vervolg gewis my al te duur zou staan.
(145) Want aanstonds moest ik zien aan meerder geld te raaken:
Geduuriglijk mijn hof by deez’ of dien gaan maaken:
Altijd den eenen of den andren aan mijn zij
Gedoogen; zulks ik noit alleen zou zijn, noch vrij
Naar buiten konnen gaan: meer luie knechten voeien,
(150) En paard en wagen in eens anders dienst vermoeien.
Nu, zijnde die ik ben, mag ik, wanneer ik wil,
Met mijnen ezel en mijn’ reiszak, blijde en stil,
[p. 56]
Gaan werwaarts’t my behaagt, en geef aan niemand reden:
Daar ’t volk, langs Tiburs weg, zich met uw vuile zeden
(155) En gierigheid vermaakt, o Tillius, wanneer
Gy staatig voortreedt, en vijf slaaven hunnen heer
Van achter volgen met een koffertje, en met kruiken
Vol zoeten wijns. Aldus mag ik het mijn’ gebruiken
Met meerder vrijheid en met meer gemak, dan gy,
(160) Doorluchte Raadsheer, ’t uwe. Ik gaa alleen, waar my
Nieuwsgierigheid of lust mag roepen. ’k gaa eens hooren,
Nu, wat de prijs zij van de groente; dan, van ’t kooren.
’k Begeef my naar den drang van ’t Renperk: of vertreê
My ’s avonds op de markt: of leen mijne ooren mee
(165) Aan ’t ijdele gesnap van volkje, dat met hoopen
De grootste logens weet voor waarheid te verkoopen.
Dit moede, gaa ’k naar huis, daar ik mijn maaltijd doe
Met cicers en met prei, en een gebakje toe.
Drie slaaven dekken my den disch, en brengen ’t eeten,
(170) Wanneer ik dus op mijn gemak ben neergezeten,
Zo staat ’er aan mijn zijde, en dient tot mijn gebruik,
Een witte tafel, met twee bekers en een kruik,
Een kan, een drinkschaal, en een spoelbak, klein van prijze;
Al aarden werk. Wanneer ik my op deeze wijze
[p. 57]
(175) Gespijsd heb, geef ik my tot slaapen; niet te onvreên,
Omdat ik ’s morgens vroeg door mijne bezigheên
Ten bedde uit word gehaald, of op mijn tijd moet weezen
By ’t beeld van Marsyas, wiens rimpels my doen leezen,
Hoe weinig hem ’t gezigt van Novius verblijdt.
(180) Tot tienen blijf ik in mijn kamer. na dien tijd
Gaa ’k uit: en overweeg, wat voordeel my kan geeven
’t Geen ik des morgens heb geleezen of geschreeven.
Voorts naar het Veld daar zich de jeugd vermaakt en speelt:
’k Zalf my met olie; niet als Natta, dieze steelt
(185) Uit zijne lampen. als ik moe ben, en de straalen
Der zonne, steil en heet, op onze kruinen daalen,
Verlaat ik Veld en Spel, en geef my naar het bad.
Vandaar naar huis: daar ik een weinig eet, omdat
Ik met een holle maag geen’ heelen dag kan duuren.
(190) Voorts blijf ik thuis, en houd my ledig eenige uuren,
Tot dat de dag bekoelt. Zo rustenze, wier ziel
Noit in de strikken van rampzaalge Staatzucht viel.
En ’k troost my, dat my dit geruster zal doen leeven,
Dan of mijn gansch geslacht in hoogheid zat verheeven.



[p. 58]

ZEVENDE HEKELDICHT.

ZOudtge in de gansche stad wel ergens konnen vinden
Een’ snappigen barbier, of bedelenden blinden,
Die noch niet heeft gehoord, hoe Persius zich kweet,
Toen hy Rupilius den Koning zwijgen deedt?
(5) Dees Persius was rijk in geld en in processen.
Een oorlogsvuur, zo ’t scheen niet dan met bloed te lesschen,
Ontstondt ’er tusschen hem en onzen Koning, wien,
Hoe wrevelig en stout, hy moedig ’t hoofd dorst bien.
In haat behoefde hy den Koning niet te wijken;
(10) In scherpheid was geen tong by zijne te gelijken;
En in laatdunkendheid vloog hy het al voorby.
Maar tot den Koning. Sints de helsche Raazerny
Het zaad van tweedragt eens gestrooid hadt tusschen beiden,
Zo was’er niets bekwaam noch magtig, hen te scheiden.
(15) (Want schreeuwers hebben dit met dapperen gemeen,
Dat zy niet maklijk iets toegeeven. Toen voorheen
Achilles voor den Griek, en Hector streedt voor Trojen
En elk den andren in het voetzand zocht te gooien,
Zo rees’er tusschen beide een vyandschap, zo groot,
(20) Dat niets ter werreld die kon slissen, dan de dood.
[
p. 59]
De reden was, dat elk de dapperste wou weezen.
Als tusschen bloodaards twist en tweespalt is gereezen;
Of als een bloodaard met een’ held in ’t strijdperk treedt,
By voorbeeld, Glaucus met den dappren Diomeed;
(25) Zo ruimt de zwakste ’t veld: of, kan hy ’t niet ontloopen,
Hy smeekt genade, en zal met goud zijn leeven koopen.)
Dit paar, zich onderling gewassen, kwam ten strijd,
Malkaar te vuur en zwaard ontzeggende, in den tijd
Toen Brutus Azien als opperhoofd beheerschte.
(30) Zy komen voor ’t gerecht. een heerlijk schouwspel! de eerste
Die sprak was Persius. Hy doet een voorstel van
De zaak; dat niemand zonder lagchen hooren kan.
Zelf Brutus, dien hy prees, lachte om dit hoofd der narren.
Held Brutus is de zon; zijn vrienden zijn de starren
(35) Van Azie: onder deeze of hoort de Koning niet,
Of is het hondsgestarnt, des akkermans verdriet.
Zijn woorden holden als een stroom, die, door den regen
Gezwollen, ’s winters rolt van ’t hoog gebergte. Tegen
Zo eisselijk een vloed en drift van woorden, gaat
(40) De Prenestijner aan, met onverzet gelaat,
En bulderenden mond. Kwaamtge immermeer te ontmoeten
Een’ druivenleezer, die zich in passant zag groeten
[p. 60]
Van iemand met den naam van koekkoek; tegen wien
In ’t schelden niemand staat? zo hadtge mogen zien
(45) Een flaauwe schetse van de sierelijke reden
Des Konings, die geen smaad oit zwijgend heeft geleeden.
Maar Grieksche Persius, met Italjaansche azijn
Gewreeven, spuwt ten laatste op eenmaal zijn venijn
In deeze woorden uit: ’k Bezweer u by de goden,
(50) Gy die de kunst verstaat van Koningen te dooden,
O Brutus, help ook fluks deez’ Koning aan een’ kant.
Wy wachten deezen dienst alleen van uwe hand.


ACHTSTE HEKELDICHT.

VOorlang was ik de tronk eens vijgenbooms, en stond
Verschooven in een’ hoek; tot my een werkbaas vondt,
Die eerst in twijffel hong wat hy van my zou maaken,
Een bank, of een’ Priaap: doch, om my kwijt te raaken
(5) Met meerder winst, my deedt een’ god zijn. Dus werd ik
Een god, der dieven en der spreeuwen grootste schrik:
Want mijne rechte hand en roode staf verjaagen
De dieven: en ’t gesnor van vogels, die my plaagen,
Verdrijf ik uit den tuin met deezen dorren tak,
(10) Dien my de hovenier laatst achter de ooren stak.
[
p. 61]
Hier werden eertijds, uit hun kelders, arme slaaven
In slechte bussen door hun makkeren begraaven.
Hier rust Pantolabus en Nomentaan, tot straf
Van onverstandige verkwisting, in één graf
(15) Met het geringste volk. de steen en ’t opschrift meldde
Dat deeze plaats niet viel in ’t Erfrecht; datze telde
Drie honderd voeten in de diepte, en duizend in
De lengte. Nu kan elk, naar zijn vermaak en zin
De Esquilien gerust bewoonen, en aanschouwen
(20) Den heuvel, thans gesierd met prachtige gebouwen,
Maar die noch onlangs met doodsbeendren lag bespreid,
Een haatelijk gezigt! Geen meerder moeilijkheid
Ontvang ik evenwel van dieven of van dieren,
Die my hier om het hoofd en door ’t geboomte zwieren;
(25) Dan van het snood gespuis van toveressen, dat
Het menschelijk gemoed ontroert en moeit en mat
Met tovervaarzen en met kruiden, sterk van krachten.
Dees kan ik geenerwijs beletten, alle nachten,
Zoras het maanlicht schijnt, doodsbeendren en venijn
(30) Te zoeken. ’k heb hier zelf, in eenen naaren schijn
Veeltijds Canidia, blootsvoets, met losse hairen,
Haar’ zwarten sluier dicht ineen gerold, zien waaren
[p. 62]
Met de oude Sagana. doodsch en verschriklijk stondt
De bleekheid van ’t gelaat. zy krabden in den grond
(35) Met lange nagelen; en scheurden met haar tanden
Vaneen een pikzwart lam. ’t bloed vongenze in haar handen,
En gooten ’t in den kuil; om uit dien kuil te zien
Opsteigren ’t helsch gespook, dat haar moest antwoord bien.
Een beeld van wasch, en een van wolle, stonden ginder.
(40) Het wollen was het grootste, als moetende het minder
Beteugelen door straf: het wasschen stondt, als een
Die smeekte, en vaardig was met schand ter dood te treên.
Dees roept, Tisiphone! die, Hecaté! daar konden
Wy eene menigte van onderaardsche honden
(45) En slangen krielen zien; terwijl de maan met zorg
Zich achter ’t hoogste graf, uit schaamte, gansch verborg:
Lieg ik ’t, zo wensch ik, dat de ravens my beschijten,
En dat de jongens my met drek en vuilnis smijten.
Wat melde ik verder, hoe de geesten, bleek en schraal,
(50) Geduurig fluisterden en spraken, schor van taal,
Met Sagana? hoe zy de tanden eener slange,
Den baard eens wolfs al stil begroeven? hoe eerlange
De brand vloog in het beeld van wasch? en hoe ik my
In ’t eind gewrooken hebb’ van al de spookery
[p. 63]
(55) Dier toverkollen, die de onnozelen bedriegen?
Want uit mijn’ vijgenboom liet ik ’er eenen vliegen,
Die klonk, gelijk een blaas vol wind, die schielijk splijt.
Zy aanstonds naar de stad gevloôn, vol schrik en spijt.
Gewis gy hadt u slap gelagchen, hadtge mogen
(60) Aanschouwen, hoe dees twee, in haaren waan bedroogen,
Heen droopen, gansch verbaasd; hoe dat Canidia
Een groot gedeelte van haar tanden, Sagana
Een bosch valsch hair verloor; en zy haar toversnoeren
En tovertuig van schrik vergaten meê te voeren.


NEGENDE HEKELDICHT.

’kGOng langs den heilgen weg een weinig my vertreên,
Diep in gedachten, naar gewoonte; toen my een,
Dien ik niet kende dan alleen by naame, ontmoette,
My by de hand greep, en op ’t vriendelijkste groette:
(5) Hoe gaat het, waardste mijner vrienden? Reedlijk naar
Den tijd, tot uwen dienst. Maar toen ik wierd gewaar
Dat hy my volgen wou, vraagde ik, wat hy begeerde?
Hy zegt: Gy kent my wel; ’k ben meê van de geleerde.
En ik: Weet dat ik u daarom te meerder acht.
(10) ’k Zocht my met angst van hem te ontslaan; gong nu eens zacht,
[
p. 64]
Dan hard; bleef met mijn’ slaaf, ik weet niet wat, staan spreeken.
In ’t eind begon my ’t zweet van bangheid uit te breeken;
Toen dacht ik by my zelf; Gelukkige Bolaan,
Die u zo spoedig van kwelgeesten wist te ontslaan!
(15) Hy klapte vast, en scheen noit op te zullen houwen.
Toen hy my van de stad, haar wijken en gebouwen
Veel wondren hadt verhaald, en ik vast zweeg; sprak hy
In ’t einde: Ik zie wel, maar ’t is vruchtloos, datge my
Zo zeer te ontloopen tracht: ik min u al te teder;

(20) ’k Verlaat u niet, waar gy ook heen moogt gaan. Ik weder:
Mijn weg is verre: ik moet, ei spaar dees moeite vrij,
Een’ vriend bezoeken gaan, die heel aan de overzij
Des Tibers is gehuisd, niet ver van Cezars hoven.
’k Heb, zegt hy, heden niets te doen; en daarenboven
(25) Ik wandel graag, en zal wel zo ver met u gaan.
Daar hadt gyme, op dit woord, gelijk een’ gek zien staan,
Of als een’ ezel, die met nederhangende ooren,
Duikt, en erkent dat hy tot draagen is geboren.
Hy weer op nieuw: Wanneer gy weet wie dat ik ben,
(30) Gy zult, indien ik slechts my zelf te rechte ken,
Om my, uw’ Varius en Viscus licht verzaaken.
Want wie kan schielijker en meerder vaarzen maaken

[p. 65]
Dan ik? wie danssen, zo bevallig en zo net?
Hermogenes wordt bleek van nijd, als ik my zet

(35) Tot zingen. Hier scheen hyme een weinig tijd te geeven.
Ik vraagde: Hebt gy noch een moeder in het leeven,
Of vrienden, wien het iets kan scheelen hoe gy vaart?
Geen, zegt hy; ’k heb hen al zien stoppen onder de aard.
Gelukkig, dacht ik, zijnze: en nu schiet ik ’er over.
(40) Vaar voort dan, spaar my niet, en maak het langs hoe grover.
Ik zie toch wel, deeze is de tijd, dit is ’t geval,
’t Welkme een Sabijnsche bes gespeld heeft: Deeze zal
Door staal, venijn, noch hoest, noch jicht, noch pleuris sterven,
Maar te eenger tijd zal hem een kakelaar bederven.
(45) Derhalve moet hy, zo hy wijs is, al zijn best
De snappers, wieze zijn, ontvlieden als de pest.
’t Was nu de negende uur omtrent, toen wy ons vonden
By Vestaas kerk. hy hadt op dien tijd zich verbonden
Te komen voor het Recht; en stelde hy ’t nu uit,
(50) Zo was zijn gansch proces gewisselijk verbruid.
Hebt gyme lief, kom, help my pleiten, was zijn bede.
’k Wil sterven, antwoordde ik, indien ik daar ter stede
Kan staan, of iets begrijp van ’t geen ’er omme gaat.
Ook weetge waar ik gaa. Hard staa ik in beraad,
[p. 66]
(55) Wien ik van tween, u of mijn zaak, zal laaten loopen.
My, bid ik. ’k zal ’t niet doen, al zoude ik ’t ook bekoopen.
Nu tradt hy zelf vooruit: en ik kom achter aan,
Dewijl het toch niet baat zijn’ sterker te weerstaan.
Toen hief hy weder op: Hoe mag toch met u leeven
(60) Mecenas, om zijn deugd en wijsheid zo verheven,
En die zich niet met elk gemeen maakt? wis, mijn vriend,
Gy hebt u wonder wel van uw fortuin bediend.
Maar woudt gy maaken, dat ik meê wierd van zijn vrinden,
Gy zoudt my op het hoogste aan uwen dienst verbinden:

(65) Ook zoude ik u tot hulp verstrekken: want wanneer
Wy onderling malkaar maar wel verstonden; ’k zweer,
Alle andren kreegen haast den schop; wy dreeven boven.

Men leeft daar niet, zeide ik, als gy schijnt te gelooven.
Geen huis is veiliger, dan dit, van valsche list,
(70) Noch meer vervreemd van zulke streeken. Hierom is ’t
Dat my geen rijker noch geleerder iets kan deeren.
Elk heeft zijn plaats, en ziet naar zijn waardy zich eeren.
Gy meldtme iets groots, en ’t geen ik pas gelooven kan.
’t Is echter zo. Gy maakt my brandende, om dien man
(75) Te kennen van naby. Goed! wil maar voort beginnen.
Vertoef niet. gy zyt vroom, en hy is wel te winnen,
[p. 67]
Schoon hy zich in ’t begin doorgaands wat weigrig houdt.
’k Zal niets verzuimen: ’k zal zijn slaaven met mijn goud
Omkoopen. wil ’t vandaag niet lukken, ’k zal niet schroomen

(80) Om morgen, en niet eens maar tienmaal, weer te komen:
’k Zal geen gelegenheid verliezen; hem op straat
Zien op te loopen, voorts geleiden waar hy gaat.
Want dit is toch het lot der menschen, dat zy hijgen
En zweeten moeten, om iets heerelijks te krijgen.

(85) Terwyle hy dus snakt, ontmoet ons onderweeg
Mijn vriend Aristius, die deezen wel ter deeg
En grondig kende. Wy staan stille, en spreeken t’samen.
Hy vraagde my; waarheene ik ging? vanwaar wy kwamen?
En antwoord op zijn beurt. Ik trek hem by de mouw,
(90) Ik stoot hem aan den arm, en wenk, en bid, hy wouw
My van dit haatelijk gezelschap toch bevrijden.
Die platterd hieldt zich stil, en meesmuilde om mijn lijden.
Toen raakte my de gal aan ’t zieden. Heugt u, dat
Gyme onlangs, vraagde ik, iet geheims te zeggen hadt?
(95) Ja, zegt hy, ’t heugt my wel; maar ’t is nu niet van nooden.
’t Is heden nieuwe Maan, en Sabbat by de Jooden.

Wat raaken my, riep ik, de Jooden? My, zeer veel:
Ik ben wat zwak, en volg de menigte in dit deel.

[p. 68]
’k Zal by gelegenheid u wel eens nader spreeken.
(100) Is dan dees dag gemaakt, om my den kop te breeken?
Die wreede ontvliedtme, en laatme zitten in den druk.
Maar zie, niet lang daarna ontmoet ons by geluk
Mijns kwellers weerparty, en.schreeuwt: Waarheen gy snoode?
En vraagtme, of ik wel wil getuigen? ’k Zeg niet noode
(105) Van ja: en reik hem fluks mijn oor toe. Hy sleept hem
Voor ’t recht. Daar rees terstond eene algemeene stem
Van ’t volk, dat op ’t geroep van allen kant vergaarde,
En samenliep. Zo was ’t dat my Apol bewaarde.


TIENDE HEKELDICHT.

’t IS waar, ik zeide dat Lucilius in al
Zijn vaarzen onbeschaafd en hard is. en wie zal
Zo dwaas een voorspraak van Lucilius toch weezen,
Die dit ontkenne? Maar ik heb hem ook gepreezen,
(5) Dat hy zo leevendig zo geestig in zijn dicht
’t Gebrek der burgeren dorst stellen in het licht.
Nochtans, al prijze ik dit, kan ik niet alles prijzen:
’k Diende anderszins den naam van schoon ook toe te wijzen
Zelfs aan de Miemen van Laberius. Het mag
(10) Alleen dan niet bestaan, een’ schaterenden lach
[
p. 69]
In zijne Leezers te verwekken; schoon ’t verwekken
Tot lagchen hier ook kan voor eene deugd verstrekken.
Men zij voor alles kort en bondig; dat de zin
Natuurlijk voor ’t begrip uitkome, en geenszins in
(15) Veel woorden zij verward; waardoor verstand en ooren
Gepijnigd worden. Nu, moetge u eens laaten hooren
Met ernst; dan, toonen dat gy ook te boerten weet.
Nu eens als Redenaar, dan spreeken als Poëet.
Maar pas met zedigheid ook somtijds uw gedachten
(20) Zo te uiten, dat elk licht kan merken, hoege uw krachten
Bewaart. Een scherssend woord, gesproken op zijn’ tijd,
Beslist veel schielijker doorgaands een’ zwaaren strijd,
Dan ’t allerernstigste. Dit deedt in vroeger dagen
De aloude Dichters van het Blyspel zo behaagen:
(25) Dit is ’t waarin zy zijn te volgen: die misschien
Van schoonen Hermogeen noch noit zijn ingezien,
Noch van dien Aap, die noit iets leerde, dan wat zingen
Uit Calvus en Catul. Maar ’t zijn geen slechte dingen,
Neen zeker, wat gy ook moogt denken, in zijn reen

(30) ’t Latijn en ’t Grieksch zo fraai te mengen ondereen.
O traag en plomp geslacht! wat stoft gy dus in ’t breede,
Op ’t geen Pitholeon van Rhodus zelve mede
[p. 70]
Doet zonder moeite? Maar, gelijk Falernenwijn
Door dien van Chios wordt gezacht, zo zal ’t Latijn,

(35) Gelenigd met wat Grieksch, het allermeest behaagen,
Wanneer men schrijft in dicht.
Gun dat ik u moog’ vraagen,
Ofge oordeelt, dat dit meê te pas zou komen, als
Gy eens moest pleiten voor een’ man, die op den hals
Gevangen zat: zoudt gy, uw vaderlijke zeden
(40) En stad vergeetende, verkiezen, uwe reden
Te sieren met uitheemsche en vreemde woordenpraal,
En volgen ’t mengelmoes der Canusijnsche taal;
Terwijl Corvinus en Poplicola niet zuimen,
Om hunnen stijl van al wat basterd is te schuimen?
(45) Toen ik eens in het Grieksch wou dichten, kwam Quirijn
Na middernacht, als meest de droomen waarheid zijn,
En sprak: Gewis hy zou een dwaaze daad bedrijven,
Die hout bragt in het bosch: maar in het Grieksch te schrijven
Aan dees zij van de zee, is rijkelijk zo dwaas.

    (50) Terwijl de winderige Alpinus speelt den baas,
Den oorsprong van den Rijn durft jammerlijk misverven,
En Memnon, na zijn dood, noch duizend doôn doet sterven,
Zo schrijf ik dit, dat in den tempel overluid
Noit zal geleezen zijn, daar Tarpa ’t vonnis uit;
[p. 71]
(55) Noch een en andermaal zal treeden ten tooneele.
Hoe een doortrapte slaaf zijn’ ouden heer besteele,
Een geile hoer de jeugd ontbranden doe als stroo,
Schetst ons Fundanius naar ’t leeven. Pollio
Stelt de eedle heldendaân der Koningen ten toone.
(60) In ’t dappre Heldendicht spant Varius de kroone.
En Bosch- en Veldgoôn staan verwonderd op ’t geluid
En d’aangenaamen klank van Maroos hardersfluit.
Maar dit was ’t, waarin ik heb met meer roems geschreeven,
Dan eertijds Varro en veele andren in hun leeven;
(65) Schoon ik my minder dan d’ uitvinder daarvan ken.
Want ’k wil ook, dat gy weet, dat ik de man niet ben,
Om hem die eerekroon, waarmeê hy zoveel jaaren
Gepronkt heeft ongestoord, te rukken van de hairen.
Maar ik geleek zijn’ stijl by drek! ’t Is zo: maar drek,
(70) Waarin ik dikwils iets van ’t fijnste goud ontdek.
Gy zelf, geleerde man, ik bid, vindtge in den grooten
Homerus niets, dat gy berispt, dat u kan stooten?
Dorst zelf de geestige Lucilius voor my
Niet veel in Accius veranderen? heeft hy
(75) Niet zelf met Ennius gescherst, die menigmaalen
Van ’t allerhoogste tot het laagste scheen te daalen?
[p. 72]
En nochtans achtte hy zich minder dan de geen,
Die hy berispen dorst. Ik bid u, om wat reên
Zou ’t my niet vrijstaan, onder ’t leezen, naar te spooren
(80) Of hem, of wel den tijd waarin hy is geboren
Te wijten zij, dat hy niet beter schreef of docht,
Dan een, die enkel hierop uit was, enkel zocht,
Om zijne regels by zes voeten af te meeten,
Twee honderd vaarzen voor, tweehonderd na den eeten
(85) Te maaken, dag aan dag? hoedanig is geweest
Toskaansche Cassius, wiens rustelooze geest
Den snelsten stroom in drift en snelheid kon verkloeken;
Wiens lijk verbrand is op een mijt van eigen boeken.
Doch laat Lucilius geweest zijn, aangenaam
(90) In zijn bestraffen, en tot scherssen vrij bekwaam;
Daarby beschaafder dan men vordren kan van eenen,
Die eerst een soort van dicht, ’t welk zelfs noit in Athenen
Gezien was, schrijven dorst; beschaafder hy alleen,
Dan al de Dichters t’ saam, die hem zijn voorgetreên.
(95) Maar mogt hy ’t grijze hoofd eens weer ten grave uitsteken,
Zien, hoe hy sprak, en hoe men nu behoort te spreeken;
Hoe menigmaal zou hy verandren ’t geen ’er staat:
Al wat te verre weidt; of te verheven gaat,
[p. 73]
Zou hy besnoeien, en uit zijne plaatse smijten:
(100) Niet zelden zou hy, onder ’t vaarzenmaaken, bijten
Op zijne nagelen, of krabben ’t grijze hoofd.
Indienge iets schryven wilt, dat telkens werd’ geloofd,
Zo vaak ’t geleezen wordt; gy dient, zo menigmaalen
Als gy het overziet, daarin iets door te haalen.
(105) Vermoei u nimmer, om in de oogen van ’t gemeen
Verstandig, en wat groots, te schijnen: wees te vreên
Met weinig leezeren. of zoudt gy wel begeeren,
Dat jongens in de schoole uw werk van buiten leeren?
Niet ik: ’t Is my genoeg, dat my de Ridderschap
(110) Vereere met gejuich en vrolijk handgeklap;
Gelijk Arbuscula, toen haar het graauw verachtte
En uitstampte, onversaagd haar vyanden belachte.
Zou ik bezorgd zijn om Pantilius? ontsteld,
Omdat Demetrius my in mijn afzijn scheldt?
(115) Ik my ontrusten, om dat Fannius, gezeten
By vrind Tigellius, my lastert onder ’t eeten?
Gansch niet. Dat Plotius, dat Varius, Meceen,
Virgilius, Octaaf en Fuscus, en met een
De beide Viscussen en Valgius, my roemen.
(120) ’k Mag, buiten eerzucht, u, o Pollio, ook noemen,
[p. 74]
En u, Messala, met uw’ Broeder; Bibulus
En Servius, u mede oprechte Furnius;
En zeer veel anderen, geleerde en waarde vrinden,
Die ’k wensch dat dit, hoe ’t zij, behaaglijk mogen vinden:
(125) En ’t waarme leed, mishaagde aan hun een enkel woord.
Vanhier Demetrius; Tigellius voort, voort,
Genoegt u met den lof van kinderen en wijven.
Gaa; Jongen, wil dit fluks by mijne werken schrijven.

EINDE VAN HET EERSTE BOEK.

Continue
[
p. 75]

HEKELDICHTEN

VAN

Q. HORATIUS FLACCUS.

TWEEDE BOEK.
____________________________

EERSTE HEKELDICHT.

                        Horatius.    Trebatius.
H. DAar is ’er, dien ik schijn te vinnig in ’t berispen,
En te ongenadig al, wat my mishaagt, te gispen.
Daar is ’er, die beweert, dat alles wat ik dicht
Van zenuwen en kracht beroofd zij; datmen licht
(5) Op een’ dag duizend zou van zulke vaarzen maaken.
Trebatius, wat zal ik doen?
T.                                        Uw moeite staaken.
H. Dat ik noit vaarzen maake? is dat uw meening dan?
T. Zo is ’t.
H.            ’k Wil sterven zo ’t niet best waar. maar ik kan
[p. 76]
Niet rusten, en leg ’s nachts te geeuwen en te gaapen.
T. (10) Daar weet ik raad voor. Die niet makkelijk kan slaapen
Zwemme eerst den Tiber driemaal over heene en weer,
En drinke een’ braaven roes. Of is ’t dat gy zo zeer
Tot schrijven wordt gepord; waarom ons niet beschreeven,
’t Geen de onverwinnelijke Augustus heeft bedreeven?
(15) Gy zaagt dien arbeid door belooningen verzacht.
H. Mijn goede vader, och al wilde ik al, de kracht
Bezwijkt my. Trouwens, ’t is aan yder niet gegeeven,
Heirlegers, vaardig om malkaâr in ’t spits te streeven,
Een’ Gauler, sneevelende aan een’ gebroken schicht,
(20) Of een’ bebloeden Parth, met schemerend gezigt
Neerstortend van zijn paard, voor elk ten toon te zetten
In een hoogdraavend dicht.
T.                                         Maar wat mag u beletten
Om zijn rechtvaardigheid en deugdelijk gemoed
In nederiger stijl te prijzen, op dien voet
(25) Als Scipio is van Lucilius gepreezen?
H. ’k Zal, als de tijd zulks eischt, niet in gebreke weezen.
Maar weêr, als Cezar heeft met zaaken van den Staat
Zijn hoofd en handen vol, zal ik, met mijnen praat
En vaarzen, buitens tijds zijne ooren niet verveelen:
[p. 77]
(30) Die, wanneer iemand hem ontijdig poogt te streelen,
Zich wrevelmoedig toont, en wel eens van zich bijt.
T. Hoeveel nochtans waar dit niet beter, dan altijd
Op Nomentanus of Pantolabus te smaalen
In schampre vaarzen? dus komtge op uw’ hals te haalen
(35) Den haat van allen; daar de vreeze hen toe dringt.
H. Kan ik gebeetren dat Miloon fluks danst en springt,
Zoras de damp des wijns hem is in ’t hoofd gevloogen,
En alles zich vertoont als dubbel voor zijne oogen?
De Zoons van Leda zijn gekroopen uit een ei;
(40) Maar Castor mint alleen het rennen, en ’t geschrei
Des wagenaars; terwijl zijn Broeder schijnt te minnen
Niets dan het wors’tlen. Zo veel hoofden, zo veel zinnen.
Het vaarzenmaaken streelt alleenig mijn gemoed;
Ik volg de wijze van Lucilius, zo goed
(45) Als gy of ik. Hy plag, ’t geen hy geheim wou houwen,
Aan zijne boeken, als goê vrienden, te vertrouwen:
En of ’t hem tegen viel of mede, noit nam hy
Zijn toevlucht elders. dit is de oorzaak ook, dat wy
In zijne werken noch een schets zien van ’s mans leeven,
(50) Als in een schildery. Hem zoek ik naar te streeven,
(Ik, een Appulier, of een Lukaner: want
[p. 78]
De Venuzijner ploegt zijne akkers op den kant
Van beider paalen; daar gezonden, zo ’t kan schijnen
Aan ’t oude zeggen, na ’t verjaagen der Sabijnen,
(55) Opdat geen vyand hier genoote een stil verblijf,
Vanwaar hy onverhoeds den Romer viele op ’t lijf:
Het zij Appulie of Lukanie zijn benden
Bestondt, ter plondringe of ten oorloge, uit te zenden)
Maar ’t waar my leed, zo ik oit leevend mensch misdeê.
(60) ’k Gebruik mijn pen, gelijk een’ degen in de schêe
Dien ’k niet ontblooten zal, zolang als geen verraader,
Geen dief, geen moordenaar my overvalle. o Vader,
O Koning Jupiter! dat alle moordgeweer
Vrij eeuwig ruste en roeste; en niemand my, die zeer
(65) Tot vrede ben geneigd, beleedige of beschaade!
Maar die in my de gal eens gaande maakt (ik raade
Een’ yder, wie hy zij, dat hy zulks noit begin)
Zal ’t zich te jammerlijk beklaagen, als hy in
Mijn vaarzen keurelijk geschilderd naar het leeven,
(70) De gansche Stad door stof tot spottery zal geeven.
Als Cervius van toorn vervoerd is, dreigt hy met
Den rechterlijken bus, en bliksem van de wet;
Canidia vergeeft met helsche toverkruien;
[p. 79]
En Turius kan zelfs de beste zaak verbruien,
(75) Waarover hy, helaas! als rechter is gesteld.
Dat elk zich van dien kant, daar hy het meeste geldt,
Ontzaglijk maakt, en dat Natuur zulks komt te leeren,
Zal blijken, alsge dus met my wilt redeneeren.
Een stier stoot met zijn’ hoorn; een wolf bijt met zijn’ tand.
(80) Vanwaar, dan dat Natuur hun zulks heeft ingeplant?
Gy moogt aan Sceva vrij zijn moeder overgeeven,
Al zegtmen datze hem te lang bleef in het leeven.
Zy heeft den doodsteek niet te vreezen van zijn hand.
Dat waar zo vreemd alsof een stier beet met zijn’ tand,
(85) Een wolf sloeg met zijn poot. ’t Venijn dat is zijn wapen;
Dat zal het oude wijf den ijz’ren slaap doen slaapen,
Al hadtze noch geen’ vaak. Om kort te gaan, het zij
Ik noch veel jaaren heb te leeven, of dat my
De dood aanstaande is, rijk of arm, in Romes muuren,
(90) Of balling ’s lands, ik zal noit zonder schrijven duuren.
T. O Jongeling, ik vrees dat gy niet grijzen zult.
Dat eens een magtig vriend zijn langgetergd geduld
Verliezende, uw gelach verkeeren doe in klaagen.
H. Hoe? toen Lucilius het allereerst dorst waagen,
(95) Te schoeien op dees leest; en stoutgenoeg was, om
[p. 80]
Den huichelaaren hunn’ bedriegelijken mom
Te rukken van ’t gezigt, en ydereen deedt leezen,
Hoe menig niet en was het geen hy scheen te weezen;
Was Lelius, of hy, die door Carthagoos val
(100) Een’ naam verworven heeft, die nimmer sterven zal,
Daarover oit gebelgd? of waaren zy te onvreden,
Omdat hy ’t gansch gedrag van Lupus dorst ontleeden?
Omdat Metellus in zijn vaarzen openlijk
Gebrandmerkt staat? Nochtans heeft hy, van wijk tot wijk
(105) De burgers, ja ook zelfs de grooten, die ’t verdienden,
Ontziende niemand dan de deugd en haare vrienden,
Vrijmoediglijk bestraft. Wanneer de dapperheid
Van d’ eedlen Scipio, en ’t schrandere beleid
Van Lelius, zich wilde in stille rust vermaaken,
(110) Ontvliênde ’t oog des volks, en zwaar bestier van zaaken,
Zo zaten zy met hem te boerten, vrij van taal,
En speelden zorgeloos, totdat het avondmaal
Gereed was. Ik voor my, wat dat ik ook mag weezen,
Schoon minder geldig, min verstandig, dan voordeezen
(115) Lucilius: nochtans zal nimmermeer de Nijd
Ontkennen konnen, schoon ’t haar barsten deedt van spijt,
Dat ik gemeenzaam heb geleefd met groote heeren:
[p. 81]
En heeftze lust op my haar tanden te probeeren,
Zy vindt hier lichtelijk, daar zyze stomp op bijt’.
(120) Ten waar gy hierin van een ander oordeel zijt,
Trebatius.
T.             Het geen gy zegt, dat steunt op reden.
Ik waarschouw u nochtans, wacht u voor zwaarigheden,
Waarin gy mogelijk eens vallen zult, omdat
Gy op de wetten, naar ik zie, niet zijt gevat.
(125) Want daar is recht in ’t land, om een’ Poëet te straffen,
Die in een vuil gedicht een’ ander aan durft blaffen
En schenden.
H.                 In een vuil gedicht; dat weet ik wel.
Maar in een schoon gedicht; zo houdtmen het voor spel,
Schoon Cezar rechter waare. Als een, zelf vroom van wandel,
(130) Een’, die zulks niet en is, zijn’ eereloozen handel
Met aardigheid verwijt, al gaat het al wat grof,
De Rechtbank lacht ’er om, en gy keert weer met lof.



[p. 82]

TWEEDE HEKELDICHT.

Leert, welk een deugd het zij, met weinig spijs te leeven:
(Dees reden is my door Ofellus voorgeschreven,
Dien ongeletterden en ruwen filosoof:
Zo ’t uit mijn’ koker kwam, licht gaaft gy ’t geen geloof)
(5) Leert dit, niet aan een’ disch vol schotelen en glazen,
Daar vele kostlijkheên het scheemrende oog verbaazen,
En ’t harte, doorgaands aan het schijnschoon vast gehecht,
Het weezendlijke goed versmaadt: maar overlegt
Dit nevens my, terwijl gy nuchtren zijt. Wat reden?
(10) Ik zal ’t u, zo ik kan, van stuk tot stuk ontleeden.
Een rechter, die door gunst verblind is of door wraak,
Bemoeit zich weinig met de waarheid eener zaak.
Als gy vermoeid zijt van te vliegen en te jaagen;
Een’ onbereeden hengst den toom te leeren draagen;
(15) Den snellen kaatsbal wis te neemen in zijn vlugt;
De ronde werpschijf kloek te werpen in de lucht;
Wanneer deeze oeffening de walging heeft verdreeven,
En u een’ nieuwen dorst en honger heeft gegeeven;
Versmaadt dan eens den kost eens burgers, en veracht
(20) Een’ dronk Falernenwijns, die niet en is gezacht
[
p. 83]
Met zoeten honig. was uw kok dan niet te vinden,
Noch op de markt, vermids de bulderende winden
En ongestuime zee, geen visch te krijgen, ’k weet
Dat u een stuk droog broods met zout een lekkre beet
(25) Zou strekken, en voldoen. Hoe komt dit? op wat wijze?
Een goede smaak hangt niet van deeze of geene spijze,
Maar van u zelven af. vindt gy slechts uw vermaak
In oeffening en zweet, zo eetge altijd met smaak.
Die eens door overdaad de graagte heeft verlooren,
(30) Dien zal geen oester, schar, noch vreemde visch bekooren.
Dit weet gy allen: en ik zal hierdoor noch naauw
Uitwerken, dat gy niet het vleesch van eenen paauw
Zult kiezen voor een hoen, door valschen schijn bedroogen.
Te weeten, omdat dees veel gelds kost, en voor de oogen
(35) Een’ sierelijken staart ten toon spreidt. komt dit hier
Niet wonder fraai te pas? alsof het doode dier
Zo schoon was, als toen ’t leefde; en gy dees schoone pennen
Kost eeten. Wijlmen nu noodzaaklijk moet bekennen
Dat paauw en hoendervleesch beide even smaaklijk zijn,
(40) Zo blijkt het, dat gy zijt bedroogen door den schijn.
Doch ’t zij zo, wijlge toch aan ’t uiterlijk blijft hangen.
Hoe weet gy, of dees snoek zij in de zee gevangen,
[p. 84]
Of in den Tiber? tusschen bruggen, of beneên
In d’ uitloop der riviere? Ik bid u, om wat reên
(45) Verkiest gy blindelings de grootste der barbeelen,
Diege echter op den disch in stukken moet verdeelen,
Zo gyze nutten wilt? Naar ik bemerken kan,
Alleen om haare grootte. is ’t zo? wel waarom dan
Een’ grooten snoek veracht? ik zie geene andre reden,
(50) Dan dat natuur deez’ groot, die kleiner schiep van leden.
Wanneermen honger heeft, verachtmen niet zo licht
Het geen gemeen is. O wat is ’t een schoon gezigt;
Een groote schotel, gansch bedekt met eene groote
Barbeel!
Zo spreekt een vraat, die vaak den disch ontblootte,
(55) En meer kan zwelgen dan de gulzigste Harpy.
Maar ô gy Zuidenwind, laat uwe warmte vrij
De spijs van deezen dwaas bederven en besmetten!
Schoon hy zijn’ mond reeds aan geen’ verschen visch wil zetten,
En ’t wildbraad in zijn’ neus te stinken schijn’, hoewel ’t
(60) Eerst versch gevangen is; wanneer zijn maag, ontsteld
Door daaglijksche overdaad, nu niets om op te teeren,
Dan alantswortelen en raapen zal begeeren.
’k Weet datmen somtijds noch by lui van d’eersten staat
Wel overblijfsels vindt van de oude middelmaat:
[p. 85]
(65) Want eieren en bruine olijven zijn noch heden
Niet gansch verbannen. ’t Is zolang noch niet geleeden,
Dat elk verbaasd stondt en verwonderd om de keur
Eens Roepers, op wiens disch gezien is de eerste Steur.
Hoe? of ’er in dien tijd geen tarrebotten waaren?
(70) De tarbot zwom gerust door zee, en de ojevaaren
Die zaten ongestoord op ’t hooge nest, totdat
Een ingebeelde Schout die mede vong en at.
Zo aaptmen alles naar, en eet het op voor suiker.
Indien nu iemand zwoer, dat een gebraaden duiker
(75) Een lekker beetje waar’; ’k wed dat de jeugd terstond
Niets lekkerer dan een’ gebraaden duiker vondt.
    Of iemand gierig schaffe of zuinig, zal, naar ’t oordeel
Van vriend Ofellus, veel verschillen. en wat voordeel
Geeft toch ’t ontwijken van een’ misslag, zo ’k u zie
(80) In anderen verstrikt? Avidienus, die
De Hond genoemd is, eet olijven die reeds stinken,
Kornoeiljen wrang van smaak; zal geenen wijn oit drinken
Dan die bedorven is, en giet op zijn salaad’
(Ook dan, wanneer hy in het witte feestgewaad
(85) Zijn vrienden eens onthaalt, ’t zij op geboortedagen,
Of anders) olie, die de neus niet kan verdraagen,
[p. 86]
En eene meenigte van smaakelooze azijn.
Wat dan, om noch aan ’t een noch ’t ander end de lijn
Te sterk te trekken? hoe dit stuk best te overleggen?

(90) Hier dreigt de hond ons, daar de wollef, is het zeggen.
Wel zal hy leeven, die zich voor alle opspraak wacht,
En steeds omzigtiglijk de middelmaat betracht.
Dees zal niet altyd met Albucius zijn slaaven
Bekijven, omdat zy te loom zijn in het draaven,
(95) Te traag in hunnen dienst, te zuinig op den wijn:
Noch ook met Nevius, in weezen en in schijn
Een slechthoofd, zijnen gast van spijt doen knarssetanden,
Als hy vuil water krijgt tot reiniging der handen.
    Hoor nu, wat voordeel ons een sobre tafel geeft.
(100) ’t Voornaamste is, datmen daar gezond en lang by leeft:
Want dat veel spijzen t’saam des menschen welvaart krenken,
Zult gy begrijpen, alsge slechts wilt overdenken,
Hoe wel één schotel u voorheen bekomen is.
Maar die ’t gebraaden en ’t gekookte, vleesch en visch,
(105) Wil mengen ondereen, en eeten door malkandren,
Die voelt eerlang het zoet in bittre gal verandren,
En eene dikke slijm zich zetten in zijn maag.
Of hebt gy noit gezien, hoe iemand, die zich graag
[p. 87]
Gevoegd hadt aan een’ disch, belaân aan alle zyen
(110) Met volle schotelen en keur van lekkernyen,
Gansch bleek en pijnlijk zag, wanneer hy dien verliet?
Ja ’t lighaam, zo bezwaard van ’t eeten, lijdt zelf niet
Dat wy een recht gebruik van onze reden maaken,
En dooft het licht der ziel, der dierbaarste aller zaaken,
(115) Die uit den hemel zelf haar’ eersten oorsprong heeft.
Maar die zich, sober en bekwaam, tot slaapen geeft,
Keert ’s morgens, kloek en frisch, tot zijne bezigheden.
En wil, of moet, hy eens die paalen overtreeden,
’t Zij hy een jaarlijks feest met zijne vrienden vier’;
(120) Of eens, om ’t lighaam te verkwikken, beter sier,
Dan naar gewoonte, maake; of, mids zijn hooge jaaren,
Meer krachtig voedsel eische, om ’t leeven te bewaaren;
Het zal hem strekken tot versterkinge en geneugt.
Maar gy, die uwe leên, al van uwe eerste jeugd,
(125) Gewend hebt tot de weelde en tot een dartel leeven,
Wat zal u nieuwe kracht, wat u verkwikking geeven,
Wanneer een zwaare ziekte u aantast en bestrijdt,
Of (brengt gy ’t slechts zo verre) alsge oud geworden zijt ?
Onze ouders konden met veel smaak een’ zwijnskop eeten,
(130) Dien wy nu stinkende en bedorven zouden heeten.
[p. 88]
Geenszins, omdat het hun gebrak aan neuzen; neen.
Maar hierom, zo ik acht, omdat het beter scheen,
Dat zy op stinkend vleesch een’ goeden vriend vergastten,
Dan dat zy zelfs daaraan, noch versch, zich overbrasten.
(135) Och of ik in den tijd dier helden had geleefd!
Laatge aan een’ goeden naam, die meer genoegen geeft,
En zoeter klinkt in ’t oor dan alle lofgedichten,
U iets gelegen zijn? wel, laat u onderrichten,
En leer, dat overdaad en dartle lekkerny
(140) Alleen niet schaadlijk is, maar schandelijk daarby:
Dat gy gehaat wordt van uw vrienden en uw buuren;
Dat gy u zelf verveelt, en op geen plaats kunt duuren,
Het leeven duizendmaal vervloekend’, dol van kop,
Als u niet overschiet de waarde van een’ strop.
(145) Met reden, zegtge licht, moogt gy dees lessen geeven
Aan Trausius: ik heb genoeg om van te leeven,
Ja daar drie koningen licht zouden van bestaan.

Zo rijk? wel watge zegt! Maar, wil u eens beraân,
Of gy dien rijkdom dan niet beter kunt besteeden.
(150) Hebt gy geen’ armen vriend te spijzen of te kleeden
Uit zulk een’ overvloed? waarom uit zo veel geld
Vervallen tempelen en kerken niet hersteld?
[p. 89]
Waarom, ô snoode! niets van al dien schat gegeeven
Ten dienste van het land, daar gy zo zacht moogt leeven?
(155) Als ’t u maar wel mag gaan, zo gaat het alles wel.
O hoe zult gy noch eens uw vyanden ten spel
En spot verstrekken! Wien van tweên zoudt gy vertrouwen
Dat in een’ zwaaren smak zich best zal bovenhouwen?
Hy, die van jongs af aan zijn lighaam en gemoed
(160) Gewend heeft tot gemak en vollen overvloed?
Of dees, die sober leefde, en altijd scheen te schroomen
Voor ’t geen hem nu of dan zou konnen overkomen;
En, uit dien hoofde, zich in stilte vredes tijd,
Gelyk ’t een’ wijzen past, gewapend heeft ten strijd?
    (165) En, opdat gy hieraan te meer geloof moogt geeven,
Weet, dat ik, noch een kind, Ofellus heb zien leeven
Net op de zelfde wijze in zijnen overvloed,
Gelyk hy nu, in zijn gebrek en armoê, doet.
Gy zoudt hem, die nu kloek moet werken, wil hy eeten,
(170) Noch konnen zien, daar hy, blijmoedig neergezeten,
Op ’t afgebakend land, in ’t midden van zijn vee,
Zijn kinderen vertroostte, en dees vertelling deê:
    Een stuk gerookten ham en slechte kruiden, waaren
Mijn dagelijksche spijze al sedert veele jaaren.
[p. 90]
(175) Maar als een goede vriend by my de maaltijd hiel,
Of als een buurman, wien de regen overviel,
By my te schuilen kwam, ik zocht hem wel wel te onthaalen:
Op visch niet, dien ’k in stad ten duursten moest betaalen,
Maar op een schaapenbout, of kuiken van mijn werf.
(180) Het nagerecht bestondt uit druiven, voor ’t bederf
Omzigtiglijk bewaard, uit vijgen en uit nooten.
Dan volgde een spel, daar wy de maaltijd meê beslooten,
Waarin hy, die verloor, zijn schuld betaalen mogt
Met eene frissche teug. En Ceres, aangezocht
(185) Om in het najaar ons een’ rijken oogst te schenken,
En af te weeren, wat het tedre graan kan krenken,
Streek ons de rimpels uit het hoofd, de zorg van ’t hart.
Dat vrij het noodlot woede, en telkens smart op smart
Vernieuwe, wat kan ’t hun beneemen, die zo leeven?
(190) Ben ik, nadat mijn land een’ andren is gegeeven,
Zijt gy, mijn kinderen, daarom iets uitgeteerd?
Natuur heeft niemand land in eigendom vereerd,
Noch hem, noch my, noch wie hy ook zou moogen weezen.
Hy dreef ’er ons eerst uit: maar nu staat hem te vreezen,
(195) Dat hy ’er op zijn beurt den een’ of andren dag,
Door onkunde in het recht, of door zijn kwaad gedrag,
[p. 91]
Ten minsten eindlijk eens zal worden uitgedreeven
Door eenen erfgenaam, hardnekkiger in ’t leeven.
’t Hiet eerst Ofellus land; en nu, ’t land van Umbreen.
(200) ’t Komt niemand eigen toe: maar dient van daag den een’
En morgen weêr een’ aâr. Weest daarom stout en vrolik,
En acht het dreigen der Fortuine, als eenen molik.



DERDE HEKELDICHT.

Horatius. Damassippus.

D. Hoe? scheidtge ’er uit, met ons somtijds wat nieuws te geeven?
Zijt gy noit moede van zo dikwils ’t eens geschreeven
Weer te verandren, op u zelf te onvreên, gestoord,
Om dat de wijn en slaap u altezeer bekoort,
(5) Noch toelaat, dat gy iets, ’t welk waard is dat wy ’t leezen,
Kunt brengen voor den dag? wat zal ’t in ’t ende weezen?
Nochtans ontvluchtte gy, voor overdaad bevreesd,
Al de vermaaklijkheên van ’t Saturnaalsche feest.
Wat hebtge in al dien tijd geschreeven? laat eens hooren:
(10) Begin slechts.
H.                        Daar is niets te doen. ’t Is al verlooren,
Of schoon ik duizendmaal de schuld legge op de pen,
En dikwils op ’t vertrek, daar ik gezeten ben,
[
p. 92]
Alsof dat in den vloek van Goden en Poeëten
Gesticht waare.
D.                   Echter scheentge u wondren te vermeeten,
(15) Indien gy op het land alleen wat blijven mogt.
Waartoe toch Plato en Menander hier gebrogt?
Waartoe Archilochus en Eupolis? wat rede,
Naamt gy de schriften van zo groote mannen mede?
Verlaatge nu de Deugd, den bitsen Nijd ten zoen?
(20) Zo zultge u in het kort van elk verachten doen.
Men dient de ledigheid, de snoodste der Sireenen,
Te mijden, of goedsmoeds den lof, dien gy voorheenen
Door beter leeven hadt verdiend, weêr af te staan.
H. O Damasippus, ’k wensch dat u de goôn voortaan,
(25) Na zulk een’ goeden raad, een goed barbier vereeren!
Maar, lieve! waar hebt gy zo wel my kennen leeren?
D. Nadat ik, by het beeld van Janus, ben geraakt
Om al mijn geld en goed, heb ik mijn werk gemaakt,
Om, wat een ander deedt, naauwkeurig te onderzoeken.
(30) Wijl ’k zelf niet had te doen. ’k Doorsnuffelde alle hoeken
Voorheene, om ergens op te loopen ’t kopren vat,
Daar Sisyphus weleer zich in gewasschen hadt.
Ik was alleen de man, aan wien men doorgaands vraagde,
[p. 93]
Hoe my ’t gegootene of gesneedene behaagde:
(35) Ik stelde ’t al op prijs; en heb zelf eens geteld
Vijf duizend gulden, voor een beeld, in klinkklaar geld.
Waar ook een huis of tuin met voordeel was te koopen,
Dat wist geen mensch als ik zo schielijk op te loopen.
Hierdoor werd ik bekend, en yder noemde my
(40) Den gunstling van Merkuur.
H.                                               Dit weet ik: maar hoe gy
Verlost zijt van dees ziekte, en kwam ik noit te weeten.
D. Maar de eene ziekte heeft hier de andere uitgesmeeten;
Gelijk het gaat, als een verlost word van de plaag
Van zijde of hoofdpijn, en hy krijgt een kwaade maag:
(45) Of eveneens als een slaapzuchtige by wijlen
Een heete koorts krijgt, en aan ’t raazen valt en ’t ijlen,
En zijnen Dokter in ’t gezigt vliegt, schopt en slaat.
H. Alwatge wilt: maar ’t laatst, dat schut ik.
D.                                                               Och hoe laat
Ge u meê door eigenliefde, als al de rest, bedotten!
(50) Gy zelf zijt zinneloos, en zo zijn alle zotten:
Bedroog Stertinius, de wijze, rny slechts niet.
Hy heeftme dit geleerd, toen hyme troostte, en riedt,
Mijn’ baard, de leverei der Wijsheid, niet te scheeren,
[p. 94]
En vrolijk van de brug Fabricius te keeren.
(55) Want toen ik, raadeloos door wanhoop en door rouw,
Met overdekten hoofde in ’t water springen wouw,
Stondt hy ter rechter zijde, en sprak: Wil niets beginnen,
Dat u onwaardig is. laat u niet overwinnen
Door zotte schaamte, noch het strekke u tot geen pijn,
(60) By zinneloozen, zelf meê zinneloos te zijn.
Vooreerst, laat ons eens zien, wat zinneloos te weezen
Toch in zich zelve zij: en, kuntge dan noch vreezen,
Dat gy ’t alleenig zijt, zo spring vrij in den vloed;
’k Zal ’t zien, en zwijgen stil. Wie by zich zelven voedt
(65) Een kwaade zotheid, en als blindlings wordt gedreeven
Door onkunde en door schijn; dien wordt de naam gegeeven
Van zinneloos, by hen die in de schoole van
Chrysippus zijn geleerd. Geen volk, geen vorst, geen man,
Die hier niet onder hoort; den wijzen niet gerekend.
(70) Hoor nu, waarom ook zy, van wie gy wordt getekend
Als zinneloos, zulks zijn zo wel of meer dan gy.
Gelijk als in een bosch, daar zich aan alle zij
Veel paden opdoen voor het oog, die menigmaalen
Den een’ ter rechter, dien ter slinker, af doen dwaalen,
(75) Veele op den dwaalweg zijn, schoon niet op ’t zelfde pad:
[p. 95]
Zo zijtge ook zinneloos, maar kunt u troosten, dat
Die geen, die u daarom belagchen of bespotten,
Niet minder zijn dan gy. Daar is een soort van zotten,
Dat nu in ’t vuur verbrandt, en dan in ’t water smoort,
(80) Daar vuur noch water is. daar is een tweede soort,
Wel veel verschillende van ’t eerste, doch niet wijzer;
Dit vreest noch waterstroom noch vuur noch staal noch ijzer.
Schoon vrouw en kindren, al zijn vrienden, met gehuil
Vast schreeuwden: Wacht u toch! hier is een diepe kuil,
(85) Hier is een steile klip; ei wees toch op uw hoede!

Hy gaat zijn’ gang, en laat hen schreeuwen, koel van moede,
En luistert meerder niet dan Fufius, toen hy,
Vol wijns, Ilione verbeeldende daar zy
Te slaapen lag, zelf sliep, en niet een woord kon hooren
(90) Van ’t geen ’er ommeging, schoon honderd Polydooren
Geroepen hadden; Helpme ô moeder! Leer van my
Hoe al het volk, de een zus die anders, zinloos zij.
’k Zeg, Damasippus is een zinnelooze in ’t koopen
Van oude beelden. maar, hoe zalmen hem toch doopen,
(95) Die Damasippus borgt? Indien ik tot u sprak:
Ontvang dit geld van my, gebruik ’t op uw gemak;
Gy zult het my hierna noit hoeven weer te langen:
[p. 96]
Waart gy wel zinneloos, zo gy t bestondt te ontvangen?
Of noemdenwe u niet dwaas met meerder recht, indien
(100) Ge een winst versmaadde, die Merkuur u aan kwam biên?
Al kuntge uw’ schuldenaar met eigen handschrift toonen,
Dat hy u schuldig is een som van duizend kroonen;
A1 hebtge’er van gemaakt een schriftelijk verband
In alle formen, en geschreeven met de hand
(105) Van een’ Notaris, die voor niemand hoeft te wijken
In spitse vonden en arglistige praktijken:
Noch zal die Proteus u ontglippen en ontgaan,
Als gy hem sleept voor ’t recht; en gy bedroogen staan,
Als hy zich, dien gy meent te hebben by de kleêren,
(110) In steen, of boom, of zwijn, of vogel, zal verkeeren.
Indien het wel of slecht regeeren van zijn goed
Een’ mensch voor wijs of zot by andren houden doet,
Zo moet in hem gewis de zotheid overhaalen,
Die u doet teeknen, ’t geen gy nimmer kunt betaalen.
(115) Gy allen, wie gy zijt, wier harssens zijn ontsteld
Door snoode staatzucht, of door liefde tot het geld,
Gy, die u hebt gewend in overdaad te leeven,
Aan bygeloovigheid u over hebt gegeeven;
Of wien het anderszins mag leutren in ’t verstand;
[p. 97]
(120) Komt allen herwaarts aan, en voegt u hand aan hand
In eenen ronden kring; ik zal u naakt ontdekken,
Dat al de werreld slechts een gasthuis is vol gekken.
    Het grootst gedeelte van het nieskruid komt gewis
Den vrek toe. ’k twijffel, ofmen hem niet schuldig is
(125) Het gansche Anticyra. Staberius belastte
Zijn’ erfgenaamen, hoofd voor hoofd, dat yder paste
Op zijnen grafzerk uit te drukken, hoeveel elk
Uit zijn nalaatenschap verbeterd waar: het welk
Zo iemand niet en deedt, die moest een schouwspel geeven
(130) Aan ’t volk van honderd paar kampvechters; daarbeneven
Een maaltijd naar ’t bestek van Arrius; daarna
Noch zo veel kooren als’er wast in Afrika.
’t Zij ’k wel, of kwaalijk, deed, wat is’er aan gelegen?
Het heeft my zo behaagd: gy, spreek’er niet meer tegen.

(135) ’k Denk, dat Staberius, naar zijn voorzigtigheid,
Gezien zal hebben..... En wat was toch zijn beleid
En overleg in zulk een doen? wat was de reden
Dat hy de som van zijn nalaatenschap gesneeden
Wou hebben op zijn graf?
Zolang hy was in staat,
(140) Zo hieldt hy de Armoe voor het allersnoodste kwaad,
En mijddeze of de goôn hem hadden moeten haaten,
[p. 98]
Zo hy een oort of twee hadt minder nagelaaten.
Want aanzien, eer en deugd, niet minder ’t godlijk dan
Het menschelijk; het hangt toch alles enkel van
(145) Het flikkerende goud, waardoor de moorman witter,
De grijsaard jonger wordt. het goud maakt zijn’ bezitter
Beroemd, rechtvaardig, sterk, ja wijs, en koning, en
Al wat hy zelve wil. Hy dacht dat elk hem, wen
Men wist, dat hy zo rijk geweest was in zijn leeven,
(150) Te hooger schatten zou, als waar het hem gegeeven
Om zijne deugd alleen. Wat scheelt dit doen niet van ’t
Gedrag des Griekschen Aristippus, die in ’t zand
Van Libye zijn goud liet werpen door zijn slaaven,
Omdat het hen belette in spoedig voort te draaven?
(155) Wie van dees twee was toch de zotste? Maar misschien
Begeertge een voorbeeld, dat zulks duidelijk doe zien.
Indien zich iemand kocht een meenigte van Veêlen,
Die geen muzijk verstaat, noch iets daarop kan speelen;
Of leest en snijmes, die geen schoenen maaken kan;
(160) Of ankers, zeil en treil, die eenen afkeer van
De zee heeft; zou hy zich, om zulke uitspoorigheden
Van al de werreld niet bespot zien? en met reden.
Maar ’k bid u, wat verschilt van deezen toch een man,
[p. 99]
Die zich veel gelds vergaárt, en ’t niet gebruiken kan?
(165) Ik weet wel, dat gy d’ een’ noch d’ ander wijs zult achten.
Maar als een gierigaard, by dagen en by nachten,
Gewapend met een’ stok, zijn koorenschuur behoedt
Voor dievery; terwijl hy zelf zyn’ honger boet
Met bitter veldgewas: als iemand zijnen kelder
(170) Met wijn van Chios en Falerne, klaar en helder,
Ten ruimsten heeft voorzien; en zelf niet drinkt dan wijn,
Dien liefst zijn buurman zou gebruiken voor azijn:
Ja, als een grijsaard, oud omtrent de tachtig jaaren,
Op stroo gaat slaapen om zijn beddegoed te spaaren,
(175) Dat ondertusschen wordt gegeeten van de mot:
Ik wed, dat niemand hem verklaaren durf voor zot.
Waarom? omdat de meeste aan ’t zellefde evel hinken.
Gy oude suffert, die nu reeds begint te stinken
Voor al de goôn! waartoe bewaartge uw’ schat zo dicht?
(180) Opdat uw erfgenaam, het zij een zoon, of licht
Een vrijgemaakte, dien in overdaad verkwiste?
Of vreestge voor gebrek, zo gy ’er iets van miste?
Maar hoeveel zoudt gy daags wel missen van ’t geheel,
Zo gy uw groente, die gy nuttigt voor uw deel,
(185) Met beter olie at? of ’t grijze hoofd woudt zalven,
[p. 100]
Dat by uw leeven nu al rijkelijk ten halven
Verrot is, wijl ’t pas eens gekemd wordt in drie jaar?
Of valt het leeven met zo weinig u niet zwaar;
Waartoe een’ valschen eed gezwooren, en zo handig
(190) Alom geplonderd, en geroofd? Is dat verstandig?
Gaa, smijt uw slaaven, die gy zelf gekocht hebt, smijt
Het volk met steenen dood: dat gy een dolkop zijt,
Zal yder, die u kent, gewillig onderschrijven.
Maar, alsge met venijn uw moeder durft ontlijven;
(195) Uw vrouw verworgt; verdient gy dan eene andre taal?
Gy doet dit trouwens niet in Argos, noch met staal,
Gelijk Orestes deedt. Gelooft gy, dat die snoode
Eerst raazend werdt, nadat hy zijne moeder doodde?
Dat hem geen Furien doorpijnigden ’t gemoed,
(200) Eer hy zijn scherpe kling verwarmde in moeders bloed?
Neen: toenmen ’t meeste sprak van zijne uitzinnigheden,
Toen deedt hy niets, dat gy bestraffen kunt met reden.
Noch vriend noch zuster was by hem oit in gevaar:
Hy was alleen wat mild in ’t schelden, noemend’ haar
(205) Een Raazerny, die hem deedt beven voor haar wenken;
Den ander, alles wat zijn wanhoop hem deedt denken.
    Opimius, die arm in zijnen rijkdom was,
[p. 101]
Wiens goud en zilver lag te schimlen in zijn kas,
Wijl hem het hart ontbrak om ’t reedlijk te gebruiken;
(210) Die Vejentaanschen wijn dronk uit Campaansche kruiken
Des feestdaags, anders zich met lekwijn hieldt te vreên;
Viel in een slaapkoorts, die aan allen doodlijk scheen,
Zodat zijn erfgenaam alreede in alle hoeken
Gong, naar de sleutels van de kas en geldkist zoeken.
(215) De Dokter, gaauw en trouw, heeft eindelijk gemaakt
Dat hy uit zijnen slaap op dees wijze is ontwaakt.
Hy liet een tafel voor het bed des zieken stellen,
Daarop vee1 zakken gelds uitschudden, en dat tellen
Door veelen. dus recht hy hem op; en voegt ’er by:
(220) Uw greetige erfgenaam gaat hier meê heen, zo gy
U niet bewaart.
Hoe, by mijn leeven? wiltge leeven,
Zo waak, en volg den raad, dien ik u kom te geeven.

Wat moet ik doen? Gy zult, indienge met wat nut,
Noch ’t zwakke lighaam met wat voedsel onderstut,

(225) Vervallen heel en al. ik heb u doen bereiden
Wat watergruwel: proef hoe ’t smaakt. nu, niet te beiden.

Hoeveel heeft dit gekost? Niet veel. Maar hoeveel dan?
Drie stuivers. Wreede beul! wat scheelt het, of ik van
Dees werreld scheiden moet door ziekte, niet te heelen,
[p. 102]
(230) Of doorme aan allen kant zo schelmsch te zien besteelen?
    Wie is dan wijs? Hy, die niet gek is. En een vrek,
Waarvoor toch houdt gy dien?
Voor zinneloos en gek.
Die dan geen vrek en is, is daarom wijs te heeten?
Geenszins. En waarom niet? laat my toch de oorzaak weeten
(235) O wijze Stoïcus!
Zo zal ik; luister dan.
Denk datge Craterus hoort zeggen: Deeze man
Heeft koorts noch kwaade maag. Wat doet hy dan te leggen?
Is hy gezond, zo staa hy op.
Neen, zal hy zeggen,
Hy ’s niet gezond; zijn zijde of nieren doen hem zeer.
(240) Dees is noch gierig noch meineedig. Hy vereer’
Zijn Huisgoôn voor die gunst een zeuge, en leeve in vrede.
Maar hy is roekloos en staatzuchtig. Dat hy mede
Zeil naar Anticyra. Want is ’t een groot verschil,
Wanneer een mensch zijn geld toch niet gebruiken wil,
(245) Of hy het werpen laat in ’t midden van de baaren,
Of in eene ijzren kist voor altijd wil bewaaren?
Dicht by Canusium bezat voor menig jaar
De nijvre Oppidius twee stukken landgoed, naar
Die tijd een’ rijken schat. op ’t einde van zijn leeven
(250) Heeft hyze aan zijn twee zoons, met deeze les, gegeeven:
Nadat ik, Aulus, heb gezien, dat gy vernoegd
[p. 103]
En blijde, uw kooten en uw neuten altijd droegt
In eenen open tas, en daarvan mededeelde
Aan uwe kennissen, of zelve daarmeê speelde:
(255) Dat gy Tiberius, de uwe in een’ hoek verborgt,
En dikwils telde, uit vrees van schaâ: was ik bezorgd,
Datge aan byzondren kant het rechte spoor ontwijken,
Gy Nomentanus, gy Cicuta, zoudt gelijken.
Dies bid ik om den wil der goden die gy eert,
(260) Dat gy, o Aulus, niet te rijkelijk verteert;
Dat gy, Tiberius, niets gieriglijk wilt voegen
By ’t geen u naar den wil uws vaders moet genoegen,
En dat zelf door natuur bepaald is. Ik begeer
Noch daarenboven, dat elk uwer my hier zweer’,
(265) Dat hy noit hoogen staat of eeramt naar zal jaagen.
Wie anders doet, die moet het eeuwig zich beklaagen,
En zij in yders oog afschuwlijk, ja een vloek!
Zoudt gy, nadat gy al uw geld en goedren t’ zoek
Gemaakt, en alles aan ’t gepeupel hadt geschonken,
(270) O dwaashoofd! arm en kaal in ’t koper staan te pronken,
En treên in ’t renperk met uw tabberd, weidsch en los?
Te weeten, opdat gy, gelijk de looze Vos,
Die met de leeuwenhuid zijn lenden hadt omhangen,
[p. 104]
’t Gejuich des volks, als een Agrippa, zoudt ontfangen!
    (275) Wat reden porde u toch, dat gy, ô Atreus zoon,
Zo streng ’t begraaven van held Ajax hebt verboôn?
’k Ben koning. En ik een van ’t slechte volk: dies wil ik
Liefst zwijgen. ’t Geen ik heb gebooden, dat is billik.
Is echter iemand van gedachten, dat ik my

(280) Hierin vergreepen heb, hy spreeke; ’t staat hem vrij.
Zo moetge, ô magtig Vorst, van Troje triomfeeren,
En met uw gansche vloot behouden wederkeeren!
Wordt my dan ’t vraagen en antwoorden vrijgesteld?
Vraag wat u lust. Waarom moet Ajax, de eerste held
(285) Na held Achilles, die zo menigmaal de Achijven
Behoedde, in de ope lucht dus eerloos liggen blijven?
Of is ’t om Priamus te troosten, dat hy zelf,
Die zoveel Trojers onder ’t hemelsche gewelf
Deedt rotten zonder graf, nu zonder graf moet rotten?
(290) Maar Ajax, deeze held, was een der grootste zotten,
Die duizend schaapen doodde, en riep, dat zijn geweer
Ulysses, en de zoons van Atreus, lei ter neêr.

Toen gy in Aulis zelf uw dochter, die berooide
Van alle hulp, het hoofd met zoute gerst bestrooide,
(295) En haar ten offer doemde als eenig reedloos dier,
[p. 105]
Waart gy toen wijs of zot? En waartoe dient dit hier?
Wat kwaad heeft Ajax toch, schoon zinneloos, bedreeven?
’t Is waar, dat hy wat vees beroofde van het leeven,
En Atreus zoonen scholdt en vloekte in zijnen rouw:
(300) Maar noit sloeg hy de hand aan kinderen of vrouw,
Noch heeft op Teucer of Ulysses ’t staal gesleepen.
Maar ik bevredigde de goden, om de schepen
In zee te krijgen, zeer voorzigtiglijk met bloed.

’t Uwe, ô verwoede! ’t Mijne, ja, maar niet verwoed.
(305) Zy, die geslingerd door verwilderde gedachten,
Het geen hun driften vleit, alleen roemwaardig achten,
Zijn zekerlijk niet wijs; en ’t heeft geen onderscheid,
Of zy door zotheid, of door gramschap, zyn misleid.
Als Ajax ’t vee vermoordt, is hy niet by zijn zinnen.
(310) Als gy voorzigtiglijk een schelmstuk durft beginnen,
Slechts om uw staatzucht te voldoen, zijt gy dan vroed?
Of is uw schuld geen schuld, omdatze uw eeren doet?
Zo iemand eens een lam voor de oogen der gemeente
In eenen draagstoel zette, en kleedren en gesteente
(315) En veel slaavinnen kocht, als of ’t zijn dochter waar,
En noemde ’t Rufa of Posille, en openbaar
Te kennen gaf, dat hy ’t eerlang meende uit te trouwen;
[p. 106]
Hy wierdt van yder voor een’ grooten zot gehouwen,
Hoe? zal een ander dan, die zijne dochter slacht
(320) In plaatse van een lam, verstandig zijn geacht?
Neen zeker, ’t heeft geen’ schijn. want waar een zotte boosheid
Gevonden wordt, daar is de grootste zinneloosheid.
Of boos, of zinneloos, het is al een moêrs kind.
Wie door een’ glazen naam bekoord wordt en verblind,
(325) Is met Bellonaas geest op ’t vinnigste bezeten;
En niets zo schriklijk, dat hy zich niet zal vermeeten.
    Nu de overdaadige, en daaronder Nomentaan
Eens van naby beschouwd; en dat zy mede staan
Op ’t groot register van de Zotten, zal haast blijken.
(330) Dees gaat zo ras niet met een ton of zeven strijken
Als eenige erfgenaam; of boodschapt overal,
Dat hy des andren daags ten zijnen huize zal
Opwachten vogelaars, koks, suikerbakkers, stroopers,
Reukmengers, herbergiers, en visch- en fruit-verkoopers,
(335) Een yder met zijn’ stoet en aanhang zo ’t behoort.
Elk komt. de Roffiaan doet voor hun allen ’t woord:
Wat ik, mijnheer, wat een van deezen houdt verborgen
Tot zijnent, is het uw; het zy van daag of morgen:
Gebie slechts.
’t Antwoord van den jongling hierop luidt:
[p. 107]
(340) Gy slaapt gelaarst in wind en regen, om uw’ buit,
’t Zij zwijns of hartenvleesch, my daaglijks op te disschen:
Gy dobbert op de zee, en brengt my de eelste visschen,
Ontziende wind noch weer: terwijl ik mijnen tijd,
Onwaardig zo veel goeds, in ledigheid verslijt.

(345) Maar ’t lustme uw moeite naar verdiensten te beloonen.
’k Schenk u dees kleinigheid van twintig duizend kroonen;
U, een gelijke som; maar u, mijn beste maat,
Driemaal zo veel, mids dat uw huisvrouw vroeg en laat,
Ook midden in den nacht, kome als ik haar doe roepen.

(350) Noch dorst Ezopus zoon op één tijd meer versnoepen
Toen hy den diamant, daar eer Metellaas oor
Mee flikkerde, in azijn liet smelten, en dus door
Zijn keel goot; eene teug van vijftig duizend gulden!
Was zulk een dwaasheid wel gemaklijker te dulden,
(355) Dan dat hy deezen steen, dien kostelijken schat,
In eenen snellen vliet of zee geworpen hadt?
Beschouwme ook eens de Zoons van Arrius, wier zeden
Gelijk in zotheid zijn en ongebondenheden,
Wien de eelste tafel walgt, indienze niet en praalt
(360) Met nachtegaalen, die ten duursten zijn betaald:
Opdat ik zwijge van hun overige werken:
[p. 108]
Zult gyze, als wijs of zot, met krijt of houtskool, merken?
    Een huisken timmeren van potaarde of van kaart;
Nu speelen even of oneven; dan te paard
(365) Gaan rijden op een’ stok; of vaale muizen spannen
Voor een klein wagentjen: indien bejaarde mannen
Zulks doen, men heetze dwaas. Zo liefde u by geval
Noch kinderachtiger en dwaazer dan dit al
Te weezen, wierdt betoogd met goed bewijs van reden:
(370) En dat het niet verschilt, of gy, geheel te onvreden,
Loopt huilen om een hoer, die u alleen niet mint;
Of datge speelt in ’t zand, gelijkge deedt, een kind
Pas drie jaar oud: zoudt gy bekwaam zijn u te betren,
Als eertijds Polemo? uw windsels, doeken, sletren,
(375) De tekens uwer ziekte, afwerpen van uw’ hals?
Gelijkmen zegt dat hy den krans van ’t hoofd smeet, als
Hy, vol des zoeten wijns, de gulden lessen hoorde
Zijns nuchtren meesters. Bied het jongsken, dat zich stoorde
Om eene beuzeling, een’ rooden appel aan;
(380) Hy weigert dien. zeg, Neem, mijn hondje! hy blijft staan
Gelijk een paal zo stijf. als gy hem niet wilt geeven,
Wil hy hem hebben. Zo als ’t met dit kind is, even
Is ’t met een’ minnaar, eens gebonsd tot zijn verdriet,
[p. 109]
Die twijffelt of hy weer aankloppen wil of niet:
(385) Hoewel hy wis al aangeklopt zou hebben, zo men
Hem zelf van binnen niet verzocht hadt weer te komen.
Nu zwerft hy om het huis, ’t welk hy niet aan wil zien.
Zal ik niet komen, daar zy zelf my laat ontbien?
Of zoude ik best haar min en gramschap uit den zin slaan?

(390) Zy sloot my buiten: roept my weer: zal ik ’er ingaan?
Ik zal ’t niet doen, al trok zy zelf my by de hand.

Intusschen toont de knecht wel ruim zo veel verstand
Te hebben als zijn heer. Baas, zegt hy, alle dingen,
Die buiten maat en raad bestaan, zijn niet te dwingen

(395) Door reden noch door maat. dit brengt de Liefde meê.
Maak ’t zoje wilt; dan is ’t eens oorlog, dan weer vreê.
Die deeze zaaken, zo veranderlijk als ’t weder,
En hossende, als een schip in zee, nu op dan neder,
Zich zelfs alom gelijk zou willen maaken, doet,
(400) Alsof hy dol wou zijn op eenen zekren voet.

Als gy de pitten van een’ appel komt te drukken
Met uwe vingren, en ’t u eindlijk mag gelukken,
Dat een der zelven vliegt tot tegen het gewelf,
Enge u daarom verheugt; zijt gy dan by u zelf?
(405) Als gy uw’ ouden mond, nu schier beroofd van tanden,
[p. 110]
Doet staamlen, datge uw hart noch voelt van liefde branden;
Zijt gy dan wijzer, dan een kind, dat, onbejaard,
Een huisken timmert of van potaarde of van kaart?
Voeg hier noch by, hoe vaak de zotheid druip’ van bloede,
(410) En ’t vuur werde omgeroerd met staal, in arren moede.
Was, zeg ik, Marius, toen Hellas lag geveld
Zich zelf verdrinkende, van harssens niet ontsteld?
Of zult gy hem, slechts door eene ijdle keur van woorden,
Van zot zijn, kwijten; en beschuldigen van moorden?
    (415) Een oude vryeling liep ’s morgens door de stad
Met reine handen, en noch nuchteren, en badt;
Behoedt my van de dood, my, my alleen, ô goden!
Ik eisch geen groote zaak.
Dees man hadt niet van nooden,
Dat hy zijn water liet bekijken: nochtans zou
(420) De geen, die hem verkocht, zo die ter goeder trouw
Wou handlen, als’t behoort, in ’t koopkontrakt doen schrijven,
Dat hy voor zijn verstand geen borg zou willen blijven.
Al deeze, en die met hun staan op gelijken trap,
Plaatst ook Chrysippus in der Narren broederschap.
(425) Jupijn, die ziekten geeft, en weder kunt geneezen,
Roept eene moeder, die vol angsten en vol vreezen
Vijf maanden lang haar kind ziek liggen zag te bed,
[p. 111]
Indien het jongsken uit dees koorts weer wordt gered,
Zo zal ik ’t morgen vroeg, doe slechts ’t geen ik begeere,

(430) Naakt in den Tiberstroom doen domplen, u ter eere.
’t Geval en ’s meesters kunst zal naauwelijks het kind
Geholpen hebben, of de moeder, gansch ontzind,
Zal ’t, zo zy ’t zelve niet in ’t duister graf doe daalen,
Voor ’t allerminst de koorts weer op den lijve haalen.
(435) Wat kwaad gelooftge dat haar zinnen dus misleidt?
Niet dan een dwaaze drift van Bygeloovigheid.
    Dees zijn de wapens, die Stertinius, de leste
Der Wijzen, my, zijn’ vriend, vereerd heeft, my ten beste,
Opdat my niemand ongewroken kome aan boord.
(440) Wie my nu scheld’ voor zot of zinneloos, die hoort
Het zelfde weer van my; en ’k leer hem, gaauwe en vlugge
Te zien naar ’t eigen kwaad, ’t welk hem hangt op den rugge.
H. O Stoicus, zo moetge uw schaa met winst vergoên!
Wat soort van zotheid is ’t, die gy wel zoudt vermoên
(445) Dat my doet ijlen? want ik dacht altijd voorheene
Noch reedlijk wijs te zijn: ik zeg ’t zo als ik ’t meene.
D. Dacht wel Agave, toen zy ’t afgehouwen hoofd
Haars zoon by ’t hair hadt, van verstand te zijn beroofd?
H. ’k Beken dan, ik ben zot, ja zinloos; ’t is de waarheid.
[p. 112]
(450) Maar zeg my, bid ik, met een weinig meerder klaarheid,
Wat naam gy aan mijn soort van zotheid geeven zoudt?
D. Ik zal ’t u zeggen, luister toe. Vooreerst, gy bouwt:
’k Verstaa hiermee, dat gy, zo kort en klein geschaapen,
Nochtans de lange lui in alles naar wilt aapen.
(455) Gy, die noch lagchen durft, als Turbo, klein van leest,
Met zulk een’ trotsen tred, en opgeblaazen geest
In ’t strijdperk komt, alsof hy ’t alles op zou vreeten.
En waarom zouden wy u niet belachlijk heeten
Zo wel als hem? Of beeldtge u in, dat u alleen
(460) Vrij staa te doen, al wat gedaan wordt van Meceen,
Wiens schouderen den last des Rijks meê helpen torssen?
Een Kalf tradt eertijds op een nest met jonge Vorsschen:
Een kwam ’er leevende af; al de andren bleeven dood.
Dees boodschapte terstond aan moeder, hoe een groot
(465) En eislijk beest al haare zusjes hadt vertreeden.
Hoe groot was ’t? Vraagde de oude: en blaazende al haar leden
Met alle kracht op, Was ’t wel zo groot? Och Mama,
Antwoordde ’t kleine dier, het lijkt ’er noch niet na.
Zy weêr: Wel zo groot dan? en blies hoe langs hoe harder.
(470) Houd op toch, zei de kleine, en pijnig u niet verder:
Want schoonge u zelve woudt te bersten blaazen, ’k vrees ’t,

[p. 113]
Gy kunt u toch zo groot noit maaken als dat beest.
Zie daar uw schildery naar leeven en natuure.
Voeg hier uw vaarzen by, dat ’s olie in den vuure.
(475) Droeg oit Poëet den naam van een verstandig man,
’k Zal ook gelooven, dat gy ’t zijt. Ik zwijg nu van
Uw lasterzucht.....
H.                        ’t Is nu genoeg: ’k zou ’t hierby laaten.
D. Van uwen opschik, veel te deftig naar uw’ staat, en...
H. Bemoei u met het geene u raakt, en niet met my.
(480) D. Van uwe dartelheid, en Venusjankery.....
H. Daar kan geen grooter gek in uwe kleeren steeken.
Verschoon een’ mindren toch uwe eigene gebreken.


VIERDE HEKELDICHT.

Horatius. Catius.

H. Van waar? en waar zo heen?
C.                                             Hou my niet op: k moet voort
De schoonste lessen, die men immer heeft gehoord
Of van Pythagoras of Plato, op gaan schrijven.
H. ’k Doe kwalijk, ik beken ’t, dat ik u hier doe blijven,
(5) Daar gy dus zijt bezet. Duid echter mijn bestaan
Ten goede. schoon u ’t een of ’t ander waare ontgaan,
[
p. 114]
Het zal u lichtelijk weer komen in gedachten;
’t Zij dat u hiertoe diene uw kennis, of de krachten
Van uw geheugenis; want beide is ’t u maar spel.
(10) C. Ik heb vast werksgenoeg, om ’t eensgehoorde wel
Te onthouden; zaaken, zeer diepzinnig, daar beneven
Op een diepzinge wijs my te verstaan gegeeven.
H. Ik bid, zeg my ’s mans naam en zijne woonplaats toch.
C. ’k Deel u zijn lessen meê; maar zwijg zijn’ naam als noch.
    (15) Langwerpige eieren zijn beter dan de ronden,
Ook meerder voedsaam; want wy hebben ondervonden,
Dat daar de haanen uit voortkomen. Hebtge een’ gast,
Zo schaf hem kool, die op de droogste landen wast;
Want deeze is smaaklijker en zoeter wel te deegen,
(20) Dan die in tuinen groeit, naby de stad gelegen.
Een altijd natte grond brengt slappe vruchten voort.
Maar komt u iemand op het onverwachtste aan boord,
Als gy geen voorraad hebt van vleesch; doe, pas te vooren,
Een kuiken leevende in Falernen most versmooren,
(25) Zo wordt het aanstonds malsch en teder. Champinjons
Gegroeid op weiland, zijn zeer goed: maar hoort gy ons,
Zo wacht u van de geen die elders zijn gewassen.
Wilt gy in ’t najaar wel op uw gezondheid passen,
[p. 115]
Zo sluit uw maaltijd met moerbeziën, geplukt
(30) Voor zonnenopgang: dit is veelen wel gelukt.
De wijze Aufidius mengt zoeten honig onder
Den allerkrachtigsten Falernenwijn: ’t is wonder;
Want al wat dampig is en sterk, dat is de pest
In ledige aderen: en daarom zult gy best
(35) En veiligst Mee, gemaakt van zachten wijn, gebruiken.
Als gy hardlijvig zijt, eet mosslen, alikruiken,
En zuuring; maar vergeet geen’ witten wijn van Cos:
Dat geeft een open lijf, en maakt de stoffe los.
By ’t wassen van de maan zijn de oesters op haar beste:
(40) Nochtans niet even goed in allerlei geweste.
De slechtsten vangtmen meest by Baje; betren, in
’t Lucrijnsche meir; maar de allerbesten naar mijn’ zin,
By de Circeesche kaap. ik kan somtijds verlangen
Met smaak naar egels, by ’t Miseensche hoofd gevangen.
(45) ’t Verwijfd Tarentum stoft op zijn’ gekamden visch.
Maar niemand denk, dat hy de kunst, van eenen disch
Zijn’ eisch te geeven, kent; tenzij hy ook de wetten
Des Smaaks kenne op een’ prik. Zijn’ gasten voor te zetten
’t Eelst dat de vischmarkt geeft, is prijsselijk en goed:
(50) Maar daar behoort noch vrij wat meer toe: want men moet
[p. 116]
Ook weeten wat voor visch men kooken zal of braaden
Of bakken; om zijn gast, al is hy wel gelaaden,
Weer nieuwen honger te doen krijgen. Schaf uw’ vrind,
Die by geval geen’ smaak in teder lamsvleesch vindt,
(55) Een Umbrisch zwijn, gevoed met eikels, wel doorwassen:
Het Laurentijnsche, vet geworden in moerassen
Dat deugt niet. ’k Acht ook, dat Reebokjes, die met wijn-
gaardranken zijn gevoed, niet altijd eetbaar zijn.
Een wijs en smaaklijk man zal wis, zo ik vertrouw, den
(60) Voorlooper van een’ Haas voor ’t lekkerst beetje houden.
Hoe vogel ofte visch best toe te maaken zij,
En wanneer tijdigst, wist noit iemand recht, voor my.
Een nieuw gebakjen uit te vinden, schijnt by veelen
Wat groots. men moet de kunst verstaan in al haar deelen:
(65) ’t Is anders eveneens, alsof ik niet en dacht,
Wat soort van olie op mijn tafel werd’ gebragt;
Alleen bezorgd, wat wijn ik hebbe in mijnen kelder.
Den wijn van Massicus, als ’t weer is schoon en helder,
Een’ nacht in de open lucht te zetten, is zeer goed;
(70) Zo wordt hy klaar, en loost de hitsigheid, die ’t bloed
Ontsteekt, maar wilt gy hem door eenen doek verzijgen,
Hy raakt zijn zeef kwijt, die hy nimmer weer zal krijgen.
[p. 117]
Die Surrentijnschen wijn, opdat hy zachter vlei,
Giet op Falernen hef, zal met een duivenei
(75) Hem helder maaken; want de dooier, naar benede
Wegzakkende, sleept alle onreinheid met zich mede.
Zo iemand gistren wat te veel gedronken heeft,
Die kan zich makkelijkst herstellen met een’ kreeft
Die wel doorbraaden is, of een ragoe van slakken:
(80) Dit ’s beter dan latuw; want, dees wil niet wel zakken
In een doorwijnde maag; die, tot ontnuchtering,
Een stuk gerookten worst of ham eischt, ja geen ding,
Ofschoon ’t bereid waare in de morssigste ordenaris,
Zal weigren, zo het maar wat hartelijk en zwaar is.
(85) Het is der moeite dubbel waardig, van naby
Te zien wat soort van saus der twee de beste zij.
De eenvoudige wordt meest gemaakt van zoete olijven:
Dees wordt niet goed gekeurd by sommigen, die drijven
Datge onder de olie dient te mengen zwaaren wijn,
(90) En pekel, waarin een Byzantische thonijn
Gerot is: als gy dit met kruiden, wel gebroken,
En met Corycische saffraan hebt laaten kooken,
Zo doe ’er nat van Venafraansche olijven by.
Tiburtische appelen zijn schoon voor ’t oog: maar wy
[p. 118]
(95) Verkiezen de Piceensche, omdatze beter smaaken.
Indien gy druiven poogt in potten toe te maaken;
Die van Venucula is daar bekwaam toe, ook
Zeer nut; de Albaansche hangt men beter in den rook.
Dat gy nu menigmaal de tafel ziet stoffeeren
(100) Met kleine schoteltjes, gelaân met drooge peeren,
Gerookte druiven, hef en vischnat, bol en dik
Met witte peper en zwart zout bestrooid, heb ik
Eerst uitgevonden, om den honger steeds te wetten.
’t Is onvergeeffelijk zijn’ vrienden voor te zetten
(105) Niets dan het geen de hal uitlevert: maar het is
Niet min afzienlijk, dat de schotels voor den visch
Te klein zijn. wil ook dit versloffen noch verzuimen.
My walgt de beste drank, als ik de vette duimen
Der knechts zie staan op ’t glas; of dat het vuil bemorst,
(110) Of op den bodem is begroeid met eene korst.
Hoe bezemen en zand en feilen minder waard zijn,
Hoe ’t schandelijker is, dat die te veel gespaard zijn.
Zoudt gy uw’ gladden vloer van marmer, veegen met
D’ aschbezem? op een vuil en ongewasschen bed
(115) Uw schoonste purpren sprei doen leggen voor uw gasten?
Zo leer van my, dat zy, die komen mis te tasten
[p. 119]
In zulke kleinigheên, gansch geen verschooning voor
Hunn’ misslag hebben; daar men anders lichtlijk door
De vingers ziet, zo gy misschien iets mogt ontbeeren,
(120) ’t Welk nergens wordt verwacht dan by de grootste Heeren.
H. Zo lief als ik u heb, ’k bid datge toe wilt staan,
Geleerde Catius, dat ik eens mee moog gaan,
Wanneer gy wederom dien wijzen man gaat hooren.
Want schoon my uw verhaal ten hoogsten kon bekooren,
(125) Dewijlge uw les zo net van buiten weet; nochtans
Zo is het maar copy. ’k verlang ook zeer, om ’s mans
Gedaante en weezen van naby te zien: een’ zegen,
Dien gy niet hoog schat, om dat gy hem hebt verkreegen.
Daar ik, dien zulks noch niet te beurt viel, my verbeeld,
(130) Dat my geen grooter heil kan worden meêgedeeld,
Dan dat my toegang werd’ tot deeze bron gegeeven,
Waaruit ik scheppen mag de lessen van ’t welleeven.


VIJFDE HEKELDICHT.

Ulysses. Tiresias.

U. ’k Ben noch, Tiresias, bekommerd voor een zaak,
Voldoe my ook in deeze, en leerme, hoe ik ’t maak’,
[
p. 120]
Om weer te krijgen ’t geen ’k verlooren heb. Hoe? lachtge?
T. Doortrapte, zijt gy dan noch niet te vreên? en achtge
(5) Zo weinig, dat ik u beloofd hebbe, Ithaka
Haast weer te zullen zien?
U.                                   O gy, die voor noch na
Een’ mensch bedroogen hebt: gy zelf kwaamt my te leeren,
Hoe dat ik naakt en kaal, tot mijnent weer zal keeren.
En kome ik nu al t’huis, wat zal het daar toch zijn?
(10) Mijn stallen zonder vee, mijn kelders zonder wijn,
En al mijn goed verteerd (wat kan een mensch meer lijden?)
Door die geen, die mijn wijf, terwijl ik uit was, vrijdden.
En wat is deugd, wat is geboorte, zonder geld?
Zo veel als niet met al.
T.                               Ik zie wel wat u kwelt:
(15) Gy vreest voor armoê. maar hou moed, wil niet bezwijken:
Ik zal u leeren, hoege u weder kunt verrijken.
Al wat gy hebt, dat raar en ongemeen is, moet
Straks gaan naar iemand, die veel jaaren heeft en goed.
Laat andren de eelste vrucht opoffren aan hun goden;
(20) Gy moet een rijk man daar by u te gast op nooden:
Aan wienge ook op de straat, schoon hy een deugniet waar,
Een weggeloopen slaaf, een schelm, een moordenaar,
[p. 121]
In ’t minst niet ’schroomen moet de hooger hand te geeven.
U. Ik zo gemeenzaam met een’ snooden Damas leeven?
(25) O neen; zo leefde ik niet voor Troje in ’t oorlogsveld,
Daar ’k met de besten my vaak heb gelijk gesteld.
T. Wel blijf dan arm.
U.                       Dat’s ook wat hard. Als’t dan moet weezen,
Zo zal ik zien, hoe ik ’t best schikke. ik heb voordeezen
Ook al voor heeter vuur gezeten. Laat my dan
(30) Maar verder hooren, hoe ik best rijkworden kan.
T. Ik heb ’t gezeid, en zeg ’t. gy moet maar zien te maaken,
Om in het testament van oude lui te raaken.
En schoon ’t gebeurde, dat u iemand, door een’ trek,
Dien buit ontzette, en u liet toezien als een’ gek;
(35) Volg maar uw’ trein, en laat uw moed noit zijn gebroken.
Als eenig rechtsgeding zal worden uitgesproken,
Zo voeg u altijd by de magtigste party,
Zo die geen kindren heeft, hy zij ook wie hy zij;
Al hadt hy ongelijk, en d’andren zonder oorzaak
(40) Betrokken in het recht. deez’ moetge tot een voorspraak
En raad verstrekken. Maar die t’ huis een vruchtbre vrouw
Of zoon heeft, schoon bekend voor deugdelijk en trouw,
Schoon ’t recht waare aan zijn zij, laat die zich zelf geneezen.
[p. 122]
Zeg: Quintus, Publius; of zo zijn naam mag weezen,
(45) Want naamen ketelen toch de ooren van ’t gemeen;
Uw deugden dwingen my in uw belang te treên;
’k Verstaa ’t spitsvondig recht, en kan een zaak verdeedigen:
En eer ik lijde dat u iemand zou beleedigen,
Men ruk my de oogen eer uit ’t hoofd. dit ’s al mijn zorg,

(50) Dat gy benadeeld noch bespot werdt: ’k blijf u borg.
Zeg, dat hy ga naar huis en laat vioolen zorgen:
En neem zijn zaak op u. Dus moetge, van den morgen
Tot ’s avonds, ja tot ’s nachts, in ’t werk zijn, nimmer moê;
’t Zij dat het Hondsgestarnt het aardrijk splijten doe
(55) Van hitte, of Furius, met opgeblaazen kuwe,
Het Alpische gebergt met grijze sneeuw bespuwe.
Een ander, die zulks merkt, bijt hem wel licht in ’t oor:
Dat ’s eerst een vriend! ’k zou hem niet willen missen voor
Een gansch proces. hy heeft u lief. ’k zie ’t aan zijn’ ijver.

(60) Straks krijgtge meerder beet, en eenen ruimer vijver
Om in te visschen. Maar opdat het niet en schijn’,
Dat gy geen’ anderen ten dienst zoudt willen zijn,
Dan kinderloozen: zie, waar ergens ook een vader
Voor ’t leeven van zijn’ zoon beducht is: treed hem nader;
(65) Vraag naar den welstand van den zieken; bied hem aan
[p. 123]
By hem te waaken; hem geduurig by te staan.
Hy zal u voor deez’ dienst misschien iets meê doen erven:
En wil ’t geluk dan dat de zieke kom te sterven,
Zo gaatge licht alleen wel strijken met den buit.
(70) En dit, gelooftge my, valt zelden kwaalijk uit.
Maar biedt u iemand aan zijn testament te leezen,
Zo wijs het van de hand: doch pas zo gaauw te weezen,
Dat gy met eenen zwenk moogt zien, wat de inhoud zij
Des tweeden regels van het eerste blad: of gy
(75) Alleen, dan of’ er meer met u zijn opgeschreeven.
Een langgesleepen klerk, in kunstjes nu bedreeven,
Bedriegt dus lichtelijk een hongerige raaf.
Zo zal de happige Nazika noch eens braaf
Belagchen worden van Coranus.
U.                                                Wordtge onzinnig?
(80) Of scheert gy my wat met uw raadsels?
T.                                                                   Niet zo vinnig,
Laërtes zoon! al wat ik zeg, zal zijn, of niet:
Want groote Apollo, die wat noch niet is voorziet,
Heeft rny de kunst geleerd van alles te voorzeggen.
U. ’k Verzoek dan, datge my dit sprookje eens uit wilt leggen.
(85) T. De tijd zal komen, dat een jong en dapper Held,
[p. 124]
De schrik der Parthen, en die zijne vadren telt
Van held Eneas af, alom beroemd zal weezen.
Dan zal Nazika, die niets meerder schijnt te vreezen,
Dan zijne schulden te betaalen, zich beraân
(90) Om zijne dochter tot een vrouw te geeven aan
Coranus. dees zal met zijn’ schoonvaar zich vermaaken
Aldus. Als hy hem van nieuwsgierigheid ziet blaaken,
Zal hy zijn testament hem geeven dat hy ’t leez’.
Nazika in ’t begin zal ’t weigren, tusschen vrees
(95) En hoop. in ’t eind nochtans zal hy de minste weezen,
Het schrift aanvaarden, en al mompelende leezen;
En vinden daar, voor zich en voor de zijnen, niet
Dan een mislukte hoop, gevolgd van wis verdriet.
Leer dit ook noch van my: bevindtge dat uw Ouwe
(100) Door eene vrijgemaakte, of een doortrapte vrouwe
Geleid wordt en bestierd, voeg u by hen; en leer
Al prijzen watze doen, zo prijzenze u licht weer.
Doch dit ’s maar bywerk: want den grijskop zelf te winnen,
Daar hangt het alles aan; daarmee moet gy beginnen.
(105) Maakt hy kwaâ vaarzen; wil die prijzen. is hy graag
Naar goelijk vrouwenvleesch; wacht niet tot hy u vraag,
Maar geef hem zelf uw vrouw. of zoudtge licht wel denken,
[p. 125]
Dat uw Penelope, die noit haar eer liet krenken
Door zo veel vryers als haar hebben aangezocht,
(110) Zo huisselijk, zo kuisch, dus verre niet gebrogt
Zou konnen worden? Dieze aanzochten, waaren knaapen,
Dien ’t minder was te doen, om in haar bed te slaapen,
Dan om den vryen slemp te hebben aan haar’ disch.
Die Jonkers hielden niet van geeven. en dit is
(115) De reden, dat uw Liefste u is zo trouw gebleeven.
Maar hadt zy eens geproefd, wat oude luiden geeven,
De winst met u gedeeld; zy zou, al wierdtge kwaad,
Daarvoor zo bang zijn, als de hond is voor ’t gebraad.
’t Gebeurde eens in mijn’ tijd, dat, binnen Thebes muuren,
(120) Een zekere oude bes, vol wonderlijke kuuren,
Dus volgens testament begraaven werdt. Zy wou,
Dat hy, die al haar geld en goedren erven zou,
Zo hy van de erffenis niet wilde zijn versteeken,
Haar’ dooden romp, gansch naakt, met olie wel bestreeken,
(125) Op zijne schouderen moest draagen naar het graf:
Zy zocht hem, denk ik, dood te ontglippen, tot een straf,
Omdat zy leevende hem nergens kon ontkomen.
Gy, treed voorzigtig toe; en wil dit beide schroomen,
In uwen dienst te zijn alte yvrig, of te traag.
[p. 126]
(130) Die ongemaklijk is en knorrig, hoort niet graag
Veel woorden: nu en dan moetge evenwel wat zeggen,
Dat hem behaage. Voorts dient gy ’t zo aante leggen,
Als Davus op ’t Tooneel, die, met gemaakten schijn,
Het hoofd laat hangen, en lijkt zeer bevreesd te zijn.
(135) Wees steeds gedienstig, en gehoorzaam. als het weder
Wat guurer is, zeg dat hy ’t hoofd, dat gy zo teder
Bemint, wel warmtjes dekke. als hy niet voort kan gaan
Van wegen het gedrang, zo maak voor hem ruimbaan.
Zo hy een praatvaâr is, staa steeds met open ooren.
(140) Schijnt hy zijn’ eigen lof met blijschap aan te hooren,
Vul hem de kap zo lang, en blaas hem op met wind,
Totdat hy zelve roepe: Och ’t is genoeg, mijn vrind!
Alsge eindlijk door zijn dood van zulk een lastig leeven
Verlost zult zijn, en, na uwe oogen wel gewreeven
(145) Te hebben, leezen hoort: Een vierde van mijn goed
Maak ik Ulysses: schreeuw dan uit: ô tegenspoed!
Mijn Damas leeft niet meer, die liefste mijner vrinden!
Waar zal ik zulken vriend en vader wedervinden?

Maar opdat uwe vreugd zich niet brenge aan den dag,
(150) Stort ook wat traanen, zo gy kunt, by dit geklag.
Is de uitvaart u betrouwd; beschikze op eene wijze,
[p. 127]
Dat niets daaraan ontbreeke, en al de buurt u prijze.
Erft iemand nevens u, die oud is en gekweld
Met eenen kwaaden hoest, en die u dunkt gesteld
(155) Te weezen op een huis of erf, dat onder allen
Uit den gemeenen boel u is te beurt gevallen;
Zeg, dat gy ’t gaarne wilt verkoopen, tot een blijk.....
Maar Proserpijne roept. Leef lang, gezond en rijk.


ZESDE HEKELDICHT.

Dit was het alles dat ik wenschte: een akker, niet
Te groot; daarby een tuin; een kristallijnen vliet
Van leevend water; met wat lommers tegen ’t steeken
Der zonne. Aan mijnen wensch bevind ik niets te ontbreeken:
(5) ’k Heb ’t al verworven, ja noch meerder, van de goôn.
Nu ben ik wel te vrede, en eisch niet meer, ô zoon
Van Maja, dan dat dit, het welk ik heb gekreegen,
Mijn eigen zijn moog’. Zo ik noit door slinksche wegen
Het mijne heb vergroot; noch ’t, aan den andren kant,
(10) Weer zal verminderen door schuld of misverstand:
Zo ik niet dwaaslijk wensche, Och zag ik kans te raaken
Aan buurmans hoekje lands, zo zoude ik ’t mijne maaken
[
p. 128]
Vierkant en in den haak! Och of ik in den grond
Ook eens op ’t onverwachtste een’ pot met zilver vond!
(15) Als hy, die in het land, dat hy in huur hadt, merkte
Dat een verholen schat gesmoord lag, daar hy werkte,
Waarop hy ’t aanstonds kocht, nu beter in zijn’ schik
En rijker door de gunst van Herkules: Zo ik
Te vrede ben met ’t geen ik hebbe: laat het bloeien
(20) En groeien in uw gunst, en ik my niet vermoeien
Met noodelooze zorg; en blijf nadeezen my,
Gelijk gy deedt voorheen, als mijn beschermheer by.
    Als ik dan op het land een weinig denk te blijven,
Wat zou ik daar toch doen dan laage vaarzen schrijven?
(25) Want staatzucht plaagt my niet, noch zwaare zuidenwind,
Noch guure herfst, waarby de dood haar voordeel vindt.
O Morgenwekker, wien de slaap niet kan behaagen,
Of Janus, zo gy liefst uw’ ouden naam wilt draagen,
Van u begint de mensch zijn leeven en zijn zorg,
(30) En ik thans mijn gedicht. In steê roept gyme om borg
Te weezen: lustig op! ’t is tijd om op te passen:
Een ander zou u licht in uwen pligt verrassen.
Ofschoon het buldert uit den noorden gansch verwoed,
Ofschoon het zonnelicht zijn kortste dagvaart doet,
[p. 129]
(35) ’k Moetme echter spoeien, om bescheidelijk te spreeken,
Het geen my naderhand noch euvel op zal breeken.
Dan weer aan ’t worstlen, met de menigte, om vandaar
Te raaken; en dit gaat zo net niet op een hair,
Of ’k hoor en zeg wel iets dat geen vermaak geeft. de eene;
(40) Wat wil die windbuil toch? waar moet hy nu weer heene?
Een ander duwtme met zijn’ elleboog, dat my
De ribben kraaken: en men voegt ’er wel eens by;
Staa ruim! de man heeft haast; Mecenas zou hem wachten.
Dit zeggen, ik beken ’t, dat ketelt mijn gedachten,
(45) En smaaktme honigzoet. maar naauwelijks zijnwe aan
De duistre Esquilien gekomen, ofwe staan
Omsingeld, en men leltme aan ’t oor, van honderd zaaken,
Waarvan ik niets en weet, en die my ook niet raaken:
Gy wordt door Roscius verzocht, om morgen, voor
(50) Acht uuren, by den Put te weezen. Quinctus, hoor;
De schrijvers vraagen, of gy spoedig weer wilt koomen,
Men heeft wat nieuws, ’t Gemeen betreffende, vernomen.
Maak dat Mecenas dees papieren voor den noen
Bezegele.
als ik zeg, dat ik mijn best zal doen,
(55) Gy kunt, indienge wilt; is ’t antwoord dat ik krijge,
En niemand is voldaan, het zij ik spreeke of zwijge.
[p. 130]
    ’t Is nu ruim zeven jaar, dat eerst Mecenas my
Den toegang in zijn huis vergund heeft vrank en vrij:
En tot wat einde? om my, als hy eens uitrijdt, mede
(60) Te konnen neemen, en met onderlinge rede
Den tijd te korten; als, Hoe laat zou ’t nu wel zijn?
Wie ’s meester? Syrus? of de Thracische Gallijn?
’t Wordt ’s morgens koel, men kan nu lichtelijk verkouwen.

En meer geheimen, diemen veilig mag vertrouwen
(65) Aan iemand, schoon hy waar zo dicht gelijk een zeef.
Sints dien tijd zag de nijd my grimmig aan en scheef,
En daaglijks hoor ik deeze of diergelijke rede:
Ons kind van goed geluk gaat met Mecenas mede
Naar ’t renperk; speelt in ’t Veld!
Rolt van den Stevenstoel
(70) Iets onder ’t volk, dat hen bevreesd maakt; in ’t gewoel
Vraagt yder die my ziet: Ei wil ons onderrichten
(Want gy, die van naby der goden aangezigten
Beschouwen moogt, gy moet het weeten) hebtge van
De Dacers iets gehoord?
In ’t minst niet. Zoektge ons dan
(75) Altijd met ijdlen klap zo zacht in slaap te wiegen?
De goden straffen my, indien ik kom te liegen!
Zal Cezar den soldaat het land, aan hem vergond,
Op Siciljaanschen of op Italjaanschen grond

[p. 131]
Doen hebben? schoon ik zweer, dat ik van ’t geen zy meenen
(80) Niets weet’; zy staan verbaasd, en zien op my, als eenen,
Die onder duizenden kan zwijgen op zijn tijd.
Terwijl ik dus den dag elendiglijk verslijt,
Wensch ik wel duizendmaal: ô land! wanneer zal ’t weezen
Dat ik u wederzie? wanneer zal ik met leezen,
(85) Met slaapen, of met niets te doen, uit mijn gemoed
Verdrijven al de zorg, die ’t Steedsche leeven voedt?
Wanneer mijn’ honger weer met boonen mogen slissen,
Waarin Pythagoras zo veel geheimenissen
Ontdekt heeft, en met moes, geplukt op eigen grond,
(90) Dat goed is voor de maage, en smaaklijk voor den mond?
O blijde nachten! ô maaltijden, niet te roemen
Naar waarde, zo wy u niet goddelijk en noemen:
Wanneer ik met de mijne aan mijnen eigen disch
Gespijzigd worden mag; en wat ’er over is
(95) Gebleeven, alles aan mijn slaaven voor doe zetten!
Mijn gasten, niet verpligt aan redenlooze wetten,
Die drinken naar hunn’ lust, niet tegen heug en meug.
Is iemand minnaar van een mannelijke teug,
Hy krijgt een grooter glas, en hoeft geen dorst te lijden:
(100) Die weinig heeft van doen, om recht zich te verblijden,
[p. 132]
Drinkt niet meer dan hy wil. Voorts valt ons onderhoud
Niet op het huis, het welk een ander breekt of bouwt,
Veel minder op den dans van Lepos: neen; wy spreeken
Van ’t geen ons nader raakt, en ons niet mag ontbreeken;
(105) De kennis, naamelijk, of ’t deugd, of overvloed
Van geld zij, dat den mensch gelukkig leeven doet:
Of vriendschap moet, om recht, of voordeel, zijn gepreezen:
Hoedaanig de aard van’t Goed, en welk het Hoogst, mag weezen.
Mijn buurman Cervius verhaalt ons tot vermaak
(110) Somtijds een fabeltje, doch passende op de zaak.
Want als hy onlangs hoorde, Arellius, den rijken,
Verheffen hemelhoog, om zijnen zorgelijken
En zwaaren rijkdom, die hem min vermaakt dan kwelt,
Zo vong hy aan, en heeft dit sprookje aan ons verteld.
    (115) Het was een Veldmuis, streng en naarstig in ’t bewaaren
Van ’t geenze door haar vlijt geweeten hadt te gaâren,
Doch gastvrij en beleefd; die in haar hol of huis,
Eens op het minnelijkste onthaalde eene andre muis,
Haare oude kennis, doch gewoon in Steê te leeven.
(120) Zy spaarde geene moeite, om haar vriendin te geeven
Het beste dat zy hadt. zy bragt zelve in haar’ bek
Gedroogde beziën, veldvruchten, stukken spek,
[p. 133]
Waarvan zy zelve al hadt geknabbeld en gebeeten,
Op hoop van, door zo veel verandering van eeten,
(125) Den honger van haar gast, die zy wel merkte dat
Al wat haar werdt gediend met lange tanden at,
Te scherpen meer en meer: terwijl zy wel te vrede
Gelegen op wat stroos, haar gansche maaltijd deede
Met dolik en slecht graan, en proefde al ’t andre niet,
(130) Het welk zy voor haar gast gulhartig overliet.
Toen sprak de Stedeling: Kan ’t u, vriendin, behaagen,
Op deezen steilen berg zo armelijk uw dagen
Te slijten? of zoudt gy dees wildernissen graag
Verlaaten, om in stad en by het volk, uw maag
(135) Te toeven met verschiet van duizend lekkernyen?
Geloofme, en gaa met my; ’t zal u tot vreugd gedyen.
Naardien toch al wat leeft ook eens te sterven staat,
En niemand, groot of klein, den schicht des doods ontgaat;
Zo slijt, terwijl gy moogt, in vrolijkheid uwe uuren,
(140) En leef, indachtig dat uw leeftijd kort zal duuren.
De Veldmuis vondt wel haast behaagen in dees reên,
En springt fluks uit haar hol. Nu gaanze met haar tweên,
Geheel vernoegd op reis, en hebben ’t juist genomen,
Om, door de duisternis gedekt, in stad te komen.
[p. 134]
(145) Het was nu middernacht, wanneer zy haare reis
Voleindden in een groot en kostelijk palleis,
Daar ’t elpen ledekant gedekt lag met scharlaken,
En geene soorten van de beste spijze ontbraken;
Het overschot van daags te vooren, dat, gespaard
(150) Met volle korven, in den kelder werdt bewaard.
De Steêmuis heet haar gast hier welkom, zet haar neder
Op eene purpren sprei, en loopt zelf heen en weder,
En brengt een menigte gerechten af en aan,
En proeft zelve, om zich niet van eengen dienst te ontslaan,
(155) Al watze brengt, eer zy’er de andre van laat eeten:
Die midlerwijl, zo zacht en makkelijk gezeten,
Zich om haar’ nieuwen staat te wonderlijk verheugt,
En toont, dat zy zich weet te schikken naar de vreugd:
Als op het onvoorzienst de deur begon te kraaken,
(160) En haar deedt ommezien om ergens weg te raaken.
Zy vloogen beevend door de kamer en door ’t huis,
Dat nu weergalmde, met een schrikkelijk gedruis,
Door ’t schreeuwen van de knechts, en ’t bassen van de honden.
Alsze eindlijk, na deez’ schrik, elkander werdervonden,
(165) Zo zei de Veldmuis: ’k Heb dit leeven niet van doen:
Vaarwel; gy moogt u met uw lekkernyen voên.
[p. 135]
Mijn hol en wildernis, daar niets my oit deedt ijzen,
Zal my veel veiliger met arme kruiden spijzen.


ZEVENDE HEKELDICHT.

Horatius. Davus.

D. Ik heb nu langen tijd staan luistren, en zou gaaren
Mijn meening, zo ik dorst, u ook eens openbaaren.
H. Ho! Davus?
D.                     Davus, ja: uw slaaf, zo trouw als goud,
En die zo sober is als gy hem wenschen zoudt;
(5) Zo naamlijk, dat gy hem noch lang zult konnen houden.
H. Welaan, bedien u van de vryigheid, die de Ouden
Vergunden voor de maand December. spreek recht uit.
D. Een deel der menschen staat altijd op zijn besluit,
En blijft bestendig in de zellefde gebreken.
(10) Veele andren zetten koers op allerhande streeken,
En volgen heden ’t goed, en morgen weer het kwaad.
Wat mensch zag Priscus oit twee uuren in één’ staat?
Dan zagmen hem eens geene, en dan drie ringen draagen
Aan zijne linkerhand: hy wisselde alle dagen
(15) Van kleederen; en uit een huis van aanzien, ging
Hy onbeschroomd ter plaatse, alwaar een vryeling,
[
p. 136]
Die eer heeft, naauwelijks by daag zou durven komen.
Nu hadt hy liefst geweest een hoerendop te Romen,
Dan weer een filozoof te Athene. Volaneer,
(20) Door ’t krimpen van de jicht zijn vingeren niet meer
Gebruiken konnend’, huurde een’ knaap, die t’ allen tijde,
Wanneer hy zat aan ’t bord, moest staan aan zijne zijde,
Om, op zijn beurt, voor hem de dobbelsteenen in
Den hoorn te smijten, en de schijven naar zijn’ zin
(25) Te zetten. Deeze, hoe hy meerder was bestendig,
In zijn gebreken, hoe hy minder was elendig
Dan de ander, die, zo los zo licht gelijk een pluim,
Den toom nu hieldt te kort, en dan weer gaf te ruim.
H. Zult gy my, hangebast, vandaag niet openbaaren,
(30) Waar deeze klap op ziet?
D.                                         Ik zal ’t u kort verklaaren:
Op niemand, dan op u.
H.                                 Op my, rabout? en hoe?
D. Indienge ’t weeten wilt, zo luister maar wat toe.
Gy prijst de zeden en de eenvoudigheid der Ouden,
Schoonwe in uw’ handel noit, dat daar naar lijkt, aanschouwden,
(35) Wat volgt hieruit? of, datge inwendig laakt en doemt,
Het geen gy met den mond nochtans het beste noemt:
[p. 137]
Of, datge onmagtig zijt te doen, ’t geenge ons wilt leeren,
En, met den voet in ’t slijk, u heen noch weer kunt keeren.
Als gy te Romen zijt, dan wiltge buiten zijn;
(40) En alsge buiten zijt, dan is het u een pijn,
Dat gy de Stad niet ziet. Als niemand u komt vraagen
Ten eeten, dan kan u de soberheid behaagen,
Dan zijt gy in uw’ schik, dan is uw hart gerust,
Wijl gy geen’ wijn meer hoeft te drinken dan u lust;
(45) Alsof ’t u bitter viel, wanneer gy moet te gast gaan.
Maar als Mecenas u laat zeggen, datge vast staan,
En niet verzuimen moet, om ’s avonds eene plaats
Aan zijne tafel te bekleeden by de maats,
Dan is ’t: Hou! holla! hei! waar zijn die luie honden?
(50) En eer wy omzien, wordt mijn heer niet meer gevonden:
Daar Mulvius, met al zijn’ hongerigen stoet,
U zulke tijtels geeft, en zegenwenschen doet,
Die ik niet raadsaam vind u nader uit te leggen.
’t Is waar, en ik beken ’t, zal een van hun licht zeggen,
(55) Dat ik my van mijn’ buik laat leiden als een kind.
Zeg, zo gy wilt, dat ik mijn’ neus steeke in den wind,
En rieke, van wat kant de beste lucht mag komen;
Zeg, dat ik magtloos ben, mijn driften in te toomen:
[p. 138]
Noem my onachtsaam, lui, en is het niet genoeg,
(60) Zeg, dat ik nergens ben zo graag als in de kroeg.
Maar, daar gy ’t zelfde zijt dat ik ben, en licht slimmer;
Wat reden hebtge toch, datge in uw’ dienaar nimmer
Een fout vergeeven kunt; terwijlge uwe eigen tracht
Met schoone woorden te bewimplen, en verzacht?
(65) En och, hoe makkelijk zoude ik u konnen toonen,
Dat gy veel minder zijt, dan ik ben, te verschoonen;
Dan ik, dienge om uw geld gekocht hebt! Laat nu af
Van my te dreigen; toon u niet zo stuurs en straf;
Maar heb zo lang geduld, tot ik u houd’ te vooren
(70) Wat my de dienaar van Crispijn onlangs deedt hooren.
Gy kust eens anders wijf, en ik een nimfje: vriend,
Wie dunkt u dat van ons de galleg best verdient?
Als ik de prikkeling der liefde kom te voelen,
Dan gaa ik, daar ik weet dat ik mijn’ lust mag koelen;
(75) En voorts naar huis toe, niet geschandvlekt, noch bevreesd,
Dat zy, die my zo mild en minlijk is geweest,
Na my een’ rijker of een’ mooier zal bekooren.
Als gy de tekenen, die tot uw’ rang behooren,
Den ridderlijken ring, en uw Romeinsch gewaad
(80) Verwerpt, en in den schijn eens slaafs ten huize uit gaat,
[p. 139]
Zijt gy dan waarlijk niet het geenge schijnt te weezen?
Men laat u sluipsgewijs ten huize in, stom van vreezen,
En beevende van angst, waardoor byna de lust,
Die u flus blaaken deedt, geheel wordt uitgebluscht.
(85) Verschilt het iets, datge u verhuurt, om t’ eengen tijde
Te lijden, datmen u met garden braaf kastijde,
Of met het staal vermoorde? of datge door een meid,
Vertrouwde van Mevrouws en uwe ontuchtigheid,
Om niet op ’t onvoorzienst te worden overrompeld,
(90) Wordt over hals en hoofd in eene kist gedompeld,
Daarge in drie bogten stil moet liggen, en ter nood
Uw’ adem haalen durft, min leevende dan dood?
Heeft hy, wiens vrouw zich dus te buiten gaat, op beide
Het zelfde recht? of meer op hem, die haar verleidde?
(95) Het laatste spreekt van zelfs. zy, zeker, schoon niet pluis,
Blijft in haar eigen kleed, blijft in haar eigen huis,
Dewijl zy altijd zoekt een oog in ’t zeil te houwen,
En niet.volkomen op uw liefde durft vertrouwen.
Maar gy stelt alles in de waagschaal, schoonge weet,
(100) Dat gy, indien de man u eens kan krijgen beet,
Uw leeven, goed en eer op een tijd zoudt verliezen.
Zijtge eens dien dans ontsnapt? nu, denk ik, zultge kiezen
[p. 140]
Voorzigtiger te zijn, en zulk gevaar te ontvlien.
In tegendeel. pas zijtge ontsnapt, of aanstonds zien
(105) We op nieuws, dat niets zo zeer uw dwaasheid kan behagen,
Dan leeven, goed en eer ten tweedenmaal te waagen.
O slaaf! ô altijd slaaf! is wel een beest zo zot,
Dat het ten tweedenmaal zal komen in een kot,
Waaruit het is ontvlucht, na ’t breeken van zijn keten?
(110) Maar, zegtge, niemand kanme een’ overspeeler heeten.
Noch my, by Herkules! een’ dief, als ik een man
Zijn beurs behouden laat, die ik niet steelen kan.
Neem, neem ’t gevaar eens weg; straks zullen uwe lusten
Uitspatten wijd en zijd, en nergens konnen rusten.
(115) En gy mijn meester? gy, die zo veel meesters vreest?
Die, schoonge meer dan eens ontslagen zijt geweest
Uit uwe slaaverny, u zelf niet vrij kunt stemmen?
Voeg by ’t gezeide noch, het geen niet min zal klemmen;
’t Zij hy, die (volgends de gewoonte hier te land)
(120) Zelf eenen andren slaaf moet vliegen van de hand,
De jongen van een’ slaaf, of medeslaaf, moet heeten;
Wat ben ik dan by u? dit wenschte ik wel te weeten.
Want ik moet zien op u: en gy ziet weder op
Veele anderen; en wordt, gelijk een houten pop,
[p. 141]
(125) Die door den saamenstel van raderen en touwen
Inwendig wordt bestierd, beweegd of vastgehouwen.
H. Wie is dan vrij?
D.                         Een wijze, een die zich zelf gebiedt;
Die voor geene armoe vreest, geen boeie of dood ontziet;
Die, altijd vergenoegd, naar geene staatzucht luistert,
(130) En zijn begeerlijkheen en driften dwingt en kluistert;
Die rond is en beschaafd, en dus geen’ aanstoot lijdt,
En dien het los geval altijd vergeefs bestrijdt.
Wat hoort u hiervan toe? wat is u hiervan eigen?
Een vrouwmensch vordert u met smeeken en met dreigen
(135) Zeshonderd gulden af; gy geeftze als waar ’t een schuld.
Zy kwelt u waarze kan; gy lijdt het met geduld.
Zy sluit u buiten deur; gy gaat met schreiende oogen.
Zy regent op uw hoofd; gy loopt u schielijk droogen.
Zy roept u wederom; gy komt haar fluks weer by.
(140) Werp eens dat slaafsche juk ten halze af: zeg eens, Vrij,
Vrij ben ik.
maar dit gaat ver boven uwe krachten.
Een sterker dwingeland is heer van uw gedachten,
Die, als gy moede wordt, u meengen spoorslag geeft,
En altijd meester blijft, hoe gy hem wederstreeft.
(145) Als gy, zo stijf gelijk een mijlpaal, staat te staaren
[p. 142]
Op eene schildery, voor menigte van jaaren
Geschilderd door de hand van Pausias; doet gy
Hiermede minder kwaad dan ik doe, als ik my
Wat ophoude onderweeg, om mede, als mijns gelijken,
(150) Een teekning van roodaard of houtskool te bekijken,
Die zo natuurelijk geschetst is, naar mijn’ smaak,
Dat niets daaraan gebreekt, dan enkelijk de spraak?
My nochtans heetmen dan, schoon wy het zelfde pleegen,
Tot luiheid; u kwansuis tot weetenschap genegen.
(155) Als ik wat happig bijte in eenen pannekoek,
Dan heet ik gulzig: maar u noemtmen braaf en kloek,
Wanneer gy vorstelijk onthaald zijnde en gezeten,
Alle andren overtreft in drinken en in eeten.
My is het schadelijk, dat ik mijn’ honger boet.
(160) Waarom? omdat mijn rug ’t gelag betaalen moet.
Doch schoonge dus uw hart geduurig op moogt haalen,
Denk echter niet, dat gy die vreugd noit zult betaalen:
Want de eelste spijze walgt u reeds, naar ik kan zien,
En ’t logge lighaam hukt op waggelende knien.
(165) Een jongen heeft by daag gevonden of gestolen
Een’ roskam, dien hy weer des avonds in ’t verholen
Voor een’ tros druiven ruilt; hy doet niet wel, gewis:
[p. 143]
Maar ’k bid u, zeg my eens, indien’er iemand is,
Die huis en land verkoopt, om als een lekker eeter
(170) Voor eene korte tijd te leeven, doet die beter?
Voeg hier noch by, dat gy geen uur kunt zijn alleen;
Dat gy uw’ leêgen tijd niet wel weet te besteên;
Datge uw benaauwdheid zoekt, nu in den wijn te smooren,
Dan weer met slaapen te verdrijven; Doch verlooren:
(175) Want wat gy doet, of waar gy gaat, zy volgt u naar.
H. Dat ik hier steenen had....
D.                                         Zijtge ook een metselaar?
H. Dat ik een’ stok had....
D.                                     Och mijn baas begint te maalen,
Of maakt weêr vaarzen.
H.                                 Schelm! ik zal u dat betaalen.
Gaa fluks uit mijn gezigt; of ’k zend u zo terstond,
(180) Daar gy uw handen bet zult roeren dan uw’ mond.



[p. 144]

ACHTSTE HEKELDICHT.

Horatius. Fundanius.

H. Hebt gy u wat vermaakt op ’t gastmaal by den rijken
Nasidieen? want toen ik gisteren kwam kijken
Of gy mijn gast woudt zijn, werdt my gezegd, dat gy
By hem ten eeten waart. Was ’t wel?
F.                                                     Zo, dat ik my
(5) Noit meerder heb vermaakt, noch beter was gezeten.
H. Ik ben nieuwsgierig, zo ik ’t vraagen mag, te weeten
Wat gy’er hebt gehad: wat boodt men u toch aan,
Om d’ eersten aanval van den honger uit te staan?
F. Vooraf een Zwijn, dat in Lukanien gevangen
(10) (Met eenen zuidenwind, zo als hy zei) ’t verlangen
Der graage gasten niet te rijkelijk voldeedt;
Omringd van alles wat den lust te scherpen weet,
Als selry, vischnat, hef, latuw, radijs en raapen.
Den eersten lust geboet, zo kwamen ’er twee knaapen,
(15) Daar yders oog op viel: de een veegde, gaauw en kloek,
De ahornen tafel af met eenen purpren doek;
Daar de ander, met een’ zwier, al wegnam uit onze oogen
Wat ergens lag, en ons gezigt zou hindren mogen.
[
p. 145]
Toen tradt Hydaspes in, eene Atheensche maagd,
(20) Die Ceres heiligdom op hoofd en handen draagt,
Met wijn van Cecubum; en Alcon volgt zijn passen
Met wijn van Chios, in Italien gewassen.
Toen sprak Hy: ’k Hoop, Meceen, dat deeze goed zal zijn:
Maar houdt gy ’t met Albaansche, of met Falernen wijn,

(25) Ik hebze beide t’ uwen dienst in mijnen kelder.
H. ’k Zal dan niet vraagen, of die troebel was of helder.
Maar zeg my, bid ik, zo ’t u niet vergeeten is,
Wie uw genooten hier geweest zijn aan den disch.
F. ’k Lag tusschen Varius en Viscus; die, ter slinker,
(30) Dees aan mijn rechter zij: Vibidius, de drinker,
Lag, nevens Balatro, op één bed met Meceen,
Die hen hadt meêgebragt: ons waard Nasidieen
Was tusschen Porcius en Nomentaan gelegen.
Ik had mijn’ lust in ’t zien van Porcius, die tegen
(35) Den allergrootsten brok kon gaapen, en alleen
Een schotel vlaa at, die gezet was voor ’t gemeen.
Terwijl dat Nomentaan niet anders hadt te zeggen,
Dan ons de spijs, die wy niet kenden, uit te leggen;
Want wy, op zulk een kunst van schaffen niet gevat,
(40) Wy aten ’t een en ’t aar, en wisten zelfs niet, wat.
[p. 146]
En ’k zag de blijdschap en ’t genoegen uit zijn oogen,
Als ik het raaden moest, en telkens was bedroogen.
’t Is ook van hem, dat ik het eerste heb verstaan,
Dat applen, diemen plukt by eene nieuwe maan,
(45) Een sierelijker rood aanneemen: wat de reden
Daarvan mag weezen, zal hy zelve u best ontleeden.
Toen sprak Vibidius tot Balatro: Zo wy
Niet dronken gaan naar huis, zo raakt hy goedkoop vrij:

En eischt een grooter glas. Nasidieen verschrikte
(50) Op zulk een’ stouten eisch, die anderen verkwikte;
Want niets, dat hy zo vreest, als een’ bestooven gast.
Misschien, omdat de zulke op geenen huiswaard past,
En dikwils zegt, het geen een nuchtren mensch zou zwijgen;
Of, dat de wijn, als die naar ’t hoofd begint te stijgen,
(55) De fijnheid van den smaak verdooft, en niemand dan
De kunst van zijnen kok recht onderscheiden kan.
Vibidius terstond met Balatro aan ’t drinken.
Wy volgen hen, en doen de glazen lustig klinken;
Doch die van ’t laagste bed zien ’t stil en droogsmonds aan.
(60) Tot dat de disch opnieuw met spijze wordt gelaân.
Hy noodigde ons op een Lamprei, die rondom heenen
Bestuwd was met een deel Zeekreeften, die vast scheenen
[p. 147]
Te zwemmen in de saus; en sprak: Dit dier, wanneer ’t
Gevangen wierdt, was vol: dan is het meest begeerd

(65) En smaakelijkst. De Saus, daar gy het in ziet speelen,
Is Olie van Venafre, en nat van makareelen,
Gemengd, terwijl het kookt, met wijn van ’t vijfde jaar,
Een binnenlandsch gewas. Als dit ter deegen gaar
Gekookt is, wordt’er wijn van Chios in gegooten,

(70) Een handvol peper, wit van kleur en ongestooten,
En Methymneesche azijn. Curtillus meende, dat
Men allervoegelijkst Zeeëgels kookt in ’t nat
Van Schelpvisch; en dit wordt ook doorgaands noch gepreezen.
Maar ik ben de eerste, die omstandig heb beweezen,

(75) Dat de Alantswortel en ’t Raketkruid, groen en frisch,
Daartoe bekwaamer en ook aangenaamer is.

Uit hadt hy; toen het zeil, waaronder dat wy zaten,
Van boven neerviel op de schotel, daarwe uit aten,
En eene wolk van stof veroorzaakte, zo dik
(80) Datze ons ’t gezigt benam. Wy dooken eerst van schrik,
En vreesden zwaarer smak. maar ’t is ’er by gebleeven;
Zodat wy een voor een begonnen weer te leeven.
Daar hadtge Rufus mogen zien in droeven staat,
Die ’t hoofd liet hangen, als een die ter uitvaart gaat
[p. 148]
(85) Met zijnen liefsten zoon: en licht waar hy bezweeken
Zo Nomentaan hem niet verkwikt hadt door zijn spreeken.
Ach, riep hy uit, Fortuin! wat godheid is zo wreed
Als gy zijt, tegen ons! hoe groeit gy in ons leed!

Daar Varius, om zich van lagchen te bedwingen,
(90) Een’ hoek van zijn servet zat in zijn’ mond te wringen:
Tot dat Servilius, gewoon tot schimp en spot,
Het woord vatte, en dus sprak: Zo slingert ons het lot!
En daarom zult gy noit naar waarde zijn gepreezen.
Zult gy, opdat ik wel onthaald werde, altijd vreezen,

(95) Geduurig zijn bezorgd, u kwellen allerwijs,
Dat geen geschifte saus, geen slechtbereide spijs,
Geen brood te hard gebrand, op uwen disch verschijnen?
Dat uwe slaaven, die ons dienen, zich verpijnen
Om zinlijk voor den dag te komen? En als gy

(100) U dus hebt afgesloofd, u dus gekweld voor my,
Zo kan ’er licht een zeil van boven nederstorten,
Als flus; een stalknecht kan een fijne schotel horten
En stooten tegen post of deur aan datze breekt.
Hebt gy noit opgemerkt, hoe loffelijk men spreekt

(105) Van eenen Veldheer, dien ’t geluk altijd is tegen?
Zo is ’t ook met een’ heer, die gasten heeft, gelegen.

[p. 149]
In voorspoed let geen mensch op ’t geen hy laat of doet;
Maar zijn bekwaamheid blijkt in tijd van tegenspoed.

Toen sprak Nasidieen: Dat u de goôn beloonen,
(110) Die my, in mijnen ramp, dus komt uw heusheid toonen.

En eischte hierop zijn pantoffels. Toen terstond
Aan ’t fluistren, op elk bed de hoofden mond aan mond.
H. Ik zou, by zulk een klucht, den schouwburg wel vergeeten:
Maar ben nieuwsgierig, om ’t besluit daarvan te weeten.
(115) F. Vibidius vraagde een’ der slaaven op dat pas,
Of ook by ongeval de flesch gebroken was,
Dewijl hy wijn eischte, en niet kreeg, dat hem verveelde.
Als nu, daar Balatro niet weinig onder speelde,
Slechts stof tot lagchen wierdt gezocht, komt Rufus weer,
(120) En zet zich op zijn plaats. zijn weezen was nu zeer
Veranderd van gedaante, en deedt ons schier gelooven,
Dat hy zijn ongeluk door zijn verstand te boven
Gekomen was. hem volgde een schotel, breed en plat,
Waaraan een kloeke slaaf genoeg te draagen hadt.
(125) In ’t midden lagen, net en ordenlijk, de leden
Van eene kraan, gescheurd of van den romp gesneeden,
Bestrooid met zout en bloem; daarnaast de lever van
Een witte gans, gevuld met nieuwe vijgen; dan
[p. 150]
De schouders van een’ haas, die hy ons wijs wou maaken,
(130) Dat, van de lenden afgescheurd, veel beter smaaken;
En meerlen, gansch verbrand, en duiven, zonder stuit.
Een heerelijk onthaal; indien niet tot besluit
De goede man van deeze en andre omstandigheden,
Ons de eigenschappen en natuurelijke reden
(135) Zo naakt hadt voorgesteld; datwe allen, op die taal
Tot walgens toe verzaad, fluks vloogen uit de zaal,
Veel banger, dat die spijs ons eindlijk mogt bekooren,
Dan of Canidia de zelve hadt bezwooren.

EINDE DER HEKELDICHTEN.

Continue
[
p. 151]

BRIEVEN

VAN

Q. HORATIUS FLACCUS.

EERSTE BOEK.
_______________________

EERSTE BRIEF.

AAN

MECENAS.

Mecenas, in wiens lof mijn zangnimf eerst gong weiden,
Wiens lof zy melden zal, als zy ’er uit zal scheiden!
Wat roept gy my, in wien de zoete hoop van rust,
Die gy my zelve gaaft, het vuur reeds heeft gebluscht,
(5) Weer in het strijdperk, na ’t vermindren mijner krachten?
Mijn jeugd verkeerde; en, met mijn jeugd, ook mijn gedachten.
Vejaan, die nu den muur, aan Herkules gewijd,
Met zijne wapenen versierde, rust, en slijt
Zijn dagen stil op ’t land, om ’t volk niet meer, in’t midden
(10) Van duizend kijkeren, om oorelof te bidden.
[
p. 152]
Dat zelfde staat ook my te doen, die daaglijks hoor,
Een stem, die, reis op reis, my fluistert in het oor:
Ontslaa by tijds het paard, dat oud wordt; eer het moede,
En stijf, en ademloos, ’s volks spot en schimplust voede.

(15) Ik neem mijn afscheid dan van dichten en van spel;
En vraag, wat billijk is, wat voegelijk en wel.
Dit ’s nu mijn tijdverdrijf, dit kanme alleen vermaaken.
Ik weeg, en overweeg; en gader dus veel zaaken
Van onwaardeerbren prijs, waaruit ik, nu en dan,
(20) Of deeze of geene, tot verkwikking, neemen kan.
Maar vraagt gy, onder wat gezindheid ik mag hooren?
Zo weet, dat ik mijn trouw aan niemand heb gezwooren:
Dat ik, naardat de wind my zachtkens leide, of jaag’,
My overal, gelijk een keurig gast, gedraag.
(25) Nu, als een streng trouwant van pligten, deugd en reden,
Peil ik den diepen grond der burgerlijke zeden,
Bestraffende alles, wat niet nut is voor ’t gemeen.
Somtijds, zelfs eer ik ’t weet, drijf ik weer elders heen,
Daar Aristippus my vermaant, deeze aardsche dingen
(30) Naar my, niet my naar hen, te schikken en te wringen.
De dag verveelt den geen’, die werken moet: de nacht
Den geenen, die vergeefs naar zijne vrijster wacht:
[p. 153]
De jaaren rollen traag in ’s jongelingen oogen,
Die ’t moederlijk gezag, hoe hard, noch moet gedoogen:
(35) Noch traager rolt de tijd, noch meer verveelt hy my,
Als ik mijn hoope en goed voorneemen, van ter zij
Gedwarsboomd zie, en my in dat te doen verhinderd,
Het welk der grooten en der kleinen zorg vermindert,
Indien ’t gedaan wordt: maar, geslagen in den wind,
(40) Gedijt tot onheil, en van vader, en van kind.
Nu rest’er, dat ik my, naar deeze gronden, tevens
En stiere, en trooste, in al ’t weervaaren deezes levens.
Al zien uwe oogen niet zo scherp als Lynceus zag;
Gy sloft nochtans niet hen te betten dag aan dag
(45) Wanneerze ontsteeken zijn. al kunt gy noit in krachten
Zo sterk als Glycon zijn; gy zult daarom niet wachten
Uw leên te koestren, als zy krimpen van de jicht.
Gy kunt wel vordren, schoon gy ’t eind met uw gezigt
Noch niet bereiken kunt. Voelt gy uwe ingewanden
(50) Van eene elendige begeerte en geldzucht branden?
Weet, dat een ernstig woord uit eenen wijzen mond
Die kwaal verdrijven kan, en maaken u gezond.
Is ’t eerzucht, die u kwelt? gaa, zet u om te leezen
In eenig leerzaam boek: dat kan die drift geneezen.
[p. 154]
(55) Geen mensch, hoe onbeschaafd, hoe woest hy zij van aard,
’t Zij luiheid, nijd, of wraak; ’t zij wijn, of wellust, waard
Te doemen, hem beheersch; die, zo hy slechts zijne ooren
Voor ongeveinsden raad ontsluiten wil, en hooren,
Gansch onbekwaam zou zijn tot deugd of beterschap.
(60) Deugd is, geen ondeugd doen: en de allerhoogste trap
Van wijsheid, datmen zich van zotheid weet te wachten.
Ziet gy niet zelf, met wat inspanninge van krachten
Gy dees twee zaaken zoekt te mijden; Weinig goed,
En, ’t weigren van een amt? alsof uw bang gemoed
(65) Geen grooter rampen hadt te vreezen in dit leeven.
Gy koopman, durft u op de woeste zee begeeven,
En ziet noch scherpe klip, noch vuur, noch water aan,
Alleen om de armoe, daar uw ziel voor vreest, te ontgaan.
Maar, als een wijzer u zoekt uit het hoofd te praaten
(70) Die dingen, die u niet of weinig konnen baaten,
En die u evenwel verblinden door den schijn,
Dan dunkt u ’t luistren slechts ondraagelijk te zijn.
Wat dorpkomediant, gewoon den plompen boeren
Door zijn opsnijden en gezwets het hart te roeren,
(75) Zal weigren in de stad het juichend handgeklap
Van beter kenneren te erlangen; als de trap,
[p. 155]
Waarlangs hy tot dien top van glorie op kan stijgen,
Hem aangeweezen wordt, en hy dien kan verkrijgen?
Het zilver is min waard, dan ’t goud: ’t goud, min dan deugd.
(80) O Burgers, burgers! zoekt vooreerst naar geld. gy meugt
Daarna, hebt gy den lust om eens aan haar te denken,
Een uurtje daags aan deugd, en haer gedachtnis, schenken.

Zo luidt de zedeles, die Janus door de stad
Aan oude en jonge leert, die yder vroeg bevat;
(85) En die de kooplui, tuk op winst, zo graag ontvangen,
Dat dagelijks de beurs weergalmt van zulke zangen.
Wees dapper, zoet ter taal, welleevend, trouw: ’t is goed.
Men prijst zulks. maar zijtge arm? vaarwel dan. want wat doet
De deugd toch voordeels, zo de flikkerende schijven
(90) Haar, magtloos uit zich zelf, niet stutten nochte stijven?
Doch anders leeren ons de kinders op de straat.
Die ’t best doet, zeggen zy, zal Koning weezen.
Laat dit uw borstweer zijn, daar ’t al op afstuit; kennis
Van eigen deugd, en geen bewustheid eenger schennis;
(95) Ik bid u, zeg my eens, wat beter zij; de wet
Van Roscius, die elk naar ’t geld op waarde zet;
Of ’t simpel deuntje van de kindren, tot belooning
Hem, die wel doet, den naam vereerende van Koning?
[p. 156]
Dat simpel deuntje, dat voorheene in volle kracht
(100) Van Kurien en van Kamillen is betracht?
Hy, die u leert, om zo veel gelds by een te haalen,
(Geld, zeg ik: eerelijk, zo ’t eerlijk niet kan faalen;
Of anders, zo gy best zult konnen: ’t zij slechts geld.)
Datge in den Schouwburg, by de Ridderen geteld,
(105) Het werk van Pupius, wiens treurtoon alle vrouwen
En kinders schreien doet, moogt van naby aanschouwen:
Leert, vraag ik, zulk een man u beter, dan de geen
Die u den weg toont, en, door drang van goede reên,
Bekwaam maakt, om ’t geval, wat u ook moog geschieden,
(110) T e treeden op den nek, en stout het hoofd te bieden?
Indien my’t Roomsche volk vraagt, waarom ik niet meê,
Die dagelijks met hun een zelfde straat betreê,
Een zelfde vonnis vel met hun van alle zaaken?
Waarom ik doorgaands vlie, het geen hun kan vermaaken,
(115) En doe, ’t geen hun mishaagt? zo antwoord ik hun weer,
Gelijk de schrandre Vos den zieken Leeuw weleer:
Omdat de voeten, in het zand gedrukt, my leeren,
Dat veelen naar u gaan, geen van u wederkeeren.

’t Is een vervaarlijk beest, met hoofden zonder tal;
(120) En ’k weet niet, waar ik ’t eerst aantasten moet, of zal.
[p. 157]
Dees knevelt d’armen man met pachten en met tollen.
Die zoekt door giften, of vertelselen van grollen,
Gesmeek, gevlei, gezucht, en kunstjes zonder end,
Zijn’ naam te prenten in ’t gedwongen testament
(125) Van kinderlooze weeuw, of grijsaard nu elendig.
Dees woekert zonder schaamt, doch doet het vrij behendig.
Maar neem, als ’t is, dat elk byzonder mensche wordt
Door een byzondre drift en neiging aangepord:
Zulks is natuurelijk: maar blijven zelfde menschen
(130) Wel éénen dag, één uur, by hunne zelfde wenschen?
Een rijk man krijgt in ’t hoofd, dat hy in ’t gansch heelal
Geen aangenaamer plaats, dan Baje, vinden zal.
Terstond naar Baje toe; en daar van alle kanten
Het werkvolk t’saam gehaald, aan ’t spitten, graaven, planten,
(135) Aan ’t bouwen van een huis, aan ’t delven van een gracht.
Maar naauw is alles tot dat werk byeen gebragt
Op ’t allerspoedigste door onvermoeide knaapen:
Of ’t heerschap krijgt des nachts, terwijl hy niet kan slaapen,
Een andre drift in ’t hoofd; of droomt (de goede man!)
(140) Dat Baje in lang niet by Teanum haalen kan.
Vaarwel dan, Baje! en gy, ô knaapen, fluks aan ’t pakken,
Om met den dag voort naar Teanum af te zakken.
[p. 158]
Die ongetrouwd is, noemt het huwlijk eenen hof
Van roozen, daar ’t vermaak steeds vindt een nieuwe stof:
(145) Terwijl weer andren aan dat huwlijk, daarze in leeven,
Den naam van distelhof, of wel van pijnbank, geeven.
Zo prijstmen, watmen derft; zo laaktmen, watmen heeft;
Daar ondertusschen elk in zijne zorgen leeft.
Waar zalmen touwsgenoeg, waar eene keten vinden,
(150) Om deezen Proteus, zo veranderlijk, te binden?
Doch ’t schijnt vergeeffelijk in eenen rijken man,
Die geldsgenoeg bezit, en steeds verandren kan.
Maar wat doet de arme toch, die om den kost moet werken?
’k Denk, dat gy lagchen zult, als gy het zult bemerken.
(155) Dan is zijn woonplaats hem te groot, dan weer te klein;
Dan is zijn bed te hard; dan zijn barbier te onrein;
Dan eens zijn bad te koud; en honderd zulke kuuren.
Hy zal, als ’t feestdag is, eene oude schuit gaan huuren,
Waarop hy zich vertoont, zo moedig en zo prat,
(160) Als op zijn eigen Jacht een Raadsheer van de stad.
Wanneer gy my aanschouwt, het hair niet wel gesneeden;
Of als ik my uit haast niet netgenoeg kon kleeden;
Of als mijn lijwaad niet zo nieuw is als mijn rok;
Dan ben ik u, Meceen, een stof van spot en jok:
[p. 159]
(165) Dan lacht gy met uw’ vriend. Maar, als ik heden laake
Het geen ik gistren prees; als ik my nu vermaake
Met ’t geen ik flus verachtte; als ik my duizendmaal
Des daags weerspreeke, en steeds verandere van taal;
En zwoege, en arbeide; en beloove, doch niets houwe;
(170) ’t Gemaakte nederwerp’, ’t gebroken weder bouwe;
’t Vierkant verkeere in rond, en ’t rond weer in vierkant:
Dan lacht gy niet met my, maar denkt dat mijn verstand,
Of liever onverstand, de sleur volgt en de mode:
Dan denkt gy niet, dat ik een’ dokter heb van noode,
(175) Noch de overheid my hoef te stellen in de magt
Van eenen wijzer voogd, en bet dan ik bedacht:
Gy, o Mecenas, die u kwaad toont, en te onvreden,
Als ik mijn nagels heb niet rondgenoeg gesneeden;
Dien gy verwaardigd hebt met uwe vriendschap; die
(180) Afhange alleen van u, en u naar de oogen zie.
In ’t kort, Jupijn alleen is meerder dan een Wijze.
Een Wijs man is een schat van onwaardeerbren prijze;
Zo vrij gelijk een vorst, zo schoon gelijk een maagd;
Vooral gezond, zo hem geen hoofd of kiespijn plaagt.



[p. 160]

TWEEDE BRIEF.

AAN

LOLLIUS.

Terwijl gy Romen toont de kracht van uwe taal,
O groote Lollius; zo heb ik andermaal
Homerus werken te Preneste doorgeleezen:
Die ons veel klaarer en veel beter heeft geweezen,
(5) Wat schoon, wat schandelijk, wat nut, wat schaadlijk zij,
Dan Crantor of Chrysip. Hoor, hebtge tijd, wat my
Aldus gevoelen doet. De Fabel daarwe aanschouwen,
Wat rampen Paris min den Grieken heeft gebrouwen
In Trojes lang beleg, behelst de spoorloosheên
(10) Van zotte koningen, en volken zonder reên.
Antenor wil den krijg in zijn geboorte smooren.
Wat Paris? deeze wil van geenen vrede hooren,
En schreeuwt, dat niemand hem kan dwingen, tegen dank
Gezond te heerschen, en te leeven vrij en vrank:
(15) Daar Nestor midlerwijl zich vruchtloos gaat verledigen,
Om Agamemnon met Achilles te bevredigen:
Die blaakt van liefde; bei van gramschap, gansch verwoed.
Der Hoofden dwaas bestaan wordt van het volk geboet.
[
p. 161]
Bedrog, haat, dartelheid, en tweespalt onder allen,
(20) Regeeren in het veld, en binnen Trojes wallen.
Aan de andre zij, wat deugd, wat wijsheid al vermoog’,
Stelt hy in ’t voorbeeld van Ulysses ons voor ’t oog;
Die, na het temmen des Trojaans, zo veele steden
Voorzigtiglijk doorreisd, zo veeler volkren zeden
(25) Gezien heeft; en, altijd bezorgd om met verstand
Een’ weg te baanen naar het lieve vaderland
Voor zich en voor de zijne; in ’t midden van de baaren
Zo veele rampen, zo veel leed, heeft wedervaaren,
En nochtans nimmermeer bezweek in zo veel leed.
(30) Gy kent de stemmen der Sireenen, en gy weet
Wat Circees dranken zijn. hadt hy zich niet geweeten
Te spaanen, maar zich meê, gelijk zijn volk, vergeeten;
Zo hadt hy mede, als zy, lafhartig en met schand,
Een opgesmukte hoer gevloogen van de hand,
(35) Geleefd gelijk een hond in alle snoode daaden,
Of als een morssig zwijn, dat zich in ’t slijk gaat baaden.
    Wy zijn die menigte, die anders niet en doen,
Dan met de vrucht der aarde ons onnut lijf te voên;
Wy zijn die minnaars van Penelope; wy leeven
(40) Als hovelingen van Alcinous, bedreeven
[p. 162]
In alle ontuchtigheid, besteedende alle vlijt,
Om lui en lekkerlijk te slijten hunnen tijd,
Die ’t hoofd, voor zuiderzon, noit beurden uit het kussen,
En zonder snaarenspel hun zorg niet konnen sussen.
(45) Een roover zal by nacht wel opstaan, snood en valsch,
Om een’ onnozelen te brengen om den hals:
En gy, opdatge u zelf behoudt, kunt gy niet waaken?
Wilt gy gezond niet gaan, de waterzucht zal maaken
Dat gy ’t zult moeten doen. Acht gy het als iet zwaars,
(50) Voor zonnenschijn een boek te neemen met een kaars,
Om uw vernuft aldus, langs veelerhande trappen,
Te brengen tot den top der nutste weetenschappen:
Of liefde, of nijd, zal u haast waaken doen met pijn.
Wat kan het baaten, zo oplettende te zijn,
(55) Om, wat uwe oogen deert, uit uw gezigt te ruimen;
Zowe u, van jaar tot jaar, zien draalen en verzuimen,
’t Kwaad, dat uw hart bezit, op eens te rooien uit?
Begonnen werk is half gedaan. Neem eens ’t besluit
Om wijs te worden. ei, begin slechts! Die ’t bezorgen
(60) Van zijn geluk en heil altijd verschuift tot morgen,
Die slacht den plompen boer, die, leenende aan een’ boom,
Op d’ oever van een’ vliet, wou wachten tot de stroom
[p. 163]
Voorby was, om aldus aan de overzij te komen:
Maar’t water stroomt noch, en zal noch veele eeuwen stroomen.
(65) Men zoekt naar geld en goed, naar eene vruchtbre vrouw,
En hakt de bosschen om, opdat men ’t veld bebouw:
Maar die genoeg heeft, wensch’ niet meer. geen landeryen,
Geen huis, geen stapelen van goud of zilver, vryen
Hun’ zieken meester van de koorts, noch zijn gemoed
(70) Van naare angstvalligheid. Die zijn verkreegen goed
Recht zal gebruiken, dient vooral gezond te weezen.
Die altijd is bezet met hoopen, of met vreezen,
Vindt aan zijn’ overvloet zo groot een beul, als hy,
Die krank van oogen is, aan eene schildery;
(75) Die hard is van gehoor, aan ’t keurelijkste zingen;
Of als een podagrist aan al zijn koesteringen.
Is ’t vat niet zuiver, ’t wordt, al watge’er ingiet, zuur.
Versmaad de lusten. lust, voor smart gekocht, staat duur.
Een vrek heeft steeds gebrek. gy, stel uw’ wenschen paalen.
(80) Het is den nijdigen een bron van nieuwe kwaalen,
Zo dikwils hy zijn oog op iemands voorspoed slaat.
Geen Siciljaansch tyran bedacht oit eenig kwaad,
Zo lastig als de nijd. Die zijn’ ontsteeken tooren
Niet dwong, wenschte ongedaan te zijn, ’t geen pas te vooren
[p. 164]
(85) Met vreugd gedaan werdt, toen de wraak hem porde, en hy
Haar volgde. Gramschap is een korte raazery.
Bestier uw drift; die zal, zo zy niet volgt, gebieden:
Beteugel die, en laatze uw banden noit ontvlieden.
Het leerzaam veulen, aan den teugel vroeg gewend,
(90) Buigt zijnen hals, en gaat waarheen zijn meester ’t ment.
Een hond, by huis geleerd een hertsvel aan te bassen,
Zal fluks het leevend wild in ’t dichtste bosch verrassen.
Ontvang, o Jongeling, dees woorden, in een hart
Noch rein en onbesmet, en volg steeds zonder smart
(95) Wat u een wijzer raadt; en ’t zal u noit berouwen.
Een nieuwe pot zal lang zijn’ eersten reuk behouwen.
Doch, ’t zij gy toeft, ’t zij gy vooruit loopt; ik voor my
Wacht naar geen traage, en loop geen haastige voorby.


DERDE BRIEF.

AAN

JULIUS FLORUS.

’k Verlang te weeten, in wat landstreek, aan wat kust,
De braave Claudius, de stiefzoon van August,
[
p. 165]
Zich met zijn leger thans, o Florus, op mag houwen.
Komt gy in Thracien den Hebrus aan te schouwen,
(5) Met eenen witten vloer van ijs en sneeuw beleid?
Of zeiltge in de engte, die twee werrelddeelen scheidt?
Of rust gy op ’t gebergte, of in de schoone velden
Van ’t vruchtbaare Azien? Vergeetme ook niet te melden,
Waarmee ’t geleerd gevolg des Prinssen midlerwijl
(10) Zich zelve bezig houdt. Wie zal in zuivren stijl
Augustus heldendaân voor ’t nageslacht ontleeden?
Wie schakelen een reeks van oorlogen en vreden?
Wat doet toch Titius, op wien zich laat of vroeg
Gansch Romen eenmaal zal beroemen; stoutgenoeg,
(15) Om ’t algemeene vocht der Dichtren te versmaaden,
En in de zuivre bron van Pindarus te baaden?
Hoe vaart hy? leef ik noch in zijn gedacht en zin?
Poogt hy noch, met de hulp van zijne zanggodin,
Den lieffelijken toon van die Thebaansche snaaren,
(20) Op zijn Latijnsche lier grootmoedig te evenaaren?
Of heeft de wreedheid van het Treurspel hem bekoord,
En vult hy ’t hoog tooneel met trotse taal en moord?
Maar mogenwe ook in ’t kort van Celsus iets verwachten?
Vermaan hem toch, dat hy zijne eigene gedachten
[p. 166]
(25) Gebruiken leere, en zich zo grof niet meer bedien’
Van die van anderen, dat yder zulks kan zien:
Opdat hy niet der kraai gelijk worde in het ende,
Die, toen ’t gevogelte elk zijn eigen veeren kende
En wederhaalde, zich, eer zy het droomde of dacht,
(30) Van al ’t geleende schoon beroofd zag, en veracht.
Gy zelf, wat doetge? in welk een’ beemd, uit welke bloemen,
Gaart gy uw’ honig thans? ’k Mag u gelukkig noemen,
Wijlge een verstand bezit, noch naauwbepaald, noch grof:
’t Zijge u wilt oeffenen in sierlijk pleiten; of
(35) De onkundigen door raad en antwoord wilt verlichten
In ’t burgerlijke recht; het zijge u geeft tot dichten;
U voegt alleen de krans van klimop, altijd groen.
Hoe wenschte ik, datge u slechts wat beter wist te ontdoen
Van noodelooze zorg! gy kwaamt haast, daar de Wijsheid
(40) U zelf geleiden zou. want hier is ’t, dat de prijs leit,
Waarnaar wy allen, groote en kleine, moeten staan,
Zo wy begeerig zijn, eer wy ten grave gaan,
Ons vaderland ten nutte, ons zelfs ter eer, te leeven.
Noch wenschte ik, datge my te kennen wilde geeven,
(45) Of gy Munatius, gelijk hem toekomt, eert:
Of is de vriendschap weer in vyandschap verkeerd?
[p. 167]
Maar, ’t zij u ’t heete bloed, of kwaad begrip van zaaken,
Dus onverzoenelijk tot noch in toorn deedt blaaken;
Waar gy u ook bevindt, waar gy ook heene gaat,
(50) Gy beide zijt te braaf, om eeuwig dus in haat
Te leeven. Hier staat u een jonge vaars te wachten,
Die ’k op uw wederkomst, den goôn ter eer, zal slachten.

VIERDE BRIEF.

AAN

ALBIUS TIBULLUS

O Albius, die my zo dikwils hebt verpligt,
Als gyme uw oordeel meldde op ’t geen ik had gedicht;
Waarmede zoekt ge op ’t land uw tijd thans te verdrijven?
Houdt gy u bezig, om zo veel, of meer te schrijven,
(5) Dan immer Cassius van Parma schreef voorheen?
Of gaatge u eenzaam in het stille bosch vertreên,
Om, wat den wijzen past, te neemen tot uw voordeel?
Gy zijt geen ijdle romp, beroofd van geest en oordeel.
Gy hebt een lighaam, dat beminlijk is en schoon;
(10) Gy hebt veel geld en goed verkreegen van de goôn;
[
p. 168]
En, dat uw groot geluk te meerder op doet luiken,
Daarby ’t vermogen, om het eerlijk te gebruiken.
Wat kan een moeder toch meer wenschen aan haar kind,
Dat nu zijn oordeel heeft, en zich in staat bevindt
(15) Te zeggen wat het denkt; en, welgesteld van leden,
By grooten wordt gevierd, by kleinen aangebeeden,
En altijd teeren mag op eene volle beurs?
In ’t zoetste des gelachs, in ’t bangste des getreurs,
’t Zijge u genegen vindt tot hoopen of tot vreezen,
(20) Denk daaglijks, deeze dag zal my de laatste weezen;
Zo zal de volgende u des te aangenaamer zijn.
Hebtge ondertusschen lust te lagchen met een zwijn
Uit Epicurus kot, zo kom my hier begroeten;
Gy zult my, welgemest en frisch van kleur, ontmoeten.


VIJFDE BRIEF.

AAN

TORQUATUS.

Zoge u behelpen kunt op een bekrompen bed,
En eeten alle soort van groente, u voorgezet
[
p. 169]
In kleene schotelen; wil, bid ik, niet vergeeten
Van deezen avond noch by my te komen eeten.
(5) Mijn wijn is niet zeer oud, en mogelijk wat schraal;
Gegooten op de kruik toen Taurus andermaal
Het Burgermeesterschap bekleedede, en gewassen
Recht tusschen ’t laage der Minturnische moerassen
En ’t vruchtbaare gebergt van Sinuesse. Indien
(10) Gy zelve iet beters hebt, zeg dat ik ’t kome zien:
Zo niet, kom gy by my. Hier is, om u te wachten,
Reeds alles kant en klaar. Ban slechts uit uw gedachten
Onwisse hoope, en zucht naar rijkdom, vaak bedeesd,
En Moschus rechtsgeding. ’t Is morgen Cezars feest.
(15) Dan magmen slaapen, en geen mensch zal ’t ons verwijten,
Dies laat ons deezen nacht te saam in vreugde slijten,
En rekken ’t onderhoud tot d’ opgang van den dag.
Wat baat hem ’t goed geluk, die ’t niet gebruiken mag?
Hy, die zich armelijk belijden wil en kwellen,
(20) Om zijne kindren op een’ gouden berg te stellen,
Is zinneloos en dwaas. Ik zelf zal de eerste zijn,
Die bloemen strooien zal, en drinken u den wijn
Uit volle schaalen toe; al wierde ik ook bevonden
Te weezen by de vreugd wat los en ongebonden.
[p. 170]
(25) Wat werkt de dronkenschap, wat voert de wijn niet uit?
Ze ontdekt het diepst geheim, dat elk in ’t hart besluit:
Zy stelt ons in ’t bezit van alles wat wy hoopen:
Zy doet den bloodsten uil met moed ten strijde loopen:
Zy strijkt de kreuken uit het hoofd, de zorg van ’t hart;
(30) En leert den weetniet zelf wat oit geweeten werdt:
Zy maakt elk meester in ’t welspreeken en ’t welzingen;
En doet hem, die niet veel in ’t lijf heeft, luchtig springen,
Ik zelf zal williglijk, en wél, bezorgen ’t geen
Gy wachten moogt van my: datge om de beddekleên,
(35) En ’t verder tafelgoed, bemorst met vuile vlekken,
Uw’ neus niet onder ’t maal, zult hoeven vies te trekken:
Datge u in schotels en in bekers spieglen kunt:
Dat niemand onder ons een plaatse werd’ vergund,
Die aan de klokreep hange, en overal doe klinken,
(40) Wat onder vrienden wordt gesproken by het drinken:
En eindelijk, dat elk geplaatst werde aan den disch
Naast zulken, daar hy zelf best meê te vreden is.
Ook wacht ik Butra en Septicius, beneven
Sabinus; zo dees niet zijn woord reeds heeft gegeeven,
(45) Noch opgehouden wordt door haar, die hy bemint.
’k Heb ook noch plaatsen leeg voor meer dan eenen vrind:
[p. 171]
Maar ’t is te warm, om al te naauw te zijn gezeten;
Dat neemt den honger weg. Gy, laat my spoedig weeten,
Hoe sterk gy weezen wilt; en, denkende om geen kwaad,
(50) Ontslip door de achterdeur, wie aan de voordeur staat.


ZESDE BRIEF.

AAN

NUMICIUS.

Numicius, zich noit verwonderen, is schier
Het eenigst middel, dat de stervelingen hier
Gelukkig maaken kan. Daar is ’er, die de starren
En zon en maan, die noit in haaren loop verwarren;
(5) Die de onderscheidene saizoenen van het jaar,
De tijd van hunne beurt waarneemende op een hair,
Aanschouwen zonder iets te vreezen of te denken.
Wat denkt gy van het geene ons ’t aardrijk komt te schenken?
Wat van de zee, die Arabier en Indiaan
(10) Verrijkt? wat van ’s volks gunst, van Schouwburg, Perk, en Baan?
Op welk een wijs, met wat gedachten, welk een weezen
Ziet gy dit alles aan? Zy, die weer alles vreezen
[
p. 172]
Wat hiermee strijdig is, verwondren zich niet min
Dan hy, die iets begeert. bei zynze ontroerd van zin,
(15) Zo dikwils zy iets zien het welk zy niet verwachtten.
’t Zij iemand wensche, of vreeze; uitbarste in droeve klagten,
Of in een’ blijden lach; verschilt niet veel, indien
Hy met verbaazinge en met schrik komt aan te zien,
Al wat hem voorkomt, ’t zij ’t hem mede valle, of tegen.
(20) Die zulks tot billijkheid en wijsheid is genegen,
Dat hy ook daarin zelfs geen perk en houdt noch maat,
Mag wel onbillijk en onwijs geschat zijn. Gaat,
Gaat heen nu, en beschouwt met eerbied, wat wy maaken
Van zilver of van steen; verwondert u om ’t blaaken
(25) Van Tyrus purper, en ’t gesteente dat niet breekt.
Verblijd, verheug u vrij, zo menigmaal gy spreekt,
Dat duizend oogen staan op u alleen te staaren;
Gaa ’s morgens naar de markt, daar al de lui vergaaren,
En ’s avonds laat naar huis; opdat u Mutus, stout
(30) Op de inkomst van veel lands sints dat hy is getrouwd,
In magt niet overtreff’, wijl ’t schand zou zijn te hooren,
Dat hy uit zo gering en slecht een’ stam geboren,
U meerder, dan gy hem, verwonderlijk zou zijn.
Wat onder de aarde is, zal de tijd eens in den schijn
[p. 173]
(35) Der zonne brengen; wat nu blinkt, eens weer begraaven.
Als de Appiaansche weg u langgenoeg zag draaven
Langs zijne vlakte, als u Agrippaas gallery
Voor ’t allerlaatste heeft zien wandelen; zult gy
Toch eindlijk moeten gaan langs de onderaardsche stroomen,
(40) Daar Numa reeds voorlang met Ankus is gekomen.
    Zo u de pleuris steekt, of zo ’t graveel u kwelt;
Zie naar een middel uit, waardoor gy werdt hersteld.
Wenscht gy, en wie toch zou niet wenschen, wel te leeven?
Indien de Deugd alleen bekwaam is, zulks te geeven;
(45) Zo volg haar, en vergeet al ’t ijdele vermaak.
    Of, is de Deugd by u een ijdel woord, geen zaak,
En acht gy ’t heilig woud niet meer dan simple boomen?
Gaa, loop, vlieg: maak dat u geen andren voor en komen,
Om al wat dierbaars wordt gevoerd van overzee,
(50) Te krijgen in uw magt: verzaamel u een, twee,
]a drie millioenen schats; en houd niet op van zwoegen,
Tot datge by de drie een vierde komt te voegen.
Want toch de Geldgodin geeft ons een rijke vrouw
En vrienden, en verstand, en adeldom, en trouw.
(55) Schoonte en welspreekendheid omsingelen de wooning
Van eenen rijken man. Gy, wees niet als de koning
[p. 174]
Van Cappadocien, die zeer veel slaaven, maar
Zeer weinig gelds bezit. Het wordt verhaald voor waar,
Hoe dat Lucullus eens verzocht werdt en gebeeden,
(60) Dat hy den schouwburg wou voorzien van honderd kleeden.
Van honderd kleeden? ’t is by loo geen kleine zaak.
’k Zal,
zegt hy, evenwel bezien, hoe ik het maak,
En zenden ’er zo veel, als ik ’er weet te vinden.

Niet lang daarna schreef hy aan een’ van zijne vrinden,
(65) Hy hadt’er nu omtrent vijf duizend, daarze een deel
Van krijgen konden, naar ’t hun goeddacht, of ’t geheel.
Het is een schamel huis, daar niets is overvloedig;
En daar een handgaauw, die kloekzinnig is en moedig,
Niet vaak iets neemen kan dat de eigenaar noit mist.
(70) Maakt ons dan ’t geld alleen gelukkig; spaar geen list,
Om onophoudelijk te woekren en te schraapen.
    Hebt gy van nooden, om gelukkig te gaan slaapen,
Dat u de burgery beminne, en eere, en roem’?
Voorzie u van een’ slaaf, die u elk burger noem’
(75) By zijnen eigen naam; en geeve u stil een teeken,
Wien gy uw rechte hand voor andren toe moet steeken;
Wie dat in elke wijk het grootst vermogen heeft,
En d’ elpenbeenen stoel en bondelbijlen geeft
[p. 175]
En afneemt wien hy wil. treedt gy zulk eenen nader,
(80) Zo noem hem, met een’ lach, uw’ Broeder, of uw’ Vader,
Naar d’ ouderdom, dien gy kunt speuren dat hy heeft.
    Indien hy, die wel eet en drinkt, alleen wel leeft;
Zo geef toch uwer keel geen redenen van klaagen,
Maar gaa, voor dag voor dauw, uit visschen, vliegen, jaagen,
(85) Als eer Gargilius, wiens volk des morgens vroeg
Al ’t jagttuig langs de markt voor yders oogen droeg,
Om ’s avonds, in ’t gezigt van burgeren en heeren,
Met een gekocht wildzwijn grootmoedig weer te keeren.
Begeevenwe ons in ’t bad met eene volle maag,
(90) Eer ’t eeten is verteerd; dat niemand onzer vraag’,
Wat passe of niet en pass’, maar leeve, als stondt hy mede
Op Cerees burgerlijst; en naar de wet en zede
Van ’t snood gezelschap van Ulysses, dat de kust
Zijns vaderlands versmaadde om een’ verbooden lust.
(95)     Zo gy, naar ’t oordeel van Mimnermus, ondertusschen
Niet aangenaams en vindt, dan lieven, streelen, kussen;
Zo leef in ’t kussen, en vermaak u in ’t gestreel.
    Leef, en vaar hiermee wel. Weet gy wat beters, deel
Me uw lessen rustig mede, ik zal u dankbaar weezen:
(100) Maar zo gy ’t niet en weet, bedien u dan van deezen.



[p. 176]

ZEVENDE BRIEF.

AAN

MECENAS.

’k Had u beloofd, alleen vijf dagen, langer niet,
Te blijven op het land; en ben ’er, alsge ziet,
Nochtans de heele maand Sextilis uit gebleeven.
Zo gy, Mecenas, wilt, dat ik gezond blijf leeven,
(5) Staa my die vrijheid toe, wanneer ik ben bevreesd
Voor ziekte, die gy my, ziek zijnde, altijd beweest:
Voornaamlijk, nu de droogte en hitte deezer dagen
Veel menschen werpt te bedde, en naar het graf doet draagen;
Teerhartige ouderen voor hunnen lieveling
(10) Beducht zijn; koopgewoel, en nijdig rechtsgeding
Geduurig koorts op koorts aanbrengen, en midsdeezen
Veel testamenten doen ontzegelen en leezen.
Wanneer de winter met zijn’ sneeuw ’t Albaansche land
Bedekt heeft, dan zal zich uw dichter naar den kant
(15) Der zee begeeven; en, wel dicht ineen gedrongen,
Zich hoeden, dat hy van de kou niet werd’ besprongen.
[
p. 177]
Maar als de lente ons door den zoelen westenwind
Weer toegeblaazen wordt, dan komt hy u, mijn Vrind,
Zo ’t u belieft, weer by. Ik zeg het, u ten prijze;
(20) Gy hebt my rijk gemaakt: maar op eene andre wijze,
Dan die Calabrier, die zijne gasten badt
En noodde in deezer voege. Ik bid u, eet noch wat.
k Heb mijn bekomst. Neem toch wat mee van deeze peeren.
Ik ben u dankbaar. Wilze uit mijnen naam vereeren
(25) Aan uwe kinderen.
’k Ben u verpligt, niet min
Dan of ik alles had genooten. Doe uw’ zin:
Mijn verkens zullen zich daar anders aan verzaaden.

Een kwistgoed en een zot vereeren ’t geen zy smaaden
En haaten. dit, dit is de reên, datm’ overal
(30) Zo veel ondankbren vindt, en altijd vinden zal.
Een wijs en eerlijk man geeft gaarne iets aan de geenen
Die zulks verdienen. doch men moet daarom niet meenen,
Dat hy geen onderscheid van goud en koper weet.
Ik zal my ’t goede, ’t welk gy my tot hiertoe deedt,
(35) En noch doet, waardiglijk gedraagen te allen tijde.
Maar, zo gy nimmer my wilt toestaan, van uw zijde
Te wijken voor een poos; geef my dan de oude kracht,
Dat enge voorhoofd, en zwart hair, wel eer geacht,
[p. 178]
Geef my dien lieven lach, geef my dat minlijk spreeken,
(40) Geef my dan alles weer, wat my nu is ontweeken,
En wat ik eertijds had, toen ik niet duldde, dat
De dartle Cynaré aan iemands zijde zat.
Een magre Veldmuis, die vast rammelde van honger,
Vondt ergens by geval een’ korf met graan, en drong ’er
(45) Door eene naauwe reet met moeiten in, en vrat
Haar buikje dik en vol, zodat zy ’t naauwe gat,
Waardoor zy inkwam, nu niet weder uit kon komen.
Een Wezelken, die ’t zag, heeft haar dus voorgenomen.
Gy kwaamt ’er mager in, nu kuntg’er vet niet uit.
(50) Wil iemand, dat ik zelf hierdoor werde aangeduid;
Zo staa ik alles af. Ik ben het niet, die ’t rustig
Geslaap des volks benijde, omdat ik zelve, onlustig
En zat van spijze, niet kan slaapen: ik ben ’t niet,
Die om al ’t werreldsch goed mijn vrijheid graag verliet.
(55) Gy hebt mijn zedigheid voorheene dik gepreezen.
’k Heb u, als mijnen Heer en Vader, eer beweezen,
’t Zij dat ik by u was, of elders. Nu wel aan,
Neem eens een proef, of ik ’t gegeevene af kan staan.
Telemachus zei wel: Ik dank u voor uw paarden,
(60) O Zoon van Atreus; want zy konnen toch niet aarden

[p. 179]
Op ’t eiland Ithaca, dat geene vlakten heeft,
Maar ruw en heuvlig is, en weinig voedsel geeft.
Bewaar dan liever zelf ’t geen u te pas kan komen.

Den kleinen voegt het kleine. In ’t vorstelijke Romen
(65) Vind ik die ruste niet, waaraan ik ben gewend
In ’t vreedsaam Tibur, of in ’t weereloos Tarent.
    De strenge en dappere Philippus, wel bedreeven
In ’t pleiten, meenende zich t’ huiswaarts te begeeven,
Door zijne bezigheen vermoeid, als ook door ’t gaan,
(70) Zag, zegtmen, onderweeg, een vrijgemaakten staan
In ’t huis van een’ barbier, daar hy zijn nagels schrapte:
Gaa, zei hy tot zijn’ knecht, die aanstonds heenestapte,
Gaa, vraag, en zeg my; uit wat huis, wie, van wat staat,
Wiens zoon, of gunsteling, die man mag zijn.
Hy gaat,
(75) En keert terstond te rug, en doet zijn’ meester weeten,
Dat deeze man Voltejus Menas was geheeten;
Dat hy Stadsbode was, niet rijkelijk begoed,
Van eerelijke lui gesprooten en gevoed;
Dat hy zeer licht verliet wat kwaalijk was begonnen,
(80) En wel gebruikte wat hy deugdlijk hadt gewonnen;
Dat hy zich best verheugde aan zijnen eigen haard
Met vrienden, hem gelijk van aanzien en van aard;
[p. 180]
En somtijds ook wel eens, na ’t afdoen zijner zaaken,
Of in den Schouwburg, of in ’t Veld, zich gong vermaaken.
(85) ’k Wil uit zijn’ eigen mond verstaan, ’t geen gy my meldt.
Gaa, noodig hem te gast.
Maar Menas, heel ontsteld,
Weet niet, wat hy hiervan moet denken of gelooven;
En zegt, dat hy van daag geen tijd heeft om te hooven.
Hoe? my te weigren! zegt Philippus, om wat reên?
(90) Omdat hy u versmaadt, of bang is; een van tween.
Philippus, ’s andren daags, komt Menas op te loopen,
Terwijl hy bezig was, oud ijzer te verkoopen
Aan ’t graauw; en groet hem eerst. Hy, weder dus verrast,
Ontschuldigt zich, dat hy, gedrongen door den last
(95) Van zijne bezigheen, en daagelijksche zaaken,
Hem noch geen compliment aan huis hadt komen maaken;
Als mede, dat hy hem niet de eerste hadt gezien.
’k Vergeef het u, antwoordt Philippus hem, indien
Gy nu mijn gast wilt zijn, en my niet meer verachten.

(100) Zo ’t u belieft. ’k Zal u dan over driën wachten:
Gaa nu, en doe, wat u te doen staat, zo ’t behoort.

De tijd van eeten komt. Voltejus houdt zijn woord,
En zet zich aan den disch, en raakt nu mede aan ’t praaten,
En zegt, en doet veel, dat hy beter hadt gelaaten;
[p. 181]
(105) Tot datmen hem op ’t laatst een vriendlijk afscheid geeft.
Terwijl hy, als een visch, rondom den angel zweeft,
Des morgens dienaar speelt, en ’s avonds mee blijft eeten,
Zo krijgt hy orde, om mee naar ’t land te gaan. Gezeten
Op wagen of op paard, vliegt hy alom en rent,
(110) En prijst de landstreek der Sabijnen zonder end.
Philippus ziet het; en dit zien kan hem gelusten.
En wijl hy eengen tijd in stilheid wilde rusten,
En zich vermaaken, schenkt hy Menas, tot zijn deel,
Driehonderd gulden, en belooft hem noch zo veel,
(115) Indien hy voor dat geld een stukje lands wil koopen.
Om nu den draad van dit verhaal wat op te knoopen:
Voltejus koopt het, en van steêman wordt hy boer
Nu droomt hy niet by nacht, dan ’t geen hem’s daag weervoer.
Hy praat niet anders dan van planten en van ploegen;
(120) Vervaardigt olmen, om zijn wijngaards aan te voegen;
Vermoeit, en mat zich af door al te groot een vlijt,
En maakt zich grijs, om rijk te worden voor den tijd.
Maar toen zijn veldgewas door ’t onweêr lag bedorven;
Zijn jonge lammeren hem dagelijks ontstorven;
(125) Een snoode buurman hem somtijds een geit ontdroeg,
En hy zijn ossen dood zach vallen voor den ploeg;
[p. 182]
Toen overrekende hy menigmaal de waarde
Van zijn verlies en schade, en zette zich te paarde
In ’t midden van den nacht, en kwam, geheel ontdaan,
(130) Aan ’t huis van zijnen heer. Philippus zag hem aan,
En ziende zijn gelaat zo naar, en ongeschooren,
Sprak: Gy komtme alte noest, alte yverig te vooren.
Zo gy my met mijn’ naam wilt noemen, zegt hy, Baas;
Zo noem my liever ongelukkig, zot en dwaas.

(135) By uw’ Geleigeest, by uw rechterhand en goden,
’k Bezweer, ik bid u, wil op staanden voet my dooden,
Of stel my wederom in mijnen eersten staat.

    Die eens gewaar wordt, dat hy ’t goed verliet om ’t kwaad,
Die keer by tijds te rugge, eer hy zulks gansch vergeete.
(140) ’t Is recht, dat elk zich met zijn eigen voetmaat meete.


ACHTSTE BRIEF.

AAN

CELSUS ALBINOVANUS.

Gaa, mijne Zanggodin, en wensch Albinovaan,
Die met Tiberius als Schrijver is gegaan,
[
p. 183]
Dat hy zich vrolijk maake, en weldoe. Wil hy weeten,
Op welk een wijs de tijd van my hier wordt gesleeten;
(5) Zeg, datmen zich misschien van my wat goeds verbeeldt,
Doch dat my alles, wat ik zie of doe, verveelt:
Geenszins, omdat een bui van hagel kwam te drijven
Op mijne wijngaarden; de hitte mijne olijven
Verzengd heeft; of dat zich mijn vee, ver van de hand,
(10) Verteert, en kwijnen gaat in een vermagerd land.
Maar daarom, omdat ik, veel sterker en gezonder
Van lighaam, dan van geest (al schijnt het hem een wonder)
Niets doen, niets hooren wil, dat my geneezen kan:
De beste medicijns versmaade; een’ afkeer van
(15) Mijn trouwste vrienden heb, die al hun moeite spillen,
Om mijne doodlijke zwaarhoofdigheid te stillen:
Omdat ik volge wat my schaadlijk is, en vlie
Het geen my nut kon zijn: zoras ik Romen zie,
Naar Tibur weer verlange; en naauwlijks ben gekomen
(20) Op mijne buitenplaats, of weer verlang naar Romen.
Als gy dit alles hem verteld hebt en verklaard,
Zo vraag hem, wat hy doet, en hoe hy zelf al vaart:
Of hem de jonge Prins, en Adel, wat mag lijden?
Antwoordt hy, Wel: zo wil u eerst daarom verblijden,
[p. 184]
(25) En bijt hem voorts in ’t oor: Zo alsge, o Celsus, nu
U schikt naar uwen staat, zo schikkenwe ons naar u.


NEGENDE BRIEF.

AAN

CLAUDIUS NERO.

Het schijnt, dat niemand, dan Septimius, recht weet,
O Claudius, hoe vaakge uw gunst aan my besteedt.
Want als hy my verzoekt, en dwingt door stadig smeeken,
Dat ik, voor hem, by u een gunstig woord wil spreeken,
(5) En hem beveelen in uw vriendschap, als een’ man,
Die waardig is, met u, wien niet dan eerlijk kan
Behaagen, om te gaan, en daaglijks te verkeeren:
Wanneer hy denkt, dat gy niet minder my wilt eeren,
Dan den gemeenzaamsten van uwe vrienden; ziet
(10) Hy beter, dan ik zelf, wat ik vermoge of niet.
Ik deed wel wat ik kon, om deezen last te schouwen;
Maar vreesde, dat hy my verdacht zou konnen houwen,
Alsof ik mijne kracht verminderde in den schijn,
En niemand, dan my zelf, ten nutte wilde zijn.
[
p. 185]
(15) Hierom verstoutte ik my, uit vreeze van een slimmer,
Eens van mijn leeven onbeschaamd te zijn. Zoge immer
vergaaft een’ misslag, die uit vriendschap was gedaan;
Acht deezen vroom en trouw, en neem hem daarvoor aan.


TIENDE BRIEF.

AAN

FUSCUS ARISTIUS.

Ik, die op ’t eenzaam land mijn grootst genoegen vind,
Wensch Fuscus, die de stad, en ’t oog van ’t volk, bemint,
Geluk en voorspoed. hierin is ’t dat wy verschillen,
Die anderszins het zelfde of willen, of niet willen,
(5) In alles eensgezind; niet anders dan een paar
Gewende duiven: gy bewaart het nest: ik vaar
Uit speelemeien langs bosschaadjen en waaranden,
En klippen dicht bemost, en verschgeploegde landen.
Wat vraagtge? ik leef en heersch vernoegd, en blij te moê,
(10) Sints ik verliet, ’t geen gy verheft ten hemel toe:
En slacht den lekkren slaaf des Priesters, die, na ’t vluchten,
Geen Offerkoeken meer mag ruiken nochte luchten,
[
p. 186]
En zich aan brood genoegt. Indien het voorschrift van
De eenvoudige Natuur een regel strekken kan
(15) Om naar te leeven; en men eerst een erf moet zoeken,
Wanneermen denkt een huis te bouwen; in wat hoeken
Der werreld vondt gy, tot dien einde, beter stand,
Natuurelijker plaats, dan op ’t gezegend land?
Waar zijn de winters toch verdraaglijker en zoeler?
(20) Waar is de lucht zo frisch? waar zijn de zomers koeler;
Ook dan, als ’t Hondsgestarnte en ’t branden van den Leeuw
Op t allerfelste woedt? waar stoort onnut geschreeuw
En zorgelijke nijd den zachten slaap zo zelden?
Of blinken minder fraai de bloemen op de velden,
(25) Dan ’t gladde marmer uwer vloeren? is het nat,
Dat gy door middel van een dak, of van een plat,
In looden gooten vangt, waarlangs gy ’t neer doet zakken
In ’t naauw en eng bestek van uwe regenbakken;
Zo zuiver en zo klaar, als ’t geenmen vloeien ziet,
(30) Als ’t geenmen ruisschen hoort, in eenen heldren vliet?
Waarom plant gy ’t geboomte ook tusschen de gebouwen,
Dan om, zelfs in de stad, een’ zweem van’t land te aanschouwen?
Zo prijst men ook een huis, dat langs het vrye veld
Een open uitzigt heeft. Verdrijf vrij met geweld,
[p. 187]
(35) Met vorken, zogy wilt, de neiging der Natuure;
Gy doodt haar nimmermeer: zy zal zich te eenger uure
Weer maaken meesteres van uw’ bedorven lust,
En walgelijken smaak. Een koopman, onbewust
Hoe ’t valsche purper van Aquinum menigmaalen
(40) Voor ’t rechte Tyrische verkocht wordt, kan licht dwaalen;
Maar grooter zwaarigheid haalt hy zich op den hals,
Die goed niet scheiden kan van kwaad, noch waar van valsch.
Die zich in voorspoed niet kan maatigen noch toomen,
Zal ook zijn tegenspoed niet licht te boven komen.
(45) Verwondertge u om iets; gy scheidt ’er noode van.
Vlied alle grootheid. in een kleine wooning kan
En zalmen meerder rust, meer vergenoegen vinden
Dan in eens konings hof, of onder ’s konings vrinden.
Een Hert verdreef een Paard uit een’ gemeenen beemd.
(50) ’t Verwonnen dier, geperst door spijt en schaamte, neemt
Zijn toevlucht, smeekende tot een ervaaren Ruiter;
Den teugel in zijn’ bek. dus valt het den vrijbuiter
Met eenen nieuwen moed al briesschende op het lijf,
En jaagt hem op zijn beurt ter weide uit, fors en stijf.
(55) ’t Hadt nu het veld alleen, en wou den Ruiter danken.
Maar deeze slaat het met de spooren in de flanken:
[p. 188]
En, of het schopte of sprong, het hieldt, na deezen trek,
Den man op zijnen rug, den toom in zijnen bek.
Zo moet ook dikwils, die van armoe vreest te sterven,
(60) Zijn vrijheid, meerder waard dan alle schatten, derven;
Hy draagt een’ meester, die hem ringeloort en kwelt,
Wijl hy niet leeven kon van middelmatig geld.
’t Goed, dat wy hebben, is, zo wy ’t niet welgebruiken,
Gelijk een schoen, die ons, is hy te wijd, doet struiken,
(65) Is hy te naauw, van pijn doet klaagen. Zoge u voegt
Naar uwen staat, zo leeftge, ô Fuscus, vergenoegd.
Doe zulks: en laat ook my niet onbestraft vertrekken,
Indienge in my een’ schijn van hebzucht kunt ontdekken,
Of zo ik meerder, dan my noodig is, vergaar.
(70) Het geld gehoorzaamt of gebiedt zyn’ meester: maar
’t Is beter, dat het volg, wat harder of wat zachter,
Dan dat het speel den baas. Dit schrijf ik u van achter
Den ouden tempel van Vacuna; daar my niet
Ontbreekt, dan dat mijn oog Aristius niet ziet.


[p. 189]

ELFDE BRIEF.

AAN

BULLATIUS.

Hoe is u Chios, hoe is Lesbos u bevallen?
Hoe ’t sierlijk Samos? hoe de straaten en de wallen
Van Smyrne, en Colophon, en Sardis, Crezus hof?
Voldeeden zy, mijn Vriend, aan uw verwachting? of
(5) Voldeeden zy u niet? Zaagtge iets in vreemde rijken
By Mavors Veld, by ’s Tibers boorden te gelijken?
Of vindt gy meer vermaak in de Aziaansche steên?
Of prijstge Lebedus, omdat uw moede leên
Naar rust verlangen? kent gy Lebedus? ik meene
(10) Die wijk, noch eenzaamer dan Gabie of Fidene:
Daar zoude ik echter konnen leeven, uit het oog
En harte van de mijne, en aanzien van het droog
Het bulderen der zee, en golven niet te toomen.
Maar hy, die op den weg van Capua naar Romen
(15) Eens in den modder viel, wenscht daarom echter niet,-
In de eerste herreberg te woonen die hy ziet.
[
p. 190]
En hy, die eens door kou gevreesd heeft te bevriezen,
Zal straks de stooven en de baden niet verkiezen
Als plaatsen, daarm’ alleen gelukkig leeven kan.
(20) Gy ook, omdat gy op de Egeesche baaren van
Een’ eisselijken storm verrast zijt en beloopen,
Zult des aan de overzijde uw vaartuig niet verkoopen.
Hy, die te Rome wel gezien is, en te vreên,
Verlangt naar Rhodos en het fraaie Mityleen,
(25) Als hy des winters doet naar ’s Tibers kille stroomen,
Of ’s zomers naar den haard. Gy, keer dan weer naar Romen,
Terwijl u ’t goed geluk begunstigt, en beschrijf
Ons hier op ’t leevendigste uw aangenaam verblijf
In Samos, Chios, en in Rhodos. Neem al de uuren,
(30) Die God u ’t leeven en gelukkig zijn doet duuren,
Met eene dankbre hand; en stel geen jaaren uit
’t Goed, datge hebben kunt, zorasge ’er toe besluit:
Opdat gy zeggen moogt, datge altijd wel te vreden
Geleefd hebt, waar ter plaats ge oit waart. Want zo de reden
(35) En wijsheid, niet de plaats daar iemand zich bevindt,
Al hadtze ook over zee een uitgestrekt bewind,
De zorgen drijft van ’t hart; zo kanmen licht bepeizen,
Dat zy, die over zee naar verre landen reizen,
[p. 191]
Van lucht wel, maar geenszins verandren van gemoed.
(40) Een strenge vadzigheid vermoeid ons. deeze doet
Dat wy te wagen, en te scheep, in alle hoeken
Naar zachte rust, en een gelukkig leeven zoeken.
Maar ’t geen gy zoekt, is hier, is overal; indien
Wy onze driften slechts niet volgen, maar gebien.


TWALEFDE BRIEF.

AAN

ICCIUS.

Zo gy de goederen, de welke Agrippa heeft
In ’t eiland van Sicielje, en waarvan hy u geeft
De vruchten te innen, wel gebruikt; zo moogt gy denken,
Dat Jupiter u zelf geen’ grooter schat kan schenken.
(5) Klaag dan niet langer. Hy ’s niet arrem, neen gewis,
Die heeft tot zijn gebruik, zo veel hem noodig is.
Zo gy van buiten dan geen koude, noch van binnen
Geen’ honger lijdt, en hebt, tot streeling uwer zinnen,
Al wat gy zelf begeert; zo kan geen konings goed
(10) Iets toedoen tot uw heil. Zo gy, in overvloed
[
p. 192]
Gezeten, u vernoegt met kruiden tot uw spijze,
Met water tot uw’ drank; zo leeftge op eene wijze,
Dat gy niet beter zoudt, ofschoon’er met gedruis
Een gouden regenvlaag kwam storten op uw huis:
(15) Het zij omdat het geld ons’ aard niet kan verkeeren;
Of dat gy, om de deugd, al ’t andre wilt ontbeeren.
Verwondren wy ons, dat Democritus aan ’t vee
Zijn erf ten besten gaf, als zich zijn ziel ontdeê
Van ’t logge lighaam, om ten hemel op te vliegen?
(20) Daar gy, in ’t midden van het liegen en bedriegen,
En duizend smetten, door de geldzucht voortgebragt,
De wijsheid naarspoort, en ’t verhevene betracht:
En zoekt wat de oorzaak zij, dat noit de zee haar paalen,
Te buiten treedt; of ’t klaar gestarnte in ’t wild loopt dwaalen,
(25) Dan of het zijnen loop naar zeker voorschrift wendt;
Wat hand zo wijsselijk de jaargetijden ment;
Waarom de maan zich toont zo vol veranderingen;
Wat toch die strijdige overeenkomst aller dingen
Uitwerken wil of zal; en of Empedocles,
(30) Dan of Stertinius ons voorschreef beter les.
Maar ’t zij een rijke disch, of sobre, u kan behaagen,
Houd Grosphus voor uw’ vriend; en komt hy iets te vraagen,
[p. 193]
Staa ’t hem gewillig toe; want Grosphus is te oprecht
Om iets te vraagen, dat hem nutter wierde ontzegt.
(35) Daar bloeit een vruchtbaare oogst van degelijke vrinden,
Als eerelijke lui in armoe zich bevinden.
    Opdat nochtans de staat van ons gemeenebest
Aan u niet onbekend en blijf; zo weet voor ’t lest,
Dat Spanje door Agrip is uit het veld geslagen;
(40) Armenien ’t gebied met vrees heeft opgedraagen
Aan Nero Claudius; van wien Phraätes weer
De kroon en scepter heeft ontvangen, voor hem neer
Geboogen op de knien. Italie allerwegen
Geniet een’ overvloed van rijkdom en van zegen


DERTIENDE BRIEF.

AAN

VINIUS ASELLA.

Gaa, breng Augustus dees gezegelde papieren;
En overhandigze in zodaaniger manieren,
Als ik u, Vinius, nu dik te vooren las:
Te weeten, zo gy hem moogt vinden wel te pas,
[
p. 194]
(5) En in een goede luim; en hy ’er naar wil vraagen:
Opdat uw yver my geen reden geef tot klaagen,
Noch uw voorbaarigheid het gansche werk verbrui.
Maar zo mijn schriften u (ik weet gy valt wat lui)
Misschien verveelen: werpze liever hier of ginder
(10) In eenen hoek; dan datge, en my en u tot hinder,
Ter plaatse daar gy u behoorlijk moest ontlaân,
Uw’ last ter aarde neer zoudt smijten; en voortaan
Een sprookje worden by het volk; en moeten hooren,
Dat gy een Ezel, en van Ezels, zijt geboren.
(15) Gebruik voorts al uw kracht langs water, berg en dal,
En toon een fier gelaat, wie u ontmoeten zal.
In ’t eind gekomen, daar u Cezar zal doen nadren,
Zo draag, gelijk ik u geweezen heb, dees bladren
In uwe rechterhand, als gy te hoof zult gaan.
(20) Opdatge met een boek niet onder de oksels aan
Koomt stappen, als een boer zijn lam draagt; of de volle
En dronken Pyrrhia een pak gestolen wolle;
Of als een huisman zijn pantoffelen en hoed,
Wanneer hy in de Stad te gast gaat welgemoed.
(25) Vertel aan niemand ook, en wil u niet beklaagen,
Dat gy op uwen weg gezweet hebt door het draagen
[p. 195]
Dier vaarzen, die het oor van Cezar noch eerlang
Vermaaken zullen. ’k Heb gedaan: gy, ga uw’ gang.
Vaar wel. ’t Is mislijk wat een’ mensch al kan ontmoeten:
(30) Zo gy niet struiklen wilt, kijk somtijds naar uw voeten.


VEERTIENDE BRIEF.

AAN ZIJNEN

BOUWMAN.

Gy, wien ik de opzigt van mijn landgoed heb gegeeven,
Daar ik, van ’t steedsch gewoel vermoeid, als mag herleeven,
Maar gy u zelf verveelt: bezienwe eens van naby,
Wie onzer ’t onkruid best wist uit te rooien; gy,
(5) Uit mijnen hof; ik, uit mijn harte: en wie van deezen,
Of Flaccus, of zijn land, in beter staat mag weezen.
Hoewel my Lamia, die troostloos zucht en treurt
Om ’s broeders dood, van hem te ontijdig afgescheurd,
Doet blijven in de stad; ’k ben echter niet te stuiten,
(10) Of vlieg met hart en ziel verlangende naar buiten,
En wenschte, zo ik mogt, door stadig overleg,
Al wat my wederhoudt, te ruimen uit den weg.
[
p. 196]
Ik noem gelukkig, die op ’t land; gy daarentegen,
Die in de stad woont. Die zich voelt te zijn genegen
(15) Te treeden in een’ staat, waarin hy andren ziet,
Vernoegt zich zekerlijk met zijnen eigen niet.
Maar beide zijnwe dwaas, dat wy, alte ongeduldig,
Zulks wijten aan de plaatse: ons eigen hart is schuldig,
Dat nerregens den last ontvlien kan, die ’t bezwaart.
(20) Toenge in de stad een van mijn minste slaaven waart,
Verlangde gy naar ’t land. Nu’t land uw oog moest streelen,
Wenscht gy weer naar de stad, haar baden, en haar spelen.
Gy weet, dat ik my zelf altijd gelijke, en niet
Naar Romen trekke, dan met weerzin en verdriet,
(25) En uit noodzaaklijkheid. ’t Zijn niet de zelfde zaaken,
Daar wy ons daaglijks om verwondren, en naar haaken.
Dit is ’t dat tusschen ons maakt zulk een groot geschil.
Want plaatsen, die gy noemt ongastvrij, doodsch en stil,
Noemt, die met my is van de zellefde gedachten,
(30) Bekoorelijk; en haat, die hy u hoog ziet achten.
Het is de kroeg, het is ’t bordeel, dat u zo zeer
Doet wenschen naar de stad; omdat mijn landgoed eer
Of heeten peper zal, of geurig wierook, kweeken,
Dan smaakelijken wijn: omdatge ook in die streeken
[p. 197]
(35) Geen herberg vindt, daar gy kunt gaan om sterken drank;
Geen fluitespeelster, op wier dertelenden zangk
Gy danssende den grond moogt hijgen doen en zwoegen.
En nochtans moetge ’t land bewerken en beploegen,
Den arbeidsaamen os ontheffen van het juk,
(40) Van hooi en stroo voorzien: en zo by ongeluk
De stroom, tot groote schaa der nieuwbezaaide landen,
Te zeer aan ’t zwellen raakt; dan moetge uw luie handen
Eerst steeken uit de mouw, om ’t snelle water, met
Een’ opgeworpen dam, te houden in zijn wed.
(45)     Hoor nu, wat de oorzaak zij van ons verschil, zo ’k meene.
Ik, dien het prachtigst kleed, ’t gekrulde hair voorheene
Niet kwaalijk voegden; die der gierge Cynare
Met leege handen zelfs behaagen kon; en mee
Zo graag als iemand by de vreugd was en de vrinden,
(50) Zodat ik menigmaal ter nood mijn bed kon vinden:
Doe nu een sober maal, en slaap gerust in ’t gras.
Ik schaam my niet, dat ik voorheen wat speelziek was;
Maar zou my schaamen, zo ik ’t spel noch niet kon laaten.
Ik zie ’er geen, die my benijden, die my haaten,
(55) Of achter mijnen rug belastren ’t geen ik doe.
Integendeel, ik zie hen lachen, blij te moe,
[p. 198]
Wanneer ik bezig ben met spitten en met graaven.
Maar uw verlangen strekt, om met mijne andren slaaven
Te spijzen in de stad, zo mager als gy weet
(60) Dat zy het hebben. hun integendeel is ’t leed,
Dat zy in uwe plaats, dien ’t echter kan verdrieten,
’t Gebruik van hout, en vee, en tuinmoes niet genieten.
De Os wenscht naar ’t zaal; ’t Paard naar den ploeg: ’t is bei verkeerd.
Elk hieldt zich best, dunkt my, by ’t geen hy heeft geleerd.


VIJFTIENDE BRIEF.

AAN

C. NUMONIUS VALA.

Gy zult my, Vala, op het vriendelijkst verpligten,
Zo gy my eenigszins omstandig wilt berichten,
Wat lucht men tot Salerne, of binnen Velia,
Inademe; hoe ’t volk in dat gewest bestaa;
(5) En hoe de wegen zijn. (want Musa heeft de baden
Van ’t warme Baje my geheel en al ontraaden:
Zodat de Bajers my reeds haaten, omdat ik,
Zelfs in het midden van den winter, niet en schrik
[
p. 199]
Voor ’t koude water. Die hun sulferige stooven,
(10) Wier kracht de traage jicht geneest, zo zy gelooven,
En myrtenbosch versmaadt, en in het tegendeel
Naar koude baden vraagt, dien mintmen hier niet veel.
’k Moet dan veranderen van plaatse, en elders heenen,
En drijven ’t paard, het welk somtijds vergeefs zal meenen
(15) Te peisteren, voorby de stallen, daar het moê
Te rusten plag. of ik dan roepe? Waar naar toe?
’k Moet noch naar Kume, noch naar Baje:
’t zal niet hooren
Noch luistren naar mijn reên. want paarden hebben ooren
In hun getoomden bek.) Doe my met een verstaan,
(20) Waar dat de inwoonders zijn voorzien van ’t meeste graan,
En of zy klaare bron, of regenwater, drinken.
(’k Denk met den landwijn daar mijn hoofd niet ziek te klinken.
Als ’k by my zelven ben, dan proef ik niet zo naauw,
En drink met smaak, het geen ik hebbe: maar zo gaauw
(25) Ik aan den zeekant kom, ben ik gesteld op wijnen
Die zwaar en lijvig zijn; die my de zorg en pijnen
Afdrijven van het hart, mijne aderen van bloed
Doen zwellen, en van hoope en blijschap mijn gemoed;
Opdat my, wat ik zeg, wat ik my onderwinde,
(30) ’t Lukaansche Jufferschap niet onbehaaglijk vinde.)
[p. 200]
Voor ’t laatste, meld my, waar de grootste menigte is
Van haazen, zwijnenvleesch, en uitgezochte visch;
Opdat ikme in dat land zo ruim, zo lekker, toeve,
Dat ’k op mijn wederkomst voor geen’ Pheacer hoeve
(35) Te wijken. Menius, nadat hy metter spoed
Verteerd hadt aan den disch al zijner oudren goed,
Gong eindelijk voor Nar en Tafelbezem speelen;
Waardoor hy toegang in de keuken kreeg by veelen.
Men vondt hem overal, want hy hadt veel van doen,
(40) En eene krib was niet genoeg om ’t beest te voên.
Zolang zijn holle buik geen voedsel konde vinden,
Wist hy geen onderscheid van vyanden of vrinden,
En scholdt, en lasterde elk; en dreigde, en zwoer wel duur,
Hy zou de gansche hal leeg maaken in een uur,
(45) En alles, wat hy kon bemagtigen, verslinden,
Zodatmen zelfs daarna geen been zou ovrig vinden.
Dees, als hy weinig, of wel niets, gevonden hadt
By zijn begunstigers*, zo liep hy heene, en vrat,
Van ’t geenmen anders op de straat werpt voor de honden,
(50) Meer dan tien doggen oit op eene reis verslonden.
Dan zeide hy: Men moest eens brengen in gebruik,
De lekkerbekken te brandmerken op hun’ buik.

[p. 201]
Maar deeze zelfde man hadt naauwelijks, gezeten
Aan eenen rijken disch, zich vol en rond gegeeten,
(55) Of sprak: By Herkules! ’t is zulken wonder niet,
Datmen in deeze stad zo veele menschen ziet,
Die, eertijds grootsch en rijk, zich naakt en arrem klooven.
Want wat is smaaklijker, wat aangenaamer, boven
Een vette lijster, of een weldoorvoede zeug?

(60) Dees Menius ben ik. als my geen lekkre teug
Van wijn gebeuren mag, vernoeg ik my met water.
Dan is de maatigheid mijn leidsvrouw; en ik praat ’er
Zo goed als iemand van. Maar zit ik aan een’ disch,
Volop voorzien van al wat duur en lekker is,
(65) Dan moet ik u alleen wijs en gelukkig heeten,
Die geldsgenoeg bezit om altijd lekker te eeten.



ZESTIENDE BRIEF.

AAN

QUINTIUS.

ZO gy, o Quintius, begeerig zijt te hooren,
Of my mijn bouwland kan voorzien van eigen kooren
[
p. 202]
En of mijne olie-, wijn-, en boom-gaarden, en gras
My renten geeven uit hun jaarelijks gewas:
(5) Zo zal ik u een schets van mijne rustplaats geeven,
En haar gelegenheid beschrijven naar het leeven.
Gy ziet al bergen, naar wat kant ge uwe oogen leidt,
Behalve een vlakte, dieze van elkander scheidt;
Een dichtbesloten dal, dat van de rechte zijde
(10) Nochtans de morgenzon ziet rijzen, frisch en blijde;
Die, als zy rood van gloed in ’t westen nederdaalt,
Het zelve wederom ter linker zij bestraalt.
De lucht is hier gezond en frisch. Wat zoudtge zeggen,
Zoge u de pruimen en kornoeljen op de heggen
(15) Van verre aanlagchen zaagt? indienge van naby
Mogt zien, hoe ’t eikenloof mijn vee met spijze, my
Met koele lommer dient? gy beeldde u in, de lente
Te zien op ’t allerfchoonste in ’t lommerrijk Tarente.
Niet ver vandaar ontspringt een kristallijnen bron,
(20) Waarvan de naaste vliet zijn’ naam ontleenen kon.
Geen Hebrus stroomt zo koel en helder langs zijn randen
In Thracien, als dees door mijn gebied en landen,
Gezond voor maage en hoofd. Deeze is de schuilplaats, dit
Het veilige vertrek, daar ik gedoken zit,
[p. 203]
(25) Wanneer de herrefstmaand veel menschen maakt tot lijken.
    Wat u belangt, mijn vriend, gy hoeft geen’ mensch te wijken,
Indien uw leevenswijs beantwoordt uw gerucht.
Gansch Romen noemde u lang gelukkig. maar ik ducht,
Datge u gelukkig acht om ’t zeggen van uw vrinden,
(30) Meer dan omdat gy ’t komt met waarheid te ondervinden;
En mooglijk u verbeeldt, dat iemand anders, dan
Een wijs en eerlijk mensch, gelukkig heeten kan.
Zoudt gy, indien het volk u poogde wijs te maaken,
Dat gy wel sterk waart en gezond, de koorts verzaaken,
(35) Die gy inwendig voelde, en zetten u met al
”t Gezelschap aan den disch, totdat by ongeval
Het kwaad zo toenam, dat gy ijlings moest vertrekken?
Het is een zotte schaamt, zijn wonden te bedekken,
Eer die verbonden zijn. Als iemand uw beleid
(40) Te water en te lande, uw’ moed en dapperheid
In slag op slag betoond, alomme prees, en zeide:
Jupijn, die Rome en U ten top van glorie leidde,
Beslisse noit, of u het welzijn van den staat,
Dan of uw welzijn hun het meest ter harten gaat:

(45) Zoudt gy niet zeggen: Gaa, zo moetge Augustus roemen?
Als u de luiden wijs, en vroom, en eerlijk, noemen,
[p. 204]
Vindt gy zulks waar te zijn in ’t binnenste uws gemoeds?
’k Beken, de naam van wijs en eerlijk heeft iet zoets.
Maar dien het heden lust, my zulk een’ naam te geeven,
(50) Die kan op morgen my dien weer ontneemen: even
Als hyme ontneemen zoude een amt, dat hyme eerst gaf,
Zo ik ’t onwaardig was: ’t Is ’t mijn’, zegt hy; leg af:
Ik moet gehoorzaam zijn, en heenegaan, en zwichten.
Maar zo die zelfde my in ’t aanzigt durft betichten
(55) Van ontucht, dievery, straatschennis, brand of moord;
Zal ik ontstellen, of verbleeken, op dat woord?
O neen. geloof my vrij, zy zijn noch niet geneezen,
Die zoeken valschen lof, of valschen laster vreezen.
Wie is een eerlijk man? zo gy het weet, zo zeg ’t.
(60) Hy, die zijn’ handel naar de wetten schikt en ’t recht;
Zich willig onderwerpt aan keuren en plakaaten;
Aan wiens bescheidenheid elk graag wil overlaaten
Zijn twist met anderen; met wiens getuigenis
En borgtogt yder, wie hy zij, te vreden is.

(65) ’t Is veel, dat gy daar zegt. maar ’k zal u zulk een’ wijzen,
Dien noch zijn buuren, noch zijn huisgenooten prijzen
Die zich in ’t openbaar vertoont met eenen schijn
Van deugden, die by hem t’ huis niet te vinden zijn.
[p. 205]
Indien mijn slaaf my zegt; Ik heb u niets ontnomen:
(70) Ik zeg ’er tegen: Dus is over u gekomen
Een geesseling te min. Ik stortte nimmer bloed:
En daarom hangt gy niet. Maar zegt hy; Ik ben goed
En eerelijk:
dat is ’t geen ik noit toe zal stemmen.
De sparwer vreest den strik, gezet om hem te klemmen;
(75) Een oude wolf den kuil. de vroomen haaten ’t kwaad
Uit liefde tot de deugd; daar gy het kwaade laat
Uit vreeze voor de straf. geen kwaad, dat gy zoudt schroomen,
Indien gy wist, dat ik daar niet zoude achterkomen.
Want of gy my ontsteelt van duizenden maar een,
(80) De schade is wel min groot, maar ’t kwaad niet meerder kleen.
Die eerelijke man, die yder kan behaagen,
Heeft naauwelijks den goôn zijn offer opgedraagen,
En luidskeels uitgeschreeuwd, o Janus! o Apol!
Of mompelt binnens monds: Laverna, zwarte kol!
(85) Geef, dat ik ongestraft mag liegen en bedriegen;
De werreld door een’ schijn van deugd in slaap mag wiegen:
Bedek mijn misdaân met een’ nevel, en verspreid
Een’ akeligen nacht op mijne trouwloosheid!

Ik zie niet, hoe een vrek, die in ’t gezigt van allen
(90) Opraapen durft een duit, op straat in ’t slijk gevallen,
[p. 206]
Van beter staat zij dan een slaaf, of meerder vrij.
Want wie begeert, die vreest; en die steeds vreest, schijnt my
Niet vrij te zijn. Hy heeft zijn wapens weg gesmeeten,
Zijn’ post verroekeloosd, en zijnen pligt vergeeten,
(95) Die zich steeds afmat in ’t vermeerdren van zijn goed.
Breng uw’ gevangen niet om ’t leeven, koel van bloed,
Zolang ’er iemand is, die hem van u wil koopen.
Daar staat van zijnen dienst noch eenig nut te hoopen.
Hy ploege de akkers om, of hoede ’t wollig vee,
(100) Of gaa te scheepe, en reize als koopman over zee,
Of zorge om ’t rijp gewas in schuuren op te leggen.
Een wijs en eerlijk man zal moedig durven zeggen:
Gy Pentheus, heerscher der Thebaanen, wat zult gy
My aandoen, onverdiend, door uwe tyranny?

(105) ’k Verklaar uw goed verbeurd. Mijn huizen, vee, en landen,
En geld? ’t is alles tot uw’ dienst.
’k Zal u aan handen
En voeten kluisteren, en smijten in een gat,
Daar zon noch maan en schijnt. Doe zo, en alles wat
Gy meer kunt vinden, tot verzwaaring van mijn lijden:
(110) Maar God zal my, zoras ik wil, van u bevrijden.

’k Zal sterven, meent hy. want de dood toch is ’t besluit,
En de allerlaatste stip, daar alles loopt op uit.



[p. 207]

ZEVENTIENDE BRIEF.

AAN

SCEVA.

Schoon gy niet noodig hebt, dat ik u kome leeren,
En zelf weet, hoemen met zijn meerdren moet verkeeren;
Versmaad, o Sceva, niet, te hooren, wat een vrind,
Die zelf noch leeren moet, en nut en eerlijk vindt.
(5) En schoon een blinde u schijnt den weg te willen wijzen,
Zie toe, of hy iets zegt, dat gy zoudt mogen prijzen,
En dat u naderhand te passe komen mag.
    Gelust het u, een gat te slaapen in den dag,
Te leeven stil en vrij; verveelt uw’ ooren ’t raazen
(10) Van eindeloos gerid, of ’t klinken van de glazen
In kroeg en herberg; zo begeef u, op mijn woord,
Naar Ferentinum, daar gy ’t een noch ’t ander hoort,
En lang kunt slaapen. want naar zijn vermaak te leeven,
Is zekerlijk alleen den rijken niet gegeeven.
(15) Daar sterft ’er menig, onbekend, en ongeacht,
Die zijne dagen heeft niet kwaalijk doorgebragt.
[
p. 208]
Maar zijtge integendeel begeerig, om uw’ neeven
Ten nut te zijn, en zelf wat rijkelijk te leeven;
Zo geef u aan het hof van eenig magtig heer.
(20) Zo Aristippus, sprak Diogenes weleer,
Zich met een schotel moes geleerd hadt te belijden,
Hy zou den ommegang met groote heeren mijden.
Indien Diogenes,
sprak Aristippus toen,
Geleerd hadt om te gaan met luiden van fatsoen,
(25) Hy zou zijn schotel moes gemakkelijk vergeeten.

Met wien van deeze twee houdt gy’t? laat my zulks weeten:
Of gy, die jonger zijt, gun dat ik u ontvouw,
Waarom dat ik het liefst met Aristippus houw.
Want dus, gelijkmen zegt, ontdook hy ’t harrewarren
(30) Des Hondschen Albedils: Wy speelen bei voor narren:
Ik doe ’t, tot voordeel van my zelf; gy, tot vermaak
Van ’t slechte volk. dat is voorwaar geen breede zaak.
Aanzienelijker is ’t, dat ik, te paard gezeten
Mijn beenen niet vermoeie, en met een’ Prins mag eeten.
(35) k Doe my en andren dienst: terwijl gy, alsge pracht
En bedelt om een niet, maakt dat u elk veracht;
En schoon gy voorgeeft onafhangkelijk te leeven,
Die geen’ naar de oogen ziet, die u somtijds wat geeven.

[p. 209]
Hy schikte zich naar elk en alles, zo hy ’t vondt,
(40) Altijd te vreên, schoon hy altijd naar beter stondt.
Daar ’t my zou wonder doen, zo de ander, stijf van blikken,
Zich tot een’ beter staat in ’t minst zou konnen schikken.
De een zal niet wachten, totmen hem een deftig kleed
Vereere; wat hy ook aan ’t lighaam heeft, hy treedt
(45) Gerust en vrolijk toe, en toont door zijn genoegen,
Dat hy zo wel naar ’t een als ’t ander zich kan voegen.
Daar de ander banger is voor eenig zijden kleed,
Dan voor een’ dollen hond; en liever koude leedt,
Dan zijn’ gelapten jas een oogenblik te derven.
(50) Laat hy hem houden, en in zijne dwaasheid sterven.
    Te keeren uit het veld, gekroond met lauwerblaân,
Verwonnen vyanden in ketenen te slaan,
Is grootsch, en schijnt Jupijn zeer weinig toe te geeven.
Den braafsten mannen te behaagen in dit leeven
(55) Is geen geringe lof. maar ’t staat aan elk niet vrij,
De stad Corinthen te beschouwen van naby.
Die bang is, dat hem dit of dat niet wel zal slaagen,
Ziet daarvan af: ’t is goed. Een tweede durft het waagen,
En wordt ’er meester van: is dat niet beter? wis.
(60) Hier ligt het geen ik zoek, indien het ergens is.
[p. 210]
Dees vreest zijn hand te slaan aan eenig werk, te lastig
Voor krachten niet zeer kloek, voor harten niet standvastig.
Een ander vat het aan, en voert het loflijk uit.
Zo is dan of de Deugd een klank, die niets beduidt;
(65) Of deeze, die met moed dorst proeven zijne krachten,
Verdient alle eer en lof, die immer Deugd mogt wachten.
    Die by zijn’ rijken vriend van armoe zelden klaagt,
Zal meer verwerven, dan de geen die altijd vraagt.
’t Scheelt veel, met schaamte iets aan te neemen, of te rooven.
(70) Deeze is de spil van ’t werk, zo gy my wilt gelooven.
Die zegt: Mijn zuster zou wel trouwen, hadtze geld.
Mijn moeder, die is arm; mijn landgoed slecht gesteld,
En onverkoopelijk:
doet even of hy zeide,
Geef, geef my onderhoud. Een ander, die slecht beidde
(75) Naar deezen toon, vervolgt het lied, dat gy begost:
En ik heb werksgenoeg te komen aan den kost.
Maar zo de Raave, alsze at, kon zwijgen, zy hadt tevens
En meerder spijze, en min krakkeels en tegenstreevens.
    Die door een’ deftig heer, voor al zijne andre maats,
(80) Verzocht wordt mee te gaan naar zijne buitenplaats,
En klaagt van regen, wind of koude, ineen gedooken;
Of zeggen durft, dat zijn valies is opgebroken,
[p. 211]
En dat hem alles, wat daarin was, gansch en gaar
Ontstolen is; die aapt de hoerenstreeken naar,
(85) Die dikwils schreien om een’ koussenband of keten,
Die niemand haar ontstal. Doch elk behoort te weeten,
Dat, die door logens eens een eerlijk mensch bedriegt,
Ook dan niet wordt geloofd, wanneer hy niet en liegt.


ACHTTIENDE BRIEF.

AAN

LOLLIUS.

Gy zult, ô Lollius, kenne ik u anders recht,
Als gy een vriend wilt zijn, niet maaken, datmen zegt,
Dat gy een vleier schijnt in uw gedrag of reden.
Zo veel eene eerbre vrouw van hoeren, vuil van zeden,
(5) Zo veel verschilt een vriend van vleiers, valsch van aard.
Een andre fout is, doch niet min bestraffens waard,
Een boersche ruwheid, die met zwarte en scherpe tanden
En vriend en vyand bijt, en yder aan durft randen,
Zich noemend, waare deugd en openhartigheid.
(10) Deugd is het middelpunt, dat twee ondeugden scheidt.
De een, altezeer tot onderdaanigheid genegen,
En op het laagste bed ter tafel aangelegen,
[
p. 212]
Ziet eenen rijken heer naar de oogen, zo bedeesd,
Vangt al zijn woorden, en herhaaltze, zo bevreesd,
(15) Datge u verbeelden zoudt te zien een’ zoeten jongen,
Die, wat zijn meester klapt, straks naarklapt, onbedwongen;
Of eenen Speeler, die een minder rol verbeeldt,
En zijne toonen schikt naar hem, die de eerste speelt.
Een ander zal, het zij hy waarheid hoore, of logen,
(20) Elk tegenspreeken, met een’ yver, die ten oogen
Hem uitstraalt: My geloof te weigeren? aan my?
Wat dorperheid is dit? Ik zeg ’t, en blijf ’er by.
Zoude ik niet zeggen, wat my dunkt, en kan behaagen?
’k Had liever, datmen my begroef in weinig dagen.

(25) Vraagt gy, wat de oorzaak zij van deeze oploopendheid?
Men twijffelt welk een weg den reizer ’t naaste leidt
Naar Brindes, de Appische? of Minucische? wie vaster
En fikser schermen kan, of Docilis? of Castor?
    Wie zijne goedren heeft met vrouwen doorgebragt,
(30) Of met den tareling; wie boven zijne magt
En staat zich kleedt en zalft; wie zich niet kan genoegen
Met zijnen rijkdom, naar zijne armoe zich niet voegen,
En altijd iets begeert; dien haat en vreest gewis
Een rijke vriend, die zelf licht tienmaal slimmer is:
[p. 213]
(35) Of, zo hy hem niet haat, hy zit ’er overheenen,
Bedilt al wat hy doet, en schijnt in ’t eind te meenen
(Gelijk een moeder, die haar kindren lief heeft) dat,
Al wie oit de eer van zijne gunst en vriendschap hadt,
In wijsheid en in deugd hem gaan moet ver te boven;
(40) En spreekt schier waarheid, als hy zegt: Wil my gelooven,
Ik kan mijn schande licht bedekken met mijn geld.
Die dat niet heeft, dien voegt het zwijgen.
Men vertelt,
Dat, als Eutrapelus arglistig hadt beslooten,
Den een’ of ander’ in zijn wis bederf te stooten,
(45) Hy hem een koffer zondt vol kleedren stijf van goud.
Want, dacht hy, als de man zich zelven dus beschouwt
En in den spiegel ziet, hy zal zich niet meer kennen;
Hy zal zich tot de weelde, en wijn, en slaap, gewennen,
En denken, dat hy, die zo prachtig is gedoscht,
(50) Niet hoeft te zorgen, en van ’t werken is verlost:
Tot dat hy ’t weinige, dat hy noch hadt, verteerd heeft,
En maatige arremoede in groot gebrek verkeerd heeft.
    Gy, onderzoek niet, wat Hy u verzwijgen wil:
En, heeft hy iets aan u vertrouwd, zo houd het stil,
(55) Ook dan, wanneer gy zijt verhit van wijn of tooren.
Prijs niet ontijdig, wat uw zinnen kan bekooren,
[p. 214]
Noch laak het geene daar zijn zinlijkheid toe strekt.
Als hy, voor dag voor dauw, des morgens vroeg u wekt,
Om mee ter jagt te gaan; zo blijf niet op uw kamer,
(60) Omdat u ’t leezen of het dichten aangenaamer
Dan ’t jaagen is. Dit bluschte eertijds het liefdevier
Der tweelingbroederen, Amphion, die de lier
Hanteerde, en Zethus, die een woester leeven leidde:
Dit was ’t, dat voor een tijd hun harten deelde en scheidde:
(65) Tot dat Amphion, die de rekkelijkste was,
De luit hong aan de wand, en deeze wond genas.
Gy, wederstreef dan niet de vleiende bevelen
Eens achtbren vriends, die zijn vermaak met u wil deelen;
Maar volg hem, waar hy gaat, door duin, door veld, door veen,
(70) Opdat gy, nevens hem, moogt eeten van het geen
Gy zelf gevangen hebt. Want zekerlijk is ’t jaagen
Een eerlijk tijdverdrijf, het welk ons graage maagen,
En rappe leden geeft; voornaamlijk u, mijn vrind,
Die ’t zwijn in kracht, den hond in snelheid, overwint;
(75) En in het handelen van schild en speer en degen
Uw weergaa nimmer vondt. Gy weet, hoe aller wegen
Het volk u toejuicht, alsge in ’t Veld uw’ moed betoont.
Ook hebtge in uwe jeugd den oorlog by gewoond;
[p. 215]
En met den veldheer, die de tekens onzer schanden,
(80) Veroverde Adelaars, gelost heeft uit de handen
Der Parthen, en, wat Rome oit kwijt gong, noch herstelt,
Den trotsen Spanjaard meê geslaagen uit het veld.
Ook zoektge, in tijd van vreede, uw’ moed steeds op te wekken,
En, om u geen gevaar in tijd van nood te onttrekken,
(85) Zo speelt gy menigmaal, wanneer gy zijt op ’t land,
En oeffent te gelijk uw krachten en verstand.
Hier deelt uw leger zich in twee gelijke vlooten.
De kielen, aangevoerd door jonge manschap, stooten
Geweldig tegen een, met kloek beleid bestierd,
(90) Alsof by Actium op nieuws gevochten wierdt.
Gy, en uw broeder, zijt de hoofden van weerzijden.
Het lak verbeeldt het meer van Hadria. Dit strijden
Duurt zo lang, tot de zege een’ van uw beiden kroont.
Hy, die bemerkt, datge u niet ongenegen toont
(95) Tot zijn liefhebbery zal aanstonds de uwe prijzen.
    Doch staa my toe: dat ik u voorts moge onderwijzen,
Schoon u noch onderwijs noch weetenschap ontbreekt.
Zie toe, zo wel van wien, als ook tot wien, gy spreekt.
Wacht u voor vraagers; dat zijn snappers: en by de ooren,
(100) Die altijd gaapen, om wat nieuws te mogen hooren,
[p. 216]
Bevindtmen meerendeels een tong, wat los en vlug:
En ’t eens gesproken woord keert nimmermeer te rug.
Laat u geen dienstmaagd van een magtig heer behaagen;
Opdat, zo hyze aan u mogt komen op te draagen,
(105) Gy, tot zo slecht een’ prijs, uw vrijheid niet verbeurt;
Noch, zo hyze u ontzegt, om zijne weigring treurt.
Wacht u ook, iemand in zijn gunst te willen dringen,
Dien gy niet grondig kent; opdatge in veele dingen
U niet te schaamen hoeft om ’t geen een ander doet.
(110) De schijn bedriegt ons, en wy houden wel voor goed,
Die ’t inderdaad niet is. verdeedig dan geen’ kwaaden.
Maar weetge dat hy wordt met laster overlaaden,
En kent gy hem voor een oprecht en eerlijk man,
Zo laat niets wat tot zijn bescherming dienen kan.
(115) Die uwen besten vriend durft in zijne eere raaken,
Zal ’t, lukt het hem, eerlang met u niet beter maaken.
Want als uws buurmans huis begint te branden, geldt
Het u; en ’t vuur, dat niet gebluscht wordt, wint steeds veld.
Der Grooten vriendschap schijnt van verre iet fraais te weezen,
(120) Terwijl haar, dieze van naby bezagen, vreezen.
Gy, die nu dobbert op de golven, zie wel toe,
Dat u geen tegenwind te rugge keeren doe.
[p. 217]
Die droevig is van geest, vermaakt zich by geen blijden;
Een minnaar van de vreugd mag geen bedrukten lijden;
(125) Een leevendige vliedt hen die zwaarmoedig zijn;
En is hun, op zijn beurt, tot kwelling en tot pijn;
Een dronkaard haat een’vriend, die hem bescheid durft weigren,
Uit vreeze dat de wijn hem naar het hoofd mogt steigren,
En hy den ganschen nacht niet slaapen. Toon vooral
(130) Een vrolijk weezen, dat aan yder welgevall’.
Zo gy te zedig ziet, zo schijnt gy uw gedachten
Te ontveinzen; zo gy zwijgt, alle andren te verachten.
Maar, watge ook doen moogt, lees somtijds een leerzaam boek,
Gaa by geleerde lui om raad, en onderzoek,
(135) Op welk een wijze gy gerustelijk moogt leeven;
Opdatge niet gestaag ontroerd werdt noch gedreeven
Door een begeerlijkheid, die nimmer zich verzaadt;
Noch eene zekre vrees voor een onzeker kwaad
Uw harte toeschroef, noch een hoop op ijdle zaaken,
(140) Die niet bekwaam zijn u gelukkiger te maaken,
Te zeer ontsluite: of deugd een kunst zij, diemen leert,
Dan ofze een gaaf zij, die Natuur den mensch vereert:
Wat uwe zorgen kan verdrijven en verwinnen:
Wat u een stil gemoed kan geeven, wat u zinnen
[p. 218]
(145) Vervrolijken: en ofm’, om zulks te krijgen, moet
Voorzien zijn van een amt, of van veel geld en goed;
Of datmen ’t hebben kan, al leeftmen als vergeeten.
Wat meent gy, dat ik denke en bidde, als ik, gezeten
Verre uit der menschen oog, mijn’ lust scheppe in den vliet
(150) Digentia, die langs Mandéla heene schiet?
Dan wensch ik, dat ik moog behouden zonder hinder,
Het geen ik nu bezit, al waare ’t ook wat minder.
Dat ik het ovrige mijns leevens (zo aan my
Een ovrig leeven van de Goon beschooren zij)
(155) Moog leeven voor my zelf: dat my in geener wijze
Noch boeken tot vermaak, noch graangewas tot spijze,
Waarop ik een rond jaar gerustlijk teeren kan
En vrolijk zijn, om steeds niet af te hangen van
De losse hoop van ’t geen noch niet en is, ontbreeken.
(160) Maar ’t is genoeg, Jupijn te bidden en te smeeken
Om ’t geen hy geeft en neemt. hy geef my lijf en goed,
Ik zelf zal zorgen voor de rust van mijn gemoed.



[p. 219]

NEGENTIENDE BRIEF.

AAN

MECENAS.

Mecenas, zo ’k geloof mag geeven aan den ouden
Cratinus, zo zal noit een vaars stand konnen houden
Noch lang behaaglijk zijn, wiens maaker met den drank
Van water zich vernoegt. De Wijngod heeft voorlangk
(5) De Dichters, als vrij los en spooreloos van leeven,
By zijne Sateren en Faunen opgeschreeven.
De beste vaarzen rieken doorgaands naar den wijn.
De wijn zou van Homeer zo niet gepreezen zijn,
Hadt hy geen’ lust geschept in zijnen kroes te lichten.
(10) Zelfs vader Ennius begaf zich noit tot dichten,
Of hadt een’ halven gons. Dat eene drooge keel
Met een verward pleidooi den rechter vrij verveel,
Maar vrees mijne ooren te verveelen met haar zingen.
    Zo sprak ik naauwelijks, of ziet, de Dichters gingen
(15) Aan ’t drinken, wat elk mogt; en zaten, hoe verbuisd,
Geduurig, nacht en dag met bekers in de vuist.
Maar och wat baat het? schoonmen ’t voorhoofd plooi met rimplen,
Met bloote voeten gaa, en ’t lighaam met een’ simplen
[
p. 220]
En naauwen rok bedekke, als Cato deedt voorheen;
(20) Vertoontmen daardoor ook de deugden en de zeên
Van deezen wijzen man? wanneer in vroeger dagen
De tong van Timageen aan yder kon behaagen
Mids haar natuurlijkheid, wilde Iärbita hem
Naarvolgen, zo hy kon, en bootste zijne stem
(25) Gebaar en weezen naar; doch sprak zijn eigen woorden:
Waarom hy werdt bespot van allen, die hem hoorden.
Men volgt gevaarelijk het geen niet heel en al
Gezuiverd is van kwaad. Indien ik by geval
Wat bleek van weezen was, zy zouden zich verpijnen
(30) Komijn te drinken, om zo bleek als ik te schijnen.
Naarvolgers, slaafsch gebroed! wat heeft uw zotte taal
My menigmaal de gal doen kooken; menigmaal,
Doen lagchen in mijn vuist! Ik hield my niet te vreden,
Het spoor van anderen slaafachtig naar te treeden;
(35) Maar sloeg een veld in, daar ik voetspoor vond noch scherm.
Die op zich zelf betrouwt, is koning van den zwerm.
Ik leerde Latium den trant der Grieksche Iämben,
En volgde Archilochus, hoewel ik geen Lycamben
Tot wanhoop heb gebracht door mijne scherpe pen.
(40) Opdatmen my nochtans niet minder waardig kenn’
[p. 221]
Den lauwer dien ik draag, omdat ik zijne voeten
En trant van vaarzen hield; ik heb zulks willen boeten
Door die, daar ’t pas gaf, te schakeeren met den zwier
En mannelijken trant van Sapphoos eedle lier,
(45) En met de wijze van Alcéus. Hierin echter,
Vertoont hy zich in my eenvoudiger en slechter,
Dat zijne schentaal het geen’ schoonvaar maakt te bang,
Noch eenen strop draait, daar zijn bruid zich in verhang’.
Den deezen, nimmer noch van iemand naargezongen,
(50) Heb ik het allereerst doen rollen langs de tongen
Der Roomsche jufferschap en kenners van de kunst.
En nu verheugt het my, omdat dit nieuws met gunst
Alom ontvangen wordt by kleenen en by grooten.
Daar is ’er nochtans ook, die my voor ’t voorhoofd stooten,
(55) En in het openbaar als zetten op de kaak,
Terwijlze binnens huis my leezen met vermaak.
Waarom toch? omdat ik ’t gemeen, gewoon te draaien
Met alle winden, nu en dan niet zoek te paaien
Met eene maaltijd, of een halfversleeten kleed:
(60) Dat ik, hoewel verzocht, zeer zelden ben gereed,
In een vergadering van deftige Poëeten,
Naar hunne werken stip te luistren; of te zweeten
[p. 222]
Door ’t leezen van de mijne; en noit de kunst verstond
Van lettervitteren wat honigs om den mond
(65) Te smeeren. Hiervan al dat tieren, al dat woelen.
’k Heb goed te zeggen, om hun gramschap te doen koelen;
Mijn vaarzen zijn niet waard, dat ikze u hooren doe:
’k Verkoop geen stof voor goud.
Men duwt my aanstonds toe:
Gy scheert den gek met ons; bewaarende uwe werken
(70) Voor de ooren van Jupijn: maar weet dat wy ’t wel merken;
Gy streelt u zelve, en meent, of gy ’t ontkent of niet,
Dat, wat gy schrijft, alleen van melk en honig vliet.

Als ik dit hooren moet, zoude ik wel lagchen willen;
Maar heb het harte niet, en pak terstond mijn spillen,
(75) Eer deeze vrind my met zijn nagels kome aan boord.
Want uit zulk speelen komt verschil en gramschap voort;
Uit gramschap, eenmaal aan ’t bestier der rede onttoogen,
Eene eeuwge vyandschap, en vinnig ooreloogen.


TWINTIGSTE BRIEF.

AAN ZIJN

BOEK.

Mijn Boek, gy schijnt my toe, somtijds naar Janus en
Vertumnus uit te zien. Zo ’k niet bedroogen ben,
[
p. 223]
Verlangt gy mede, om glad en sierlijk uitgestreeken,
Een’ boekverkooper tot uw’ lof te hooren spreeken.
(5) Gy haat de sloten en de zegels al te zeer;
Wilt u in ’t openbaar vertoonen, en niet meer
Van weinigen gezien, van minder zijn geleezen:
Daartoe niet opgebragt. Wel, vlieg, daar gy wilt weezen;
Maar weet ook, dat aan u, alsge eens zijt uitgegaan,
(10) Het wederkeeren, hoe gy ’t wenscht, niet vrij zal staan.
Hoe dikwils zult gy dees lichtvaardigheid beklaagen,
Wanneer een leezer, dien gy meende te behaagen,
U met verachting zal voorbygaan; of, alleen
Doorloopen hebbende, weer rollen dicht ineen,
(15) En smijten in een’ hoek! Mag ik mijn drift vertrouwen,
’k Voorspel u, datmen u te Romen zal aanschouwen
Met gunst, zolang het kleed noch nieuw is, dat u dekt.
Maar als gy, door ’t gemeen behandeld en bevlekt,
Uw’ eersten luister derft, zult gy den motten strekken
(20) Tot spijze, of naar Ilerde of Utica vertrekken,
Geslaagen om een’ brief of schrift, meer waard dan gy.
Dan zal ik, ijdele vermaaner, doen als hy,
Die, als zijn ezel eens wat kromme sprongen maakte,
Zelf ’t beest jaagde in de gracht, daar ’t om den hals geraakte.
[p. 224]
(25) Want wie zal moeite doen, of treeden in geschil,
Om hem te spaaren, die zich zelf bederven wil?
Ook zal ’t gebeuren, dat u stamelende grijzen
Gebruiken zullen, om de kindren te onderwijzen
In ’t spellen, hier of daar in eenige achterstraat.
(30) Maar zomen, by geval, u vraagt naar mijnen staat;
Zo zeg, dat my, van eenen Vryeling geboren,
En nedrig opgevoed, de vrijheid kon bekooren;
En dat ik, drijvende op mijne eigen wieken stout,
Veele, edeler dan ik, hebbe onder my aanschoud:
(35) Opdat, het geene aan mijn geboorte niet gegeeven
Kan worden, aan mijn deugd mag worden toegeschreeven.
Zeg, dat ik de eersten van de stad niet heb mishaagd
In oorlog, noch in vrede En, zom’ u verder vraagt
Naar mijn’ persoon: ’k ben klein van lighaam, grijs van hairen,
(40) Verbrand van kleur, zo snel tot toorne, als tot bedaaren;
Ik worstelde met moed door veelerlei gevaar,
En was, toen ik dit schreef, ruim vier en veertig jaar.

EINDE VAN HET EERSTE BOEK.

Continue
[
p. 225]

BRIEVEN

VAN

Q. HORATIUS FLACCUS.

TWEEDE BOEK.
_______________________

EERSTE BRIEF.

AAN

AUGUSTUS.

O Cezar, die alleen den toom des rijks bestiert,
Italien alom door uwe zeden siert,
En door den nadruk van uw wapenen beveiligt,
En door de billijkheid van uwe wetten heiligt;
(5) Ik haalde op mijnen hals den laster van ’t gemeen,
Zo mijne rede u stoorde in uwe bezigheên.
    De bouwheer Romulus, en zy, wier heldre straalen,
Na eenen zwaaren storm, den zeeman adem haalen,
En weer herleeven doen; en Liber, die zijn’ voet,
(10) Zo blank als melk, besmette in ’t Indiaansche bloed;
Zijn, na veel heldendaan en een doorluchtig leeven,
Van elk gevierd, en in ’t getal der goôn verheven.
Maar toen zy ’t aardrijk en het menschelijk geslacht
Van ’t kwaade zuiverden; veele oorelogen zacht
[p. 226]
(15) Beslisten, het geweld afkeerden; steden bouwden,
En ’t land uitdeelden aan de burgeren; beschouwden
Die groote helden zelfs, niet zonder eenge smart,
Dat niet altijd de deugd naar recht vergolden werdt.
Hy, die met zijne knods de Hydra dorst bespringen,
(20) De wreedste monsters door zijn dapperheid kon dwingen,
Heeft ondervonden, dat de nijd, zolang men leeft,
Bezwaarlijk is te ontgaan. Want hy, die opwaarts streeft,
En boven anderen een’ eernaam heeft verworven,
Blinkt hun te sterk in ’t oog. maar als hy is gestorven,
(25) Dan mint, dan eertmen hem. Met u doen wy zo niet.
Wy looven uwe deugd, daar gy het hoort en ziet:
Wy yvren allen, om uw’ luister te vermeeren;
En rechten outers op, daar wy uw godheid eeren,
En zweeren by uw’ naam: een zaak, die noit voorheen
(30) Geschied is, noit hierna geschien zal, zo ik meen.
    Maar ’t volk, dat hierin wijs en billijk is te heeten,
Omdat het uw waardy zo net wist af te meeten,
Meet andre zaaken niet met zulk een juiste maat,
En evenredigheid; dewijl ’t verwerpt en haat
(35) Al wat niet komt van verre, of oud is eenige eeuwen.
’t Pleit zulks voor de ouden, dat het dwaasselijk durft schreeuwen,
[p. 227]
Dat de eerste wetten, die in ’t koper zijn gesneên;
De vreêverbonden, door de Koningen voorheen
Met Gabiër of met Sabijn gemaakt; de boeken,
(40) Waarin de Priesteren hun plegtigheden zoeken;
De harde vaarzen van de waarheidspellers; al
Niet anders zijn geweest dan zuivre hemelval.
Dat de oudste schriften, die wy hebben van de Achijven,
De besten zijn, is waar: maar zalmen daarom drijven,
(45) Dat zulks van de onzen ook voor waarheid zij geacht?
Zo mag ik lijden, dat de zon schijne in den nacht.
Wy zijn ten hoogsten top van weetenschap gekomen:
Wy zingen, schilderen, en worstelen te Romen
Zo goed, of beter danm’ in Griekenland oit deê.
(50) Zo de oudheid, even als de wijnen, zo ook meê
De vaarzen beter maakt; zo wenschte ik wel te weeten,
Hoe oud een vaars moet zijn, om goed te mogen heeten:
En of een schrijver*, die voor honderd jaaren storf,
Nu reeds den naam van oud, en van volmaakt verworf,
(55) Of noch geteld wordt by de nieuwen en de slechten.
Zo gy het weet, zo wil my, bid ik, onderrechten.
Oud is hy nu en goed, die honderd jaaren haalt.
Maar daar nu eene maand, of enkel jaar, aan faalt,
[p. 228]
Wat naam geeft gy aan deeze? en zult gy hen aanschouwen,
(60) Als goeden of als kwaân? als nieuwen of als ouwen?
Daar niet meer, dan een maand, of jaar, aan faalt; ik meen,
Dat men die voeglijk telt by de ouden.
’k Ben te vreên:
Maar schijnt het hier op jaar noch maanden aan te komen,
Zo werde ’er noch een jaar, en noch een, afgenomen,
(65) (Alsof men hair voor hair plukte uit een’ paardenstaart)
Tot datge my wel stip en duidelijk verklaart,
Waar ik het juiste perk kan vinden, en de paalen,
Opdat ik oud en nieuw leer scheiden zonder dwaalen:
Of liever, tot dat gy, die naar den ouderdom
(70) De deugd te schatten schijnt, beschaamd zult staan en stom,
Noch weeten, met wat glimp uw stelling te bekleeden.
    Den wijzen Ennius, dien dapperen, dien tweeden
Homerus (want zo is ’t, dat hy genoemd wordt, by
De fijnste kenneren van taal en poëzy)
(75) Deert weinig, zo het schijnt, dat wy, na zulke naamen,
Na zulke tijtels, ons van zijnen wege schaamen,
Als men by hem niet vindt, dat die verdienen kan.
Is Nevius niet in elks handen? wordt hy van
De meesten niet geroemd, schoon ’t zekerlijk geen goud is
(80) Al wat ’er by hem blinkt? maar heilig is, wat oud is.
[p. 229]
Vraagt iemand, wie de beste of slechtste zij? men zeit
Doorgaands, dat Accius om zijn hoogdraavendheid,
Pacuvius om zijn geleerdheid, wordt gepreezen:
Toont Plautus, dat hy Epicharmus heeft geleezen,
(85) Afranius niet min, dat hy Menander las:
Voorts, dat Cecilius in ’t kiezen beter was,
Maar weer Terentius in ’t schikken van de stoffen.
Dees zijn ’t, die, in hun soort, de een d’ andren, overtroffen;
Wier Blijspeldichten ’t volk en de eedle ridderschap
(90) Noch dagelijks vereert met vrolijk handgeklap.
Dees zijn ’t, die, sints den tijd van Livius tot heden
Voor dichters staan bekend. ’t Gemeen (’t waar zonder reden,
Indien ik anders sprak) gevoelt by wijlen recht:
Maar slaat ook dikwils mis. Wanneer ’t stoutmondig zegt,
(95) Dat de ouden overal recht doorgaan, noit bezwijken;
Dat niets hen overtreff’; niets met hun te gelijken,
Of op een’ zelfden dag te noemen zij; dan is ’t
Baarblijklijk, dat het zich te jammerlijk vergist.
Maar als ’t bekent, dat zy hier laf, en daar weer hard zijn,
(100) Dat hunne woorden nu verouderd, dan verward zijn;
Dan spreekt het, als ’t behoort. Niet dat ik, arme gast,
Al de oude strijken wil met eene zelfde kwast;
[p. 230]
Of Levius, wiens werk, hoewel van kleine waarde,
De straffe Orbilius my, in mijn jeugd, verklaarde,
(105) Uitmonstren uit den rei der Dichteren: o neen,
Dat is de meening* niet. ’k verwonder my alleen,
Wanneer ik hoor, dat hy geroemd wordt en gepreezen,
Als een, die waardig is, dat wy hem daaglijks leezen.
Want schoon hy hier of daar zich wel hebbe uitgedrukt;
(110) Of schoon hem nu en dan een vaars wel zij gelukt;
Moet daarom ’t gansche werk zijn tegen goud gewoogen?
Het valt my hard, als ik moet aanzien en gedoogen,
Dat iets veroordeeld wordt; geenszins, omdat het licht
En laf is; maar, omdat het onlangs is gedicht:
(115) En als men wil, dat ik in de ouden iets zal roemen,
’t Welk zy belachlijk in een’ nieuwen zouden noemen.
Wanneer ik twijflen durve, of onze Schouwburg wel
Of kwaalijk nu en dan gebruikt wordt, om een Spel
Van Atta voor het volk met luister te vertoonen;
(120) Dan konnen de oude lui mijn vrijheid niet verschoonen,
En noemen ’t schande, dat ik laaken durf het geen
Of door Ezopus of door Roscius voorheen
Zo kunstig is gespeeld. en vraagt gy naar de reden?
Zy laaken noode, ’t geenze eens goed te zijn beleeden;
[p. 231]
(125) En schaamen zich, dat hen, zo schrander, en nu grijs
Van hoogen ouderdom, een jonger onderwijz’.
Die tegenwoordig prijst wat Numa heeft geleezen,
Schijnt wel verstandiger dan gy of ik te weezen,
Hoewel hy ’t alzo min verstaat, als ik of gy.
(130) Ook is de reden van dat prijzen niet, dat hy
Den overleedenen die gunste zou bewijzen;
Maar, dat hy ons benijdt, en ’t onze niet wil prijzen.
Zo alle nieuwheid by de Grieken was beschouwd,
Gelijk zy is by ons; wat waar ’er nu toch oud?
(135) Wat boeken hadtmen nu, wat schriften, welke dichten,
Die ons vermaaken, en de jongheid konden stichten?
    Toen Griekenland, verlost van ’s oorlogs ijzren staf,
Zich aan de ledigheid ten vollen overgaf,
En door ’t genoegen gong tot overmaat van weelde,
(140) Vloog ’t dagelijks van ’t eene op ’t andere, en het speelde
Niet lang met ééne pop. Nu maakte het zijn werk
Eens van de Renbaan, dan eens weer van ’t Worstelperk:
Nu wilde ’t op ’t gehoor eens Treurspels liever zuchten;
Dan lagchen op ’t gezigt van Blijspel of van Kluchten:
(145) Nu gaf het duizenden voor eene Schildery;
Die weder kort daarna gezet werdt aan een zij
[p. 232]
Om voor een marmren Beeld, of kopren, plaats te maaken.
Zo zagmen ’t hondermaal naar nieuwigheden haaken,
Die ’t honderdmaal verworp: alsof het hadt verbeeld
(150) Een kind, dat op den schoot van zijne moeder speelt.
Wat mint, of haatmen nu, dat niet haast zal verkeeren?
Dat brengt de vrede meê, dien wy zo sterk begeeren.
    Het was gansch anders, datmen hier te leeven plag.
Men sprong ten bedde uit, voor het krieken van den dag;
(155) Men holp met goeden raad hem, die om raad kwam vraagen;
Men vreesde en was beducht zijn capitaal te waagen
Om hooger interest, men vraagde d’ ouderdom,
En zei der jongheid, wat de beste weg waare, om
Zijn middelen en staat geduurig te zien groeien,
(160) En schaadlijke overdaad en weelde te besnoeien.
Die goê gedachten van het volk zijn gansch verkeerd.
Nu worden zy alt’ saam door schrijfziekte overheerd.
De jongens niet alleen, maar zelfs de grijze vadren,
Bekranssen hunne kruin met groene klimopbladren,
(165) En leezen overluid hun vaarzen, daarze zijn
Gezeten aan den disch, nu bloozend van den wijn.
Ik zelf, die menigmaal met onbeschaamde kaaken
Belooven dorst, dat ik geen vaarzen meer zou maaken,
[p. 233]
Word logenachtiger bevonden dan een Parth,
(170) Als ik in noestigheid alle andre dichters tart,
En eer aan ’t schrijven gaa, dan ’t zonnelicht aan ’t rijzen.
Die in het stuurmanschap zich noit liet onderwijzen,
Houdt zijne hand van ’t roer; en die de krachten van
De kruiden niet en kent, geeftze aan geen’ zieken man.
(175) De dokters moeien zich met water te bekijken;
De smids met smeeden: maar wij armen, en wy rijken,
Bemoeien ons alt’ saam met schrijven op de maat.
    Wat deugden evenwel voortkomen uit dit kwaad,
En kleene zotheid, kunt gy hieruit licht ontdekken,
(180) Dat zelden een Poëet geteld wordt by de vrekken.
Hy mint de dichtkunst: die alleen streelt zijn gemoed.
’t Verbranden van een huis, ’t vermindren van zijn goed,
Het vluchten van een’ slaaf, zijn enkle beuzelingen,
Die hem niet hinderen, wanneer hy zit te zingen.
(185) Hy spreidt geen netten voor een’ makker, of een’ vrind,
Noch zoekt zijn nut, uit schaâ van een onmondig kind.
Hy weet met boonen en met gort zich te genoegen,
En zijnen mond naar beet van roggenbrood te voegen:
En schoon hy onbekwaam en traag is tot den strijd,
(190) Is dienstig voor de stad: zo gy met my belijdt,
[p. 234]
Dat groote zaaken, in haar’ saamenhang en orden,
Door kleinen menigmaal gevorderd konnen worden.
Een dichter vormt, en buigt, de tong eens tedren kinds,
En leert al vroeg het oor ontvlien, wat eenigszins
(195) Naar ontucht smaakt of riekt: voorts sterkt hy ’t harte in’t goede
Door zachte lessen; leert de boerscheid, en de woede
Van gramschap en van nijd vermijden: hy vermeldt
Wat ergens heerlijk is gedaan in stad of veld,
Tot onderwijzinge van zijne en laatere eeuwen:
(200) Hy troost de kranken; en hy hoort als de armen schreeuwen.
Wat zouden maagden, rein van zeden en van deugd,
Wat jongelingen, in ’t opluiken hunner jeugd,
Toch smeeken van de goôn, zo zy de hulp ontbeerden
Van dichters, kloek van geest, die hun de woorden leerden?
(205) De Reie roept om hulp, en wordt terstond verhoord.
Hun lieffelijk gebed, dat al de goôn bekoort,
Verwerft, na lange droogte, een’ aangenaamen regen;
Verdrijft de pest; verkeert het onheil in een’ zegen;
Verkwikt den burger met een’ goeden vreede; en troost
(210) Den landman, moe gewerkt, met eenen vruchtbren oogst.
De goôn des hemels, en des diepen afgronds, zwichten
Voor ’t vleiende geweld van smeekende gedichten.
[p. 235]
    De aloude landlui, kerk van handen, kloek van leên,
En met het weinge, dat hen voeden kon, te vreên,
(215) Verkwikten, als het graan gebragt was in de schuuren,
Hun lighaam en hun’ geest, op hoogtijd, met hun buuren,
En lieve kinderen, en vrouwen kuisch van zeên;
Al deelgenooten van hun werk en moeilijkheen:
En paaiden de Aarde met een vette zeug vol leevens,
(220) Sylvaan met witten melk, en hun’ Geleigeest tevens
Met bloemen en met wijn, gedachtig dat hun tijd
Geheel onzeker is, en schichtig heeneglijdt.
By dees gewoonte zijn de Fescennijnsche dichten,
Waarmeêze elkanderen al lagchende onderrichtten,
(225) Of somtijds ook wel eens beschimpten, allereerst
Gekomen in gebruik. Dees vrijheid, om het zeerst
Aanneemende van jaar tot jaar, strekte eerst tot weelde,
Zolang men zich bepaalde, en niet te grof en speelde.
Maar toenmen jok in ernst verkeerde, en onder spot
(230) Zijn’ naasten buuren scheen te steeken naar den strot,
En snoode lastertaal, die zich allengs vertoonde
En toenam, straffeloos de braafste luiden hoonde,
Was ’t tijd om toe te zien. die zich beleedigd vondt,
Betoonde haast, dat hy zulk speelen niet verstondt;
[p. 236]
(235) Die vrij geraakt was, dacht, dat men hem enkel borgde,
Waarom hy te gelijk voor zich en andren zorgde;
Zodat ’er eindelijk een wet kwam in het licht,
Verbiedende, eenig mensch in een naamroovend dicht
Te noemen. Door de vrees betoomd, en bang voor slagen,
(240) Verandren zy van toon, en zochten te behaagen,
Dieze eertijds lasterden. ’t Verwonnen Griekenland
Leide, op zijn beurt, den overwinnaar aan den band,
En bragt de kunsten, en de nutte weetenschappen
In ’t boersche Latium. Aldus raakte, als by trappen,
(245) Die Saturnijnsche wijs van dichten te eenemaal
In ongebruik, en week voor sierelijker taal:
Hoewelmen lang daarna, en nu noch, in de werken
Van onze dichters, vindt maar al te klaare merken
Der oude boerscheid, en verkeerdheid. want het was
(250) Noch lang, eer datmen hier de Grieksche dichters las.
Men leefde, na het woên der Punische oorelogen,
In vollen vrede, toenmen eerst heeft overwoogen,
Wat nut een’ dichter staa te wachten uit de les
Van Thespis, Eschylus, en wijzen Sophocles.
(255) In’t einde werdt’er ook gevonden, die het waagden,
De Grieksche dichters te vertaalen. dees behaagden
[p. 237]
Terstond, als van natuur hoogdraavende, en vol geest:
Want treurstijl voegt ons wel; ook zijnwe altijd geweest
Gelukkig in het geenwe ons dorsten onderwinden.
(260) Maar hierin zijnwe dwaas, dat wy niet goed en vinden,
Te schaaven iets, ’t welk ons ontviel in de eerste drift,
Uit vreeze van een vlak te maaken in ons schrift.
    Men acht het weinig moeite, een Blijspel op te maaken,
Omdat daarin wel meest gehandeld wordt van zaaken,
(265) Die laag zijn en gemeen. maar hoemen ’t min verschoont,
Hoe ’t meerder werks vereischt. Hoe leevendig vertoont
En schildert Plautus ons een’ jongeling, te bijster
Verlegen op een woord van zijn doortrapte vrijster;
Een roffiaan, die elk belaagt, en niemand borgt;
(270) Of eenen vader, die zijn huisgezin bezorgt?
Wien moet integendeel Dossennus niet verveelen
Met zijne vraaten, diemen vindt in al zijn spelen;
Zo schielijk saamgeflanst, zo smaakeloos gedicht,
Dat yder, die de zelve aanschouwt of leest, wel licht
(275) Begrijpt, dat hyze schreef alleenig om den broode?
Want als hy was betaald, of menze gaarne, of noode,
Zag speelen andermaal, dat scheelde hem niet veel.
    Een dichter, die, uit zucht tot glorie, het tooneel
[p. 238]
Met zijne werken dient, wordt trots, zo zy behaagen;
(280) Zo niet, hy barst van spijt, en zal ’t zijn’ oogen klaagen.
Zo klein is ’t, zo gering, dat een eergierig hart
Vervullen kan met vreugde, of kwijnen doen van smart.
Weg met zulk speelen, daar de rust van mijne zinnen
Geheellijk afhangt van ’t verliezen of het winnen.
(285) Ook wordt een dichter, die misschien den lust wel hadt,
Niet zelden afgeschrikt, en bang gemaakt, omdat
De meesten in getale, in eere en waardigheden
De minsten, ongeleerd, plomp van verstand en zeden,
En vaardig handgemeen te worden bits en fel
(290) Met lui van d’ eersten rang, in ’t midden van een Spel
Veeltijds een’ Beerenstrijd, of Worstelaars, begeeren:
Want zulks behaagt het graauw. maar ridderen en heeren
Zijn nu almeê zo ver gedwaald van ’t rechte spoor,
Datze ook ’t vermaak van ’t oog meer volgen, dan van ’t oor.
(295) Dus zietmen het tooneel veele uuren open blijven,
Om langs het zelve een reeks van monsters heen te drijven.
Een verschgeslagen heir vlucht met een groot geroep:
Dit duurt byna een uur. dan vollegt ’er een troep
Van overwinnaars; die geleiden, blij van zinnen,
(300) Gevangen koningen, en schoone koninginnen,
[p. 239]
De handen op den rug gebonden, sterk en vast.
Dan weer, een lange sleep van wagens, zwaar belast
Met alles, wat voorheen den Parthen en den Meeden
Ontrukt is met geweld, en duizend kostlijkheden.
(305) Hoe zou Democritus niet schaatren van gelach,
Als hy op ons tooneel een’ Drommedaris zag,
Of witten Olifant, die ’t volk houdt opgetoogen!
Maar leefde hy, hy wierdt tot lagchen min bewoogen
Door al die malligheid, die nergens naar gelijkt,
(310) Dan door het volk, dat daar met neus en mond naar kijkt.
En wat den dichteren belangt, hy zou gelooven,
Dat zy een fabeltje vertellen aan een’ dooven.
Want wie van onze acteurs kan schreeuwen zo verwoed,
Dat hy de aanschouwers naar zijn rede luistren doet?
(315) ’t Is, ofge een’ stormwind door’t Gargaansche bosch hoort ruisschen,
Of, na ’t bedaaren van den wind, de zee hoort bruisschen,
Als gy uw voeten zet in onzen Schouwburg, daar
Op één tijd aan het volk vertoond wordt, al wat raar,
En vreemd, en kostlijk is. daar hoort gy al de wanden
(320) En welfsels galmen van het klappen in de handen.
Wat heeft hy fraais gezeid? Hy sprak noch niet een woord.
Waartoe dan dat geklap? wat is ’t dat u bekoort?
[p. 240]
Kuntge al dat zilver, al dat goud, die mooie kleêren
En opschik, zien, en met geen handgeklap vereeren?

    (325) Doch opdat gy niet denkt, dat ik verachten zou,
’t Geen andren wel doen, om dat ik ’er niet van houw;
Zo moet ik zeggen, dat my dunkt, dat die poëeten,
Die my door ijdlen schrik, door vreeze of droefheid weeten
Te ontroeren, als ’t hun lust: of wederom, de smart,
(330) Als door een toverstreek, doen wijken uit mijn hart,
En zwichten voor ’t vermaak: die my somtijds doen meenen,
Dat ik te Theben ben, en dan eens weer te Atheenen;
Zo kunstig zijn, dat elkvan hun wel wandlen zou,
Indien hy wilde, langs een uitgespannen touw.
(335) Maar zo ge uw boekvertrek, o Cezar, wilt vereeren
Met goede boeken, en der dichtren lust vermeeren,
Om hen met meerder vlijts den groenen Helikon
Te doen bewandelen; zo biddenwe u, vergon
Een klein gedeelte van uw zorge aan hun, die liever
(340) Aan eenen leezer zich betrouwen, dan den iever
Van nimmervergenoegde Aanschouwers ondergaan.
Wy dichters, ’k weet het wel, wy hebben ’t veeltijds aan
Ons zelfs te wijten, datm’ ons lijden mag noch dulden
(Om ook mijn eigen vuil niet dwaaslijk te vergulden)
[p. 241]
(345) Als wy u, daar gy zijt met zaaken van den staat
Belemmerd, of vermoeid, een boek, zo goed en kwaad
Als ’t is, aanbieden; als wy knorrig zijn en kregel,
Wanneermen in ons werk berispt een’ enklen regel;
Alswe onverzocht een plaats voorleezen andermaal;
(350) Alswe ons beklaagen, dat de kracht van onze taal,
En stijl, en vinding, daar wy lang ons hoofd meê braken,
Niet worden aangezien dan als gemeene zaaken;
Of eindelijk, als ons de hoop te zeer verblindt,
En wy ons vleien, dat, zoras gy ondervindt
(355) Datwe ons bemoeien met somtijds een vaars te schrijven,
Gy ons ontbieden zult, en onzen iever stijven,
En zorge draagen, dat nadeeze ons niets ontbreek’.
Doch zo gy my vergunt, dat ik vrijmoedig spreek,
’t Zal niet ondienstig zijn, eens van naby te aanschouwen,
(360) Aan wien de helden ook somtijds hun deugd vertrouwen,
Die, zo in tijd van vrede als oorelog beproefd,
Geens dwaazen dichters pen, noch kreupel vaars, behoeft.
    Den Macedoonschen vorst, den grooten Alexander,
Behaagde, uit al den hoop der dichteren, geen ander
(365) Zo wel, als Cherilus; die hem, voor zijne gunst
En schatten, heeft betaald met vaarzen zonder kunst.
[p. 242]
De inkt laat een vlak, op al wat hy komt aan te raaken.
Zo doen de dichters ook, als zy de deugd mismaaken
In lamme vaarzen, bloot van zenuw en gewricht.
(370) Die zelfde vorst, die zo belachlijk een gedicht
Kocht tot zo hoog een’ prijs, wou geenerwijs gedoogen,
Dat iemand, dan Apel, hem schilderen zou mogen;
Of dat een ander, dan Lysippus, zich vermat,
Hem in het koper te bootseeren. Zo gy dat
(375) Gesleepen oordeel, om dees meesters op te zoeken,
Wilde overbrengen tot de kennisse van boeken,
En smaak van poëzy; gewis gy zaagt hem aan
Voor eenen plompen ongeletterden Thebaan.
Maar noch Virgilius, noch Varius, beschaamen
(380) Uw oordeel wegens hen, uwe achting voor hun naamen,
Noch ’t goede, dat gy hun gedaan hebt, u ten prijs.
Geen koper bootst op een zo leevendige wijs
Der helden weezen naar; als hun gedrag en leeven
In zuivre vaarzen door de dichters wordt beschreeven.
(385) Ik zelf waar niet vernoegd, met nu een Hekeldicht,
En dan een’ laagen Brief te geeven in het licht,
Indien ik was bekwaam, naar waarde te beschrijven
Den bloeistaat van den vrede, en ’s Oorelogs bedrijven;
[p. 243]
Gelegenheid van zeen en landen, veld en vliet;
(390) Kasteelen, hoog gebouwd op bergen in ’t verschiet;
Barbaarsche volkeren, en rijken, vreemd van zede;
Den ganschen aardkloot, met een’ algemeenen vrede
Door u verkwikt, en van het oorlogsvuur ontlast;
En Janus ijzren poort gegrendeld, stijf en vast;
(395) Of Romen, onder uw gebied, zo rijk van orden,
Den ongerusten Parth tot eenen schrik geworden.
Maar noch uw Majesteit laat zich besluiten in
Een kort en eng gedicht; noch mijne zanggodin
Heeft moedsgenoeg, iets te onderneemen, dat haar krachten
(400) Zo ver te boven gaat, als Uw lof Mijn gedachten.
Gedienstigheid verveelt den geenen, dienze vleit,
Wanneer zy haare stond en uure niet verbeidt:
Voornaamlijk, als zy zich behaaglijk tracht te maaken
Door kunst, en melody. want toch in alle zaaken
(405) Begrijptmen eerder, en onthoudtmen langer, wat
Bespotlijk is en slecht, dan ’t geenmen deugdig schat.
Een gift is my geen gift, zo zy my zou bezwaaren.
Want eveneens als ik mijn beeltenis niet gaaren
In ’t openbaar ten toon gesteld zage op de straat,
(410) Met een belachlijk en afzienelijk gelaat:
[p. 244]
Zo heb ik ook geen’ lust, mijn’ naam te zien gepreezen
In vaarzen, die geen mensch begeerig is te leezen;
Opdat ik my niet hoef te schaamen om een gift,
Die my een ander doet; noch t’ saamen met het schrift
(415) Van mijnen vriend poëet verzonden werde, om elders
Noch dienst te mogen doen in winkels en in kelders,
Alwaar verkocht wordt, watmen weet, en niet en weet,
En daarmen scheurpapier van doen heeft by de vleet.


TWEEDE BRIEF.
AAN
JULIUS FLORUS.

O Florus, trouwe vriend van Prins Tiberius,
Zo iemand u een’ slaaf te koop veilde, en aldus
In onderhandling tradt: Dees jongen, wel besneeden
Van tronie, welgemaakt van boven tot beneden,

(5) En blank, gelijk gy ziet, zal de uwe zijn, zo gy
Vierhonderd gulden wilt voor hem betalen. Hy
Is gaauw in zijnen dienst, daarby bekwaam en vaardig
Tot alle handwerk; spreekt het Grieksch ook niet onaardig:
Zijn zingen is niet fraai; maar zal u by den wijn,

(10) En alsge eens vrolijk zijt, niet onbehaaglijk zijn.
[p. 245]
Ik weet, dat veel van iets, het welkmen wil verkoopen,
Te snorken, dikwils zelf de waar in ’t oog doet loopen,
En als verdacht maakt. maar ’k verkoop hem buiten nood.
Al wat ik heb, is ’t mijne, al is ’t niet veel noch groot.

(15) Geen handelaar zou zo rondborstig met u spreeken:
En ’t geen ik zeg aan u, is andren noit gebleeken.
Eens was hy op een pad; maar werdt noch achterhaald,
En ’t is hem op zijn huid wel rijkelijk betaald.
Zo u deeze eene voor geen tweede vlucht doet vreezen,

(20) Geef my ’tgeeischte geld, en hy zal de uwe weezen.
De man bleef straffeloos, en hieldt het geld, zo ’k meen.
Gy kocht, met uwen wil, en wel gewaarschouwd, een’
Die loops was. uw verdrag veroordeelt u. en echter
Kwelt gy den handelaar, en roept hem voor den rechter.
    (25) Toen gy van hier vertrokt, heb ik u meêgedeeld,
Dat my het schrijven tot een’ last is, en verveelt;
En dacht, dat ik daardoor gedekt zou zijn voor kijven,
Schoon ik in al die tijd aan u niet kwam te schrijven.
Wat won ik toch hiermede, indien gy nochtans ’t recht,
(30) Dat aan mijn zijde is, poogt te ontzenuwen? Gy zegt
Noch bovendien, dat ik mijn woord u niet en houde,
Wijl gy ’t beloofde vaars tot noch toe niet aanschouwde.
[p. 246]
Een zeker krijgsknecht van Lucullus, goed van aard,
Hadt, met veel moeite en vlijt, een stuivertje vergaard;
(35) Dat hy, terwijl hy sliep met onbezorgde zinnen,
Kwijt raakte heel en al. Wat zou de knecht beginnen?
Hy, op zich zelven en op anderen verstoord,
Wordt van een schaap een wolf, blaast niet dan brand en moord;
Tot datmen hem beveelt, met andre kloeke gasten,
(40) Een sterkte, wel voorzien van alles, aan te tasten;~
Waarvan hy, door beleid en moed, zich meester maakt,
Het koningsvolk verslaat, en aan veel buits geraakt.
Men prijst zijn heldendaad alom; men kranst zijn hairen
Met eene zegekroon van groene lauwerblaaren;
(45) En geeft hem een geschenk van duizend gulden net.
De veldheer, kort daarna, weer houdende bezet
Ik weet niet wat kasteel, daar hy veel volks verspilde,
Roept deezen krijgsknecht, dien hy derwaarts zenden wilde,
En spreekt en spoort hem aan, met zulk een’ ernst en vlijt,
(50) Dat hy een’ bloodaard hadt doen vliegen in den strijd:
Gaa, zegt hy, braave borst, alwaar ’t u mag gelukken,
Weer nieuwe bladren tot een lauwerkroon te plukken.

Maar deeze braave borst antwoordt hem, eens voor al:
Zend derwaards, dienmen ’s nachts zijn beurs met geld ontstal.
[p. 247]
    (55) Ik ben te Romen opgevoed; en onderweezen;
Hoe zeer Achilles toorn de Grieken heeft doen vreezen
En sidderen van schrik. Met deezen melk gelaafd
Vertrok ik naar Atheene, en ben ’er voorts beschaafd;
Te weeten, om het kromme en ’t rechte te onderscheiden,
(60) En ’t pad te vinden, dat ter waarheid my mogt leiden.
Maar och! de harde tijd dreefme uit die zachte plaats;
En trokme, onkundig van de zeden des soldaats,
Mede in de barrening der burgerlijke tweedragt,
Daar Cesars goed geluk ’t geluk van Romen meêbragt,
(65) Ons allen veel te sterk. Vandaar keerde ik, ontsteld,
Na onze nederlaag in ’t Philippenser veld,
Berooid van huis en hof, en met gekorte vlerken,
Te rug. Wat zoude ik doen? ik moest op nieuw aan ’t werken;
En was den oorlog wars. des leerde de armoe my
(70) Mijn’ zin te leggen op de kunst der Poëzy.
Nu zo veel hebbende, dat ik gerust mag weezen,
Wat nieskruid waar bekwaam, my immer te geneezen,
Zo ik niet liever sliep, en leefde op mijn gemak,
Dan dat ik noch mijn hoofd met vaarzenmaaken brak?
(75) Zo menig jaar, alswe overleeven, neemt wat mede
Van ’t geene ons eigen was. zy hebben my alreede
[p. 248]
Den lust tot boerten, tot liefkoozen, tot de vreugd,
En spel, en gastery benomen met mijn jeugd:
Nu voel ik ook, dat ik reeds minder ben geneegen
(80) Tot dichten, dan ik plag. Wat raad weet gy ’er tegen?
    Ook zijn de Leezers niet van eenen zelfden smaak.
Gy, vindt in ’t leezen van een Lierdicht uw vermaak;
Dees, eischt een’ Jambus; die, een Hekeldicht. Drie gasten,
Gezeten aan één’ disch, zult gy doorgaands zien tasten
(85) Naar zo veel schotelen. en hoe het zij, of was,
’t Scheelt altijd hier of daar, en noit is ’t elk van pas.
Het geen u lekker smaakt, zal de andren kwaalijk smaaken;
En ’t geen u niet en lust, daar zie ik hen naar haaken;
    Maar, dit ter zij gesteld, gelooft gy, dat ik hier
(90) Te Romen tijd hebbe, om te speelen op de lier,
In ’t midden van den drang van moeilijkheen en zorgen?
Nu komt ’er een, die wil, dat ik hem zal verborgen.
Een ander noodzaakt my, tot smerte van mijn oor,
Dat ik een uur of drie naar zijne vaarzen hoor.
(95) Somtijds ben ik verpligt twee vrienden te bezoeken;
Zy woonen in de verste en gansch verscheiden hoeken
Van deeze groote stad; dees, op den Aventijn;
Die, op Quirinusberg. Maar onze straaten zijn
[p. 249]
Vrij zinnelijk en ruim; zodatmen zijn gedachten
(100) Ook daar vergadren kan, en wandlende iets betrachten.
Alsof een ruime straat niet naauw kon zijn in ’t gaan!
Hier, komt de aanneemer van een werk te viervoet aan,
En zweet, en haast zich met zijn muilen en zijn knechten.
Ginds, is men bezig met een groot gevaart te rechten,
(105) Waarmeê men kort daarna een’ eisselijken steen
Of balk naarboven hijscht. daar, warren onder een
Acht negen wagens en drie vier begraffenissen.
Ook moetge uw’ weg, dien gy woudt volgen, somtijds missen,
Nu om een stinkend zwijn, dat in den modder wroet,
(110) Dan om een’ dollen hond, die yder schrikken doet.
Een fraaie weg, om zijn gedachten te vergadren!
De dichters houden meer van ’t ruisschen van de bladren,
Dan van het steedsch gewoel; ook hierin zeer gelijk
Aan Bacchus, hun’ patroon, dan wel te vrede en rijk,
(115) Wanneer hy slaapen mag in schaduw van de boomen.
En gy, wilt gy dat ik in ’t nimmerstille Romen,
Alwaarmen zelfs by nacht niet hebben mag zijn rust,
Het spoor der dichtren volge, en zinge, als ’t u gelust?
Een kloek vernuft, het welk te Atheenen zeven jaaren
(120) Gerust studeerde, en onder ’t handelen der blaâren,
[p. 250]
En stadig harssenwerk verouderde; verveelt
Zich zelf en andren, als hy, stommer dan een beeld,
Te voorschijn komt. En hoe zoude ik, in deeze stormen
En woeste baaren van de stad, een Lierdicht vormen,
(125) Of schrijven konnen, ’t welk verdiende datmen ’t las?
    Hier zijn weleer geweest twee broeders. de eene was
Een deftig Redenaar, de tweede een Rechtsgeleerde.
De broederlijke liefde, en blinde zucht, vereerde
Met onverdienden lof dit weergaâlooze paar.
(130) Als de Advokaat sprak tot mijnheer den Redenaar,
Hiet dees welspreekender dan Gracchus was voordeezen:
En werdt zelf, op zijn beurt, niet minder hoog gepreezen,
Dan als een Scevola, gevat op ’t fijnste recht,
Die zelfde blinde zucht, en dwaaze liefde, vlecht
(135) Geen minder kranssen, daar de dichters hunne hairen
Meê kroonen onderling, alsofze ’t waardig waaren.
Ik schrijf een Liergezang, en die een Treurgedicht.
Wy staan’ er van verbaasd op ’t allereerst gezigt,
En prijzen ’t, even of de negen Zanggodinnen
(140) Het hadden gepolijst, ten koste van haar zinnen.
Ik bid u, let eens, met wat trotsheid, welk een waan,
Wy op den tempe1 van Apol onze oogen slaan,
[p. 251]
Als op een plaats, die met het uiterste verlangen
De stond verbeidt, datze onze werken zal ontvangen.
(145) Maar mogtge eens om een’ hoek staan luisteren, als wy
Ons oordeel vellen, de een van ’s anders poëzy!
Dan schermen wy in’t wild, en slaan weerzijds in’t honderd,
En staan ten hoogsten om malkanders geest verwonderd.
Mijn spitsbroêr noemt my een’ Alcéus. hoe kan ik,
(150) Die met zo fraaien naam zeer wel ben in mijn’ schik,
Hem minder, dan als een’ Callimachus, toch looven?
Is hy noch niet te vrede? ik smijt hem daarenboven
Noch een’ Mimnermus naar het hoofd, en laat hem gaan
Niet minder wel van my, dan ik van hem, voldaan.
(155) Als ik iets schrijf, kan ik veel lijden en verdraagen,
Om ’t ketelachtig oor der dichtren te behaagen:
Maar als ’t geschreeven is, en ik weer ben bedaard,
Acht ik hen, ’t luistren naar hun werken, niet eens waard.
De Leezers trachten in ’t gemeen den spot te drijven,
(160) Met slechte vaarzen: maar de dichters, dieze schrijven,
Verheugen zich in stilte, en noemen ’t haat of nijd
Zo iemand die veracht. Maar hy, die zijnen tijd
En vlijt besteeden wil, om keurelijk te dichten,
Zal zelf de vliezen van zijn eigen oogen lichten,
[p. 252]
(165) En neemen, met zijn schrift, het harte eens rechters aan.
Hy zal, al wat hem dunkt, niet sierelijk te staan,
Of krachteloos, onnut, of gansch gemeen te weezen,
Uitwisschen uit zijn stede, al laat hy ’t noch niet leezen,
Al is ’t verbeteren hem moeielijk en zwaar.
(170) Veele oude woorden, die nu duister zijn, en raar,
En nochtans de eigenschap der aangeduide zaaken
Natuurlijk stellen voor; zal hy weer leevend maaken:
En somtijds zijn gedicht schakeeren met een woord,
Gevonden door ’t gebruik, schoon onlangs eerst gehoord.
(175) Hy zal, gelijk een vliet, die bruisschend langs zijn randen
En helder heenestroomt, en wederzijds de landen
Bevloeit en vruchtbaar maakt, een’ overrijken schat
Van taal uitstorten op zijn vaderlijke stad.
Hy zal, wat weelderig en dartel is, besnoeien;
(180) Beschaaven, al wat hard en stootende is; en roeien,
Al wat niet goed is, uit. het schijnt gemaklijk, en
Alsof ’t hem speelende gerold waare uit de pen.
Maar eer dat hy het zo gemaklijk kan doen schijnen,
Zal hy niet minder zich vermoeien en verpijnen
(185) Dan of hy danssen zoude een’ Cyclops, of een’ Pan.
’k Had liever, zo mijn werk my slechts behaagen kan,
[p. 253]
Dat elk het voor een prul, een beuzeling, een grol acht’,
Dan dat het elk behaagde, en my den kop op hol bracht.

Een man van Argos kon veel uuren achtereen
(190) Zich zelf vermaaken in den Schouwburg, gansch alleen,
Daar hy van blijdschap juichte, en klapte in zijne handen,
Schoon hy niets hoorde of zag: voor ’t ovrig buiten schanden
En opspraak leevende; zijn’ buuren goed en trouw;
Zijn’ gasten vriendelijk; toegeevend voor zijn vrouw;
(195) Die in zijn dienaars wel een zwakheid kon verdraagen,
Noch hen straks aanviel met scheldwoorden of met slagen,
Al haddenze iets misdaan: die verder zich voor vuur
En water hoeden kon. Maar als die Schouwburgs kuur
En wonderlijke gril, door kruiden en door dranken,
(200) En andre middelen, hem tegen zijnen dank, en
Met moeite, ontnomen was, riep hy geheel verstoord
Dus uit: Gy hebt my niet geholpen, maar vermoord,
Met my het zoetst vermaak te ontneemen van mijn leeven:
Wilt my die dwaaling van mijn zinnen wedergeeven.

    (205) ’t Zal zekerlijk mijn tijd eens worden, om voortaan
De beuzelingen af, de wijsheid voor te staan,
En ’t speelen op zijn tijd te gunnen jonger jaaren:
Niet meer een’ goeden klank te geeven aan mijn snaaren,
[p. 254]
Maar zorg te draagen, dat mijn leeven en gedrag
(210) Geen valsche toonen slaa, maar zuiver klinken mag.
En hierom zet ik my somwijlen, om te spreeken,
Te denken by my zelf: indien u waar gebleeken,
Dat, hoe gy meerder drinkt, gy meerder drinken woudt;
’k Denk, datge een’ medicijn by u ontbieden zoudt.
(215) En is ’er niemand, dien gy durft te kennen geeven,
Dat, hoe gy meerder hebt, gy meerder wordt gedreeven
Door uwe begeerlijkheid? Indien gy waart gewond,
En by een pleister of een kruid geen baat en vondt;
Gy zoudt die pleister of dat kruid gewis verwerpen
(220) Als vruchtloos en onnut. men zocht u in te scherpen,
Dat rijkdom, geld en goed, naar maate dat het groeit,
Der menschen dwaasheid doet vermindren en besnoeit;
En schoon gy evenwel uw wijsheid niet zaagt groeien,
Sints dat gy rijker wierdt, zo blijftge nochtans roeien
(225) Met de oude riemen. maar indienmen wijzer wierdt,
Indien de ziel zo wel als ’t lighaam wierdt versierd,
Wanneermen rijker wordt; gy schaamde u wel te weeten,
Datm’ iemand gieriger dan u zou mogen heeten.
Indien ons eigen is, het geenmen koopt, of dat
(230) Men eenen zekren tijd gerustelijk bezat;
[p. 255]
Zo is het land, daar gy gewoon zijt van te leeven,
Het uwe; en die ’t bezaait, om u de vrucht te geeven,
Erkent u voor zijn’ heer, schoon hy de bouwman zij
Van Orbius. hy wordt door u betaald; en gy
(235) Ontvangt daarvoor van hem, wanneer het tijd is, duiven
En hoenders, graan en wijn, versche eieren en druiven.
Aldus koopt gy, op een gemakkelijke wijs
En langsaam, een stuk lands, waarvan misschien de prijs
Voorheen beliep een som van vijftien duizend gulden.
(240) Wat scheelt het u, moogt gy slechts leeven zonder schulden,
Of ’t geen gy eet en drinkt, voor vijf en twintig jaar,
Of gistren is betaald? Want ook een eigenaar,
Die voor veel jaaren kocht het landgoed, daar hy heden
De vruchten van geniet, eet (schoon hy zonder reden
(245) Dit licht ontkennen zal) gekochte groente, als gy
En anderen; en koopt het takkebosch daar hy
Zijn spijzen over kookt. noch zal hy zich vermeeten,
Om deeze gansche streek zijn’ eigendom te heeten,
Tot daar de populier hem eenen scheipaal strekt,
(250) En, wat zijn’ buurman, wat hem eigen zij, ontdekt:
Alsof men waar bevoegd, iets als zijn eigen te achten,
Dat in een’ oogenblik, als wy zulks minst verwachten,
[p. 256]
Door gifte, of koop, of door geweld, of sterfgeval,
Verwislen kan van heer; vast, eens verwislen zal.
(255) Dewijl dan geen gebruik geduurig is; en, even
Gelijk als de eene golf door de andre wordt gedreeven,
Zo ook de eene erfgenaam, hy leeve lang of kort,
Door eenen anderen welhaast verdreeven wordt:
Wat baaten geld, en goed, en vette koorenlanden,
(260) En hof, en koorenschuur, en weiden, en waaranden,
Indien de dood, die met geen schatten wordt gepaaid,
Met eene zelfde zeis het groote en ’t kleine maait?
Daar zijn ’er, die met smarte en tegenzin ontbeeren
Gesteente, zilver, goud, yvoor en purpren kleeren,
(265) En beeld en schilderwerk, en wat ’er meer tot pracht
En staatsie dienen kan: daar is ’er, die ’t niet acht
Of hy het hebbe of niet. Hoe komt het dat twee broedren
Zo zeer verschillend zijn van harten en gemoedren,
Dat de een veel meer de vreugd, den wijn en ’t spel, dan al
(270) De pallemboomen van Herodes, achten zal:
Daar de andere, volop voorzien van geld en schatten,
Niet vreest, in boerenwerk zijn lighaam af te matten;
En blijft van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat in ’t veld?
Vraag ’t den Geleigeest, die ons te aller tijd verzelt,
[p. 257]
(275) Opdat hy de invloed van ’t gestarnt ten besten stuure;
Die wonderlijke god der menschlijke natuure,
Die met ons leeft en sterft, nu wit dan zwart in schijn,
En zo verscheiden, als der menschen weezens zijn.
’k Zal van dat maatig goed, dat my is toegeweezen,
(280) Zo veel gebruiken, als ik noodig heb; noch vreezen,
Wat mijnen erfgenaam moog komen in gedacht,
Wanneer hy minder vindt, dan hy misschien verwacht.
Ik zelf zal echter onderzoeken, als ik speele,
Waarin de vreugd van uitgelaatenheid verscheele;
(285) Waarin de zuinigheid van vrekheid. Want ook is ’t
Een groot verschil, of gy uw goederen verkwist;
Dan ofge, tot vermaak van vrienden en van gasten,
Wat dieper nu en dan in uwe beurs durft tasten;
En, even als gy deedt in uwe jonge jeugd,
(290) Toenge eenen oorlofsdag besteedde in gulle vreugd,
De korte en zoete tijd, u tot vermaak gegeeven,
Gebruiken durft, als ’t voegt, en met vermaak beleeven.
Geen armoe maak my slechts onrustig noch onrein.
Of ik die zee, daarwe alle op dobbren, met een klein
(295) Of met een grooter schip bevaare, ik zal niet schroomen,
Blijf steeds de zelfde, en zal ’er meê wel overkomen:
[p. 258]
En heeft het altijd niet voor wind en stroom gegaan,
Wy hebben ook altijd geen stormen uitgestaan.
En schoon wy in verstand, gestalte, krachten, gaaven,
(300) Geboorte, en rijkdom, onder de eersten niet en draaven;
Wat volgt ’er menig ons van verre en moeilijk naar?
    Gy zijt niet gierig? ’t is zo veel te beter. maar
Ik bid u, laaten wy eens openhartig spreeken.
Hebt gy, met dat gebrek, alle andere gebreken
(305) Gebannen uit uw hart? is ’t ook van staatzucht vrij?
Vrij van den schrik des doods? van gramschap? zeg; hebt gy
Het hart wel, datge lacht, wanneer ’er wordt gesproken
Van wondren, tovery, waarzeggers, monsters, spooken,
Kaboutermannekens, en diergelijk een goed?
(310) Ziet gy, vernoegd van harte, uw’ jaardag te gemoet?
De fouten over ’t hoofd in vrienden en in maagen?
Weetge u gemaklijker en beter te gedraagen
Op ’t stadig naderen van uwen grijzen tijd?
Hoe? zijtge noch maar één’ van zo veel doornen kwijt?
(315) Hebt gy noch niet geleerd, gelijk ’t behoort te leeven,
Zo maak eens plaats voor hun, die daarin zijn bedreeven.
Gy hebt genoeg gespeeld, gedronken en gebrast.
’t Is tijd dat gy vertrekt: opdat een jonger gast,
[p. 259]
Dien ’t speelen beter voegt, u, overlaân van spijze
(320) En drank, niet uit en lagche, of ’t gat der deure wijze.

EINDE DER BRIEVEN.

Continue
[
p. 260]

DICHTKUNST

VAN

Q. HORATIUS FLACCUS.

AAN DE PIZOOS.
___________________

Indien een schilder, van verstand en geest beroofd,
Op eenen paardenhals verbeeldde een menschenhoofd,
En maalde een lighaam uit verscheiden soort van leden,
En gong dat met veel slach van veeren overkleeden,
(5) Zo, dat het geen omhoog geleek een schoone vrouw,
In eenen lompen visch beneden einden zou:
Zoudt gy, mijn vrienden, u van lagchen wel onthouwen,
Als u dees brabbelaar verzocht zijn stuk te aanschouwen?
Gelooft, o Pizoos, dat van zulk een tafereel
(10) In ’t minste niet verschilt een boek, het welk geheel
Uit brokken saamenhangt, die naar goed oordeel rieken
En orden, even als de droom van eenen zieken,
[p. 261]
Waarvan begin noch einde op ’t midden voegt noch sluit.
Ik weet wel, want het komt toch doorgaands hierop uit,
(15) Dat schilder en poëet, twee naauwverknochte vrinden,
De vrijheid hebben van zich alles te onderwinden.
Ik weet het, zeg ik; en begeer, in ’t geene ik doe,
Die vrijheid voor my zelf, en staaze ook andren toe:
Doch niet dat lammeren met wreede tygers paaren,
(20) Een roos groeie uit den sneeuw, of vlammen uit de baaren.
    Men vindt gemeenlijk in een werk, dat in ’t begin
Zich deftig voordoet, grootsch van woorden en van zin,
Een’ kakelbonten lap, die vinnig af zal steeken;
Het zij ’t den dichter luste uitvoeriglijk te spreeken
(25) Van ’t Aricijnsche woud, of ’t outer van Diaan;
Het zij de regenboog of Rijn hem houde staan
In ’t midden van zijn vaart; het zij hy niet kan scheiden
Van eene frissche beek, die de aangenaame weiden
Besproeit en vruchtbaar maakt. maar komt zulks hier te pas?
(30) Misschien kuntge een’ cypres, als of hy leevend was,
Naarbootsen: zoudtge dien ook in uw stuk doen praalen,
Als gy ons te eenger tijd een schipbreuk af moest maalen?
Wat is dit, datge ons vormt, by ’t draaien van het rad,
Een’ lompen pot, daarge ons beloofde een deftig vat?
[p. 262]
(35) In ’t kort, het zij ’t u luste in ’t lang of kort te schrijven,
Laat al wat gy begint een en eenvoudig blijven.
    Der dichtren grootste deel, o Vader, en o Jeugd
Den Vader waardig, wordt misleid door schijn van deugd.
’k Tracht kort te weezen, en ’k word duister: die ’t verzachten
(40) Houdt voor de grootste kunst, mist zenuwen en krachten:
Die grootsch wil weezen, zwelt: dees zoekt uit laagheid lof,
Hy vreest de hoogte, en kruipt gelijk een worm in ’t stof:
Geene, om een simple zaak verwonderlijk te sieren,
Maalt visschen in ’t geboomte, en in het water, dieren.
(45) Dus doet de vreeze van een’ misslag te begaan,
Wanneer de kunst gebreekt, tot andren overslaan.
    Een beeldengieter heeft in menigte van jaaren
Misschien geleerd, zeer wel de nagels en de hairen
Te bootsen van een’ mensch; maar vindt zich in het end
(50) Verlegen, omdat hem de kunst niet is bekend,
Van de andre leden ook hunne eigenschap te geeven,
En ’t gansche lighaam saam te voegen naar het leeven.
Als ik iets dichten wilde, ik waar zo noô gelijk
Aan deezen kreuplen baas, als datmen door de wijk
(55) My, om mijn’ scheeven neus, zou met den vinger wijzen,
Al moestmen mijn zwart hair, en mijn bruine oogen prijzen.
[p. 263]
Gy, schrijvers, neemt een stof, die op uw krachten past,
En wikt en overweegt zeer dikwils, welk een’ last
Uw schouder draagen wil, of geenerwijs gedoogen.
(60) Die dus zijn keur bepaalt op iets, ’t welk zijn vermogen
Niet overtreft, dien zal ’t, in alles wat hy zeit,
Aan orden haperen noch aan welspreekendheid.
    Hierin bestaat vooral de deugd en ’t fraai der orden,
Zo ik niet misse; dat, van ’t geen gezeid moet worden,
(65) Terstond een deel gezeid, een deel werde uitgesteld,
Het welkmen elders by gelegenheid vertelt.
    Een dichter, die tot lof en glorie is genegen,
Moet op een aas de kracht van zijne woorden weegen:
En kweekt hy nu en dan een eigen maaksel aan,
(70) ’t Geschie voorzigtiglijk. Gy hebt der kunst voldaan,
Indienge een koppelwoord voor ’t eerst zo weet te voegen,
Dat het natuurlijk valle, en yder kan genoegen.
Gebeurt het dat gy u genoodzaakt vindt, gewag
Te maaken van een zaak, die de oudheid nimmer zag;
(75) ’t Is recht en billijk, dat gy u bedient van woorden,
Doch zedig en met schroom, die de ouden nimmer hoorden.
Zulks wordt u toegestaan: en ’t nieuwgesmeede woord
Wordt met ons burgerschap vereerd en graag gehoord,
[p. 264]
Zo ’t komt uit Griekenland, en geestig is geboogen.
(80) Of zou Virgilius en Varius niet mogen,
’t Geen eertijds Plautus en Cecilius vermogt?
Waarom word ik benijd, indien ik mede iets brogt
Tot aanwas van de taal; daar Ennius voordeezen,
Daar Cato, nevens hem, geroemd is en gepreezen,
(85) Dat zy hun moedertaal verrijkten met een’ schat
Van woorden, diemen noit voorheen gebezigd hadt?
’t Was steeds geooreloofd, en zal geoorloofd blijven,
Een woord van goed alloy te munten onder ’t schrijven.
Gelijk als jaarlijks valt het dorre loof in ’t woud
(90) En plaats maakt voor het nieuw; zo wisselt ook een oud
En afgesleeten tal van woorden zijne stede
Aan nieuwen, die ’t gebruik allengs uitbotten deede.
Wy en al ’t onze zijn lijfeigenen des doods.
Het zij dat men de zee ten lande inhaale (een grootsch
(95) En koninglijk bestaan) en haar een’ schoot doe strekken,
Om in een’ zwaaren storm de bange vloot te dekken:
Het zy dat men een meer, ’t welk onlangs schepen droeg,
En met den riem gekliefd, nu klieven met den ploeg,
En vruchten teelen doe voor de omgelegen steden:
(100) Het zijmen een rivier durf moedig tegentreeden,
[p. 265]
En stoppen de oude kil, niet dienstig voor ’t gemeen,
En leiden haar, die noô verleid was, elders heen:
Al wat de mensch oit maak’, de tijd zal ’t eens verslinden;
Zou dan de bloei, de bloem der spraak, geen einde vinden?
(105) Ja veele woorden, nu verworpen, zullen weer
Standgrijpen te eenger tijd: veele andren, nu in eer
En achting, zalmen haast veracht zien en versteeken,
Indien ’t gebruik zulks wil, die dwingeland van ’t spreeken.
    Homeer, der dichtren prins, heeft ons getoond, wat trant
(110) Van vaarzen dienstig is, om eenen fellen brand
Van oorlog, en ’t bedrijf der helden op te zingen.
De hinkende Elegye is eerst tot droeve dingen
Gebezigd; namaals ook in vreugde en vrolijkheid:
Doch wie haar allereerst te voorschijn hebb’ geleid,
(115) Daar zalmen ’t zekere bescheid niet licht van hooren.
Archilochus heeft eerst den Jambus uitgekooren,
Als eenen trant, van kracht en zonderlingen val
Om hem te onlasten van zijne overvloênde gal:
Bekwaam ook, om ’er meer te saamen te doen spreeken,
(120) En tegen het geraas des volks ’t hoofd op te steeken;
En waarin voegelijk verhandeld wordt, al wat
Men daaglijks ziet geschien in hof en vlek en stad;
[p. 266]
En daarom ook gebruikt in Treur- en Blijspel tevens.
Maar de eedle Zanggodin, van meerder zwiers en leevens,
(125) Heeft aan de Lier gewijd het melden van den lof
Der goôn, en goden zoons, en winnaars in het stof
Van ren- en worstelperk; en beurtelings te zingen
Nu ’t zorgeloos banket, dan d’angst, der jongelingen.
Zo ’k elk zijne eigenschap noch kleur te geeven weet,
(130) Waarom toch groetmen my met d’eernaam van poëet?
Of zal ik, in het hart van zotte schaamt bezeten,
Het leeren meerder haat toedraagen dan ’t niet weeten?
    Wacht u, in ’t Blijspel een belagchelijke zaak
In Treurspels vaarzen te verhandlen: of de wraak
(135) Van Atreus, alte wreed in gramschap uitgelaaten,
In eenen stijl, alsof twee buuren saamen praatten.
’t Een zij als ’t andre, en elk bewaare zijne steê.
    Het Blijspel evenwel verheft zijn toonen meê
Wel eens wat hooger, als een Chremes in zijn’ tooren
(140) Aan ’t kijven raakt, en zich als meester wil doen hooren.
Gelijk ter andre zijde in ’t Treurspel menigmaal
Een droeve Telephus of Peleus, zijne taal
Op laager toonen schoeit, en nedrig is in ’t klaagen:
Want hoe toch zouden deeze een kundig oor behaagen,
[p. 267]
(145) Daar zy, omzwervende in ellende en ballingschap,
Ons hoofd verveelden met gezwets en trots geklap?
    Een dicht zij niet alleen natuurelijk geschreeven,
Maar weete ook aan ons harte een zekre vreugd te geeven,
En leide ’t waar het wil mids zijn bevalligheid.
(150) ’t Is eigen aan den mensch te schreien, als een schreit;
Te lagchen, als een lacht. Wilt gy dat ik zal weenen,
Ween zelf eerst; Telephus of Peleus; zo zal ’k meenen
Datge ongelukkig zijt, en zuchten om uw’ staat.
Maar zo uw rede niet en stemt met uw gelaat,
(155) Dan maaktge dat ik lagche, of slaape, om niet te hooren.
Een dreigend woord voegt aan ’t gelaat, ontroerd door tooren;
Den droevigen een droef, den vrolijken een blij,
Den ernstigen een straf, den jokkenden een vrij.
Want eerst heeft ons natuur bekwaam gemaakt, van binnen
(160) Te vormen, door ’t behulp der uiterlijke zinnen,
Een denkbeeld van den staat daar yder zich in ziet,
En drijft ons dan tot vreugd, of drukt ons door verdriet;
Daarna leert zy de tong, die hier niets in moet mengen,
De driften van het hart naar buiten uit te brengen.
(165) Maar die niet overdenkt, in welk een kleed hy steekt,
Wordt uitgelacht van groot en klein zoras hy spreekt.
[p. 268]
Het scheelt veel, of een god, of held; een man van jaaren,
Of jongling spreekt, wiens bloed noch ziedend bruischt door de aaren;
Een deftige matroon, of nijvre voedstervrouw;
(170) Een reizend koopman, of een vriend van d’akkerbouw;
Een gaauwe Assyrier, of Skijth die wreed van moed is;
Een die te Theben, of in Argos opgevoed is.
    Volg de oude fabelen, ô dichter: of verzier
’t Geen zich alom gelijke in houding en in zwier.
    (175) Zoge ons Achilles maalt, verbeeld hem kloek ter wapen,
Trots, onverbiddelijk, wraakgierig, en geschapen
Alsof zijn woord meer woeg dan billijkheid en recht,
En die zich geen geschil, dan met de kling, beslecht:
Medea, zij verwoed; Ixion, zonder trouwe;
(180) Orestes, zwaar van geest; en Ino, vol van rouwe.
    Maar durft gy ’t waagen, iets, te vooren noit gehoord,
Een persoonaadje van een nieuw karakter, voort
Te brengen in het licht; hy voere taal en reden
In ’t einde als in ’t begin, en blijve by die zeden,
(185) Die hy eens aannam, zo gy staat naar eengen lof.
    Maar ’t is een moeilijk werk, eene onbekende stof
Zo te behandelen, te schikken en te kneeden,
Dat men geen’ misstand zie in eene van haar leden.
[p. 269]
    Veel beter, daarom, haalt gy de uwe uit de Ilias,
(190) Dan datge iets zeggen zoudt, dat noit gezeid en was.
Doch wiltge u, ’t geen hy reeds gezeid heeft, eigen maaken,
Zo geef inzonderheid wel acht op dees drie zaaken:
Dat gy, in ’t schaaklen der gevallen, alte zeer
Beschroomd, u niet en bindt aan de orden van Homeer:
(195) Datge u te wachten dient, in uwer helden reden,
Om hem van woord tot woord angstvallig naar te treeden:
En eindelijk dat gy, hem volgende op zijn’ tred,
Zorgvuldig op ’t beloop uws eigen werreks let,
Opdatge u in het eind niet moogt verlegen vinden,
(200) Wanneer de tijd u prest den knoop van’t spel te ontbinden.
    Begin uw werk ook niet, gelijk voorheen die zot,
Die aanhief trots van toon: ’k Zing Priams heldenlot
En eedlen oorelog.
Wat heeftmen toch te wachten
Van zulk een’ snoeshaan, die niet kent zijne eigen krachten?
(205) De bergen dreigden eens te baaren, wee en wach!
Maar och wat kwam ’er? een klein muisken voor den dag.
    Hoe veel voorzigtiger wordt hy hierin bevonden,
Die zich niet zottelijks, niet dwaas, heeft onderwonden?
Meld my, ô Zanggodin, den man, die, na den brand
(210) Van Troje, dwaalde en zworf van ’t een naar ’t ander strand,

[p. 270]
En van naby bezag der volkren zede en leeven.
Hy zoekt geen’ rook uit licht, maar licht uit rook te geeven,
Tot dat hem ’t wonderlijke, als ongezocht, ontglipt,
In Circe, Antiphates, den Cyclops, en Charybd.
(215) Wil hy de wederkomst van Diomedes zingen,
Hy zal in ’t hoofd zijns werks geenszins te rugge springen
Tot Meleagers dood: noch heft de droeve moord
Van koning Priam aan van Helenaas geboort.
Hy spoedt gestaag naar ’t einde, en voert met snelle schreden
(220) Zijn’ leezer in en door geringe omstandigheden,
Die niet noodzaaklijk zijn, alsof men die reeds wist:
En wat hy in zijn stoffe ontmoet, het welk hy gist
Dat weinig luister aan zijn kunsttafreel sou leenen,
Dat laat hy ongerept, en stapt ’er overheenen.
(225) Dus liegt, en plaatst hy ’t waare en ’t valsche zij aan zij,
Dat midden met begin, noch eind met midden strij.
    Gy, hoor wat my en ook den volke zal behaagen.
Zijt gy begeerig, de goedkeuring weg te draagen
Der kijkren, en dat die, met wel vernoegden zin,
(230) Pal blijven zitten tot het einde van ’t begin:
Zo moetge elks zeden, naar zijn’ hooge of minder jaaren,
Natuurlijk teeknen, en door ’t gansche spel bewaaren.
[p. 271]
Een jongen, die nu loopt waarheen het hem behaagt,
En antwoord geeven kan op ’t geene men hem vraagt,
(235) Is haast geraakt, en licht gepaaid, en noit te vrede,
Speelt graag met jongens, en krakkeelt ’er altijd mede.
    Een jongling, dien de wol nu uitbot om de kin,
Van zijn’ opziener pas ontslagen, zet zijn’ zin
Op paard en hond en veld; is licht als wasch te kneeden
(240) Tot allerhande kwaad; wie hem van goede zeden
En deugden onderhoudt, dien ziet hy alzo lief
Van achter als van voor; misbruikt het gul gerief
Van geld hem toevertrouwd; denkt zelden om zijn beste;
Hoog van verbeelding, graag naar nieuws, dat hy ten leste,
(245) Hoe hy het lichter kreeg, hoe eerder weer verlaat.
    Een man, die nu in ’t best van zijne dagen gaat,
Ziet af van ’s jongelings vermaak; zoekt geld en vrinden
En aanzien en gezag; zal noô zich onderwinden,
’t Geen hem berouwen zou wanneer het was gedaan.
    (250) De blonde grijsheid komt met veel gebreken aan:
Het zij, omdatze houdt van spaaren en van winnen,
Het geen zy nimmer durft gebruiken blij van zinnen;
Of datze traag is en beschroomd in al haar doen,
Onmagtig by zich zelf de minste hoop te voên;
[p. 272]
(255) Zy stelt geduurig uit, en weet niets door te drijven;
Schrikt altijd voor ’t aanstaande; altijd gereed tot kijven;
Doof voor de jonge jeugd, en klaagende dat thans
De boosheid by haar tijd vast toeneemt overshands.
    De jeugd baart veel vermaaks,’t welk, hoe zy ’t voede en kweeke,
(260) Ons de ouderdom weer rooft. opdat dan niet en spreeke
Een jongling als een oude, een kind gelijk een man,
Zo let wat yder naar zijn jaaren moet of kan.
Men meldt de zaaken by verhaal; of laatze uitvoeren
Naar ’t leeven voor elks oog. maar min zal ’t harte ontroeren
(265) ’t Geen iemand simpelijk door de ooren wordt bekend,
Dan ’t geen hy zelve ziet, en dus in ’t harte prent.
’t Geen evenwel den dag niet voeglijk wil gehengen,
Zult gy op ’t hoog tooneel best niet te voorschijn brengen,
Maar ’t oog der kijkeren onthouden menigmaal,
(270) ’t Geen aanstonds wordt verteld met kracht van zuivre taal.
Medea moet in ’t bloed van haare zoons niet baaden,
Noch Atreus ’t lillend vleesch van zijne neeven braaden
Ten aanzien van het volk; noch Procne, doodsch en bang,
Verandren in een zwaalwe, of Cadmus in een slang.
(275) Al watge op deeze wijs my brengen zult voor oogen,
Dat zal ik haaten als eene ongeschikte logen.
[p. 273]
    Begeertge dat uw spel behaage, en staande blijf,
Het zij noch korter, noch ook langer, dan van vijf
Bedrijven: In het zelve en kome geen der goden,
(280) Ten waar zulks ’t grootsche van de ontknooping hadt van nooden;
Daar vier persoonen op ’t tooneel staan, zwijge ’er een.
De Rei speele als de rol van eenen man alleen,
En zegge ook zijn belang als de andren saamenspreeken:
Maar alsze op ’t einde der bedrijven zijn geweeken,
(285) Dan zing’ hy in ’t gemeen; doch niets, ’t welk op de stof
Van ’t spel niet sluiten zou. ’t Voegt hem vooral, den lof
Der vroomen voor te staan; elk goeden raad te geeven;
Te stillen het gemoed door gramschap aangedreeven;
Byeen te brengen die verdeeld zijn door den haat;
(290) Te prijzen soberheid en gulden middelmaat,
Het recht, de wetten, en de zoetheid van den vrede:
Hy smoore een toevertrouwd geheim, en zend’ zijn bede
Ten hoogen hemel op, opdat het goed geluk
D’ ellendigen vertroost’, den trotsen onderdrukk’.
    (295) De fluit was eertijds niet, gelijk te deezer tijde,
Omvangen met metaal, en magtig om ten strijde
Te daagen, even als de klinkende trompet:
Maar klein van omtrek, en eenvoudig, en bezet
[p. 274]
Met weinig gaten, en bekwaam den zang der Reien
(300) Te vergezellen, en haar’ zoeten klank te spreien
Zielroerende door al de schouwplaats, eng en klein;
Doch grootgenoeg voor ’t volk, toen telbaar, vroom en rein,
Dat zedig hier verscheen tot blijdschap en verkwikking.
Maar toen dat volk, alom verwinnaar, andre schikking
(305) In zijne zaaken maakte, en zijner vadren stad
Vergrootte, en straffeloos den dag verzoop in ’t nat
Van smaakelijken wijn; toen heeftmen ook gevonden,
Waardoor de zedigheid der zangkunde is ontbonden,
En weeldiglijk veraard, verwilderd en besmet;
(310) Want hoe toch zoude een boer, van billijkheid en wet
Onkundig, ongeleerd en onbeschroomd voor schanden,
Smaak hebben in wat goeds, als hy zijn luie handen
Van ’t werken vindt verlost, en zitten mag, geplaatst
Naast de eersten van de stad, nieuwsgierig en verbaasd?
(315) Zo heeft de fluiter in het einde meerder leeven,
En zwier, en dartelheid, aan de oude kunst gegeeven,
En vulde het tooneel met pracht van wijdsche kleên,
En langen sleep. Aldus heeft ook de lier, voorheen
Zo deftig en geschikt, meer toonen aangenomen;
(320) En een welspreekendheid die ’t al scheen te overstroomen,
[p. 275]
Lichtvaardig zich bediend van ongewoone praal
Van woorden, toenmen zich in een verheven taal
Vermat, de wijsheid in haar diepste naar te speuren,
En te onderzoeken wat hier namaals zou gebeuren:
(325) Waardoor de Grieksche Rei in ’t end zo duister werdt,
Gelijk de orakelen van Delphos, wit en zwart.
    Die om den bok, den prijs des Treurspels, heeft gestreeden,
Deedt ook de Saters naakt ten schouwtooneele treeden,
En trachtte, buiten kreuk van ’s Treurspels deftigheid,
(330) Iet geestigs voor den dag te brengen; met beleid
Om zijne aanschouweren en hunne gunst te winnen,
Die, na voleindigd werk, wat nieuws, wat vrolijks minnen.
Doch wiltge, dat het volk in uwe Saters, ’t zij
Ze boerten met vermaak, of schimpen stout en vrij,
(335) Genoegen scheppe, en zich in ’t eind te vreden houde;
Zo zorg wel, dat geen god of held, die flus van goude
En purper blonk, zo laag vervalle in zijnen praat,
Alsof hy zijne reên geraapt hadt van de straat:
Noch, om de laagheid te vermijden, zich bedriege
(340) In zijn verhevenheid, en door de wolken vliege.
Het Treurspel treedt te hoog, te grootsch, dan dat het zou
In laage vaarzen zijn gedicht. Gelijk een vrouw
[p. 276]
Van deftigheid en rang ook somtijds wordt gebooden,
Te danssen op een feest ter eere van de goden;
(345) Zo meng’ het Treurspel ook zijn grootscheid en gezag,
Gansch ingetoogen, met der Sateren gelach.
Als ik een Saterspel, o Pizoos, wilde schrijven,
Gelooftme, ik zou mijn werk niet maaken, van te blijven
By woorden zonder zwier; veel min, dat onbeschaamd
(350) Elk ding, by zijnen naam, door my zou zijn genaamd:
Noch zou den grootschen stijl des Treurspels zulks verlaaten,
Dat ik Sileen, den vriend van Bacchus, zou doen praaten,
Hoedaanig eene taal, in ’t Blijspel, Davus voert,
Of Pythias, als zy den ouden Simo loert,
(355) En hem een’ buit onthaalt. ’k Zal mijn veranderingen
Ontleenen van bekende en zo gemeene dingen,
Dat elk vertrouwen zal, zulks ook te konnen doen:
Daar hy doch zweeten zal, en, tegen zijn vermoen,
Verlegen staan, als hy iet diergelijks wil maaken.
(360) Zulk een vermogen heeft de saamenhang der zaaken,
En schikking van het werk; zulk eenen luister geeft
De kunst aan iets, dat zelf niet ongemeens en heeft.
Mijns oordeels, dienen ook de Faunen acht te geeven,
Dat zy, die in het bosch steeds zijn gewoon te leeven,
[p. 277]
(365) Niet spreeken, even als een burger van de stad:
Dat hunne rede zij noch onbeschoft, noch plat;
Noch ook zo opgesierd, zo glad, alsof zy scheenen
Den hovelingen en het hof hun’ stijl te ontleenen.
Want schoon dit aan ’t gemeen misschien behaagen zal,
(370) Het beste deel des volks verwerpt het heel en al.
    Een lange greep na eene korte, wordt geheeten
Een Jambus, snel en rad; waarommen ook in ’t meeten,
Schoon ’t vaars zes voeten heeft, alleen drie slagen telt.
Voorheen was ’t gansche vaars uit Jamben saamgesteld:
(375) Maar, om die snelle vaart een weinig te doen sleepen,
Heeft men ’er onlangs ingevoegd meer lange greepen,
Te weeten, in den eerste, en derde, en vijfden voet;
Geenszins in de andren: schoon men ’t overal ontmoet
By Ennius, als ook by Accius, voordeezen
(380) Om hunne Jamben hoog geroemd, nu laag gepreezen.
    Maar die dees dichters volgt, en nu te voorschijn treedt
Met vaarzen, zwaar als lood, onaangenaam en wreed,
Toont, dat hy alte vlug, te schielijk, heeft geschreeven,
Of dat hij in de kunst zeer weinig is bedreeven.
(385) ’t Is waar, elk ziet niet, waar de vaarzen kreupel gaan:
En de oude dichteren, al haddenze misdaan
[p. 278]
Verworven lichtelijk verschooning in hun dagen.
Zal ik daarom ook nu naar wet noch regel vraagen,
En schrijven in het wild? Zal ik, ofschoon ik meen,
(390) Dat elk mijn fouten zal waarneemen een voor een,
Zo eigenhoofdig aan de zelven my verslingren,
Alsof ik wist, dat elk die zien zou door de vingren?
En ’t viel eens op zijn beste, elk leezer waar mijn vriend:
Men schouwt my boetvrij; maar wat lof heb ik verdiend?
(395) Maar gy, ontziet u niet, by nacht en dag te zoeken,
Waar ’t pit en merg schuile in der Grieken wijze boeken.
Want uw voorouderen, die hielden zich te vreên
Met Plautus ruw gedicht en geestlooze aardigheên,
Zich doorgaands alte zeer verwondrende over beiden;
(400) Opdat ik niet en zeg, te dwaas, en te onbescheiden:
Zo anders gy en ik verstaan het onderscheid
Van plompe loopjes en rechtschapen geestigheid;
En wy ook eenigszins op onze wijze weeten
Den trant eens vaars met oor en vingren naar te meeten.
    (405) Men zegt, dat Thespis eerst gevonden heeft een slach
Van Treurdicht, ’t welk hy in het rond te voeren plag
Op wagens door het land, en zingen deedt en spreeken
Door luiden, ’t aangezigt met wijnmoer overstreeken.
[p. 279]
Na hem vondt Eschylus het lang en achtbaar kleed,
(410) Den veelerhanden mom, en hooge broos; en deedt
Zijn speelers spreeken met verheve en grootscher klanken;
En bouwde ’t eerste vast tooneel van dunne planken.
Hier volgde ’t Blijspel op, het welkmen ’t Oude noemt,
Een’ ruimen tijd van elk gepreezen en geroemd:
(415) Maar jammer was het, dat de vrijheid in ’t bestraffen
Zo ver gong, datmen die door wetten af moest schaffen.
Waardoor de Rei, gewoon elk op zijn zeer te treên,
Te schandlijk stille zweeg, en ganschelijk verdween.
    Ons dichters hebben lang zich alles onderwonden:
(420) En ’t is het minst niet van hun’ lof, dat zy bestonden
Van ’t voetspoor van den Griek ter zijden af te gaan,
En hun vernuft en vlijt te kost te leggen aan
Het zingen van den lof der vaderlandsche helden,
Wanneerze die voor ’t oog des volks ten toone stelden,
(425) ’t Zij dat het Treurspel hun hiertoe moest dienen, of
Het Blijspel voegelijkst zich schikte naar hun stof.
    En zeker, Latium zou hy de volkren weezen,
Niet meerder om zijn deugd en wapenen gepreezen,
Dan om zijn tong, indien der dichteren geslacht
(430) Om vijl en gladde schaaf wat meerder hadt gedacht.
[p. 280]
Gy, Numaas edel bloed, ei laat u niet verblinden
Door eenig vaars, daar gy geen tekens in kunt vinden,
Dat het bekrabbeld zij, en langen tijd bewrocht,
En tienmaal overzien, en op de toets gebrogt.
    (435) Omdat Democritus meer toeschreef aan ’t vermogen
Der gunstige natuur, dan aan het lastig poogen
Der arbeidsaame kunst, en zelfs dorst drijven, dat
Geen wijs man immermeer den Helikon betradt;
Zo vindtmen noch een’ hoop van volkje in deeze tijden,
(440) Dat vreest, als anderen, zijn nagelen te snijden,
Zijn’ baard te scheeren, vliedt het oog van man en wijf,
De baden en de markt, en zoekt een woest verblijf.
Zal dan een kallefshoofd, omdat het, vol grimmassen,
Zich te besmetten vreest indien het zich liet wasschen,
(445) Schoon ’t niet te helpen is met drie Anticryaas,
Een dichter moeten zijn! o wat ben ik dan dwaas,
Dat ik in ’t voorjaar my door dranken zoek te ontlasten
Van mijne zwarte gal! ik zou ’t dien vroomen gasten
Misschien in ’t minste niet toegeeven, en wel licht
(450) Dat elk verbaasd stondt op het leezen van mijn dicht.
Maar ’t is de pijn niet waard. Ik wil veel liever trachten
Den slijpsteen in zijn’ aard en eigenschap te slachten,
[p. 281]
Die, zelve stomp, nochtans het ijzer scherpt en wet.
Ik, zelf niets schrijvende, zal andren leeren, net
(455) En klaar te schrijven; waarmen voorraad haal’ van zaaken;
Wat eenen dichter kweeke en eindlijk kan volmaaken;
Wat dat een werk verstrekk’ tot misstand, of sieraad,
En hoe ver ons het goed kan brengen, hoe ver ’t kwaad.
    Wel denken, is de bron en oorsprong van wel schrijven.
(460) Wilt gy in kennisse en in weetenschap beklijven,
Doorzoek de schriften van de wijzen, kloek van raad.
De woorden volgen licht, als gy de zaak verstaat.
Want die geleerd heeft, wat hy vaderland en vrienden
Verpligt is; wat aan hem zijne ouderen verdienden,
(465) Of broeder, of de man, die in den tijd van nood
Voor hem, uit gulle deugd, zijn beurs en huis ontsloot;
Waartoe een raadsheer, of een rechter, is verbonden;
Wat hem te doen staat, dien het volk heeft afgezonden
Als opperhoofd van ’t heir op eene lange reis:
(470) Die zal ook yder licht doen spreeken naar den eisch.
Die in ’t naarbootsen zich verstandig wil gedraagen,
Dien raad ik, dat hy steeds zijne oogen houd’ geslaagen
Op ’t leevend voorschrift van ’t gedrag en ’s menschen zeên,
En daar voorzigtiglijk zijn reden van ontleên’.
[p. 282]
(475) Want dikwils zietmen, dat een spel, waarin de zeden
Natuurlijk zijn vertoond, en dat op veele steden
Met oude spreuken gestoffeerd is en verlicht,
Schoon zonder kunst, of kracht, of aardigheid, gedicht,
Veel meer zijn’ leezer of aanschouwer zal vermaaken,
(480) Dan vaarzen, glad van toon, doch slecht voorzien van zaaken.
De Zanggodin vereerde aan ’t naarstig Griekenland
Een’ welbespraakten mond, en een doorkneed verstand,
Omdat zy niets dan lof en waare glorie achtten.
Maar wy voên by ons zelfs alte ydele gedachten,
(485) Dat onze jonglingschap geen nood heeft van vergaan,
Als zy de rekenkonst slechts in den grond verstaan.
Spreek op, Albinus zoon; ik trek ’er twee van zeven,
Wat blijft ’er? Vijf. Dat ’s puik: gy zult gelukkig leeven.
Al voort: voeg vijf en drie te saam, wat geeft het? Acht.
(490) O braave knaap! gy zijt de hoop van uw geslacht.
Maar zal die knaap, het hart doorknaagd van deezen kanker
Van reeknen van verlies en winst, hoe langs hoe kranker
Van geest en van vernuft, oit brengen voor den dag
Een dichtstuk, dat zijn’ naam aan de eeuwen wijden mag?
    (495) Een dichter zoekt, of te behaagen, of te stichten;
Of beide, ’t aangenaame, en ’t nutte, in zijne dichten.
[p. 283]
Zo gy het nutte zoekt, zo wees beknopt; opdat
Het leerzaame gemoed uw reden licht bevat,
En makkelijk onthoude: alle overtolligheden
(500) Verwerptmen, als het schuim van goed verstand en reden.
Maar wilt gy enkel iets verzieren tot vermaak,
Zorg, dat het altijd aan de grens der waarheid raak;
Noch tracht uw kijkeren door dwang te doen gelooven,
’t Geen zelfs den minsten schijn van waarheid gaat te boven:
(505) Gelijk of Lamia een kind vrat tot haar voer,
’t Welk gy weer kort daarna zaagt speelen langs den vloer.
De grijze haaten wat niet nut is of kan stichten:
De jongen stoppen ’t oor voor ernstige gedichten:
Maar die het aangenaame en ’t nutte zo schakeert,
(510) Dat hy en oud en jong beide en vermaakt en leert,
Die heeft den lauwerkrans van allen weggedraagen.
Dat boek zal vreemden en inboorlingen behaagen,
Den naam zijns maakers lang doen leeven na zijn dood,
En kan een’ boekwurm ruim voorzien van geld en brood.
    (515) Daar zijn doch evenwel ook fouten, die wy gaaren
Zien door de vingeren. Want even als de snaaren
Niet altijd klinken zo de hand wil; en de boog
Het wit niet altijd treft ten wille van het oog;
[p. 284]
Zo kan een dichter ook gemakkelijk eens missen.
(520) Maar als het gansche werk draagt veel getuigenissen
Van naarstigheid en geest, stoor ik my weinig aan
Een’ misslag twee of drie, door achtloosheid begaan,
Of daar de menschlijkheid, zo licht gereed het goede
Bezijden mis te treen, zich niet genoeg voor hoedde
(525) Wat dan? Gelijk als een, die schrijvende voor geld,
Een woord altijd, hoewel gewaarschouwd, kwaalijk spelt;
Gelijk een violist, die niet wel is bedreeven,
En altijd eene snaar voorbytast, geen vergeeven
Noch onschuld hoopen mag: zo is my een poëet,
(530) Die telkens mistast en geduurig zich vergeet,
Een lompe Cherilus, met wien ’k my moet vermaaken,
Wanneer hy twee drie maal niet ganschlijk is te laaken:
Terwijl ’t my smert, als zich Homerus eens vergist.
Maar in een groot werk is ’t verschoonlijk datm’ eens mist.
    (535) Gy moogt de dichtkunst by de schilderkunst gelijken.
’t Een stuk mag lijden, dat wy ’t van naby bekijken,
Terwijl het ander liefst van ver wil zijn gezien:
Dit zal het helder licht, en dat de schaduw vliên,
Te weeten, ’t geen het oog eens kenners kan verdraagen:
(540) Dit zal voor de eerste reis, dat te elke reis behaagen.
[p. 285]
O eerstgeborene uwer broederen, ofschoon
Uw vader u den weg ter deugd en waarheid toon’,
En zich ’t verstand in al uw’ handel doe beschouwen;
Gewaardig u dit woord uit mijnen mond te onthouwen.
(545) In alle zaaken kan de middelmaat bestaan.
Een maatig rechtsgeleerde, een maatig pleiter, gaan
Voor goed in hunne soort, al konnen zy niet haalen
Noch by Cascellen noch by deftige Messalen:
Met middelmaatige poëeten, spotten slechts
(550) En goon en menschen, ja de boekverkoopersknechts.
    Want eveneens gelijk een maaltijd, die by tijden
Wordt aangerecht om ’t hart van vrienden te verblijden,
Bedorven wordt, wanneer de huiswaard daarin brengt
Sardijnschen honig met papaversap gemengd;
(555) Een ongeschikt muzijk; of damp van speceryen,
Die aller gasten hoofd meer dan de wijn doet lyen;
Omdat dit alles tot de maaltijd niet en doet:
Zo zal de dichtkunst, eerst gevonden om ’t gemoed
En ’t harte van den mensche inwendig te verheugen,
(560) Zo ze afwijkt van ’t volmaakte; ook in ’t geheel niet deugen.
    Die zich in ’t veld van Mars niet yverig en wel
Van jongs geoeffend heeft, die houdt zich buiten ’t spel,
[p. 286]
Om by de spotteren niet in den kijk te raaken:
Maar die het niet en kan, wil echter vaarzen maaken.
(565) En waarom zou hy niet? de man is zekerlijk
Van goeden huize; en, dat wel ’t meeste is, hy is rijk.
    Ik weet wel, gy zult u niet licht iets onderwinden,
Waartoe gy uw natuur niet zoudt geneegen vinden:
Deeze is uw meening,* dit uw oordeel. maar indien
(570) Gy evenwel iets schrijft, zo laat het eerst eens zien
Aan Mecius, en aan uw’ vader; en, mag ’t weezen,
Vergun aan my ook de eer dat ik het eens mag leezen.
Leg dan noch negen jaar het zelve in eenen hoek.
Gy moogt verandren watge wilt, zo lang het boek
(575) Noch in uw magt is; maar, hebt gy ’t eens uitgegeeven,
’t Moet blijven zo als ’t is, ’t zij wel of slecht geschreeven.
    De eerwaardige Orpheus, tolk der goôn, heeft door zijn woord
Het menschelijk geslacht, noch wild en woest, van moord
En boosheid afgeschrikt; waarommen voor veele eeuwen
(580) Al heeft verzierd, dat hy de tijgers en de leeuwen
En tam maakte en gedwee. Dus zegtmen mede, dat
Amphion, die het slot gebouwd heeft in de stad
Van Theben, door zijn lier en sterk gebed, de steenen
Zich zelfs tot dit gebouw deedt vlyen en vereenen.
[p. 287]
(585) Dees was de wijsheid, die de dichters lang voorheen
Aanpreezen in hun dicht: ’t Byzondere en ’t gemeen,
’t Onheilige en het heilge omzigtiglijk te scheiden;
’t Vermengen beestgewijs langs veld en open heiden
Te straffen met veel ernst; het huwlijk voor te staan,
(590) En man en vrouw elk ’t zijn te geeven; steden aan
Te leggen; ’t volk byeen te lokken; en de wetten
In hout te snijden, en voor elk ten toon te zetten.
Zo worven dichteren en dichtkunst alzins eer
En eenen eeuwgen naam. De uitmuntende Homeer
(595) Vervolgens, en niet lang na hem Tytéus, spoorden
De mannelijke jeugd, met uitgezochte woorden
En vaarzen vol van vuur, ten strijde en oorloge aan.
De orakels deeden zich in poëzy verstaan:
Wat nut en oorbaar was ten burgerlijken leeven,
(600) Werdt mede in poëzye ontworpen en beschreeven:
Men jaagde in poëzy de gunst der vorsten naar,
En zocht zich spel en vreugd na arbeid en gevaar.
Het zij dan ver, datge u zoudt schaamen, uwe dagen
Aan de eedle poëzye en zangkunst op te draagen.
    (605) Men heeft lang onderzocht, of een prijswaardig dicht
Meer zij, of aan natuur, of aan de konst, verpligt.
[p. 288]
’k Zie niet, wat een van beide alleenig zou vermogen:
Een rijke geest die niet beschaafd is; of het poogen
En yvren zonder geest en vindingrijk verstand.
(610) Zo zeker gaan natuur en konst hier hand aan hand.
    Die in de loopbaan naar den prijs dingt, snel van schreden,
Heeft in zijn jongheid zich gehard, en veel geleeden,
Gezweet, getrild van koude, en yvrig zich gewacht
Van vrouwen en van wijn: Een fluiter, dien elk acht
(615) Wel waardig met gejuich en handslag te vereeren,
Heeft zich den tijd gegund om eerst de kunst te leeren,
Terwijl hy lijdsaam van zijn’ meester veel verdroeg:
En zou ’t alleen dan in de dichtkunst zijn genoeg,
Te zeggen: Ik roep schrik van dichten, trots de besten:
(620) Der Zanggodinnen haat en afkeer slaa den lesten
Met honger en met kou! ’t waar my eene eeuwge pijn,
Een onuitwischbre schand, den eersten niet te zijn;
Of zo ik dwaasselijk met andren redeneerde;
Hoe zou ik konnen doen het geen ik niet en leerde?
    (625) Gelijk een roeper, die te koop veilt eenig goed,
Het volk van al de stad byeen vergadren doet;
Zo lokt een rijk poëet, door hoop van een vereering,
De vleiers tot zich. is hy dan in zijn verkeering
[p. 289]
Wat heusch en minzaam, en trakteert hy nu en dan,
(630) Of blijft hy borg voor een’ die niet betaalen kan;
Of helpt hy iemand, die in breuken is vervallen,
Met raad of metter daad, weldoende dus aan allen:
’t Zal my verwondren, als zodaanig een poëet
Een’ vleier en een’ vriend wel te onderscheiden weet.
(635) Maar gy, ’t zij datge iets hebt gegeeven of zult geeven,
Vertoon geenszins wat gy gedicht hebt of geschreeven,
Aan eenen, dienge eerst versch door weldoen hebt verpligt.
Want hy zal schreeuwen; Dat is heerelijk gedicht!
Puik, deftig, uit de kunst! gy zult hem zien verbleeken,
(640) Van vreugd de traanen uit zijn vriendlijke oogen leeken:
Nu zal hy springen, dan weer stampen op den grond.
Gelijk de geen, die zich verhuuren, om met mond
En lippen eenen doode op ’t plegtigst te beweenen,
Meer omslags maaken, dan de geen die ’t waarlijk meenen,
(645) En hartlijk zijn bedroefd: zo zal een spotter meer
Beweeging maaken, dan een vriend, die te uwer eer
Van harten is geneigd. Men ziet, dat, als de grooten
Begeerig zijn den grond van iemands hart te ontblooten,
Zy hem een’ buik vol wijns doen geeven, om te zien,
(650) Of hy hun vriendschap en vertrouwen wel verdien’:
[p. 290]
Gy ook, indienge iets dicht, geeft acht op uwe vrinden,
En laat geen schalk u met zijn vossenvel verblinden.
    Zo gy Quintilius iets voorgeleezen hadt,
Hy hadt u kort gezeid; Verbeter dit of dat.
(655) Zo gy geantwoord hadt; Ik kan ’t niet beter maaken;
Ik proefde ’t twee drie maal, doch heb het moeten staaken:
Het ijzer, zeide hy, zolang ’er haast of schier
Aan hapert, moet op nieuws van ’t aambeeld in het vier.
Maar, zo gy eene fout veel liever hadt verdeedigd
(660) Dan tweemaal uitgeschrabt, hy hadt zich niet verledigd
Meer moeite en woorden te verspillen; maar voortaan
U laaten met u zelf, en met uw’ pop, begaan.
    Een kenner van de kunst, en eerlijk man daarneven,
Zal slechten vaarzen noit den naam van goeden geeven.
(665) Wat hard is, noemt hy hard; al wat onsierlijk en
Te stijf is, tekent hy met omgekeerde pen;
Wat al te weeldig en te dertel is in ’t groeien
Zal hy, zelfs tot den stam zo’t noodig is, besnoeien;
Wat duister is, moet gy opheldren, zo ’t behoort;
(670) Hy zal zich stooren aan een dubbelzinnig woord;
U wijzen alles, wat veranderd dient te weezen;
Uw werken met het oog van Aristarchus leezen;
[p. 291]
Hy zal niet zeggen, Wel, waarom zoude ik mijn’ vriend
Om eene beusling, die de moeite niet verdient,
(675) Verstooren in zijn rust? Want zulke beuzelingen
Zijn magtig, iemand, eens bespot en in zijn dingen
Niet wel geslaagd, ten toon te stellen als een’ gek,
En een wel deeglijk kwaad te laaden op den nek.
Gelijk een, die melaatsch, of schurfd is, of bezeten,
(680) Zo worden ook gemijd de onzinnige poëeten
Van al wie wijs is; daar de kinderen alleen
Hen volgen onbedacht, of te gemoete treên.
Als zulk een dichter, daar hy dwaalt, en zijn verheven
En wijdsche vaarzen braakt, en door de lucht gaat zweeven,
(685) Viel in een’ put of kuil, gelijk de vogelaar
Die op den vogel loerde en nam zich zelf niet waar;
Al schreeuwde hy, Staa by, helpt burgers, buuren, vrinden,
Al schreeuwde hy zich dood, hy zou geen’ helper vinden.
Of kwam ’er iemand met een ladder of een touw,
(690) Die deez’ rampzaligen te dwaaslijk helpen wouw,
Ik zou hem vraagen, waar en hoe hy kwam te weeten,
Dat hy zich zelven niet hadde in den put gesmeeten,
En al geholpen wilde zijn uit deezen nood?
Ik meldde hem met een de wonderlijke dood
[p. 292]
(695) Van dien Empedocles, die vrij en onbedwongen
Den gloenden Etna is ter kaaken ingesprongen.
Het staa den dichtren vrij te sterven koel van moed.
Die tegen wil en dank een’ stervenden behoedt,
Doet eveneens of hy een’ leevenden vermoordde.
(700) ’t Is ’t eerst ook niet, dat men die grillen van hem hoorde.
En schoon hy nu al wordt gered, hy zal voortaan
Niet wijzer zijn, noch zich van deeze drift ontslaan
Om een gansch ongemeene en schoone dood te sterven.
Ook weetge niet, waarom dat hy zich moest bederven
(705) Met vaarzenmaaken: of hy immermeer bestondt
Te ontheiligen het graf zijns vaders, of den grond
Door ’t bliksemvuur geraakt. dit ’s vast, dat hy zijn zinnen
Gansch bijster is: en, als een beer, die eens van binnen
De tralie van zijn hok verscheurde en brak aan gruis,
(710) Zo jaagt, zo drijft hy met zijn’ wildzang elk naar huis,
Geleerd en ongeleerd; geen mensch kan hem doen zwijgen.
Maar is ’t, dat hy ’er uit den hoop een’ beet kan krijgen,
Daar houdt hy zich aan vast, als een bloedzuiger doet,
Die ’t vel niet eer verlaat, dan opgevult met bloed.

EINDE.

Continue