Pieter Willem van Haps: Huwelijk door list. 1694.
Uitgegeven door EDITEUR
Red. dr. A.J.E. Harmsen, Universiteit Leiden.
Ceneton03220 - Ursicula
In deze uitgave zijn evidente zetfouten gecorrigeerd en gemarkeerd met een asterisk.

Dit is een onderdeel van de Ceneton Groeipagina. Van dit toneelstuk moeten nog alle pagina’s gedaan worden.

Continue

Huwelijk door list


[Pagina 1]
HET
HUWELYK
DOOR
LIST,
BLYSPEL.

[Vignet: PAULATIM AD FASTIGIUM.]

t'Amsterdam, by de Erfgen: van J: Lescailje, op de Middeldam, op de hoek van de Vischmarkt, 1694.
Met Privilegie.

[Tweede helft Pagina 6]

VERTOONERS.

KONSTANCIA, een ryke Weduwe.
ALLART, Minnaar van Konstancia.
GUALTERUS, een oud Advocaat, en Oom van Konstancia.
ROBBERT, Knecht van Allart.
KLAZYN, Meid van Konstancia.
BELIE, een kwaadsprekend buurwyf
ZAARTJE, van Konstancia.
WOUTER, mede gebuuren
Het spel begint met het aanbreeken van den dag, omtrent en in het huis van Konstancia, en eindigd tegen den middag.
[Pagina 7]
HET
HUWELYK
DOOR
LIST.

EERSTE TOONEEL.
ALLART, ROBBERT.
ALLART.
Waar ben je, Robbert? kom. hoe drommel zwierd de gek!
ROBBERT vallende.
Ik kan niet zien. O my!
ALLART.
Daar bruid hy in den drek
Met myn Japonsche rok. O Schelm! gy hebt gedronken.
ROBBERT.
Een halfje maar, myn Heer.
ALLART.
Wie heeft u dat geschonken Zo vroeg? 't is kwalyk dag.
ROBBERT opstaande en Allart op 't lyf vallende, die me valt.
Waar ben je? kyf doch niet.
ALLART.
O plompert! nu bevinde ik dat jy my niet ziet.
ROBBERT.
Och neen! zag jy my wel?
ALLART opstaande.
Reis op maar, 'k moet hier weezen.
ROBBERT me opstaande.
Och! waar? kom aan dat 's goed; nu ben ik buiten vreezen.
ALLART.
Sta nu, 'k ben omtrent 't huis van Konstancia.
ROBBERT.
[Pagina 8]

Die heeft u 't huis verbon: en kom je dan noch wer?
Wat feld'rement! keerom; wel! wat wil jy beginnen?
ALLART.
Zy kan my 't huis verbin; maar niet haar te beminnen.
Ze is schoon, en heeft ook goed waar van een eerlyk man,
Niet sober, maar heel ruim genoegzaam leeven kan.
Zy heeft my wel gehoond, en 'k moet noch mer verdraagen;
Ik zie dan Goossen, om zyn geld, haar kan behaagen:
Maar myn onheelb're min tot haar vergeet dat al,
Gelyk ik hoop dat zy myn list vergeeten zal;
Die 'k wensch, o Hemel! door u bystand, te voltrekken
ROBBERT.
Maar Heer, wat wil je doen? gy dienden 't my te ontdekken.
ALLART.
Staak uw nieuwsgierigheid: de rest zult gy strak zien.
Pas jy maar trouw'lyk op om my de hand te bin.
ROBBERT.
Daar kraakt een deur.
ALLART.
Daar zal Klazyn, haar meid, licht koomen,
Die zal my hulpzaam zyn.
ROBBERT.
Wie drommel zou dat droomen!
Klazyn!Klazyn, myn bruid! Is die u toegedaan?
'k Hoop dat uw list, myn Heer, mag na uw wensch vergaan.

TWEEDE TOONEEL.
ALLART, KLAZYN, ROBBERT.

ALLART.
Klazyntje, ben je daar? ik wacht u vast met smarten.
KLAZYN.
Myn Heer, jy toond dat u de zaak recht gaat ter harten.
Wat heeft myn Juffrouw wer te nacht van 't spook gemaald!
Zy schreeuwden of de geest haar had van 't bed gehaald.
Ik zei, Juffrouw, bedaar; wat drommel! is dat tieren?
[pagina 9]
Jy schreeuwd of 't huis verbrand: wel! dat zyn kwa manieren.
Och! zei ze, blyf doch hier; want ik ben zo bevreesd;
Daar heeft wer voor myn bed myn do mans schim geweest.
Wat, zei ik, loof dat niet; doch blyf je in die gedachten,
Zo laat Heer Allart op uw bed als man vernachten;
'k Wed de ander komt niet wer. Zie, zo draag ik het voor;
Want als zy is benauwd dan geeft ze mer gehoor.
ALLART haar geld geevende.
Klazyn, wel ik beken, gy hebt het net genomen!
Daar, neemt dit als het minst van 't geen dat noch zal komen.
KLAZYN.
Myn Heer, ik ben beschaamd.
ALLART.
Daar; 'k heb uw vlyt gezien.
KLAZYN.
Wel! wel! zulk een stuk goud? 't is mer als ik verdien aan huur in 't heele jaar.
ROBBERT.
Bewaar het tot wy trouwen, Klazyntje lief.
KLAZYN.
Zou 'k niet? ik meen 't daar toe te houwen.
ALLART.
Ja trouwd vry met elkar; en voor uw trouwigheid,
Heb ik u (lukt myn list) dan noch iets toegeleid.
KLAZYN en ROBBERT te gelyk.
Wy danken u, myn Heer.
ALLART.
't Is nu tyd voort te vaaren.
Is 't klaar, Klazyntje?
KLAZYN.
Ja. geef Robbert te bewaaren
Uw mantel, pruik, en hoed.
ALLART. gevende aan Robbert zyn mantel, pruik en hoed.
Daar; geef myn muts en rok.
KLAZYN.
Dat nachtgewaad staat lief!
ROBBERT.
Maar Heer, wat hebt gy 't drok!
Of meenje nu zo voort by haar op 't bed te raaken?
ALLART.
Zwyg. ga zo lang van hier, en let maar op uw zaaken.
Klazyn, 'k moet nu in huis er me iemand komt te zien.
KLAZYN.
Kom, volg my, het is tyd.
ROBBERT.
Daar zal wel wat rars geschin!

DERDE TOONEEL
ALLART gaat in zyn onderkleren, met een Japon aan, als eerst van 't bed komende, in de deur van Konstancia staan, om zo gezien te worden.
O Min! begunstig my; bevry myn hart van schroomen...
Maar zacht, ik zie gints reeds van haar gebuuren koomen.

VIERDE TOONEEL
ALLART, WOUTER, BELIE.
ALLART.
'k Wensch u go morgenstond; en, Buurvrouw, 'k wensch 't u ook.
WOUTER verbaasd opziende.
Wat drommel! wat is dat? zie 'k menschen. of zie 'k spook?
ALLART.
Gy ziet heet geen gy zyt, 'k ben me tot mensch geschaapen.
BELIE.
Hoe! 't schynd gy by de Weuw hebt deze nacht geslaapen.
ALLART met bly gelaat.
Die woorden hoor ik graag.
BELIE.
Dat is u aan te zien.
WOUTER.
Wel, Allart! zyt gy dat? men zou schier voor u vlin:

[pagina 11]
Ik dacht gy waard een geest.
BELIE.
Ja, hy's een van die spooken,
Daar u Konstancia zo vaak van heeft gesprooken.
WOUTER.
Wel, wel is 't mogelyk! wel en hoe is dit geschied?
'k Denk hy's 'er me getrouwd.
BELIE.
Neen, dat geloof ik niet.
WOUTER.
Zyt gy getrouwd, myn Heer? of hebt gy daar van panden?
ALLART.
Ik zeg niet neen, of ja; ik wasch hier van myn handen.
BELIE.
Ho, ho, het ey is vuil, dat hoor je daar wel aan.
WOUTER.
Ja wel. 't is my te hoog, ik kan het niet verstaan:
Daar zy van 't trouwen zo versmaadelyk kon spreeken.
Wel! zyn de deugden dan de waereld uit geweeken?
ALLART.
Wat raakt dit aan haar deugd? een yder doet zyn zin.
BELIE.
't Is recht dat gy zo spreekt, gy hebt 'er voordeel in.
Maar wie zou nu voortaan de Weuwen mer gelooven?
Doch zy gaat in 't bedrog alle and're ver te boven.
Wer trouwen! zei ze laast, neen! 'k trouw niet mer 'er vaart.
Nu is zy buiten dat al evenwel gepaard.
Wel wat geschied 'er al! wie moet zich niet verwond'ren?
Hoe wil dit huwelyk de gantsche Stad door dond'ren!
En ik doe me myn best, en maak het voort bekend,
En blaas het door de Stad, van 't een tot 't ander end;
Hoe dat Konstancia, zo wars en schuuw van 't minnen,
Haar nu in eenen nacht van Allart liet verwinnen.
ALLART.
'k Heb mer als eenen nacht Konstancia gevryd.
WOUTER.
En by geslaapen ook?
[pagina 12]
Dat hoop ik, met 'er tyd.
WOUTER.
Meend gy dan op deez' wys met haar zo voort te leeven?
ALLART.
'k Hoop, 't geen my hier in diend, zal my den hemel geeven.
WOUTER.
Maar zyt gy dan noch niet, of zyt gy al getrouwd?
ALLART.
Het geen ik heb gedaan heeft my noch niet berouwd.
WOUTER.
Wel dat is wonderlyk! men kan den grond niet weeten.
ROBBERT leid zyn goed in een stoep en komt zich vertoonen.
Hoe zyt gy lin zo nieuw na ander mans secreeten?
Myn Heer, kom t'huis, daar 's volk.
ALLART. hem te rug wyzende.
Wie roept u?
BELIE. Robbert by zyn kleren vattende.
Hoor eens, vrind.
ROBBERT.
Wat hoor. laat los. brui heen.
BELIE.
Wel gek! ben jy ontzind?
WOUTER.
Wat of hy zeggen komt?
BELIE.
'k Zocht dat uit hem te hooren.
ROBBERT.
Myn Heer, kom nu toch maar. bloed hoe ik ben geschooren.
WOUTER.
Ik merk hy's niet getrouwd.
BELIE.
Neen. waarom vroeg je dat?
Dat werk gebeurd hier zo vaak in deze groote Stad.
WOUTER.
Ja wel 't kon ook niet zyn dat zy getrouwd zou weezen;
Het trouwen dat is noch haar gist'ren aangepreezen,
[pagina 13]
Van my en Zaartje buur; om dat zy, door de trouw,
Dan aan de spookery niet mer gedenken zou.
Wat hieuw zy haar toen vreemd! en zei; hebt gy gedachten,
Dat ik zo vroeg zou by een tweede man vernachten?
Neen! dat zy veer. wel zie, hoe zal men dat verstaan?
En toen prees ik haar noch deez' nieuwen Buurheer aan.
ALLART.
Ik dank u voor die dienst, ik zal ze ook niet vergeeten.
WOUTER.
Ja maar 't had niet gehoefd, indien ik had geweeten
Dat gy al by haar sliept. 't scheen zy gaf geen gehoor;
Maar zei; hy is te wulps, en bragt myn goed licht door.
BELIE.
Dat zei ze gist'ren noch! hoe durfde zy te het melden!
tegens Allart.
Maar wyl zy by u slaapt, waarom u dan te schelden?
ALLART.
Dat zy my heeft veracht, is my van herten leed.
BELIE.
Waarom? wat schaad jou dat, dewyl jy beter weet.
tegens Wouter.
Maar wat heeft ze 'er me voor zo vuns hem uit te stryken,
Daar ze ommers by hem slaaptt, gelyk 't hier komt te blyken?
WOUTER.
Vraag dat hem zelver eens, licht dat hy 't u wel zeid,
Dan hoord gy uit zyn mond het zekerste bescheid.
BELIE.
Nu, nieuwen Buurheer, zeg, wat ren heeft ze u te schenden?
ALLART.
Indien gy 't weeten wilt, moet ge u na Wouter wenden.
WOUTER.
Zy heeft u wel veracht, maar niet waarom gezeid.
ALLART.
Al 't geen men zegt werd juist niet op de schaal geleid.
BELIE.
Doch waarom zou hy ook haar schande nu ontdekken?
Dat zou slechts tusschen haar een groote twist verwekken.
[pagina 14]
Maar 'k meen dat ik myn rol heel trouw verrichten zal.
WOUTER.
Ik moet bekennen 't is ook al een raar geval;
Om dat zulks doet een Weuw, die zo fraai scheen van leeven.
BELIE.
Dat 's waar; maar 't werd wel mer by zulken slag bedreeven.
O ja! want het verstrekt voor vriendschap, en[de] geryf.
ROBBERT.
Ei! hoor; wel brui doch weg. gy zyt een drommels wyf.
BELIE.
Wel, schreeuwbast, raakt het jouw? of wouw je me by leggen?
Kom dan, zy 's noch op 't bed.
ALLART.
Zacht! daar zou 'k neen toe zeggen.
ROBBERT.
Gy had gelyk, myn Heer. Wat praat die snapster al?
Jeukt u de huid? zo spreek.
BELIE.
Och! hy is waarlyk mal.
ALLART.
Nu, Buurtjes, 't is wat koel, 'k sta in myn onderkleren.
WOUTER.
Ja, gaat gy liever in, de kouw die mogt u deeren.
BELIE.
'k Zal braaf van dezen dag de mondklok laaten slaan;
Ja al die 'k ken, of niet, dien ik dit voorval aan:
De zaak is veel te mooy om die in 't hart te delven.
Juffrouw Konstancia! wel ik verheug my zelven,
Dat uw schynheiligheid nu yder weeten zal.
Hoe zal men met uw naam dan kaatzen als een bal!
WOUTER.
Indien zy was getrouwd, daar waar niets aan geleegen;
Maar toen men hem dat vroeg, heeft hy daar op gezweegen.
Nu, Buurheer, vaar dan wel, wy komen strak eens wer,
Om uwe bedgenoot me aan te doen die eer,
Van haar te zeggen 't geen dat redelyk zal weezen.
[p. 15]
ROBBERT na zyn goed loopende.
"Deur gaan ze. Och! dat 's goed. den hemel zy gepreezen.
BELIE.
Ja zeg vry dat ik haar zo aanstonds meen te zien.
Vaar wel.
ALLART.
Doet als gy zegt, haar zal veel eer geschin.
Wouter en Belie binnen.
Een band springt van myn hart: 'k ben van de buurt ontslaagen:
Ik kwam schier ren te kort door dat nieuwsgierig vraagen.
Waar 's nu myn hangebast? kom, Robbert, hola! hey!
Ha, ha, ik roep 'er een, zy komen alle bey.

Continue