Hendrik Teeuwsen: Marturio Amsterdam, 1767.
Uitgegeven door EDITEUR
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton08092 - UBGent
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Continue

[fol. *1r]

MARTURIO;

BLYSPEL.

[Vignet: De Byen storten hier, het eelste dat zy leezen,
Om de Oude stok te voen, en de Ouderlose Weezen]

Te AMSTELDAM,

By IZAAK DUIM, op den Cingel, tusschen de War-
moesgracht en de Drie-Koningstraat, 1767.

Met Privilegie.

[fol. *1v: blanco]
[fol. *2r]
Opdracht.

[...]
[fol. *3r]
Privilegie.

[...]
[fol. *4v]

VERTOONERS.

RICHARD, Geneesheer te Salerno.
MARTURIO, & CHIMON, } Minnaars van Sofia.
Sofia, Dochter van Richard.
PASQUIN, Knecht van Richard.
JULIA, Diensmaagd van Sofia.
SCHOUT.

Het Spel speelt te Salerno, in het Huis van Richard.


Continue

[p. 1[

MARTURIO;

BLYAPEL.

______________________________

EERSTE BEDRYF.

EERSTE TOONEEL.

SOFIA, alleen.

Wat of toch eindelyk helaas! myn lot zal wezen?
Ik peins en overleg; maar de uitslag doet my vreezen;
En was ’t alleenlyk vrees, die my het harte wondt,
Ik zou, ondanks de smart van dezen veegen stond,
(5) Die, hoe ’t geval zich wende en keere, eens af moet loopen,
Op wenschelyker tyd, op betre dagen hoopen;
Dan och! Marturio, zo tederlyk bemind,
Leeft inderdaad niet meêr. Helaas! getrouwe vrind,
Oprechte Minnaar, kon, kon ik het wel gelooven,
(10) Dat u de dood zo ras van ’t leeven zou beroovcn,
Op dat myn hart, te diep gedompeld in den rouw,
Uw’ onverhoedschen dood zo vroeg beweenen zou.



TWEEDE TOONEEL.

SOFIA, JULIA.

                                    SOFIA. k Och Julia, zult gy my vreugde of droefheid geeven?
Waar is Marturio?
JüLIA.
Uw Minnaar is in ’t leeven. En, ’t schynt een wonderwerk,zo ras", zo onverwacht,
Uit het geweld des doods in ’t leeven weértgebragt.
A SoSofia.
Hy leeft dan Julia! waar is hy ... ?
JOLIA.
Waar? gevange». En zo ik heb gehoord zal hem de Schout doen hangen. Sofia.
Hoe, hangen! Julia! wat heeft hy dan misdaan,
Dat men met hem als met een’ booswicht om zal gaan,
En dus, daar hy in ’t minst niets schendigs heeft bedreeven,
Hem eene roekloosheid doen boeten met het leeven ?
J DLIA.
Marturio, die hier op gisteren vcrscheen,
Dit weet ge, lieten wy in dit vertrek alleen,
Waarin wy hem, toen zich uw Vader hadt begeeven
Op reis, gelyk ’t ons dacht, bevonden zonder leeven.
Pasqu’n en ik, beducht Mejufvrouw voor uwe eer,
En ’t driftige befluit uw ’s Vaders, die myn’ Heer,
Noit dulden kon, helaas! met zo veel vrees belaaden,
Wy namen ’t ligchaam op, en vonden toen geraaden
Het in myn kift, die ruim en groot en voeglyk is,
Te bergen, maar het flot van deez’ gebeurtenisf,
Zal u ontstellen; hoor, wy waren pas gekomen
Op straat, of ’t koffer wierdt ons schielyk afgenomen
Door dieven, die misschien zich vleidden voor het minst,
Te vinden in de kist meer dan gemeenen winst.
Wy gaven ze over, zy, door enklen waan ontdoken,
Zy bragten ze in een kroeg en zaten daar te fmooken,
En trouw te drinken, toen Marturio, herfteld
Uit zyn bezwyming, met een ongemeen geweld
Het koffer losbrak, ’t geen de Waard om hulp deedt roepen,
DèSchout kwam op zyn’ schreeuw,ter wyl ’er heele troepen
Van menschen kwamen, die, begeerig om te zien,
Reeds waren opgeftaan, om ’t geen ’er zou geschiên.
Terwyl de Schout, wiens plicht was, hier zich mee te moejen,
Marturio bezag en knelde in ysren boejen,
Op dat hy, door ’t Grecht ten kerker ingeleid,
Daar wachten zou naar ftraflfe op zyne roekloosheid, Die my bevrecmt, en nu wel haalt zou doen gelooven. Dat hy door ’t drinken van dien flaapdrank is beftooven: Want zie de fles is leeg.
Sofia.
ü Ja, dit is gewis; Ik denk ook dat zyn flaap hier door veroorzaakt is. JULIA.
Maar neem geduld, misschien dat men wel haast zal hooren Dat Heer Marturio
Sofia.
6 Neen, hy is verlooren; En ik zal nimmer weer, hoe listig gy me ook vleit, Het voorwerp wederzien van myn genegenheid. Marturio, was ik met u gekneld in banden, Dan noemde ik dezen boei den band van harte en handen; Maar nu ge onschuldig zyt geboeid, en zonder my, Ben ik elendig, en elendiger dan gy! Och! dat ik raad wist, om u uit den boei te rukken, Zo zag ik nog een einde aan all’ myne ongelukken! Getrouwe Julia weet gy, weet gy nog raad ?
Julia.
Wel neem dat ik my eens kon Hellen in uw’ ftaat,
Marturio bezocht
Sofia.
Daar schiet my iet te binnen.
Julia.
Gelukkig zeker, zo ge iet liftigs kunt verzinnen!
Wy moeten hier door list, of alles is verbrod,
Uw’ Minnaar rukken uyt het akelig cachot.
Wat peinst gy ?
Sofia.
Gy alleen kunt myne wonden ftelpen; Marturio en my misschien gelukkig helpen, Zo gy my trouw wilt zyn.
Julia.
Hield gy my oit verdacht ? Gebruik me in uwen dienst; zo gy ’t my waerdig acht! Sofia.
Ik durf my vryelyk op uwe hulp verlaaten; *
Hoor Julia; ’t gezucht en schreien kan niet baatenr
Wy moeten werkzaam zyn en liftig.
Julia.
Zeg my maar
Wat ik moet doen. ’k ontzie voor u zelfs geen gevaar.
Sofia.
Bekuip de zaak dan dus. Als Vader u mogt vraagen,
Waar of de fles met drank (ó oorzaak myner plaagen!)
Gebleeven is, val dan op uwe knié’n neer;
Zeg dat Marturio, in alle deugd en eer,
Door trouwbelofte u wist zodanig te beleezen,
Om deezen nacht by u in huis te mogen weezen,
En roekeloos, door dorst genoodzaakt, eer gy ’twist,
Zich in het drinken van den flaapdrank hadt vergist;
Dat gy toen, meenende dat hy ware omgekomen,
Door vreeze voor uw eere en schrik waart ingenomen r
Het zo genaamde lyk hadt in een kist gclegt,
En hoe de dieven voorts,
Julia.
Dat is zeer wel gezegt: Maar denk Mejuffer ’t zyn gevaarelyke zaaken, Om van een brave meid een roekloos mensch te maaken, En dat om uwent wil myne eer dus schipbreuk leidt.
Sofia.
Stof op uwe eigene eer en zyne onnozelheid,
En zoek myn’ Vader, die u meer dan my zal hooren,
Zo zeer door klaagen en door weenen te bekooren,
Dat hy Marturio herftelle uit zyn verdriet.
Julia.
Hoe zwaar my dit ook lchyn’, ’k ontzeg’tu echter niet; Ik zal om uwentwil myn’ goeden naam verzaaken.
„ Dit „ Dit voorval is in ftaat om myn fortuin te maaken,
Indien Marturio, ontflagen door ’t Gerecht, „ Mits my weêr eerende, door een’ gedwongen echt „ Myn man word, wat zal ik een grootedame weezen* Maar daar komt Chimon aan... Mejuffer wil niet vreezen; Laat alles op my ftaan, ligt krygt ge door den tyd En list een Minnaar, dien gy dubbel waardig zyt, Misschien dat het geval
Wel haast met u vereend te zyn door hechte knoopen
Des huwlyks, tot een loon van myn getrouwe *nin,
En dus vol liefde en vreede en met u eens van zin,
Zo wel te leeven, dat geen droefheid ons zal ftooren,
En dat wy
Sofia.
Staak die reên myn Heer en doe my hooren Of gy myn Vader hier zocht te onderhouden? Chimon.
Men wil, dat ik terftond naar eenen lyder ga,
En, eer ik ging, moest ik uw’ Vader noch eens fpreeken.
Sofia.
Wat let den lyder Heer?
Chimon.
Hy is geheel beiweeken. ’k Zal u zyn ongeval verhaalen en ik doel Op zyn behoudenisf.
Ja,
Sofia.
Geef aan myn Heer een’ ftoel.
Cht Chimon.
De lyder is wel ver van weer ter been te raaken,
Hy heeft fraétuuren, die zyn’ ftaat gevaarlyk maaken.
Een zwaare breuk, leer hoog aan ’t ergfte van 7.yn been,
De knie is ook gekneusd, en, zo ik zeker meen,
Verfterft het Femur al en meer dan halver weegen,
De Tarfus, Juffer, en de Metatarfus kreegen
Als ook de Tibia, de Fibula, nog meer
’t Os tali eenen krak, ’k vrees dat ik met geene eer
Het redden zal, want zo ik my te wel verzinne,
Het Acetabulum ontfteekt al en ik winne
Begrypje niet met al - gy hebt my wel verftaan ?
JüLIA.
Maar zeg eens Heer waar haalt gyal’tverftand van daan,
Want ik verftond geen woord.
Chimon.
Ja Meisje maar .....
Sofia.
Myn Vader
VIERDE TOONEEL.
Richard, Chimon, Sofia, Julia.
WR ICHflïD.
el, zyt gy daar myn Heer, hebt gy nu ook wat nader
Des lyders wond beschonwd ?
Chimon.
Hy ftait gevaarlyk Heer. Richard. Wel poets hem ’tbeen van ’t lyf...., Chimon.
Dat is te laat.
Richard.
Ik zweer,
Dat zo hy ’t been behoudt, hy ’t leeven weinig uuren Meer rekken zal, ’t gevolg van zulke been fractuuren.
ConConfrater, ’k heb een drank waar door hy flaapen zal,
En weinig voelen van het pynelyk geval,
Ook zal die zelfde drank contufien beletten,
Die, violent van aart, de midlen paaien zetten,
Symptomata, niyn Heer, zyn fteeds niet regulier,
De effufie van het bloed
Chimon.
Ik heb wat Jopenbier.
RlCHARD.
Weg weg daarmeê,myn drank kan wonden fuppureeren;
In pleuris, als het bloed dreigt te coaguleeren,
Geef ik het in, kryg my die fles eens Julia.
Sofia.
Ai kwyt u toch getrouw i
Julia.
Ik bid u om genae! Myn Heer:....! helaas! de drank!....
KlCHARO.
Waar hebt gy hem gelaaten! Braakt gy de fles misschien ?... het veinzen kan niet baaten, Spreek op; want waarelyk ’k ben vyand van denschyn, En wil door u niet in myn werk bedroogen zyn. Waar is ?
JOLIA.
Helaas! myn Heer, gy wilt me uw ongenade Doen voelen! maar vergeef en kom myn leed te lïade, Ik ben verlooren! och! ik ben myn zinnen kwyt!
RlCHARD.
Wat let u dan dat gy zo uitgelaten zyt?
Julia.
Een bron van ongeluk, die gy alleen kunt ftelpen.
RlCHARD.
Zo ’k u van dienst kan zyn, geloof me, ’k zal uhelpen.
Julia.
Ik ken uw goedheid, ja ik ken haar, 6 myn Heer,
Het leed, waarom ik zucht en schrei, is groot en teer,
A4 Het
Het overftroomt myn hart, het dreigt myn ziel te scheuren. Ik vind geen’ raad zo my geen hulpe moog’ gebeuren Van u, dien ’k hooger acht dan al het waerelds goed.
RlCHAKD.
Wat is ’er dan geschied? fpreek op, enschepmaar moed, Ik zal u byftaan.
JüMA.
ó, Myn Heer, hoe wilt gy beeven,
Als ik u myn geval hier zal te kennen geeven!
Een yllèlyk geval! leen my een gunltig oor,
En geef my, die om hulpe en byftand fmeek, gehoor!
Marturio, myn Heer, bemint me, zints veel jaaren,
En zogt, beloovende met my te zullen paaren,
(De nood dwingt my dat ik u alles kenbaar maak’,
En openhartiglyk ontdek de gantsche zaak)
In ftilte my te zien, ’t geen niemand oit zou weeten,
Maar och! een yd’le hoop deed my myn’ plicht vergeeten:
Ik ftond zyn voortel toe en fprak hem deze nacht,
En heb hem heimelyk in dit vertrek gebragt,
Om met hem ongeltoord en vry te mogen fpreeken,
Hy, wachtende myn komst, door vrees en dorst bezwee-
ken,
Kreeg eene fles met drank, dien gy een flaapdrank heet,
En lefte zyne dorst: ’k kwam weer en zag het zweet
Op ’t zwymend aangezigt, hy kon geen’ adem krygen,
Ik za<,> hem in myn’ arm beweegloos nederzygen,
Ik was heel raadeloos en hield hem reeds voor dood,
Waarom ik ’t waarde lyk ftraks in myn koffer floot,
En bragt het buiten deur, maar ’k was ’er pas gekomen,
Of myne kist wierdt my door dieven afgenomen,
Dien ik met zo veel zorg en moeite droeg. Helaas!
Wat is de voorzorg, die niet wel gegrond is dwaas!
Men fleept hem in hun huis al waar hy kwam te ontwaaken,
En door ’t geroep des volks in hechtenis te raaken.
Denk nu myn ongeluk, Marturio, myn Heer,
Js nu gevangen., en uw dienftmaagd zonder eer;
De Schout heeft hem gevat, gekluifterd in de boeien..., K I CH ARP.
„ Ik voel myn harte van verborgen gramschap gloeien, „ Marturio bedriegt myn dienstmaagd, en zy waant, „ Dathy aan haar den weg, naar’t eerbaar huw’lyk baant.
Tegen Julia. Gy en uw Minnaar zult in my uw hulpe vinden, Met dit beding, dat hy zig aanftonds zal verbinden In ’t huvvelyk met u; maar zo hy dit ontzegt, Ontzeg ik hem myn hulpe en laat hem aan het recht. „ ’k Zal door dit huwclyk my op myn’ vyaud wreeken.
Tegen Cbimon. Ga voor een oogenblik, ik zal u nader fprceken: De kuur, ’k bedenk my, heeft zo’ngrooten haast nog niet, Ik wil deez’ brave meid eerst redden uit ’t verdriet.
Tegen Julia.
Ik ga eens by den Schout naar uwen Minnaar vraagen.
Julia.
Gy zult u ’t weldoen, 6 myn Heer, toch noitbeklaagen;
Die lust tot weldoen heeft doet aan zich zeiven wel,
Eu ik vergeet geen gunst, nu ik myn leed herftcl.
VYFDE TOONEEL.
Sofia, Julia.
DSofia.
aar schynt noch veel gevaar te zyn in onze zaaken.
Julia.
Marturio zal toch wel haast ontflagen raaken.
Uw Vader gaat den Schout bezoeken, en hy zegt
Dat, zo Marturio my eert door zynen echt,
Hy alles doen zal, wat hy doen kan naar vermogen.
Sofia.
Hoe hoog, 6 Vader! is uw wraaklust opgetoogen:
Wat top bereikt hy niet zelfs in dit oogenblik ?
Myn Vader, Julia, (ik zeg het u met schrik,)
A ï Haat
Haat en Marturio, en alle zyne maagen,
En wil nu mogelyk voor u dien jongman vraagen,
Om hem te domp’len in dien nederigen (laat,
Dat hy, van ed’len (lam, met u in ’t huwlyk gaat.
Ik weet niet hoe deez’ zaak nog eenmaal af zal loopen.
Juli A.
Het ga ook zo het wil, wy willen nogtans hoopen,
En wachten d’uitflagaf met uitgerekt geduld,
Dan wat ’er ook gebeure, ik blyve zonder schuld.
Sofia.
Dat blyft gy, en gy zult myn dankbaarheid bevroeden,
Gy, die myn’ Minnaar in gevaaren woudt behoeden,
En dus uwe eere zelfs bevlekken, schoon in schyn:
Die trouw, 6 Julia, zal me eeuwig dierbaar zyn.
ZESDE TOONEEL.
IJ u L i A, alleen.
k zal my zeker in ’t vooruitzicht niet vergisfen;
Want hoe de zaak ook valF, my zal het loon niet misfen.
’t Zy door het huwelyk, dat zich nog flauw vertoont,
Of door Sofia zelf. Hoe ’t zy ik word beloond;
En ftel, ’t gebeurde my, Marturio te trouwen,
Hoe deel ik dan in de eer van ryke en ed’le vrouwen.
Die alles krygen wat haar harte flechts begeert;
En wierdt de kans van d’echt voor my eens omgekeerd,
Sofia die verkreeg haar Minnaar; haare zaaken
En liefde, zouden my door gunst gelukkig maaken.
Ik wacht dan met geduld op d’uitflag van ’t geval,
Dat my niet anders dan gelukkig maaken zal.
Einde van bet terjle Bedryf.
TWEETWEEDE BEDRYF.
EERSTE TOONEEL.
Chimon, Sofia.
GSofia.
y wilt dat ik u volg, myn Heer, maar om wat reden
Worde ik gedwongen, zyt ge in uw genegenheden
Niet vry ? volkomen vry? daar ik gevangen schyn,
En waarom mag ik ’t dan zo wel als gy niet zyn ?
Chimon.
Myne engel door wat weg kan ik uw liefde winnen ?
Brengt my toch alles, wat gy wenfehenkunt, te binnen!
Ik zal uw’ wensch voldoen, zo ik (vergun me een’lach,)
Slechts op uwe achtinge en uw liefde hoopen mag!
Sofia.
Gy kunt myne achtinge in den hoogden graad verkrygen,
Zo gy voortaan van liefde en ’t huwelyk wilt zwygen.
Wy zyn, al zyt gy zo geleerd en nog zo ryk,
In jaaren al te veel elkand’ren ongelyk.
Ik kan niet trouwen
Chimon. Hoe! past deze taal aan vrouwen! Uw Vader wil het; en zegt gy, ik kan niet trouwen?
SOFI A.
Die toon, waarop gy fpreekt myn Heer, gevalt my niet. Gy voert nog veels te vroeg dat fpreekend echtgebied. Ga, zoek een vrouw, die zich gehoorzaam kan betoonen; Voor my, ik kan uw min met geene min beloonen,
Tervoyl Chimon baar by de band neemt. Zo zeer gemeenzaam niet Heer Chimon!
Chimon.
Hoe! zo wreed!
’k Doe alles wat gy wilt.
SoSofia.
’t Is inderdaad my leed Myn Heer, dat ik u niet naar uwen wensch kan fpreeken; Maar’k moet wel! nimmer zal ’taan achting myontbreeZo gy flechts maar ik zie myn’ Vader... (ken;
TWEEDE TOONEEL.
RlCHARD, CHIMON, SOFIA.
RlCIIARD.
Wcllekom, Aanftaande schoonzoon, dien ik groet als Bruidegom, Want ik verkies, om u geen hindernisf’ te baaren, Dat gy nog dezen dag zult met myn Dochter paaren. Zy zal gewillig zyn.
Sofia.
Indien ik fpreeken mag, Veel liever ftierf ik, dan te trouwen dezen dag, Met Chimon, neen, myn Heer!
RlCHARD.
Wat ongeregeldheden! Wiltgy deez’ dag in d’echt met mynen Hals vriend treeden, Of niet ? ik lag wat met uw dagelyks geween.
Ik heb uw lot bepaald: zult gy hem troüWen ?
Sofia.
Neen.
RlCHARD.
Ga uit myn oog! ondankbre, en wil u wel beraaden:
Bedenk u wel! het zal u al te deerlyk schaaden,
Zo gy hardnekkig blyft.
Sofia.
Ik ga. bederf uw kind; Misschien zyt gy het wel verschuldigd aan dien vrind.
DERDE TOONEEL
RlCHARD, CHIMON.
Irichard. (ken, s goed dat zy myn oog, dat gram zag, zocht te ontwyZoü ik voor haar, myn Heer, zo ligt den wimpel ftryken, Is zy myn Dochter niet, heb ik haar niet geteeld f Dat vraag ik u? wat.of dat meisje zich verheelt? Zy zal u trouwen, ja ik wil ’t, zy zal u trouwen, En u beminnen als de tederfte der vrouwen.
VIERDE TOONEEL.
RlCHARD, CHIMON, Pasouin.
Dpasqdi N. aar is de Schout, myn Heer, en vraagt naar uj
RlCHARD.
Hy kom ?
Maar, zo gy ’t vat Pasquin, met eenen (rillen trom.
Gy moet als hy hier is, de deur ter degen fluiten,
En toezien, dat ons toch geen fterveling van buiten
Kan hooren, als ik roep moet gy voort vaerdig zyn.
Een mensch moet deugdzaam zyn, al is hy ’t maar in schy n.
VYFDE TOONEEL.
RlCHARD, CHIMON, SCHOUT.
MScHaot.
yn Heeren, zyt gegroet! ik kwamomutevraagen
Of gy Marturio door my wilt zien ontflaagen,
Gelyk gy ftraks belloot?
RlCHARD.
Ja! heeft hy u beloofd, Dat hy haar, die hy hier heeft van haare eer beroofd, Zal trouwen?
Schout.
Schout. Niet alken beloofd, maar zelfs gezworen. RicHard, tegen Cbimon. Wie hadt dit oit gedacht ?...
Chimon.
Wat vvondren of wy hooren!
R i c H A R o, tegen de Scbout.
Zie hier een fomme gelds, dat is voor u myn Heer!
Schoot.
Die prys is veels te klein. Ik eisch en vorder meer.
Zou zulk een kleine fom den eisch der wetten koopen ?
De fnaak is meerder waard.
RlCHARD.
Zo gy hem op wilt knoopen, Tegen Cbimon. Dan geef ik eens zo veel. ’t Vermaak der wraak is zoet. Schout.
Staat gy naar’t leeven Heer van zulk een armen bloed? Kom, laat hem leeven, en geef my wat meerder schy ven.
RlCHA RD.
Zo gy hem aan den galg kunt op den wind doen dry ven,
Dan zal ik eens zo veel aan u betaalen: kom,
De schelm is ’t waard.
Chimon.
Bedenk u nader!
RlCHARD.
Vriend, waarom? Zo hy het leeven niet door beulen kan verliezen, Dan moest ik van twee kwaên, zo denk ik, ’t befte kiezen,
En hem doen trouwen maar ....
Chimon.
Neen zeker, waag u niet! Koop, koop hem vry van ftraf, dit is wel meer geschied. En dan zal dankbaarheid den jong’ling vaerdig maaken, Om u, met eerbied en een diep ontzag, te naaken. Geef nog een weinig geld.
Schout. Schoot. ZESDE TOONEEL.
Di e Heer fpreekt al s een man, Die ’t recht vootzichtiglyk van ’t onrecht ziften kan. Zyn raad gevalt my.
RlCHARD.
Wel ik laat my dan beleezen, Zie daar myn Heer, wanneer zal hy tot onzent weezen? Schoot.
Ik bragt hem uit ’t cachot, hy zit in myn vertrek,
En schryft en wryft, en toont zich uitgelaaten gek.
RlCHARD.
Van blydschap zekerlyk!
Schoot.
De vreugd kon hem verwinnen.
Chimon.
De vreugd kan ons zo wel berooven van de zinnen
Als droefheid.
Schoot.
Nu myn Heer zal ik dan heenen gaan,
Om uw’ gevangenen volkomentlyk te ontflaan?
RlCHARD.
Niet voor dat hy belooft, en ftaaft met dierbaare eeden,
Met haar, wier eer hy schondt, in ’thuwelyk te treeden;
Op dat hy dus voldoe aan het geschonden recht,
En de eere myner meid herftelle door den echt: (gen
Doch zwyg voor al, myn Heer, van ’t geen u myn verlan-
Ontdekte, om dezen knaap met vreugde te zien hangen.
Gy vat myn meening?
Schoot.
Ja byzonder wel,myn Heer;
Uw dienaar, zyt gegroet.
RlCHARD.
Maak dat hy vaerdig keer’.
RlCH ARD, CHIMON, Pasquin.
MPasquin. yn Heer, een woordje!
filCHABD.
Wel, wat hebt gy my te zeggen ?
Pasqüin.
Ik heb, Verrtaje wel, den Schout te wederleggen,
En u, begrypje me?
Richard.
Waar in toch ?
Pasquin.
Julia
Is lang aan my verloofd, zo waar als ik hier fta! Begrypje, en echter zegt ze, uit lust, om my teplaagett, Dat gy haar aan een’ Heer tot Bruid hebt opgedraagen, En dat de Schout hier om .... begrypje ?.. vatje ’t wel l
Ik hoop toch niet myn Heer.... ik ben een jong gezel
Dat Julia
Richard. Loop gek, denkt gy al mede om trouwen ? Trouw noit Pasquin, dan zal ’tu nimmermeer berouwen. Pasquin.
Myn Heer verftaje
Richard.
Zwyg! ik heb nu geenen tyd. Tegen Cbimon. Kom gaan Wy vriend, die my alleenlyk welkom zyt, . Om vrolyk en verheugd den Minnaar af te wachten, Schoon het Pasquin zo zeer gaat buiten zyn gedachten. Gy zult de man zyn, dien myn Dochter trouwen zal, Gy waart voorlang myn vriend; ’k verkies u boven al, Gy zult myn kind, hoe zeer zy op haar’ wil durft roemen,
. Wel,
Wel, binnen korten tyd, myn Heer uw huisvrouw noemen.
ZEVENDE TOONEEL.
DPasquin alleen.
aarfpcelt de drommel meé,ik ben zo goed een man
Als Richard, meent hy dat zyn knecht niet trouwen kan,
Om dat hy ’t huwelyk heeft naar zyn’ zin beflooten ?
Neen Julia hoort my alleen toe, zyn de Grooten
Geschiktcr voor de trouw dan eenèn armen bloed ? (doet,
Neen, neen, dat denk ik niet: maar wat myn Heer ook.
Ik wil en zal haar toch, al zou het my berouwen,
In fpyt van Richard en zyn’ ganfehen aanhang, trouwen.
Wees luchtiger Pasquin, en dring uw zaken door.
De liefde baant u ’t pad, de trouw wyst u het fpoor.
ACHTSTE TOONEEL.
Julia, Pasquin.
HJulia.
oe ziet gy zo verbaasd Pasquin?
Pasqüin.
Myn lieve leeven, Ik zou om uw bezit de heele waereld geeven; Maar och myn Julia, wat heb ik toch gedaan, Dat gy my, al te wreed, nu voorhebt af te flaan! Wat heb ik uitgevoerd? begrypje! wilt niet zwygen, Op dat ik in myn leed, begrypje! troost mag krygen. Myn liefde ltefje lpreek een enkel woord van troost. Myn hart is zo beklemt, hoor, hoe het zuchten loost. Ik kan niet lpreeken; zal Pasquin uw Minnaar weenen. En blyft gy welgemoed? waar wil, waar wil dit heenen! Julia.
Ja wel Pasquin, ja wel, ik schyn nu wel gemoed, ’k Bemin u, maar ik weet niet wat ik zeggen moet, Zo llinger ik in deezc onzek’re voorgezichten.
Naar welken kant, Pasquin, zoudt gy uw treeden richten, Zo u eens by geval, een ryke en schoone maagd Wierdt aangeboón, en gy door my wierdt uilgedaagd, Om my ver boven die zo schoone vrouw te kiezen ? Uw Julia, Pasquin, zou het gevecht verliezen. Pasqcin.
Vooral niet! zeeker niet! neen waarlyk niet! ó neen! ’k Bemin myn Julia voor eeuwig, anders geen, Begrypje?
JüLlA.
Stil Pasquin! wil toch bedachtzaamfpreeken. ’t Zal u, dit denk ik wel, aan liefde niet ontbreken, Zo lang geene andre maagd, voortreffelyk en schoon, En waardiger dan ik, aan u word aangeboón. Maar....
P A S Q UIN.
Ochgeloofmy toch! ik wil met duizendeeden,
Van myne trouw... begrypje ? en zuivre tederheden
U tans verzekeren.
Julia.
Neen! zwyg. die eeden! kom, En volg my, kies ik oit voor my een’ Bruidegom Uit liefde; dan Pasquin, dan hebt gy niet te vreezen. Pasquin.
Zal ik dan, Julia, uw vriend uw Bruigom weezen?
J tl LI A.
Ik zeg u, dat ge uw rust noch voor een tydlang houdt.
Misfc’iien, dat gy door driftuw’ wensen vi’ryd’len zoudt.
De zaak is duifter : ja zy is my zelf verhoolcn.
Laat aan den tyd en ’t lot ons beider zaak bevolen.
Pasq_oin.
Dat wil ik doen myn lief: maar och! als ik u derf
Geloof dan, Julia, dat ik uit wanhoop fteif.
Einde van bet tweede Bedryf,
DER
DERDE BEDRYF.
EERSTE TOONEEL.
Martorio, Pasqüin.
Wpasqoin.
acht hier een oogenblik „de duivel moetje haa-
Zult gy haast trouwen Heer? (len". Martorio.
Gy schynt op my te fmaalert Pasquin; maar om wut reen ? heb ik u iet misdaan ?
P A SQÜI N. Het is gcvaarelyk met grooten om te gaan; Maar, zo de meerderen de minderen bedriegen, Dan loopen ze ook gevaar; ’k wou, konde ik, voor u vlieTot in oud Griekenland, zo gy my niet bedroog; (gen Maar wie hadt oit gedacht, begrypje? dat uw oog M y hinderly k... . begrypje ? ik wil geen woord meer zegMaar, zo gy voorhcbt,omPasquin een’ ftrik te leggen, (gen: Zo zal ik toonen, ja begrypje wel myn Heer ? Dat ik zo wel als gy noch inocd bezit en eer.
TWEEDE TOONEEL.
Richard, Chimon, Martorio.
IRlCHARD.
k heb van ü en van uw’ Vader veel gelceden.
Uwwreed verwyt heeft vaak my 11 eerlyk hart doorfneeden;
Gy hebt my reis, op reis, in fmaad ten toon geftelt,
En toch heb ik, toen ’k u in boeijens zag gekneld,
U vriendelyk,niet flechts myn’ raad,maar hulp geschonken.
Martorio. ’k Ben nooit 20 diep inschulddanindie schuld gezonken B 2 Die hic ’k u verplicht ben, als myn’ Vader; A myn Heer, Gun dat ik, schuldig, vuil’ voor uwe voeten neêr, En u bedanke voor uw liefde en gunstbetooning!’VYFDE Tooneel,
RlCHARD.
Rys op! herftel de schand van deze onteerde woning.
Uw liefde hielp uw jeugd aan ’t hollen, en de min
Is zelden meefteres van een’ ontboeiden zin.
Gy kunt uw dwaasheid door het huwelyk herftellen;
W y moeten noit het harte om’t doen van misdaên kwellen:
Maar altyd trachten naar herltelliuge van ’t kwaad,
Het zy wy komen in een’ hoog’ of laagen Haat.
Gy wilt dan trouwen ? fpreek.
MAKI’ORIO.
Kunt gy my dit nog vraagen? U w gunst,myn Heer, doet my het echtjuk vrolykdraagen; ’k Ben tot uw’ dienst gereed, en wacht met ongeduld... ~ Chimon.
f^u zie ik dat uw ziel met deugden is vervuld,
Gy oordeelt eerelyk.. .. dat moet gelukkig maaken.
RlCHARD.
’kZag altyd in uw oog een’ zweem van grootsheid blaaken,
Marturio, die aan de deugd alleen behoort,
Hebt gv my oit, zo hebt gy me op dit uur bekoord,
Wy zullen
DERDE TOONEEL. Richard, Chimon, Marturio, Pasquin.
MPasquin.
yn Heer,de meid is zo aan ’t raazen!... .
Richakd.
Wat schcelt haar ? kan haar dan ’t geluk zo zeer verbaazen ?
Pasquin.
Daar komt zy.
RlCHARD.
Zeker al heel ficrlyk opgetooid!
Richard, Chimon, Martdrio, Sofia,
JüLIA, PAS9UIN.
Sofia.
{"Jelaas! wat zie ik! kan het zyn
Marturio ?
Richard. Myn kind, ftel uw gemoed te vreden. Dorst eens Marturio door min ten dwaalweg treeden, Zyn naberouw, zyn deugd, de aanbieding van zyn’echt, Brengt myn geschonden huis en al het kwaad te recht. Hy zal het doen.... hoe deelt ze in al myn tegenfpoeden! Sofia.
ft Vader, dien nog lang de Hemel wil behoeden! Wat geeft g’een ed’le blyk van goedertierenheid!
Richard. Ik heb Marturio van ftraffe vry gepleit; Hy is op myn verzoek der hechteniflè ontflaagen, Om aan de deugd en trouw zyn hart gantsch op te draagen.
M ARTÜRIO.
Dat zal ik doen myn Heer, zo lang ik adem haal.
En zo ik noit uw gunst naar waarde en eisch betaal,
Wyt zulks dan nimmer aan myn hart, voorugeboogen,
Maar enkel,waarde Heer! aan myn gering vermogen.
Sofi A.
’k Sta borg voor ’t edel doel van dezen Jongeling,
6 Vader, aan wiens gunfte altyd myn leeven hing,
Hoe zie ik dezen dag uw liefde en minzaamheden j
Als reien van de deugd, naar ’t huw’lyks altaar treeden!
Gy zyt met recht, gy zyt en toont u zulk een man,
Die geen verborgen wrok in ’t harte koeftren kan.
De deugd de deugd alleen,..
Die zal hy noit vergeeten, Zy is de leidsvrouw van zyn onbevlekt geweeten.
P A s Q 01N, tegen Sofia. Mejuffer veels geluk.
Julia.
Wat let u lompe gek ? Wie wenscht gy veel geluk ? of zou hier ook het hek Verhangen zyn?
RlCHA RD.
Myn Heer, ontfang en neem uw vrouwe. Marturio, naar Sofia gaande. Eene ongeschonde liefde, eene onbevlekte trouwe
Bezweere ik u ;
Sofia.
En ik betuigeu,
RlCHARD.
Zacht,myn Heer,...
Spreekt gy myn Dochter aan ?
M ARtURIO.
Ik kniel ’er zelfs voor neêr.
RlCHARD.
Myn Dochter is voorlang een ander man gegeeven,
Gy moet met Julia, die gy onteerd hebt, leeven.
Martdrio.
Deel’ Dienstmaagd ?...
RlCHARD.
Zekerlyk, hebt gy haar niet gehoond? Marturio. ’k Heb haar noit blyk van liefde of myne min getoond.
RlCHARD.
Hebt gy in dezen nacht en voortyds ?..
Pasqüin.
Dat ’s geloogen.
Sofia.
Ja! want Marturio had op my ’t meest vermogen;....
B4 PasP A8QUJN.
Maar op myn vryster niet, daar zweer, daar ftcrf ik voor! Sofia.
Och! Vader!...
RlCHARO.
Zwyg ontaarde, ik beef! wat of ik hoor?
Chimon.
Dat ongeval perst my de traanen uit myne oogen.
RicHard, tegen Julia.
En gy trouwlooze, gy, gy hebt my dan bedroogen?
Julia.
Ja! maar om Jufvrouw’s wil, ’k bedroog my zelve meê,
Want gy beloofde my, dat ik eerlang, in fteê
Van dienstmaagd, worden zou een Juffer, ryk en prachtig.
RlCHARD.
Bedroog gy uwen Heer f
PA6Q.UIM.
Zy deedt het niet, waarachtig!
Sofia.
Om mynent wille alleen heeft zy u dus misleid.
Och Vader! schryf het toe aan haar genegenheid.
Julia.
6 Ja, ik deed zulks niet myn Heer, om myn belangen;
Maar om Marturio, die, zonder schuld gevangen,
Verlooren was geweest, had ik het niet belet,
En hem uit zynen nood door myne list gered.
Sofia.
Och! Vader, hoor naar my en kwel uw droeve zinnen
Niet door uw toorn! ik moeft Marturio beminnen,
En hy beminde my. Het voorval, u bewust,
Had myn gemoed zo ver, zo yszelyk ontrust,
Dat ik, om mynen vriend uit zyn gevaar te rukken,
Myn dienstmaagd bad,zich voor uw voeten neêr te bukken,
Te veinzen, en ’t bedrog heeft mynen vriend herfteld.
RlCH ARD.
Zou ik deez’ echt, die my op het gevoeligst kwelt,
GeGedoogen? nimmermeer, ’k zal myn belofte houwen, Dat gy, my n oude vriend, zult met myn Dochter trouwen, En gy, Marturio, met deze dienstmaagd. Chimon.
Chimon.
Hoor,
Gy hebt aan my, myn Heer, flechts een verkeerde voor, Indien gy denken kunt dat my oit zal behaagen, Om uw vergramd gemoed twee hoorenen te dragen, ’k Beminde uw Dochter wel; maar denk toch nimmermeer,
Dat ik haar trouwen zal, na zulk een zaak, myn Heer.
M ARTURIO. En hoe gy ook, myn Heer, doldriftig moogt befluiten, Om als een wreedaart onze oprechte trouw te (tuiten, Noit zult gy zien, dat ik, tot schand van myn gedacht, Naar ’t laage huwlyk van uw trouwe dienstmaagd tracht, Wy hebben van haar trouw een zelfde blyk genooten; Ook heb ik, toen gy my de boeijens hebt ontflooten, Beloofd de eer van uw huis te redden door myn’ echt. Nu eisch ik uwe telg. wat heb ik meer gezegd?
RlCHARD.
Gezegd! gy zult terftond den kerker weer bezoeken, Dacht gy my door uw list dus schamper te verkloeken, 6 Spyt!....
Sofia.
Och Vader! leen, leen my een gunstig oor!
Chimon.
Bemin uw Dochter, geef haar de eer, die zy verloor;
Sta ’t huwlyk toe, de zaak is nooit te recht te brengen,
Zo gy dit echtverbond niet gunstig wilt gehengen,
En ik, myn Heer, lta. van uw woord en Dochter af.
P ASQÜIN.
Ja doe dat Heer, cn trouw veel liever met het graf.
RlCHARD.
Z wyg roekelooze! uw taal maakt u myn gunste onwaardig»
6 Neen, myn Heer, de knaap betoont zich kloek en vaardig, ’k Ben ooktotd’echten ftaat, naar ryp beraad, veels te oud. Ai! ftem deez’ echt, waarom of gy dien weigren zoudt? Sofia.
Och Vader!
RlCHARD.
’k Voel, dat ik u tederlyk beminne.
Tegen Marturio.
Ik wil vergevend zyn. Ontvang uw ziels-vriendinne,
Marturio! De twist en haat van ons geflacht
Zy door dit huwelyk geheel ten eind gebragt,
En laat ons onderling de beste vrienden weezen!
Sofia.
6 Vader! nimmer zy uw gulle gunst volpreezen.
Marturio.
Ik zal myn leven lang aan u ten dienste ftaan.
Sofia, tegen Julia.
Ik zal uw’ trouwen dienst met gunsten overlaên.
Julia. (ven,
Schoon ik de hoop, waar meê ’k my vleide, thans moet der-
En ’t geen ik had verwacht niet kan naar wensch verwerven,
Dank ik u echter voor uw goedheid, en verlaat
My op uw gunste en trouw!..
Pasquin.
Och Julia, wat baat Dit alles toch aan my, indien ik u moet misfcn ? Julia.
’k Laat door Mejuffer en myn Heer deez’ zaak beflisfen,
R i c H A R D. Ik geef tot deezen echt myn ftem.
Sofia.
Ik ftem uw trouw.
Julia.
Welaan, Pasquin, ontfang en neem my dan tot vrouw.. _ -, PasPasqoin.
Wy zullen aan myn Heer en Juffer dank betuigen.
Chimon.
Myn hoop viel hier geheel met myne min in duigen. Doch ik getroost me, en wensch u beiden veels geluk; ’t Is billyk dat ik voor myn dringend noodlot buk.
R I C H A R D.
Blyf, waarde vriend, en help het jeugdig echtfeest vieren.
Gy moet als bloedverwant den bruiloftsdisch verfieren,
En deelen in de vreugd van ’t omgekeerde lot.
Pasqoin.
Pat is wat anders, als te dansfen op ’t schavot.
RlCHA RD.
Zwyg en wil nimmer u die losfe taal vermeeten.
Ik wenschte wel om den geheelen loop te weeten
Van ’t geen Marturio hier al bejegend is,
Op dat ik my verheuge in de echtverbintenisf’.
Julia.
Zo ziet m’ in’t hu wlykslot, hoe donker’t ook moogschy-
De nevelen van rouw en hindernisP verdwynen; (nen,
’t Wanhoopig voorgezicht wordt hier door vreugd gefluit,
Nu Heer Marturio Sofia krygt tot Bruid;
En ik zal, niet zo hoog, gelyk ik dacht, gereezen,
Met myn’ Pasquin, zo’k hope, in d’echt gelukkig wezen;
De waan bedriegt ons vaak, doch baart geen droeffènis,
Wanneer men, minder ryk, flechts wel vereenigd is.
Pasquin.
Gy hebt den fpylcer daar net op zyn’ kop geflaagen.
Ik zal u voor die gunste ook trouwe liefde draagen.
Tegen Marturio.
Maar denkt myn Heer wel om de üansfers ?
Marturio.
Zyn ze’er al?
Pasquin.
Ja Heer, zy wachten tot men haar beveclen zal.
[p. 28]
                                        RICHARD.
’k Begryp niet wat Pasquin wil met die Danssers zeggen?
’k Wil dat men my dit stuk wat nader uit ga leggen.
                                        MARTURIO.
Vergeef het my, ik gaf bevelen aan myn’ knecht’
Hen hier te haalen, om, by ’t vieren van myn’ echt,
(Wyl ik vertrouwde dat ge om onzen wensen te kroonen,
Myn boeijens slaaken deedt, en dus uw gunst te toonen)
Met zang en dans de vreugd van dit gewenscht verbond
Te vieren, in deez’ blyd’ en lang gehoopten stond.
                                        RICHARD.
Welaan, ’k vergeef het u, men doe hen voort beginnen,
Die vreugde past wel by het wederzydse minnen.
                                    DANS.
                                    ZANG.
        Oprechte liefde kan niet veinzen,
            Hoe zeer zy haar geheimen smoort;
        Het oog, die tolk vin haar gepeinzen,
            Toont ras, wie aan het hart bekoort. ://:
        De dwang en ’t goud heeft geen vermoogen;
            Als ’t vuur der liefde ’t harte blaakt,
        Dan blinkt en draalt die vreugde uit de oogen
            Die ’t heil van ons gemoed volmaakt. ://:
                                    DANS. Pas de deux.
                                            ZANG Quatuor.
            Laaten wy verheugd van geest,
        Nu de oprechte liefde danken
        Met gejuich en dankbre klanken,
            By het vieren van dit feest. ://:
        Laaten wy haar gunsten eeren,
        En dus haaren lof vermceren,
            Zy, die ziele, en harte, en hand,
            Kluistert met de schoonste band. ://:
                                            CONTREDANS.

                                                        EINDE.

Continue