AUTEUR: TITEL. JAAR.
Uitgegeven door EDITEUR
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Cenetonnnnnn - UBGent
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Dit is een onderdeel van de Ceneton Groeipagina. Van dit toneelstuk moeten nog 40 pagina’s gedaan worden.

Continue

DE

MANSMOÊR,

KLUCHTSPEL.

[Vignet: Paulatim ad fastigium].

Te AMSTELDAM,

By de Erfg: van J: LESCAILJE, op de Middeldam,
op de hoek van de Vischmarkt, 1699.
Met Privilegie.




DÉ Staten van Holland ende weftvtiefland doen te weten. Alzo Ons vertoond is by de tegenwoordige Regenten van de Schouwburg tot Amfterdam , Dat zy Supplianten zedert eenige Jaaren herwaarts tnet hunne goede vrinden hadden gemaakt en tenTooneelegevoeit verfcheiden Wei ken , zo vanTreurfpeelen , Blyfpeelcn als Klugtcn , welke z^ lieden nogeerne met den druk gemeen wilden maken: doch gemetkt dat deze Werken door het nadrukkenvan anderen , veel van hun luider, zo ih Taal als Spelkonft zouden komen te verliezen, én alz o zy S uppliantcn heft berooft zouden zien van hun byzondere oogwit om de Nederduitfcheft Taal en de Digtkonft voor t te zet ren , zo vonden zy hen genooizaakt, om daar inne te voorzien, ende hen te keeren tor Ons , onderdanig verzoekende , dar Wyomme redenen voorfz.de Supplianten geliefden te verkenen Oktroy ofte Privilegie, omme alle hunne Werken reeds gemaakr, ende noch in ’t ligt te brengen,den tyd van vyftien Jaaren alleen te mogen drukken en verkoopen of doen drukken en verkoopen , met verbod van alle anderen op zeekeren hooge peent daar roe by Ons te ftellen , ende vooris in comrauniforma. Zo is’t datWy deZake en’t Verzoek voorfz. overgezrierkt hebbende , eride genegen wezende tet bede van de Supplianten , uii Onzeregte wttenfehap, Souveraine magt ende authorireir dezetve Supplianten gekonzenteert, geaccordeert endegeoftroijeert hebben , conzentecren , accordeeren ende octtoijetcit mitsdezen, dat zy geduurende dert tyd van vyftien cetft achtereenvolgende Jaaren de voorfz. W erken die reeds gedrukt zyn , ,ende die van tyd tot ryd door haar gemaakt ende ib *t ligt gebragt zullen werden , binnen den voorfz. Onzen Lande alleen zullen mogen drukken, doen drukken, uitgeven en verkoopen. Verbiedende! daarom allen ende cenen yegelyken dezelve Werken naar te drukken, ofte ’Ieders naargedrukt binnen den zelve Onzen Lande te brengen, ui: te gever» ofre re verkoopen, op de verbeurte van alle de naargedrükte, ingebragte ofte verkogte Exemplaaren , ende een boete van drie hondert guldens daar en boven re verbeurende applicereneen darde part voor den Officier die dt calange doen zal,een darde part voor den Armen ter Plaatze daar het cazus voorvallen zal.ende het refteerende darde part voorden Supplianten. Alles In dien verftande, dat Wy de Supplianten met dezen Onzen Octroije allceii willende grarifïcereu , tot verhoedinge van haare fchaadedoor het nadruk, ken van de vooifz. Werken , daar door in geeriigedeelenverftaan ,den inhoudt’ van dien re authotizeerenofte teavoueeien , ende veel min de zelve onder Onze proteküeende befchermingeeenig meerder kredit, aanzien oft reputatie te geven» nemair de Supplianten inlas daar in yets onbehoorlyk zoude mogen iufluecren, alle het zelve tor haren lafte zullen gehouden wezen te veranrwoorden; tor dien einde wel expreflilykbegeerenjje, dar by aldien zy dezen Onzen Oktroi je voor dezelve Werken zullen willen ftellen daar van geene geabbrevieerde ofte gecontraheerde mentie zullen mogen jnaaken, ocuiaar gehouden sullen weezen het zelye Qfttoy ia ’t geheet A i «r>.’ ende ronder eenige Omiftïe daarvóór te drukken ofte te doen drukke?, ende dat zy gehouden zullen zyn een exemplaar van alle de vooifz. Werken ,g«bonden ende wel geconditioneert te brengen in de Bibliotheecq van OnzeUniverziteit tot Leiden, ende daarvan bchoorlyk te doen b’yken. Alles op pcene van het effekt van dien te verliezen. Ende ten einde de Supplianten dezen Onzen Conzent en Octroije mogen genieten als naar behooren: Latten wy allen ende eenen ygelyken die’t aangaan mag, darzy de Supplianten van den inhoude van dezen doen , laaten en gedogen, ruftelyk en volkomentlyk genieten , en ceflerende alle beletten ter contrarie. Gedaan in den Haage onderonzen grooten Zcgele hieraan doen hangen den xix September in ’t Jaar onzes Heeren en Zaligmakers duirent zes honderdvier en tachtig. G. FA GEL. Ter Ordonnantie van de Staat en SIMON van BEAUMONT. Be Regenten van de Schouwburg hebben het recht van de bovenRaande Privilegie, voor DE MANSMOER, KLUCHTSPEL. Vergund aan de Erfgenaamen van Jacob Lcscailje, Den i j Jannary, 1699. V E R T O O N E R S. Goedaard, Vader van Antonia. Dieuwertje, Moeder van Fredrik. Fredrik, een Koopman, en Man van Antonia. Antonia, Vrouw van Fredrik. Leonoor, een bekende van Antonia. Andries, Kantoordienaar van Fredrik. Katryn, & Mette, } Meiden van Fredrik. Roelof, een Kruijer. Het Kluchtspel speeld in een Kamer van Fredriks huis. MANSMOER, KLUCHTSPEL. EERSTE T O O N E E L. Katryn, Mette. Katryn. Ja, Moffinnetje, of Mette, als ik jou myn meening zel zeggen, Jy zelt jou Lichchaam aan dit huis geheel te kost moeten leggen; En hebje lust? zo bekykt het vry van bovenen tot beneên, En alle dagen moet jy ’et, getroost, nat fylen alleen: Want hoor, Schaap, men heeft hier blauwe en witte Italiaanze vloeren. Get, Mette! hoe snel zel jy jou dikke hammen moeten roeren! Want weet, ik ben de tweede meid, ik pas op ’t kind en ik naai, Ook maak ik fontanjens, en ’t beurd zomtyds wel dat ik braai. Maar jy zelt hier ander werk vinden, dat wil ik jou zweeren! Mette. I, Hemmel! meut ik hi jo zo warken? Katryn. Ja dapper, en noch meêr leeren, Myn lieve Sloof. Mette. ;. Mien Jonfers Meuder zegt mi jo, det in ’t hoes Goor luttikwark is. Katryn.! ’’. ’.1 7 , Wat belief jou ? zeidze dat ? te droes! O Mette, ik zweer, jou Twentze huid zeidat zo ras beproeven! [...] Och, wat heeft ftaag de eer te lijen Die een Vryfter fpaaren moet! Ik kan gantfch niet langer draagen Dat ik graag verliezen wou; « Komt ’er een om ’t Ja woord, vraagen, Hy verkrygt my ftraks tot Vrouw. Roelof fold. Ja bel nu vry,ik komjeby,ik heb pas met myn zingen gedaan. DERDE TOONEEL Katryn, Roelof. Katryn, [...] Jamaar, ik doe dat nooit meêr, ik heb, door angft, de fles an flukken gefmceten. Hoor t Roelof, ik ben een braave meid, ik zel niet worden vergecten, Ik hoop noch een goed huuw’Iyk te doen, dat is ftaag de wenfch van myn gemoed. Roe Lof. Wel, dat hoop ik van uwent wegen, maar van de fles gaat op de oude voet. ... Katryn. Gantfch niet,daar fchei ik uit. maar hoor,Roel,0 Behoeder, En vette Sant Niklaas! de meid, die onze Juftrouws moeder, Of fchoonmoêrhier, met geweld, inhuurden, na haar wil en zin, (mofin Die is eindelyk gearriveert: nooit, wil ik wedden, heb jy een ’Zo drommels dom of groen gezien, ja dat kan ze, maar niet anders zeggen. Onze Juffrouw moet niet denken dat ik bydatmaakzel wil leggcn; Neen, dat zel zeker mis zyn, wel ik Hiep liever zonder bed. Wie weet wat een harde huid en bange lucht datzy het! Roelof. Wees jy maar te vreên, zy zel hier niét lang woonen. Katryn. Daar wil ik op zweeren, Want al die hier buiten de tyd komt, die ziet men ook weéi ras kaffeeren. A N T o N I A van binnen roepende. Katryn, Katryn. Katryn.- . Ik kom i Juffrouw. Roelof, onze mand met kleêrenftaat gereed; Die moetje na de fchuit brengen; zeg nou dat je’er van weet. FIER t HERDE TOONEEL Antonia, Katryn, Roelof. AntOn I A. BEnjedaar, Roelof? Roelof*. Ja, Juffrouw, ik ben daar zo in huis gekomen, En waarom ik ontbooden ben, dat heb ik al van Katryn ver- Antonia. (vernomen. Ja kom , krui onze mand eens ten eerften na de lchuit; Ik had jou gifteren ook van nooden, maar je waard den ge- heelen dag uit. Waar hadjegeweeft? Roelof. Wel hoor, Juffrouw, ik had my gaan verhuuren, Van ’s morgens vroeg tot ’s nachts ver over twaalfuuren. Antonia. Ei! zegbywie? Roelof. Och! ikkcri de lui niet; de man wou fchielyk voort, Om dat hy op de Beurs een heel kwaad en fchaadelyk gerucht had gehoord, (de flappen. Waar door dat de actiën en andere koopmanfchappen zou. Antonia. Wel zo! dat had hyniet-kwaalyk begrecpen, dat hy voor af ging ftappen, (had. Eer noch de tyding was gekomen dat hy fchaaden gelecdcn Roelof. Dat dunkt my ook, maar ik heb ’er op die wys zo veel geholpen op een pad. Antonia. Dat is het beft niet. Ga nu maar heen, Roelof, en kom ftrak jou geld haalen. Roelof. Heel goed, Juffrouw. Katryn. Roel, maak in de Kruhers kroeg niet lang te draalen. [...] KYFDE.TOONEEL. Antonia, Katryn. Antonia. KAtryn, dat ik je daatclyk riep dat was om deze réén. Schik het hier alles aan een kant, en zet het Theegoed by een, . (komen. MynMansmoedcrzal, tot myn verdriet, zo aanftonts hier Katryn. Daar hebje den brui al, den heclcn nacht heb ik ’er van legEn wie heeft haar hier verzocht? (gen cjroomcn. Antoni A. . Och! myn man, en ik vrees da"ar zal Weer reuiiing wezen Katryn, want het hart dat klopt my al. Katryn. (niet deeren; Wel, Juffrouw, benje Hecht ? wat acht haar niet, zy ken jou Ook heb ik wel gehoord datjy jou zomtydsloflykkund deAntonia. (fenderen. Dat moet ik doen om niet heel onder haar gewelèl te zyn, Katryn; Want anders mogt’dc drommel, dat ik zo fpreek,hier langer in huis zyn. Katryn. Juffrouw, mag ik eens zingen? Antonia. Alwéér? ikhebje ftrakalgeluit hoorenmaaken. Nu, ik mag ’t wel lijen. Katryn. Strak zong ik voor my; dit Lied zel jou nou raaken. 7.1 %ingt. Is dit myn zoet vermaak! Zyn dit myn blyde daagen? Daar ik zo yvrig haak Myn man (laag te behaagen. Ach! ik gevoel meêr plaagen Als myn Jeugd verdraagen kan Hoe Hoe rampzaalig is het trouwen, Als de Twift haar plaats komt houwen In het huis, in het huis daar liefde moet Gekweekt zyn en gevoed. Myn vreugd die is voorby, Dat was myn tyd van ’t vrijen; Mansmoér valt nu op my . Met ftaag in huis te [brijen; En ik moet zulks lijen , Met veel onrull van myn man; Doch ik mag myn rouw bedwingen, En, tot trooll, myn kind voor zingen: Schrei niet meêr,fchrei niet meêr,klein wichje,tecr, Uw hoofje doed reeds zeer. Wat zegje, Juffrouw ? daar hebje myn Treurgezang; cn ik vind goed, Dat ik het alle dagen driemaal hier in huis zingen moet. Antonia. (gegeeven? Dat Lied paft geheel op my. Wie heeft het gemaakt, enjou Katry N. Een die in den handel van ons huis heel wel is bedreeven. Antonia. (tfrenl Och! mogt ik die Treurzang eens in een Blygezang veran K ATRY N. Dat zei welgaan, Zo ras als jou Vader met haar getrouwd is, dan is haar ryk hier gedaan; JZn zy bemind hem met gantfch haar hart en zinnen, daarom meugje gelooven Dat hy haar wel na zyn hand zel zetten,en van haar gezach berooven. An T o N Ia. Ja was Vader, al met haargetrouwd, dan genoot ik myu vj-yjigheid. - K At Ry N. Datzel in ’t kort gcfchiên. A N T’O N IA. Maar hebje ons huis al laaten zien aan de nieuwe meid f * Ka Dfmeenje, flceplende, dat ik hem zelf niet vinden kan? Katryn. O ja! te wonder wel, Juffrouw. Dieu ÏERIJE. Wat roer jy de fnaater dan? ZEPENDE T O O N E £ L, An T On i A, Kat Ry N. Katryn. WEg gaat Dieuwertje moer. Geen miflèlyker Vrouw zag ik van al myn dagen! Antonia. Ik kan ’t niet langer lijen, het eerft datze fpreckt, is na haar Zoon te vraagen , En daar loop ze voort na toe: zy vraagt niet eens hoe ik vaar, Noch wenfcht my een goeden dag. Wel meend zy dat ik haar Noch langer moet ontzien? ó neen! ik wil het niet méér lijen, ’. . Al zou het geheele huis vervult werden met kyven en ftrijen. Ik ben verzekerd dat zy nu weer j door haat, myn man Tegens my zal aanhitzen zo veel alszy immers kan$ En gaan het geheele huis door fnuftèlen, ja in alle hoeken, Om zo tot een huiskrakeel weêr nieuwe Ilofte zoeken. ." K AT RY N. Haar ryk zel kort zyn, jou Vaders huuw’lyk maakt alles goed. Antonia. Dat is alleen myn hoop. Maar als hy nu eens mede voor haar zwygen moet! K A T RY N. Dat heeft voor al geen nood. Antonia. Maar, Katryn, daar komen zy na beneden. Blyf jy hier j maak het Tcegocdklaar, en Ictondertuffchen op haar reeden. ACH En ie ïyn te zaamen als twee handen op een buik. Zy moet het gat uit indien jy alseenman wilt’regceren, Enaltyd, metontzach, jou vrouw uw wetten en meening F R E D R 1 K. ( doen leeren. Om haar te doen verhuizen, Moeder, vind ik gantfeh geen Dieuwertje. (gclegentheid. Gelcgenthcid? wel die vind ik als ik wil; want men zeid: Een knuppel,om een hond te llaan.dieishcel licht te vinden; . Men moet zomwylen ook eens veranderen met de winden. Het deugd nooit als een meid heel lang biyft wonnen in een huur, (natuur. Want dan houd zy het met haar vrouw, en zy werd van haar Maar hoor, Frcdrik, om nu weder op myn voorig diS kourste komen, Zo zeg ik dan , dat jou vrouw de handeling van ’t geld - moet werden benomen; Hoor, Fredrik, geloofjy jou moeder onbefchroomd envry, Zy verkwillbyzortder veel geld, en een man, zoalsgy, Die eerft komt te negotiëren, die kan zo niet lang ftaandc blyven; Zy.isheel onachtzaam en los , door haar Jongheid, en al die wyven, - . . .« Of jonge kleuters die moet men aan de hand leeren gaan, Gelykjou Vader my, toen ik.noch jong was, heeft gedaan. Peet Aal , peet Zaar , peet Aagt, peet Giert en pectc Wyntje, dat zyn Vrouwen! Die weeten het kunsje van wel ennezuining huis te houwen. Maar jouMorsjebel die weet noch niet eens hoe dat het goed Dat zy aan haar gat het, navcrëifch en ordre, zitten moet: En zo ik het haar aanwys, namynpligt , dangaatzefiraks aan het pruilen, Dan fcheldze my voor een huisplaag , en in’er boosheid begint ze tc huilen. Had je de Dochter van peet Thcuntje getrouwd, dan had je een Heer gcweelt in ’t huis, Noumoetjezwygen, want als deze begind, jy kund met . geen nat. gewyd kruis Haar mondje wéér toe fluiten: doch je moet jou geduuti? braaf laaten hooren ., Zy is heel boosaardig en met die fmet is zy geboorqn; Want toen zy noch een kind was fmcetzy alles ajiftukken opdevloêr, (haar moer. ]a al dat zy vat kreeg, want zy heeft datgaafjegeërftvan Poch, hoor, Fredrik, het is jou fchuld , je wout een Juffer trouwen, (wen. Jy kofl jou zo nedrig, als jouoverlede Vader en ik, niet houFredrik. (hoord, Nou,’Moeder, zulks heb ik al inhctbeginzodikwilseeHet is nu reeds zo: doch hoor, geloof my by my n woord, Zy komt voortaan geen ander geld voor de misnagie t: ontfangen, Al s het geen ik haar alle weeken daar toe wil langen: Zo dat ik geheel Voogd ben. Maar geftaag te ky ven zulks is het befte niet; Het is niet kwaad dat men zomtyds wat doör de vingers ziet, Hetgeen dejonge Vrouwtjes, als onnozel en onweetende, bedryven: (fchryven, Men moet haar maar nu en dan een klein regeltje voor Op die manier brengt een wyzë meefter zyn difcipelen tot verftand, Hy leerd haar niet tevens veel, maar al zo van langer hand, Opdat zyinden drang van veeleleflcn niet verdwaalcn, En komen gantfch zonder grond het een over hetanderte Dieuwi’rtje. (haalen. Zo luftig, preek al voort. Wel Jonge, hoe is het hier? word je gek? * Ja, ja, nou merk ik wel hoe’et hier gaat; kom*etistyddat ik vertrek. Fredrik, baar vaflheudende. Hoor, Moeder ei! word toch niet gram, ik wilhaarniet verfchoonen, (looncn; Noch minderjou genegentheid tot my met ondankbaarheid Ik ken al haar routen wel die ik ook uit haar verdryven zal, ’nr dat kan zo ten eerften niet gaan. DlEUH [...] F R E D R. I K. Wel, Vrouw, my dunkt dat is nu ineen uur de derde of vierde keer. . ’: 1 , . .’ AktoNi A. Sc had hem van nooden, en is daar nu zo veel aan geleegenr DlEUWERTJ’E. Ik wilt wel datje zulk een vinnigen antwoord zoud hebben gekreegen. tegens Antunia. jy hebt wel een geloop eneen befchik» ftaag anzendjede Frfdrik. (jongen uit. Nu flapt daar maar over heen. DlEUVERTJB. Wat heeft zy hem uit te ftuuren, dat’s verbruid! Hjr moet alleen in jou dienft geduurig op het kantoor weczen. En jy, Guit, zo je weêr achter by de meiden gaat zo meugje vreezen; Wantje begint ’er al meê tc ftoeijen, en belet haar het werk door jou praat. Hebjy het hart eens-datje, zonder order vanjou Heer, van het kantoor gaat. Fredhik. Daar kopiëerd die bri ef , maar maak me daar geftaag aan by DiEüvERTjE. (teblyven. En alshy dat nictdoed dan moetje hem braaf die Oortjens Andries. (vry ven. Moet de brief van avond afgaan, myn Heer? ,. Fredrir. . . . Ta,aanftondsmoetzegefchrcevenzyn. DlEUVERIJE. Wel wat hebjy anders te doen? of wou je weêr ipeulen metKatryn? Katry J*. Metmy, och ja! „Maar hoor, Dries, hoe vaarje ? jehebt nou dubbeld deel ontfangen, ,,Noukun jy, als je weêr achter gaat, aan Mette meê vrat langen. ^ [...] A N T O N I A. Dat gelieft my niet, daar is de Baker voor, ik vraag niet meêr na jou bewind. Het gaat te grof, de nood van tweedragt vercifcht dat ik het moet beletten, En het bellier van het huis voortaan na myn believen zetten. Dieuwertje. Wel, Fredrik, ly je dit? ik word door die Slons fchier raazendedol. Antonia. Jafchier, dat is noch niet eens half» myn hoofd is lang geweclt op hol. Fredrik. (gen, Maar»Vrouw, wathebje voor ? ik verfta nu dat jy zultzwyZo je niet wilt hebben dat wy hooge woorden hier door krygen. Antonia. Begin maar, och! jf zult jou Moeder zulk een dienfr doen, ’t is nujou tyd? Want het zou oolc wonder zyn dat dezen dag ten einde liep zonder ftryd. DlEUVERTJE. Zwygftil, Antonia, of ik zweer dat het jou zei berouwen AnT ONIA. Doed al wat jou gelieft, jyzyt toch gewoon om my krakeel te brouwen. Fredrik. Maarwilje dan, tot ruil, niet na jou kind , volgens jon pligt, gaan zien, En voldoen myn Moeders zin? Antonia. Neen, dat zal nu niet gefchiên, Terwyl dat zy my zulks gantfch ftreng heeft gebooden. . D I E U y E R T J E. Zy zoekt ons maar tc kwellen, Zy haat jou, en het kind: maar ik ga zeiver order Ikllen. Kom, Fredrik, gaaeensmetmy. Goedaard btld. Antokia. Daar is licht ontzet, och! dat waar goed! DERTIENDE T O O N E E L. Goedaard, Antonia, Katryn. Gkatryn. . Endag, Sinjeur Goedaard. Goedaard. Wel, Kaatje, zyt weerom van my gegroet.’ Is Dieuwcrtje hier? Katryn. Ja toch! „ Dat worden wy gewaar. - Goedaard. Wel ik moet bekennen, Katryntje,dat jy jou geheel nahet wel leevcn wilt gewennen; Ikfpreek nietofgy nygt. . . Katryn. Wat zou ik toch, Sinjeur, o neen! Ik ben een botte meid. Goedaard Neen, neen, dat gaat al vry wel heen. Katryn. £ Maar, Sinjeur, hoe ben je zo geftrikt, en gebeft? wat is dereden? Goedaard. Ik meen nu, zonder meér wachten, met Dieu weitje in de echt te trceden. tegenr Antonia Maar hoe! zit jy daar, myn Dochter, zo Uil, en fprcekjeniet? Zieeens, jou Vader zal trouwen. Hoe is ’t? is jou weêc leed gefchied? O! ik merkjy zyt bedroeft, jyzoudmy fchicr antwoorden metl’chreijcn. Kom, lullig, jy moet nu vrolykzyn, en van jou droefheid affcheijen. _ B 3 B° Bezie my eens in het rond, of myn Bruigoms gewaad wel ilaat altcmaal. Katrïn. Ja wel ter deeg, Sinjeur! dat is een man, Juffrouw! hy fpreckt een andere taal, Als jou Schoonmoeder doed. Goedaard. Ha, ha, nu merk ik eerft uwe rampen; pieuwertje die kwam jou weêr op nieuws aan boort te klampen. Antonia. Ja, Vader, dat is myn verdriet, zy maakt my noch krank en zinneloos. Goedaard. Sfo,ho,geen nood, myn Kind, hoewel zy is al vry wat boos; i^iet is een Oorlogsfchip dat wel zeild, en voert tienmaal negen Hukken; Maar zyt verzekerd dat zy cyenwcl voor my zel moeten bukken. Katryn. (lek, Zo zy een Schip is, Sinjeur, en zy krygt maar een fcheurof Zo gaat ze voor vall te grond. Goedaard. Dan zou ik zeggen: bonvoyagie, vertrek. Antonia. Maar vraagje niet waar zy is? Goedaard. By de Baker, indepotbank, dan boven, Dan in de kelder, en noch al verder wil ik gclooven. Maar wees jy Hechts vrolyk en lullig, ik zal alles wel doen gaan; J3 al watje zelt begeeren , dat zulje in myn Huuw’lykfe i Voorwaarden zien Haan. Leonoor Betd. Katryn. Ziezo, daar is al me^r ontzet. VEER: KEERTIENDE TOONEEt, Goedaard, Antonia, Leonoor, Katryn. K At R Y N. /^.Endag, Juffrouw. ^* Antonia. . « .’>’/ Zyt welgekomen. Goedaard, Zo, dat mag ik altyd wel zien, dat zoent braaf! LeoNoor. ". ï" Wy kuften zonder fchroonjen. Uw dienaaresje, mynHeer, ik had niet gezien dat gy daar Hoe gaat het u al? (ftond. Goedaard. Heelwel, ik ben jeugdig, groen en gantfch gezond, Wantik meen nu te trouwen. Le ON Oor. * Met üieuwertje? Goedaard. Ja toch! Leo Noor* Waar mag zy dan bly ven? Goedaard. (dryven. Zy is hier in huis, enjy moeftraadenwatzy nukomttebeHoor, Leonoortje, zy bcfchouwd de handeling van de Baker met het kind» Of zyook daar omtrentictstebedillenvind. En dan wederom met een ftorm die Sloot"heel fel bekeeven, Zo ras als het Wicht maar eens fchreid, fchoon dat zulks nooit zo even (zweet, Toe kan gaan, niet te min, Mansmoer die kyft en blaaft en Door grooten angft,als of het kind befchooren w» veel leed; En als men dan nu al deoorzaak weet van hoe’et’er was gefchaapen, Dan is het niet anders, als, och! het Bloedje dat wilde wat flaapcn. Nu weetje waar Dieuwertje is, en wat zy heeft ter hand. B 4 Leo £f D E M A N S tJi O E R; ’. L E O N O O R. , .. , Myn Heer, gy doed my lachchen. Goedaard. Dat geloof ik wel, wantjy hoord graag van dien trant .’’ A NT ON IA. Vader, daar komt rnyn man. Goebaaïd. Die komt my nu kwanfuis ontfaDgen. TYFTIENDE TQONEEi. Goedaard, Fredri-k, Antonia, Leonoor, Katrïn. Fredrik. ÜW dienaar, Vader. Goedaard. Dat geloof ik niet, wantjy hebt na myn geen verlangen. Fredrik.- Vergeefmydat, ik zie u graag. LE ONOOR. En ik kom hier, myn Heer, omdetyd Wat te flytenby jou Vrouwtje, terwyl datgy bezig zyt. Fredrik. . O! gy doed byzonder wel, maar gy hebt haar fchier ver geeten, ’’ * , Want ik heb jou in geen maand verwelkomt, by myn weeLeonoor. (ten. Het is zolang niet, Heer. Goedaard. ’’ Och! zy doed heel wel in dat geval; Ik zweer, dat ik die manier van haar wel onthouden zal: Want, als men wat te veel komt, dan is het: hoe flaat het keven? "ï’ Zo je wat wilt blyven, dan zal ik jou een ftoel doen geeven; En dat zo fiaau alshetdknd. Wel, Fredrik, heb ik het niet net geraan? Fredrik. ",rel’tga«welzo, maar.... [...] Welhy, hocis’ethicr? wathebjygeftaagopmytekyven? Ik moet, tot myn JufFrouws dienft, by haar inde kamer Dieuwertje. (blyven. Ikzeljou— Ja, Fredrik, of jywyftcn wenkt ik vraagoa die Juffrouw niet; Ik wil hebben dat alles in jou huis ordcntlyk gefchied. Tekent Antonia. En hier fla jy te fnappen in plaats van op jou kind tc Ietten. Zyt verzekerd dat ik jou in’t kort beter na myn hand zel zetGoedaard,!» den boelf. (ten. „Dat zal mis zyn. Antonia. Als jy by het kind wilt zyn dan blyfik daar van daan. Jredrik. i Dieumertje by de rol^trekjiende. Dieuwertjew’ (verftaan. Hou jou ruft. Waarom trekje me by de rok? ik kan dat niet Jou kind word veel te fchots gehandeld in allen deelen, Ik zie het meêr ftooten en duu wen als vriendelyk ftreclen. Antonia. Dat ontken ik. Leonoor. Jou Dochter heeft de lof dat zy voorzichtig is en net, En , hoe jong dat zy ook is, het kwaad gebruik in haar huis belet; Ja dat ze een uitfteek is bovenanderen, zozeggen dienaar Dieumertje. (kennen! Wat weet jy in haar byzyn dat waagentje net tc mennen! Leonoor. Hetisgelyk ik zeg. Di EUNPERT JE, Jy, Juffrouw, jy weet daar weinig van, Leonoor. "weet wel dat zy niemand zal gebruiken die haar kind niet hand’len kan. Fre DR IK, Dieuwertje by de rol^ tre^endt. Moeder, mag ik jou bidden wees toch, om reên, te vreden. -; Diev [...] Katryn. Mctte, Mctte, breng het wate Dieuwertje. (fnate: Wel haal jy het zelf, Slons wat heeft de meid een keek ZEVENTIENDE TOONEEI. Goedaard, Dieuwertje, Frkdrik, Antonü. Leonoor, Katryn, Mette. Me T TE. HOldvafte, Trien, gripoon, ekbrenmi; holdjo,ei brenmiwer. Katryn. Zacht, Mette, de Ketel die raakt zo doende noch wel om Kom, zetjy ze daar maar neér. (ver. Mette. Door Heit jo dem beuzen kettd, Zi heft mien henduvcl tobrend,on’et llckt mi wie einnettd Tegens Dieuieertjt. I, woezi! bill doe nuchhi? mi vrucht von Jomfer nuctuo zeen. Katryn. „Daar heeft zy haar kennis by’t hoofd. Nou daar zynd: twee by een! Goedaard. Wel wat is dit ? neen,dat gaat wel, die fpraak klinkt liePljl in myn ooren. Neen,dat meisje is goed. Kom wy moeten haar eens hooren, DlEUWERT JE. Wel, Mette, hebjyjoukeukenreedsuitgefchrobd? enal Jou verder werk al afgedaan? Mette. I, jowiswol, onekwolbil Goorvlittigerwarken; on wan ekhi wat kumto blieven, Zowolek mienhoeswark zo fnil, wie ein blixem, jota drieven; Wan ek ’et man erft ein mool wet; on den wol unze Jonv fer nicht utokieven, on von et frakken holdek mi goor dicht. Di EcDlEUVTERTJ E. Vel dat is al heel fraai. Maar heb jy wel wat veel memorie? Goedaard. li! Dieüwertjc, dat kan zy niet verftaan, zy weet van geen Hiftorie, Memorie, of vernuft, van wet, van recht of van manier; Vant die menfchen zy al zo dom gelyk het domfte dier. loor ik zaPet haar, voor jou, op deze wys eens vraagen, lift doe vergettig, Mette, fonft wol et goor nicht mitdi Met Te. (daagen? Voe nee, ek verget jo nicht. Goedaard. Dan zulje wel onthouden dat men jou belaft. i/Iaar hoor, Fredrikj verzoekt my toch nooit aan jou huis te gaft, )och te weetcn, altyd niet als Mette de fpys zel kooken; Ayn neus heeft al lang van verre haar zindelykheid gerooken; ly ruikt gantfch muf, dat zweer ik. Maar te drommel! wat is dat? iet befte komt achter aan, wat een rok het zy aan ha3r gat! ïroen en doorluchtig!, doch zy komt heel wel teakkorderen )p het bovenlyf, dat is weer rood, want zo zyn al de hannekens kleêren. - r Goedaard.’;, Ik tal haar wel een alick* lietje leeren zinge Zy heeft my lief, en ik haar meê; en hier door zal ïïm Kind •.".:". In haar huishobwen maintineeren , en verbreeken Die wertjes Bewind. Ik zal haar aanfton» een reglement voor gaan houwen, Dat zy zal moeten opvolgen, of ik fchei ’er uit om meth te trouwen. Leonoor. Wel, Heer, gy zorgt byzonder voor uw Dochter. Goedaard. ’/*’’’} - Daar heb ik het op aangeleid > i ’’’ Anionuï’ (genttói Myn Vader, ik blyf u altyd verpligtvooruwgrootegeE. Goedaard. Dat ismyn’pügt, mynkind. Maar, Lconoortje, jyvï toch van veeledingen, En terwyl dat Dieuwertje de Baker wat voor gaat zingen, Zo zeg my eens, hoe dat het komt, dat de Moeder nw Vrouw, Wanneer dat zich een paar heeft verbonden door de trou* Zo wel, als de Moeder van de Man, niet mede kcö gebieden, Bedillen, enzovoorts, in het huis van de jongelieden? Leonoor. Heer, ik acht my onbekwaam daar toe, die zaak is ff onbekend. Goedaard. Zeg jy het zo maar najou gedachten, daar of daar omtrer: Leonoor. Wel, hoor dan: de Mansmoeder, die is hctgelyki’ aangebooren IX Dat "z.y zich, in het huis van haat Zoon, fleeds kyvende Iaat hooren; ’. ant zy fteunt op zyn gezach, en terwyl dathy nietverftaat De mcsnagie als wel een vrouw ,zo fielt zy daar in de maat, Dm zozyn Vrouw te plaageo, onder fchyn, kwanfuis, van haartelecren; ïn het beurdnooitof heel zelden, dat die twee wel akkor deeren; i Daar heb je dan de veldflag; en de man valt ftraks aan de zy \T an xyn moeder ,gelykmen veeltyds ziet, en werd dus zyn vrouws party. VTaar de vrouws moeder, die is veel billyker in die zaaken i Want zy gebied haar dochter haar man gehoorzaam t$ zyn en te vermaaken; En klaagt zy over haar man, zykrygt geen gehoor; maar gaat de man na zyn moer, ,,. . / En Deklaagt zyn vrouw, zy draaft daar.heen ofzerrietde drommel ten huis uitvoer. In het kort, mans moeder die ftookt, en de vrouws moeder is tevreden. En of ik nu een miflag had, dat het juül niet volgt na myn reden, . ’I Zo neem ik dit fpreekwoord tot myn voordeel, hetwelk dat zeid: Mansmoêr, Dat is een Duivel op de vloer. En deze fpreuk is immers de vrouws moeder niet toegeleid. Goedaard. Wel, wel, Leonoortjc, jy zoudmy geheel door jou vcr nandbekooren. Zyn zo, op die zaak , jou gedachten ?!, A N T o M 1 A. Haar verftand heeft zy meermaals doen hooren. Leonoor. Pardonneert my, gy pry l\ my al te hoog; ik zeg maar ’t geen ydcrweet. C .6oe’ [...] EENENTWINTIGSTE TOON E EL. Go Edaard, Dieuwertje, Fredrik , Antonia» Leonoor, Katryn, Roelof. Katryn. Zo! het is mctjongoê tyd. Roelof. Ja, Katryntje. Juffrouw, dat vrachje ben ik al kwyt. Goedaard. Geen nood, je hebt weêr een goed vrachje binnen. An TOn IA. Roelof, ikzeljebetaalein *Z.ie daar is acht fluivers, v icr voor de mand, en v ier voor de boter te haalen. Roelof. (mis, : Ik bedank jou, verftaje wel, maar hou, Juffrouw, jy hebt Jy vergat de ftuiver, die ik moft geeven aan de Commiffaris. Antohia. .. . Dat’swaar. Ziedaar. D1 E u f’E R T J E. Negen fluivers aan kruiloon te geeven ,daarjehebt twee Meiden? Fredrik, gaat dit 10 voort, dan meugje jou tot het nacht verhuizen bereiden. R o ELOF. Zo, dat is goed, al weêr werk voor my; danprcfenteerik myn dienft, Juffrouw. Antonia. Pathydoed, is geen meiden werk. Roelof. Dat is waar. Dieuwf.rtje. Dronken Beeft, zwyg, dat zeg ik jou. Roelof. Wel, jy Juffrouw, jy lykt ze ook wel, jy komt hier altyd kyvenenraazen. Ca Diei DlEUf ERIJE. Wat zeg jy, Schoft? Roelof, Ja,jy zelt my met joukyven niet verbaazen. Dl EU TE RT JE. Katryn, doed hem gaan. of het raakt hier alles onder de voet. Katryn. Neen, Juffrouw ,ik heb liever dat jy hem, door jou gexach, vertrekken doed; Want meen jy dat hy het gat vandedeurzoteneerfïeinel konnenrooijen? Al heel niet, daar zou ik hem moeten leijen. DlEUVtRT]E Wel komt h y iets aan flukken te gooijen, Zo meugjy vreezen. Katryn. .Wat zel ik dan doen? kom,Roeltje, ga toch heen. Roelof. Wel wat heeft zymy te komandeeren, Kaat? zy is hier geen voogd alleen. DlEUWERTJE. Jy zclt nooit in dit huis weer worden gehaald. Roelof. Kunjydat al meê beletten? Jy bent wel een magtig Potentaat! jy maakt en je breekthier Dieuwertje. (wetten. Jou, Zwy n, ik zeg datje gaat. GoEDA AR D. Hy vermaakt my, ei! laat eens hooren wat hyzeid; Want de kinderen en dronken luiden die zeggen altydde waarheid. (ten! Maar je moet niet kwaad worden, het i s buiten jou zynpraa* Roelof. . Jy, Sinjeur, jy bent een vroom en eerlyk man, en je bent goed boven maaten, Maar datje wilt trouwen, dat zeljc rouwen; het broekje dat benje kwytr [...] Och! niet, hy fpreekt als dronken lui (Joen. Ikwasblyda; hy jou was tot vermaak. Goedaard. (belooven Nou is het tyd, ik zeljc nou doen hooren, dat ik je ftrak gio3 Leonoor. MynHeer, dan ga ik vertrekken, om hierinjouvryheid niet te berooven. Goedaard. Neen, jy moet blyvenjy zult mydicnft en vriendfehapdote. Antonia. Ei! doedmyn Vaders zin. Goedaard. Hoor ,Dieuwertje, recht uit, ik ben niet mcêr zo groen Om myn hart, al ik wel plag; ik heb nou gantfch een tegenzin in het trouwen; My zyn wat onluflen in’t hoofd gefchooten,die my daarvan afhouwen. Het is raar, ik heb geheel een afkeer van myn voorig besluit. In ’t kort, Dieuwertje, ’k hebjelief, maar om met joute trouwen, daar schei ik uit; ’O ja! ik trek myn Bruigomspakjenuit; ikwilinvryhcid blyven j Ik volg Se ruft, want ik ben een dood vyand van raazenea kyven; Te drommel! en viel my dat alle weeken zevenmaal te beurd, Dan wierd by my dc voorzegging van een dronken kruijer tt vroeg betreurd.» I Dieuwertje. Hoe! Goedaard, fchei je ’er uit ? waarom ? wel je maakt my geheel verflaagen. Goedaard. Jou manier van leeven, Dieuwertje, die kanmygantfeli nietbchaagen. Dieuwertje. Och! zegmaar wataanmygebreekt, ikzel’etverbet’ren» jou ten geval. Goed* GOEDAAK.13. Jcloofje mydat? DlEU TERT JE. Ja toch! op myn woord. Goedaard. Hoor dan wat ik jou voorftelkn zal. y zult jou met de huishouding van myn dochter moeten vergenoegen: y zult niet ky ven’, noch bedillen, maar als jy ’er komt, jou voegen ’

Continue